Starry Night
***

Gisterenavond deed ik het weer. Ik lag in bed met een boek
en plotsklaps begon ik te lachen. Niet een gewone normale lach,
zo'n communicatieve, maar zo eentje die me vanuit het niets
overviel en langzamerhand erger werd, tot mijn ogen ervan begonnen
te druppelen en ik dubbelklapte. De slappe lach dus. Mijn man zat
erbij en keek er geamuseerd naar. Hij kan het zelf niet, slap
lachen, maar heeft het verschijnsel bij mij inmiddels geaccepteerd
als iets uitheems dat kennelijk af en toe langskomt. "Lees maar
voor", zei hij geduldig toen het eindelijk klaar
was.Ik hief mijn boek en begon: "Nou, hij schrijft dus dat hij vroeger waarschijnlijk instinctief luid zou hebben gegrinnikt om mensen die een helpdesk nodig hebben voor de vraag waar ‘any key' zit. Totdat... Twee avonden geleden ging ik de deur uit om twee boodschappen te doen - om precies te zijn om een pakje pijptabak te kopen en een paar brieven op de post te doen. Ik kocht de tabak, nam die mee naar de overkant van de straat, naar een brievenbus, en schoof het pakje erin."
Iedereen die mensen kent die wel eens de slappe lach hebben, begrijpt dat ik deze tekst niet normaal uitsprak. Ik hikte en gierde hem en sloeg me op mijn onder het dekbed verpakte dijen. "Ja, grappig", zei mijn man en wendde zich weer tot zijn eigen lectuur. Eigenlijk is er maar één mens op deze aarde waarmee ik de slappe lach een beetje leuk kan beleven en dat is met een van mijn beste vriendinnen. Naast elkaar ‘s nachts in een tentje, zo hard en machteloos gierend dat je vreesde met onmiddellijke ingang van de camping verwijderd te worden. En als het dan was weggeëbd vooral niet meer aan de aanleiding denken, want als een van de twee dat per ongeluk toch deed en de lach diep vanuit de keel terug naar boven rolde, dan was het weer minutenlang mis. Dit gedeelde vermogen heeft er bij een gelegenheid zelfs eens toe geleid dat zij of ik - geen idee meer wie, maar het was in een jeugdherberg - uiteindelijk maar in een kast ging staan om het te laten overwaaien.
Een tijdje terug las ik in De Volkskrant een column van iemand die een andere mening is toegedaan. Ze was het eigenlijk beu, al die schrijvers die zichzelf presenteren als hoofdpersoon in een slapstick. Mensen moesten eens met wat meer trots over zichzelf schrijven. Pas dan kun je iemand immers serieus nemen? De reden dat het verkeerd is jezelf op de hak te nemen stond ook vermeld en bleek van feministische aard.
Waarom benadrukken vrouwen hun stunteligheid en hun fouten?
Ineens was het de columniste opgevallen dat ‘wij vrouwen' dat doen. Praten en schrijven over onze tekortkomingen. Hoe chaotisch we zijn, hoe we onszelf voor gek zetten tijdens een date, ouderavond of breiklasje (breiklasje? jaja, dat staat er echt), of hoe radeloos we worden van onze kinderen. De schrijfster wilde het niet meer hebben. Ze gaf toe best te hebben moeten klaterlachen om de permanent blunderende Bridget Jones, indertijd toen ze een kuikentje van twintig was, maar inmiddels gerijpt tot bijna dertiger begon ze zich los te maken van dergelijke koketterie. Dat Bridget Jones een fictief personage is scheen voor de beeldvorming niet van belang.
Ik voelde me een beetje betrapt en op mijn nummer gezet, want ik ben allang geen twintiger meer, zelfs geen dertiger, en zit me daar gewoon nog met volle teugen te genieten van schrijvers als Bill Bryson en Sylvia Witteman. Trouwens ook de jongsten niet meer. En juist omdat ze met name zichzelf zo leuk op de hak nemen. Daardoor mogen ze het van mij ook wat makkelijker met anderen doen.
Wat waren precies de bezwaren? Nogmaals, de columniste signaleerde het hoofdzakelijk bij vrouwen. Bill Bryson is een uitzondering. De gebreken waarmee ‘we' op de proppen komen vond ze niet echt genoeg. Ze zeggen niets over waar we ons wérkelijk zorgen om maken. Veel beter zou je kunnen verhalen over de dingen waar je ‘ongelooflijk goed' in bent. Kortom: wie om zichzelf lacht gooit bij voorbaat de eigen glazen in. Wij zijn zelf ons eigen marketingproduct en een fles wasmiddel of een auto verkoop je ook niet door de nadruk te leggen op de fouten. Zoiets.
Mannen snappen dat volgens de columniste veel beter en zij riep ‘ons vrouwen' dus op hun voorbeeld te volgen en in het vervolg alleen nog onze adembenemende prestaties, briljante ideeën, ernstige fouten en verschrikkelijke twijfels met haar en de rest van de wereld te delen. Deze riedel verzin ik niet, ik citeer. Ik vrees dat het voorgoed zou zijn afgelopen met mijn slappe lach als het die kant op zou gaan, maar dat op zich vind ik nog niet eens het ergste. Het ergste vind ik dat ik eigenlijk nooit iets adembenemends presteer, geen briljante ideeën heb, dat mijn fouten niet bitter ernstig zijn en dat ik aan twijfelen weliswaar een dagtaak heb, maar dat die twijfels geenszins verschrikkelijk van aard zijn en vooral hoogst oninteressant voor een ander. Ik heb gewoon niks te vertellen, moet ik concluderen.
En dan nog iets. Klopt het eigenlijk wel? Haalt eenieder die met zelfspot schermt zichzelf naar beneden? Ik durf heel voorzichtig te beweren dat dat vooral afhangt van het publiek. Wanneer je jezelf bespot tegenover iemand die zichzelf heel serieus neemt, dan denkt die persoon dat je het werkelijk helemaal méént. En als het heel erg gesteld is met je gesprekspartner, dan denkt diegene zelfs dat jij jezelf tot minder in staat acht dan hij of zij. Maar dat is natuurlijk niet zo. Mensen die zelfspot onder de knie hebben vinden namelijk niet alleen zichzelf vrij lachwekkend en een dankbaar doelwit voor spot. Ze pretenderen heus niet uniek te zijn, integendeel. Ze vinden de prestaties van anderen ook slechts bij hoge uitzondering adembenemend, briljant, bitter ernstig of verschrikkelijk. De zelfspotter relativeert behalve zichzelf net zo goed zijn of haar medemens. En als vrouwen inderdaad uitblinken in zelfspot, dan moeten mannen maar eens gaan bedenken om wie er nou in feite gelachen wordt.
Twee dagen
geleden dacht ik hier weer aan toen ik een artikel las over de
nieuwe First Lady: Michelle Obama. Openlijk schijnt ze bij
herhaling haar eigen bazigheid op de hak genomen te hebben en
Barack beaamde dat geamuseerd. Snel werd er ingegrepen. Stel dat de
kiezer werkelijk dacht dat haar man niets te vertellen had thuis!
Niet erg wenselijk voor een toekomstige president. Zowel Michelle
als Barack blijken over een gevoel voor humor te beschikken, dat
spot en zelfspot in hun huwelijk een dankbare plek geeft en helaas
niet altijd te volgen is voor het grote publiek. Michelle droeg
Barack eens telefonisch op om mierenlokdoosjes te kopen en hij
vroeg zich daarna lachend af of McCain met een dergelijke opdracht
naar huis zou zijn gegaan die dag. Stond Obama hierdoor zwakker dan
McCain? Is iemand die een ander af en toe als sterkere aanvaardt
per definitie zwak? Of is hij juist sterk, omdat hij kennelijk over
voldoende zelfbewustzijn beschikt om een ander die ruimte te geven
en zich er openlijk niet voor te schamen? Het opgeven van haar baan
vindt Michelle overigens zelf geen offer, omdat ze in haar man
gelooft als president. En het is maar voor vier jaar. "Of acht, als
je het goed doet", schijnt ze met een schooljuf-blik gezegd
te hebben.Ik heb er wel vertrouwen in.
Aangehaalde columniste: Anna Wolz
Foto's: Starry kids meet Andy Warhol ; Bill Bryson ; Michelle Obama
Sommige principes houden er een heleboel mensen op na, zei Cees Buddingh ooit.
Persoonlijk voel ik een diep wantrouwen tegen principes. Ik heb ze wel moet ik bekennen, twee zelfs, en je mag er altijd met me over praten. Ik ben tegen de doodstraf en ik ben tegen elke vorm van discriminatie. Ik herken mijn principiële gevoelens met betrekking tot deze onderwerpen aan een acute aanval van kortademigheid, uitbrekend zweet en een vastzittende strot wanneer iemand eraan probeert te wrikken en ik ben dus blij dat het zich tot die twee beperkt. Ik beschouw hun aanwezigheid als een juk. Vraag me naar de gronden van mijn principes en ik kom keurig met argumenten, maar mijn stem zal daarbij net iets schriller klinken dan normaal en eigenlijk heb ik geen zin.
Welk belang dient het hebben van principes eigenlijk? Ik zie meer nadelen dan voordelen namelijk. Principes zijn over het algemeen eerder een handicap voor het gezonde verstand dan een nuttig handvat. Mijn man probeerde het me onlangs uit te leggen door op sluwe wijze een kleine zwakte in mijn gedrag als voorbeeld te nemen. "Stel dat jij het principe hanteerde dat je altijd je sleutels op een vaste plek opborg", zei hij. "Dan was je vanaf dat moment nooit meer je sleutels kwijt!" Hij werd er bij voorbaat vrolijk van. En er viel niets op af te dingen. Het hebben van een principe ontslaat je duidelijk van de plicht nog langer na te denken. Met betrekking tot het vinden van mijn sleutels een groot voordeel, zal ik niet ontkennen, maar het hebben van principes beperkt zich helaas niet tot dergelijke basale en vooral praktische voorbeelden. Een béétje principe gaat veel verder.
Kan het zijn dat veel mensen met granieten principes niet anders gedaan hebben dan bepaalde voorzichtig geboren ideeën wegzetten om er nooit meer over te hoeven nadenken? Als het even kwaad wil zelfs over verschillende generaties heen getild? Zo'n idee wordt, nadat het is goedgekeurd, heilig verklaard en niemand kan er meer aankomen. Het hebben van principes wordt vaak zelfs als een gunstige eigenschap beschouwd. Onwrikbare halsstarrigheid als innerlijke kracht.
Een van de grootste nadelen van principes vind ik dat ze de neiging lijken te hebben om door te slaan. Als een soort onzichtbaar monster houden ze zich verscholen in het niet-nadenkende stukje brein en beginnen bij elke tegenwerking te groeien tot ze wanstaltige proporties aannemen.
"Irem mag geen spekjes eten", zei mijn dochter een
tijdje terug. Haar vriendin is van Turkse komaf en islamitisch. Ze
mag dus geen varkensvlees."Nee, dat klopt", antwoordde ik. "Dat heeft met haar geloof te maken."
"Weet ik", sprak mijn dochter, "maar het is wel lastig. Want heel vaak worden er spekjes getrakteerd op school en die mag ze dan niet." Ik schoot in de lach en legde uit dat spekjes iets anders is dan spek. Dat het één snoep is en van suikergoed gemaakt, en het ander van, wel, van varkensvlees dus. Het bleek echter geen grap. Irem had wel degelijk haar cultuurgebonden principe zelfstandig uitgebreid naar het vrijwillig weigeren van spekkies. En bazuinde dat kennelijk graag rond.
Onschuldig natuurlijk, maar naarmate de vriendschap hechter werd kwamen er nieuwe principes naar boven en dan met name Irem's reactie erop. Een leerkracht die haar eens wat jolig aansprak op het feit dat ze ‘at als een varken' omdat ze smakte, bespotte haar geloof en toen een andere leerkracht haar volkomen argeloos voorstelde om op de grond plaats te nemen tijdens een maaltijd omdat er geen stoelen meer waren, deed hij dat duidelijk om haar cultuur te ondermijnen. Turken schijnen namelijk niet op de grond te mogen zitten als ze eten. De kans dat betreffende leerkracht dit wist en zijn voorstel bedoeld had om te beledigen leek me nihil, maar er viel niet over te discussiëren. De laatste tijd klaagt mijn dochter dat haar vriendin zich bij het minste of geringste voelt ‘uitgelokt' en heel eerlijk gezegd begint zowel mijn als haar grens in zicht te komen. "Irem zegt bij alles dat wij haar discrimineren, maar zelf roept ze steeds ‘Hollanders, Hollanders, stomme Hollanders!'" Mijn dochter snapt het niet. "Iedereen heeft wel eens ruzie in de klas. We zouden haar juist discrimineren als we géén ruzie met haar kregen", redeneerde ze met een kinderlijke logica.
Aan deze waarnemingen moest ik denken toen ik over een notitie las die PvdA-voorzitter Lilianne Ploumen heeft geschreven, getiteld ‘Weg met het slachtofferschap’. Je mag best kritiek hebben op culturen of religies, vindt ze. Het wegstoppen van gevoelens van verlies en onbehagen omwille van de tolerantie, zoals in de achterliggende periode de gewoonte is geweest, is niet de juiste weg gebleken. Het is belangrijk dat die gevoelens geuit kunnen worden.
Niet alleen links Nederland heeft trouwens jarenlang heil gezien in het beschermen van tere gevoelens. Eerder dit jaar deed onze minister van justitie nog een poging om een diep ingeslapen wet – die inzake smalende godslastering - wakker te kussen, als dat zou helpen in de strijd tegen het kwetsen van de porseleinen medemens. Het uiten van gevoelens van verlies en onbehagen diende weer strafbaar gesteld te worden, vond hij. Vooral je mond houden over andermans principes, geen grapjes over maken en al helemaal niet bekritiseren. Stel je voor!
Helpt die houding? Nee, zo is gebleken, dat helpt geen fluit. Het enige dat je bereikt door wringende cultuurverschillen te verzwijgen is een groeiende onvrede en daaruit voortvloeiend juist een overdreven onbegrip voor elkaar. Het heilig verklaren van principes doet meer kwaad dan goed. En een teveel aan - opgelegde - tolerantie kan met gemak omslaan in afkeer zelfs. Dat kan zulke groteske vormen aannemen, dat de partijen uiteindelijk met opeengeklemde kaken tegenover elkaar komen te staan en niets anders meer wensen te zien dan de enorme verschillen die hen scheiden. En wanneer kaken gaan klemmen, dan stopt over het algemeen het brein met werken.
"Kinderen van Turkse of Marokkaanse ouders die in Nederland zijn geboren en getogen worden de laatste jaren opeens weggezet als allochtoon. Migranten die hier al jaren wonen hebben de indruk dat ze meer dan ooit worden afgerekend op hun achternaam, huidskleur, afkomst of geloof," zegt Lilianne Ploumen erover.
Neerlandse inboorlingen rekenen migranten tegenwoordig maar wat graag af op bepaalde kenmerken. Misschien dat Irem en haar ouders dat ook ervaren en daarom hun hakken in het zand zijn gaan zetten vanuit een begrijpelijk gevoel van trots, met alle kwalijke gevolgen van dien. Omdat ze zich geïsoleerd voelen en dat gevoel van isolement beginnen te sublimeren en te overdrijven. Daarmee ongewild goedwillende burgers verleidend tot irritatie.
Zouden we het kunnen? Elkaar op een normale manier
beschouwen, de meeste verschillen accepterend als niet
bedreigend en de verschillen die we niet prettig vinden
of niet passend binnen onze samenleving vrijuit bekritiserend?
Zonder meteen grof of beledigend te worden? Ik denk dan met name
aan verschillen die ons rechtsgevoel raken. De positie van
homoseksuelen bijvoorbeeld. Is het niet volkomen belachelijk dat de
ChristenUnie gerespecteerd is in hun besluit dat ambtenaren van de
burgerlijke stand homohuwelijken moeten mogen weigeren? En moeten
we aanvaarden dat mannen met een bepaald principe vrouwen geen hand
hoeven te geven? Zijn er grenzen aan de tolerantie van
principes?Eerlijk gezegd lijkt het mij helemaal niet zo ingewikkeld. Die grens wordt bereikt zodra de ene groep de andere wil gaan buitensluiten of discrimineren. Ongeacht wie dat bij wie doet. Of verschuil ik me met dit standpunt alleen maar gemakzuchtig achter mijn eigen principe?
Eigen foto's: 'Hound Tor in Devon' en 'Vrede op aarde zegt mijn schrijfhand'
Van internet: 'Jummie Jummie' (Wiljo Meijnhout)
Er liepen eens een man en een vrouw over een bospad. Opeens moest de vrouw plassen. Ze verliet het pad en begon tussen de bomen een beschut plekje te zoeken om haar behoefte te doen, zo, dat niemand haar vanaf de weg kon zien zitten. Steeds dieper liep ze het woud in, rondspeurend naar een geschikte stek. Uiteindelijk vond ze een dikke boom met hoge struiken aan de juiste kant en daarachter zakte ze op haar hurken voor een bevrijdende plas.
De man was achtergebleven en had de zoektocht vanaf een afstandje gevolgd. Zelf kon hij de vrouw vanaf het pad inderdaad niet meer zien, maar op een verre akker zag hij een boer op een tractor tot stilstand komen en ingespannen richting de bomen turen. De vrouw was zo geconcentreerd op zoek geweest met een vooropgezet doel voor ogen en was het bos zo diep ingewandeld, dat ze een klein doch niet onaanzienlijk detail over het hoofd had gezien. Zodat ze nu in het volle zicht vanaf de andere kant te bewonderen was. Tevreden voegde ze zich even later weer bij haar man, die grinnikend de tocht vervolgde.
Aan dit waargebeurde verhaal (jawel) moest ik deze week denken toen ik een mail ontving omtrent de kwestie ‘Jezus en de appelboom'. Ik zal het even uitleggen. Tussen de stemmige kerstliederen die ik zoals elk jaar aan het instuderen ben met het projectkoor waarin ik zing, prijkt dit keer een werkje met de raadselachtige titel ‘Jesus Christ the apple tree'. Ik zong het al weken even enthousiast mee als de andere stukken, maar snappen deed ik het niet. Dat christenen de geboorte van Jezus bejubelen met kerst, daarvan was ik op de hoogte. Dat daarbij af en toe een herder op een veldje ligt te luieren kan ik volgen. Dat er nu en dan drie koningen door het beeld schrijden op kamelen met de ogen strak gericht op een ster, allemaal bekend. Zelfs een van pure emotie ontspringende roos kan ik nog plaatsen. Maar Jezus die ineens vanuit het niets in de hoedanigheid van een appelboompje wordt gepresenteerd, dat was geheel nieuw voor me.
Ik vroeg niets. Ik sta er als heiden tussen gelovigen van allerlei pluimage en kreeg niet zo lang geleden al eens de vraag voorgeschoteld hoe ik als ‘gewetensbezwaarde' al die teksten uit mijn strot kon krijgen. Wel, eerlijk gezegd omdat ik helemaal niet op de teksten let. Ik voel de woorden niet, ik voel de melodieën, hun sfeer. En ik aanschouw de rituelen die erbij horen en die door de mensen rondom mij beleefd worden. Ik ben een toeschouwer die een bijdrage levert aan een eeuwenoude en waardevole traditie en ik geniet ervan. Elk jaar opnieuw. Maar zodra gezang overgaat in monotoon gemummel (onze vader die in de hemel zijt uw naam worde geheiligd uw rijk kome uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel etc etc), dan houd ik mijn mond dicht. Het gaat me dus om de muziek en de mensen. Niet om de woorden en niet om de boodschap. Ik help die graag uitdragen voor anderen, maar beleef hem zelf niet.
Ik vroeg
ook niets omdat ik me toch ineens een beetje bezwaard voelde,
dat ik de kennis miste die mijn koorgenoten met elkaar deelden.
Voelde me misschien zelfs een beetje buitengesloten. Jezus als
appelboom. Ernaar vragen zou me voor mijn gevoel buiten de
gemeenschap van het koor plaatsen en dat wilde ik niet. Ik besloot
het dus zelf uit te zoeken. Na drie minuten Googelen had ik het
antwoord en wist ik waarom Jezus een appelboom was. Vanaf dat
moment zong ik met gerust gemoed mee: weer een met de
anderen.En toen kwam die mail, verstuurd door een der koorleden, die aangaf dat hij aan een taal-expert gevraagd had waar de vergelijking met een appelboom vandaan kwam. Nee, herstel, waar in 's hemelsnaam de vergelijking met een appelboom vandaan kwam! Met uitroepteken. Nadat ik even verbouwereerd naar dat zinnetje gestaard had om te verwerken dat ik dus kennelijk helemaal niet de enige was die de link tussen Jezus en appelboom was ontgaan, richtte ik mij op de verhandeling van de deskundige, zelf christelijk. Die verhandeling was omvangrijk en gecompliceerd als het bos waarin mijn moeder ooit met oogkleppen op naar een geschikt plasplekkie had gezocht en aan het eind was de schrijfster voor mijn gevoel op gelijke wijze te ver doorgedraafd als zij indertijd.
Ik realiseer me dat ik streng ben en niet zo aardig nu. Het was heus een interessante verhandeling, waarin ondermeer naar voren kwam dat de tekst van een anonieme Amerikaan was, die het gedicht had voor 1784. Er werden linken gelegd met middeleeuwse teksten, ze betreurde het dat ze niets wist over de voorouders van de onbekende dichter, noch tot welke kerkelijke groepering hij behoorde. Meerdere theorieën passeerden de revue, variërend van de visioenen van middeleeuwse mystici tot de bruidegom in het een of andere hooglied. Na een lang verhaal, een ingewikkelde zoektocht door een bos vol dikke tot de hemel reikende boomstammen van eruditie, was de eindconclusie dat er niet uit te komen viel en dat er wellicht ergens in een bibliotheek een studie over stond te verstoffen.
Dat laatste viel mee. Ik had het antwoord namelijk gewoon gevonden op Wikipedia. En daar hadden ze het eenvoudig uit de bijbel gehaald. En het grappige was dat de oplossing nota bene gegeven was in de tweede alinea van het lange betoog van de schrijfster, waarna het echter terzijde geschoven was als te simpel. "Het kan dus zijn, dat de dichter simpelweg de "levensboom" uit het paradijs voor zich ziet, de boom van de kennis van goed en kwaad, het middelpunt van het paradijs, en in deze boom een symbool ziet voor Christus." Dat deze oplossing als niet bevredigend werd ervaren had als oorzaak dat er een saillant detail in de voorgaande zin niet klopt. De levensboom is niet dezelfde als de boom van de kennis. In het Hof van Eden stonden twee bomen, waarvan niet een ‘het middelpunt' was. Ze waren allebei even belangrijk.
Toen Adam en Eva zich
bezondigden aan een vrucht uit de boom van de kennis
werden ze niet alleen verbannen omdat ze stout en ongehoorzaam
waren geweest en hun Vader niet zozeer boos was als wel verdrietig.
Ze werden vooral verbannen omdat Vader bang was. Bang dat ze zich,
eenmaal driest geworden, niet tot die ene boom zouden
beperken, maar hun aandacht zouden verleggen naar de andere boom,
de boom des levens. De vruchten van deze boom zouden hen namelijk
onsterfelijk maken en dat was niet de bedoeling. En daarom werden
Adam en Eva uit het paradijs verbannen. In het Nieuwe Testament
werd deze verbanning vervolgens gecompenseerd door het
‘planten' van een nieuwe levensboom. U raadt het reeds:
Jezus. Met de geboorte van Jezus kreeg de mens de levensboom terug
en daarom zingen we met kerst dat Jezus een appelboom is. En nou
niet moeilijk gaan doen over die appel. Die is door de eeuwen heen
nu eenmaal symbool geworden voor de vruchten waarvan wordt gerept
in Genesis.Waarom hieraan een blog wijden? Omdat ik moet toegeven dat ik lichtelijk geshockeerd ben. Dat erudiete mensen kunnen struikelen over het kreupelhout van hun uitgebreide kennis, daar waar de argeloze dommerik vanaf de buitenkant door zijn oogharen het bos inkijkt en meteen het antwoord ziet liggen, dat is gewoon grappig. Meer niet. Wat me echter shockeert is dat ik er altijd vanuit ben gegaan dat gelovigen weten waarover ze praten en zingen. Dat hun overtuigingen doorleefd zijn en gebaseerd op kennis. Als een christen mij wil bekeren (en heus, soms willen ze dat), dan is hun benadering er altijd een van licht medelijden. Zij weten iets wat ik niet weet. Zij zien iets wat ik niet zie. Maar naar aanleiding van deze ervaring moet ik concluderen dat dit beeld helemaal niet klopt. Ze doen maar wat! Wat gelooft de gelovige eigenlijk, zo vraag ik mij af. Wéét hij wel wat hij gelooft? Of is geloven niet meer dan een gewoonte? Een gewenning waarover helemaal niet wordt nagedacht? Zo'n verhaal van die twee bomen is toch prachtig? Dat ga je toch niet vergeten en er slechts één boom van maken!?
Nadat ik mijn Wikipedia-verhaal gedeeld had met mijn koorgenoot werd het niet, zoals ik eerlijk gezegd verwacht had, doorgegeven aan de anderen met eenzelfde eureka-gevoel dat ik had ondergaan toen ik het verband snapte. We hebben ‘Jesus Christ the apple tree' afgelopen zondag gezongen zonder toelichtingen. Niemand kwam terug op de mail. Ogenschijnlijk interesseerde het niemand. En dat verbaast me. Dat de enige die werkelijk belangstelling lijkt te hebben voor de achtergronden en de betekenis van een kerstlied de heiden in het gezelschap is.
Eigen foto's
Illustratie: De val van de mens (Lucas Cranach sr., 16e eeuw); de Boom des levens staat achter de Boom van de kennis van goed en kwaad, overigens op dit schilderij duidelijk behangen met peren
Naschrift 4-12-2009 om 18.15:
ik heb bepaalde passages in dit blog gewijzigd, nadat ik erop ben gewezen dat ze denigrerend waren voor degene die zich op verzoek verdiept had in de materie. En ook al is dit blog anoniem geschreven en ben ik er niet vanuit gegaan dat diegene geïdentificeerd zou kunnen worden, ik ben het daarmee eens. In feite was het hoofdmotief van dit blog niet dat iemand die te diep graaft soms niet ziet wat aan de oppervlakte ligt. Ik schreef al: dat gegeven vond ik gewoon grappig, maar beledigend of denigrerend heb ik het niet willen bedoelen. Dat het zo overkwam begrijp ik en betreur ik. Ik heb namelijk oprecht respect voor deze persoon.

Ik ga me laten registreren. Als donor. Het kan best zijn dat ik dat allang ooit reeds gedaan heb, maar ik weet het niet meer. Lang geleden had ik een rood met wit kaartje in mijn portemonnee zitten dat ‘donorcodicil' heette. Met pen had ik dat ingevuld en jaren zat het in mijn tas, steeds kreukeliger en viezer wordend, met viltigzachte randjes die opkrulden. Ik kan me niet herinneren dat ik het heb weggegooid maar dat moet op een gegeven moment toch gebeurd zijn want ik ben het kwijt. Trouwens, geldig lijkt het me niet meer, dat codicil.
Registreren gaat tegenwoordig niet met behulp van een simpel kaartje, je moet er het wereldwijde web voor op. Ik zag het bij Pauw & Witteman. Een jongedame met een vierkant brilletje en een kapsel van een bakvis uit 1950 vertelde het. "Een paar klikken en je bent donor", zei ze wervend. Zo simpel was het. Ik hou van simpel.
Natuurlijk zeg ik maar wat. Ik wist toen ik naar Pauw & Witteman zat te kijken al dat die jongedame zat te liegen. Ze was namelijk van de Christen Unie en niet dat die altijd liegen - dat mag niet eens van Mozes' achtste - maar als ze liegen en draaikonten dan doen ze dat zo klunzig dat je het meteen kunt zien. Eerder viel dat me al op toen een partijgenoot van haar over embryoselectie zat te jokkebrokken op televisie en nu was zij aan de beurt. Stotterend en knipperend en blijmoedig glimlachend loog ze zich met behulp van onbegrijpelijke kromzinnen door het programma heen, zorgvuldig langs alle kernen schampend. Waarlijk denkend dat ze ermee weg kwam, vermoedelijk door pure desinteresse in haar medemens.
Het begon met een simpel statement: als uit cijfers blijkt dat je in België 50% sneller aan de beurt bent voor een donororgaan dan in Nederland, zou dat dan wellicht kunnen komen doordat je bij onze zuiderburen standaard donor bent, tenzij je op principiële gronden anders aangeeft? Dat is namelijk precies andersom als bij ons. Hier ben je géén donor, tenzij je anders aangeeft. Het principe is hetzelfde, zij het gespiegeld, de gevolgen radicaal anders. Zo anders, dat Nederlanders massaal naar België vertrekken als ze een nieuwe lever of nier nodig hebben omdat ze anders doodgaan of geen leven hebben.

De jongedame van de Christen Unie glimlachte met haar grimasachtige mond en keek over tafel naar twee ouders van dreumesen die afhankelijk waren van donatie. ‘Haar handen jeukten inderdaad', zei ze, en keek er heel jeukerig bij, want ‘ze had echt een drive van hier moet wat gebeuren.' Hierin stond ze overigens niet alleen. ‘Dat gevoelen', dat werd heel breed gedeeld en die intentie was er ook, ‘maar dat je dan op een gegeven moment de discussie kreeg van hoe doe je dat en wat is het meest effectief.' Over die vraag hadden ze zich als politiek de afgelopen maanden gebogen.
Dat was natuurlijk hoera. Jeukende handen, eindeloos lullen, nou kwam er schot in de zaak. Maar helaas, dat bleek te vroeg gejuicht. Want wat ging er gebeuren? Welnu, minister Klink had gezegd ‘van wat ik ga doen is alle mogelijke registratiesystemen eens op een rij zetten en ook met alle mogelijke prikkels t'rbij, om mensen te motiveren en om daar met een open mind naar te kijken en om dan een keus te gaan maken.'
Nou bleek er een advies gekomen te zijn van een commissie, die vond dat dat Belgische systeem toch wel zo'n beetje het meest voor de hand lag omdat het zo evident effectief was, maar dat was toch te simpel gedacht van die commissie. De boodschap van het Masterplan was namelijk geweest, ‘er zijn ook verschillende andere aanbevelingen, maar ook, we gaan een ADR systeem invoeren, dat is niet het Belgische systeem, dat zijn dus allerlei verschillende varianten, maar wat wel heel boeiend was om de onderliggende cijfers daarbij te bekijken van is de verwachting dat zo'n ADR systeem meer donoren gaat opleveren of niet.'
Al die tijd had ze gesproken alsof ze voor een bijbelklasje stond, maar nu begon ze definitief te stralen. Want uit onderzoek was gebleken dat dát niet naar boven kwam en dat je dan wel de vraag moest hebben ja, ‘moeten we nu echt die systeemdiscussie blijven gaan voeren, of moeten we gaan zeggen en dat zijn gelukkig ook andere aanbevelingen in het Masterplan, je moet gaan zorgen dat (ze begon op haar vingers te tellen) in het ziekenhuis effectiever wordt gewerkt, meer daadkracht - hoorde ik al eventjes zeggen - dat de voorlichting beter is, maar dat je ook allemaal financiële en organisatorische drempels weghaalt waardoor mensen beter in staat zijn om bevobbuld bij leven een nier bevobbuld te schenken.'
Daadkracht was inderdaad genoemd, maar wel met betrekking tot een ervaring in België. En dus niet als loze managerskreet, maar als een in de praktijk gevoelde gang van zaken die een kinderleven gered had. Het leven van Teuntje namelijk, die in werkelijkheid Jantje bleek te heten. Intussen begreep ik het allemaal totaal niet en ik zag ook de tafelgenoten van mevrouw Wiegman haar met een blik aanstaren die ik vroeger voor mijn wiskundeleraar bewaarde. Het omgooien van een systeem zodat 50 % meer organen ter beschikking komen had geen zin? En het invoeren van allerlei vage beloftes wel? ‘Effectiever werken'? ‘Drempels wegnemen'? ‘Daadkracht'?
Wat was nou eigenlijk de kern van het bezwaar tegen dat Belgische systeem? Welnu, de kern bleek te gaan over ‘dingen als' zelfbeschikkingsrecht en keuzevrijheid. Het moest niet iets vrijblijvends zijn, zodat mensen zouden kunnen denken: ik heb helemaal geen zin om een keuze te maken.
Als dat echter de kern was, dan stond niets een nieuw systeem in de weg. Zelfbeschikking? Je kunt toch gewoon bezwaar maken als je met je nieren en je lever ter aarde besteld wilt worden? Keuzevrijheid? Idem dito. Vrijblijvend? Iets best wel willen blijkt een mens heel wat minder actief te maken dan iets pertinent niet willen. Ik wil best donor zijn, maar het is er gewoon nooit van gekomen. Als iemand principieel niet wil, dan rent hij wel!
Dus gisterenmiddag opende ik de juiste webpagina, wilde me met wat eenvoudige klikken gaan registreren (keuzemogelijkheid ‘lepel mij maar leeg, ik heb er straks toch niks meer aan') en stuitte toen op iets dat DigiD heette, dat ik eerst diende in te vullen alvorens mijn inhoud met anderen te kunnen delen. Een digitale identiteit. Nou vooruit dan maar. Even later - nadat ik mijn huis ondersteboven had gekeerd om mijn burgerservicenummer te achterhalen - werd ik allerhartelijkst bedankt voor de moeite. En kon ik me nu registreren? Helaas. Vijf hele dagen moet ik wachten. Dan komt er een postduif met een briefje om zijn halsje geknoopt, waarop mijn activeringscode prijkt. Iets vertelt me dat Teuntje nog zo schattig de wereld in kan kijken vanaf het eenmalige krantje. Die 50% meer donoren gaat hij niet redden.
Juf is boos want de ij van blij komt nog, kopt het deze week op de voorpagina van de krant. Hè hè, wat het gros van de bibliothecarissen allang wist (en iedereen die van boeken en lezen houdt) haalt eindelijk het nieuws dankzij een groepje schrijvers dat het niet langer pikt. De dictatuur van AVI, het systeem waarmee we in Nederland onze kinderen leren lezen.
Zolang letters een reeks geheimzinnige tekens zijn die je dankzij jeugdige leergierigheid tot je neemt - en omdat je merkt dat mama zo vrolijk wordt als jij al kan wat andermans kind niet kan - is AVI prima natuurlijk. Kilometers maken, veel oefenen is het devies. Maar daarna hoort lezen datgene te brengen waarvoor het bedoeld is: (ont)spanning en kennisvergaring. Dus: vindt Harry die vermaledijde Gruzielementen en lust een konijn nou eigenlijk worteltjes of niet. En niet: hoeveel woorden rammel ik er foutloos op commando uit binnen een bepaald tijdsbestek. "Ik zit in AVI 8", sipte mijn zoon een tijdje terug. "Ik kwam nét zes seconden tekort." Alsof hij aan een schaatswedstrijd had meegedaan. "Lees jij maar lekker wat je wilt, hoor", sprak ik anarchistisch.
Kinderen zijn geen computertjes die bepaalde input niet aankunnen als ze niet naar behoren geprogrammeerd zijn en daardoor de mist ingaan als de verkeerde software wordt aangeboden. Zo werkt dat niet bij mensen van vlees en bloed. De mens programmeert zichzelf, door nieuwsgierigheid. Je gaat ook niet een bepaald prentenboek niet voorlezen aan een kleuter omdat daar het woord - ik verzin maar wat - ‘piratenschat' in voorkomt, terwijl je zeker weet dat jouw telg dat woord nog nooit gehoord heeft. Zo'n boek wél voorlezen zal de woordenschat van je kind alleen maar verrijken, ongemerkt en op een speelse manier.
Zelfde met AVI. Als een kind de letter ij nog niet kent, dan zal het óf uit de context begrijpen welke letter dat dan moet zijn (juf is bl..., bl..., ze lacht, hé, zou ze blij zijn?), óf het zal erom vragen. En dan weet het kind daarna net zo goed dat het hier een ij betreft als wanneer dat in de klas geleerd wordt. Vandaar dat dyslectici die in testen niet boven AVI 1 of 2 uitkomen soms met minder problemen een boek in niveau 8 lezen, of zelfs een boek dat helemaal geen AVI-‘keurmerk' heeft, dan een boek in de laagste niveaus. Omdat het verhaal spannend is en het kind door die spannende inhoud voortgestuwd wordt.
En dit geldt niet alleen voor matige lezers of kinderen die niet zo weg zijn van lezen, maar het geldt natuurlijk in heel grote mate juist ook voor kinderen die helemaal geen leesproblemen hebben en dol zijn op verhalen. Hongerig zijn om alles te lezen wat los en vast zit! Voor bibliothecarissen is het echter bijna een dagelijkse routine om moeders aan de balie ervan te overtuigen dat hun kind dat in AVI 8 leest er in feite aan toe is gewoon uit de kast te trekken wat aanspreekt.
Ik verwelkom dus deze frisse bries onder leiding van kinderboekenschrijfster Selma Noort. En garde! Leve het leesplezier, weg met AVI-voor-gevorderden!
Volkskrantartikel
Foto's
1. Zo heb ik leren lezen: aap - noot - mies - wim - zus - jet - teun - vuur - gijs - lam - kees - bok - weide - does - hok - duif - schapen
2. Met streepjes tussen de lettergrepen...
Toen we net aankwamen in Engeland en de zon nog scheen ontmoetten we in een bistro een man die in zijn eentje aan een belendend tafeltje dineerde. Nieuwsgierig boog hij zich naar ons toe en vroeg waar we vandaan kwamen. Nederland viel goed. Uit Nederland komen valt altijd goed in Engeland. Waar we heen gingen in zijn land. "Wales", antwoordden wij. "Eerst Wales, dan Cornwall, dan Devon. Drie weken lang. Met dit weer, hopen we", lachten we opgeruimd en vol vertrouwen. Hij trok een effen gezicht.
"Wales", zei hij, "waar in Wales?"
"Zuid-Wales."
Hij knikte. Daar was het mooi. "Zorg ook dat je Laugharne bezoekt. Het dorp van Under Milk Wood."
Hij was chauffeur. Een onopvallende lompe man in een gestreept overhemd die vanuit Noord-Engeland mensen naar Dover reed en de volgende dag met of zonder passagiers terug. En hij hield van de schrijver Dylan Thomas. Kom er eens om in Nederland. Wie hier Dylan Thomas wil lezen zal zich moeten wenden tot antiquariaten en marktplaats.nl. Zijn door Hugo Claus vertaalde boeken zijn uit de mode en niet meer in gladde nieuwe kaften te vinden in boekwinkels.
We waren inderdaad van plan om naar Laugharne te gaan,
omdat dat ons thuis was aangeraden. Door iemand die ‘Onder
het Melkwoud' al in zijn bezit heeft sinds hij in de jaren '50
verliefd werd op Hugo Claus en via Claus op het in 1953
uitgebrachte hoorspel van de mopsneuzige
Welshman.Noem mij Dolores, net als in de verhalen..., fleemde hij ooit. Ik was vijftien en vond het prachtig klinken. "Wie zegt dat?", vroeg ik. Mijn vader trok een pocket uit de kast en vertelde over zijn liefde voor dat boekje. "Hier staat het in. Lees maar."
Ik las een paar bladzijden maar begreep het niet.
Om te beginnen bij het begin: Het is lente, nacht zonder maan in de kleine stad, zonder ster en bijbelzwart, de stille straten en het gekromde vrijers- en konijnenwoud hinken onzichtbaar naar de sleezwarte, trage, zwarte, kraaizwarte, sloepdobberende zee. De huizen zijn blind als mollen (hoewel mollen scherp zien vannacht in de wroetende fluwelen valleien) of blind als Kapitein Kat daar in het gedempte ruim bij de pomp en de dorpsklok, de winkels in de rouw, het huis van het Nutsgebouw in weduwendracht. En alle mensen in de gewiegde en verstomde stad liggen te slapen.
Daarna volgden de stemmen van de zich in hun dromen roerende bewoners van zomaar een stadje. Ergens. Kapitein Kat, vijf drenkelingen, mevrouw Price en meneer Edwards, buren, vrouwen. Tegen de tijd dat ik, snel bladerend inmiddels, het zinnetje over Dolores gevonden had begreep ik er al niets meer van en zette het stil terug tussen de overige gekniekte ruggetjes in de boekenkast.
Nu gaan we naar Zuid-Wales en het geleende hoorspel zit in mijn bagage. Met de suggestie dat dorpje waarop het geïnspireerd is misschien eens te bezoeken. Omdat hij er nieuwsgierig naar is, mijn vader. Terwijl het weer omslaat van mooi naar Welsh lig ik 's avonds in bed en begin na achtentwintig jaar opnieuw te lezen, terwijl de regen buiten ruist op de heuvels, het grasveld met de schommel en het bankje, en van de dakranden omlaag klettert in bibberende poeltjes op de tegels van het terras.
Om te beginnen bij het begin...
En ditmaal lees ik over Kapitein Kat, die zijn verdronkenen beweent. Over de stille liefde tussen mr. Edwards en miss Price die zoete droomgesprekken met elkaar voeren. Over mrs. Ogmore-Pritchard, weduwe van mr. Ogmore en mr. Pritchard, die zij in haar slaap commandeert zoals zij dat tijdens hun levens gewend was. Over mr. en mrs. Pugh die elkaar zo haten dat hij van arsenicum droomt. Over de arme Bessie Bighead die werd gekust door Gomer Owen bij het varkenskot toen ze niet keek. En die daarna nooit meer werd gekust, hoewel ze steeds keek. En ik lees over Mae Rose-Cottage, de oudste dochter van mrs. Rose-Cottage, die droomt over haar ware en prevelt: Noem mij Dolores. Net als in de verhalen.

Ik zie het dorpje ontwaken en hoor Polly Garter de kleine Willy Weazel bezingen, van wie ze meer hield dan van welke man dan ook, al ligt hij nu zes voet onder de grond. Ik zie de Eerwaarde Eli Jenkins in zijn deuropening staan terwijl hij zelfgemaakte gedichten declameert en goedmoedig zijn dorpsgenoten beziet. Lily Smalls, die zichzelf met tegenzin in de spiegel observeert en dan thee bij mrs. Beynon brengt. En mrs. Ogmore-Pritchard die geen logés in haar huis wenst die over haar stoelen ademen.
De avond valt en de gestorven echtgenoten halen hun pyjama's uit de la met het opschrift Pyjama's, de moeders zingen wiegeliedjes voor hun baby's en Polly Garter zingt zachtjes over de kleine Willy Wee die dood is, tot ze in slaap valt.
De dunne nacht wordt duister. Een bries van het gegroefde water zucht door de straten, dicht onder het wakend Melkwoud. Het woud, waarvan elke boomwortel een gespleten hoef is in het zwarte, blijde oog van de jager op minnaars, dat een door God gebouwde tuin is voor Mary Ann Zeemans, die weet, dat er een hemel op aarde is en dat het uitverkoren volk van zijn zacht vuur zich in Llaregyb's land bevindt, het woud, dat voor de boerenknechten op kermisavonden een begerige onwetende kapel vol bruidsbedden is, en voor de Eerwaarde Jenkins een groenbebladerd sermoen over de onschuld van de mens, het woud, plots door de wind geschud, springt wakker voor de tweede donkere keer in deze ene lente-dag.
Door de regen rijden we naar Laugharne. Anderhalf uur over zacht sissende wegen, de bomen op de hellingen zwaar en glinsterend en grijsgroen door de mist. Alles is stil, op het rustige zeuren van de ruitenwissers na die de plassen water van de voorruit vegen. Laugharne is een kustplaatsje als alle andere Britse kustplaatsjes. Fleurig en aantrekkelijk ondanks het grauwe weer, een pleintje met winkeltjes en kroegen rondom en een parkeerplaats aan zee waar net iemand wegrijdt zodat wij er kunnen staan. De touringcar waar we achter zaten rijdt een stukje door.
Ik kijk rond op zoek naar de heuvel Llareggub, waarvan Hugo Claus de komische code blijkbaar niet belangrijk achtte, getuige zijn keuze de u door een y te vervangen. Er is geen heuvel, geen vrijers- en konijnenwoud dat omlaag hinkt naar zee, er zijn geen keienstraatjes. Er is asfalt en een bordje wijst naar The Boathouse. Het huis hoog boven zee, dat uitkijkt op de baai, de bootjes, de glimmende zandbanken en de grazige landtong aan de overkant. Het huis waar Thomas met zijn vrouw Caitlin en hun drie kinderen een aantal jaar woonde. En nog woonde toen hij in 1953 tijdens een tournee in New York op een avond bij terugkomst in zijn hotel de woorden sprak: I've had 18 straight whiskies. I think that's the record. Waarna hij in een coma geraakte waar hij nooit meer uit zou ontwaken. Hij was net 39 geworden, het hoorspel ‘Under Milk Wood' werd hiermee zijn laatste werk.

In zijn geboorteland is Dylan Thomas niet vergeten. In de museumwinkel liggen meerdere uitvoeringen van het hoorspel, waaronder één met de schrijver zelf als verteller, en zijn boeken zijn er ruim vertegenwoordigd. Naast het pad boven zee dat langs het boothuis voert staat de oude schuur waarin hij schreef. Een rommelig bureau, verbleekte kunstkaarten aan de houten wand en op de grond onder de stoel wat zorgvuldig achteloos neergegooide proppen papier. We drukken onze neuzen tegen het glas en kijken naar binnen.
En beseffen dat dit niet de manier is om bij Dylan Thomas te komen. Eenmaal thuis speuren we het internet af en bestellen ‘Als een jonge hond', ‘Onder het Melkwoud' en ‘Avonturen aan den lijve', die ons na een paar weken in hun slappe retro omslagjes bereiken. Dylan Thomas leer je niet kennen door zijn huis te bezoeken of zijn werkplek, maar door te lezen.
Lezen en luisteren? (Under Milk Wood, recorded by the BBC in 1963)

Er waren eens twee kunstenaressen die graag wilden discussiëren over een Heikele Kwestie. Urenlang zaten zij in hun atelier gebogen over een grote stapel boeken die verhaalden over de oorsprong van de Heikele Kwestie en toen ze vonden dat ze genoeg wisten achtten ze de tijd rijp voor de dialoog. Ze pakten een verfkwast, schreven wat slogans op grote borden en kondigden een protestmars aan.
Hun potentiële gesprekspartners helaas raakten hierdoor danig geprikkeld en zwaaiden nijdig met hun hooivorken. Geschrokken en licht gepikeerd trokken de kunstenaressen zich terug en bliezen de mars af. Het einde van een dialoog nog voordat die goed en wel begonnen was. Kunstproject mislukt.
Als psychologisch experiment echter zou ik het geslaagd willen noemen. Wie een dialoog opent door met spandoeken de straat op te gaan kan erop rekenen dat de oppositie dezelfde houding aanneemt en op een even gespierde manier met repliek komt. Een protestmars ademt statement en geen bereidheid tot dialoog. Hetgeen maar weer bewijst dat kunstenaars zich beter kunnen beperken tot waar ze goed in zijn: het maken van kunst.
Ook al hou ik persoonlijk niet van protestmarsen en wel van Zwarte Piet, ik heb niet met een hooivork gezwaaid. Eerlijk gezegd heb ik slechts wat vermoeid gezucht toen deze actie tegen Pietermanknecht werd aangekondigd, zoals ik altijd doe wanneer vruchteloze kwesties voor de zoveelste keer van stal worden gehaald. Oude wijn in nieuwe zakken. Want laten we wel wezen: niet alleen Sinterklaas heeft een lange baard, de ambivalentie rond zijn donkergetinte knecht ook. Na eerdere protesten die zelfs rode, blauwe en gele Pieten tot gevolg hadden waren nu dan de spandoeken aan de beurt. En getuigden de kleurige Pieten nog van een bereidheid te willen zoeken naar een acceptabel alternatief, mevrouw Krauss en Bauer wisten alleen maar te vertellen wat we fout deden.
Wat doen we eigenlijk fout? Ik heb, in tegenstelling tot de kunstenaressen, geen Sinterklaaskunde gestudeerd en dat plaatst mij op een gevoelige achterstand. Weet ik er wel genoeg vanaf? Ik weet ternauwernood dat de hele traditie zijn oorsprong vindt in een uit Turkije afkomstige heilige, die aanvankelijk binnen katholieke kringen gebruikt werd als kapstok om arme kinderen gedurende een gure periode in het jaar van voedsel en kleding te voorzien. Later ging hij dienen als hulpmiddel om het ouderlijk gezag te ondersteunen door hem te vergezellen van een boosaardige knecht, die er de wind aardig onder hield middels een bosje gemeen zwiepende takjes en het dreigen met een enkele reis richting Spanje in een juten zak. Maar hiermee stopt mijn boekenkennis over de heilige man en eerlijk gezegd vind ik het meer dan genoeg. Dit is namelijk helemaal geen leuke kennis. Er zijn veel leukere dingen om over Sinterklaas te weten en die dingen haal je niet uit boeken, die weet je gewoon. Als je tenminste vanaf je allervroegste jeugd hebt mogen delen in de zoete heerlijkheid van het Sinterklaasfeest.
Sinterklaas is heel erg oud maar niemand weet precies hoe oud en hij gaat nooit dood, dit in tegenstelling tot andere mensen waar je van houdt.
Hij rijdt op een witte schimmel over de daken en gooit cadeautjes door de schoorsteen in slechts die huizen waar kinderen wonen.
Sinterklaas heeft een heel groot boek en daarin staat precies wat je het hele jaar zoal uitgevreten hebt, maar dat heeft verder geen enkele invloed op de hoeveelheid cadeautjes die je krijgt. Dat is best een beetje oneerlijk want rotjongetjes uit je klas krijgen dus altijd net zoveel als jij of zelfs meer, terwijl ze dat duidelijk niet verdienen.
Sinterklaas heeft heel veel liedjes geschreven waarvan je warm en vrolijk wordt als je ze hoort of zingt.
Om onverklaarbare redenen ruikt Sinterklaas altijd een beetje naar anijs en speculaas en niet naar je opa, terwijl die nog lang zo oud niet is als hij.
Sinterklaas loopt niet, hij schrijdt. Waarbij hij een klein eindje boven de grond lijkt te zweven en zijn voeten niet onder zijn tabberd vandaan komen.
Sinterklaas heeft altijd een zak bij zich die vol zit met snoepgoed of cadeautjes.
Omdat Sinterklaas oud is en stram wordt de zak gedragen door een jonge en sterke assistent, Zwarte Piet.
Zwarte Piet is een vrolijke knaap die een inktzwart gezicht heeft, kroeshaar en felrode lippen. Hij gaat gekleed in fleurig fluweel en draagt een prachtige gewafelde spierwitte kraag.
Voor snoep moet je bij hem zijn.
Voor cadeautjes trouwens ook.
En voor grapjes.
Waarom Zwarte Piet zo zwart is, is een mysterie waarin je als kind niet bijster geïnteresseerd bent. Liever wil je weten hoe hij al die cadeautjes precies in de juiste huizen krijgt, ook die met centrale verwarming.
Wanneer volwassenen je zouden vragen waarom je denkt dat Zwarte Piet zo zwart is, dan zou je waarschijnlijk na enig nadenken antwoorden: "Omdat hij door de schoorsteen komt", ook al beschik je thuis niet over een open haard.
Wanneer die volwassene daarop zou reageren met de opmerking dat je van de schoorsteen toch slechts zwarte vegen krijgt en geen kroeshaar en ook geen felrode lippen, dan antwoord je daarop misschien stamelend dat Zwarte Piet dan wellicht een neger is, ook al zijn die bruin en niet zwart en mag je trouwens van je moeder geen neger meer zeggen omdat dat discriminerend is.
Als de volwassene hierop triomfantelijk roept: "Ja! Ja! Zie je wel, jij denkt dat Zwarte Piet een néger is!, dan vraag je je misschien nog heel even verward af waarom Piet dan altijd van die witte vlekken in zijn nek heeft en in de rimpeltjes onder zijn ogen als hij gaat zweten, maar daarna beschouw je het onderwerp als afgerond en prop je nog een paar pepernoten naar binnen.
Ach, wat moeten we er nou mee, met die steeds
weerkerende gevoelens van ongenoegen rond Pieterbaas en de roep om
zijn liquidatie... Je beroepen op traditie, zoals de met hooivorken
zwaaiende menigte deed die het Van Abbemuseum zoveel schrik aanjoeg
dat het hele feest niet doorging? Dat houdt geen stand, want als
iemand door de jaren heen maling heeft gehad aan tradities, dan is
het Sinterklaas wel. Als traditie voor het feest werkelijk van
belang was geweest, dan zaten we nu nog opgescheept met een boeman
die kinderen de stuipen op het lijf joeg en beschikte de
Goedheiligman zeker niet over een rood werkpetje en een luidruchtig
festival onder leiding van Jochem van Gelder.Sinterklaas groeit mee met zijn tijd en er zijn geschiedenisboeken voor nodig om een beeld te krijgen van het oorspronkelijke feest. De huidige Zwarte Piet heeft niets meer met zijn slaafse, onderdrukte voorvader te maken. Zwarte Piet is geëmancipeerd. Hij heeft zich opgesplitst in heel veel Pieten, die in mijn jeugd al olijk in de masten van de stoomboot klommen en eruit vielen en die nu Sint met hun grappen en grollen bijstaan. Sinterklaas lijkt zelfs lering te trekken uit Pieter's populariteit en begint de laatste tijd ook beduidend losser in zijn vel te zitten.
Zwarte Piet heeft zich volledig ontworsteld aan het koloniale juk van weleer en dat zou dus onze bijdrage aan de malle poging tot dialoog van de Duitse Annette Krauss en de Zweedse Petra Bauer moeten zijn: als je er goed over nadenkt kun je Zwarte Piet beschouwen als een perfecte barometer van onze samenleving. Ze kunnen in het buitenland nog wat van hem leren.
Ineens blijk ik ruzie te hebben. Net drie weken het land uit geweest, kom ik terug, maak ik deel uit van een kamp. Het kamp der Voortplanters. En lijnrecht tegenover mij bevindt zich het andere kamp. Zij heten De Kinderlozen. Het kamp waarin ik mij bevind wordt voorgetrokken, zo verneem ik, die anderen worden achtergesteld. Dat op zich is niets nieuws onder de zon. Altijd wanneer zich kampen vormen, daar voelt op zijn minst één groep zich tekort gedaan. Anders hoef je natuurlijk niet lijnrecht tegenover elkaar te gaan staan, dan kan het ook schouder aan schouder. Stukken gezelliger.
Omdat ik me met het klimmen der jaren steeds meer begin te realiseren dat ik onvoorstelbaar onnozel ben en net zo onbevangen in het leven sta als een kuifeend in een waterplas verbaast het me niet dat ik totaal werd overvallen door mijn nieuwe status van bevoorrechte, egoïstische bofkont. Mij ontgaat wel meer namelijk. Natuurlijk was ik ervan op de hoogte dat ik sinds elf jaar in het bezit ben van kinderen en ik had ook best door dat dit niet voor iedereen gold. Zelfs binnen mijn familie hebben we er twee. Bewust Kinderlozen. Ze horen bij elkaar, hetgeen handig is, en zolang ik hen ken ben ik op de hoogte van het feit dat ze niet van kinderen houden en ze ook pertinent niet willen. Lange tijd bevond ik me in hun kamp, omdat ik ook kinderloos was. En hoewel ik hen vanaf het begin eerlijk vertelde dat ik ze op een dag wel graag wilde, helemaal geloven deden ze dat niet. Ik stond namelijk nogal open voor hun argumenten, ergerde me soms op dezelfde manier als zij aan kinderen en hun opvoeders en kon me goed voorstellen dat zij het leven samen veel leuker vonden. Een leven zonder kinderen leek mij ook veel leuker. Eigenlijk was er slechts één ding dat mij van hen onderscheidde, iets wat in de vakliteratuur wel wordt aangeduid met de term ‘oergevoel'. Waar het vandaan kwam weet ik niet, ik kon het niet beredeneren, maar het zat er al vanaf mijn meisjesjaren. Hoe irritant en handenbindend ook, ik wilde een kind.
Op een goede dag kreeg ik mijn kind. Ik stopte zo'n beetje volledig met werken om er voor te kunnen zorgen en een paar jaar later kreeg ik er nog een. Niet meer door dat oergevoel, want dat was na één keer wel bevredigd, maar omdat het me gezellig leek voor de eerste.
Had ik tweeëndertig jaar mijn leven onbekommerd en
volgens mijn eigen ideeën in kunnen richten, op het moment dat ik
moeder werd was dat voorbij. Over bijna alles moest ik
verantwoording afleggen. Waarom ik borstvoeding gaf, waarom ik
stopte met borstvoeding, waarom ik mijn kind niet in een draagdoek
rondsjouwde, waarom ze niet bij me in bed sliepen maar in hun eigen
kamer, waarom ik hen liet janken als ik net lekker pizza zat te
eten, waarom ik naar hen toe ging als ze lagen te janken en ik geen
pizza zat te eten, waarom ik hen na twee weken nog geen in melk
gesopte boterham voerde, waarom ik na vier maanden al met een
fruithapje begon, waarom ik gestopt was met werken, waarom ik op
een gegeven moment zonodig weer wilde gaan werken. Moeder ben je
niet alleen, de hele wereld kijkt - uitgesmeerd over verschillende
generaties met hun eigen wetten en overtuigingen - kritisch met je
mee en deponeert ongevraagd en op vrij compromisloze toon allerlei
meningen. Het goed doen was onmogelijk, door de zeer uiteenlopende
adviezen, en ik deed het dus maar gewoon op mijn manier. Een beetje
in het wilde weg.De Bewust Kinderlozen in mijn leven intussen bemoeiden zich niet met mijn kroost en dat was logisch. Ze vonden kinderen niet leuk wist ik al, dus ook de mijne niet en ik kon het me voorstellen. Soms waren ze namelijk inderdaad buitengewoon irritant, hun conversatie was verre van boeiend en in tegenstelling tot waar ik stiekem op gehoopt had voordat ik ze kreeg, beschikten ze niet over een kleine afstandsbediening waarmee ik hen soms even kon uitschakelen. Toen ze heel erg klein waren leefde ik nog in de overtuiging dat we twee halve heiligen hadden voortgebracht, maar na zo'n tweeëneenhalf jaar spatte ook die droom uit elkaar. Het bleken gewoon mensen te zijn en in principe zijn mensen natuurlijk helemaal geen aangename wezens. Vol fouten en hinderlijke eigenschappen die storend zijn voor hun omgeving. Ik vond het ook eigenlijk niet zo noodzakelijk dat anderen ze leuk vonden. Als ikzelf maar een beetje schik had in hun aanwezigheid en gelukkig was dat zo. Verveling is mijn grootste vijand en met een kind verveel je je nooit. Ze zijn onvoorspelbaar en ze veranderen steeds. En wat hielp is dat het oergevoel vergezeld bleek te gaan van een roze brilletje, waardoor je je eigen genetische produkten permanent beziet.
Maar nu dreef er plotseling een grote zwarte wolk boven mijn waterplas en kreeg ik te horen dat ik een profiteur was die anderen ook nog eens het leven zuur maakte. Eerst zag ik het op televisie. Een kinderloze meneer en mevrouw die samen een boek hadden geschreven over de materie sjokten wat onwennig door een dierentuin en beklaagden zich over het grote aantal kinderen aldaar. Ik begreep dat ze dolgraag samen met een handjevol zorgvuldig geselecteerde volwassenen langs tijger, giraf en overig aanwezige fauna geschoven waren om in alle rust hun leefgewoonten onder de loep te nemen, maar omdat het vakantie was werd het getetter der olifanten lelijk overstemd door kindergeschreeuw. "Ik kan nauwkeurig voorspellen wanneer een kind oververmoeid raakt en gaat krijsen", sprak de man op verveelde toon, "waarom zien ouders zelf dat omslagpunt niet aankomen?" Het antwoord was natuurlijk even clichématig als simpel: omdat de beste stuurlui nu eenmaal altijd aan wal staan.
En nu is het dus oorlog. Oorlog tussen twee partijen die elkaar betichten van egoïsme. Ik geef het toe: mijn keuze voor kinderen was egoïstisch. Geen moment heb ik in overweging genomen dat ik met mijn kinderen bijdraag aan de ondergang van de wereld, noch heb ik ze op de wereld gezet om over pakweg dertig jaar tandeloze kinderhaters uit de stront te halen wanneer die hulpbehoevend zijn. Dat doen ze toch niet want dat zit niet in onze genen. Ik heb het lekker voor mijn eigen lol gedaan.
De Kinderlozen zelf zijn natuurlijk ook gewoon ongegeneerd egoïstisch. Kunnen gaan en staan waar en wanneer ze willen en beklagen zich dan nog over die kleine periode in het jaar dat het even wat moeilijker is allemaal: tijdens schoolvakanties. Dan kunnen zij namelijk geen vrij nemen omdat mensen met kinderen zonodig weg moeten. Omdat ze geen zin hebben om half juni hun dagen op te nemen en niet weg te kunnen of tot rust kunnen komen, met hun leerplichtige kinderen die bovendien naar voetbal, tennis of ballet moeten. En omdat zes weken werken in een periode dat scholen gesloten zijn erg onpraktisch is. Enfin, lullig, maar het is niet anders.
Eén troost is er: wanneer de kinderen het huis uit zijn treft dit onrechtvaardig lot ook ouders. Eigenlijk heb je maar zo'n twintig jaar van je leven echt profijt van die kinderen en daarna is het afgelopen met lanterfanten en profiteren. Waarmee we kunnen concluderen dat de groep voortplanters uiteindelijk toch aan het kortste strootje trekt. En dat moet dan toch een kleine pleister op de wonde zijn. Met een kusje en een snoepje erop van mama.
Aangezien ikzelf momenteel met vakantie ben vandaag een gast op mijn blog:
Teagarden, "Opa vertelt"
Lampionoptocht
Heel lang geleden, toen opa nog maar 9 jaar was, was er feest in de straat waar opa woonde. Iedereen was blij, want er waren geen Duitsers meer en iedereen wilde plezier maken. Maar niet die kwalijke Van Splunder. Die wilde eigenlijk alleen maar, dat hij de baas was van iedereen. Hij was al 11 jaar en hij was heel sterk en hij had een lampionnetje. Want de lampionoptocht zou beginnen. En opa had alleen maar een paar sterretjes. Dus geen lampionoptocht voor opa. En die kwalijke Van Splunder lachte opa uit, want opa had geen lampion: opa was een armoedzaaier.
En die kwalijke Van Splunder zei, dat die sterretjes niks konden, omdat het alleen maar KOUD VUUR was. Maar toen die kwalijke Van Splunder even de andere kant uitkeek hield opa zijn brandende sterretje tegen de lampion van de kwalijke Van Splunder aan.....en ja hoor, de lampion van de kwalijke Van Splunder vatte vlam en verbrandde tot aan het stokje.
En daar stond de kwalijke Van Splunder dan voor Jan Lul met zijn stokje met vlammen. Iedereen lachte hem uit. Maar niemand had gezien wie het gedaan had en opa zijn sterretje was intussen opgebrand. En was er iemand, die medelijden had met de kwalijke Van Splunder? Welnee, want hij pestte altijd kleine meisjes en hij stonk uit zijn mond.
BalspelLang geleden, toen opa nog maar 13 jaar oud was, was opa heel levendig. Hij huppelde de hele dag en wist heel veel vieze woorden. Maar daar kon hij natuurlijk niks aan doen, want die had hij van andere vieze kinderen geleerd in de vieze buurt waar hij woonde. Al die vieze woorden weet opa nu nog steeds, maar je hoeft er niet naar te vragen, want opa is nu een keurige grijze heer geworden, die alleen af en toe nog wel eens stiekem samen met zijn lievelingskleindochter een stukje kaas snoept als hij met haar alleen is. Of nootjes.
Opa ging in die tijd altijd lopend naar school en dan kwam hij met zijn vriendje Willy van der Tas door de Grote Visserijstraat. En terwijl opa en zijn vriendje naar school toe liepen gooiden ze elkaar een bal toe, van de ene stoep naar de andere, met de straat ertussenin. Op een dag gooide Willy van der Tas de bal te hard en opa greep ernaast en........jawel hoor, rinkeldekink, een ruit aan diggelen. Dat kan gebeuren. Nou waren opa en Willy van der Tas in die tijd jongens van Jan de Witt. Dat betekende, dat je grote lepels vieze levertraan doorslikte zonder een schepje suiker toe. Terwijl je neefje een klein lepeltje Sanitran kreeg, dat gewoon zoet was. Maar dat was lang zo goed niet voor je, want iets moest altijd héééél vies zijn om gezond voor je te zijn. En dat betekende ook, dat je netjes ging aanbellen bij het huis, waar je een ruit ingegooid had. Dat vond de vader van opa wel niet zo leuk, want omdat die een winkel had, en dus rijk was, moest hij dan altijd betalen. Maar ja, dan had opa's vader maar niet zo'n goede opvoeding moeten geven aan opa.
Maar nu gebeurde het!!
Terwijl opa aan de mevrouw van de kapotte ruit netjes vertelde wie hij was en dat zijn vader de ruit wel zou betalen, kwam de benedenbuurman erbij staan schreeuwen. Hij was schoenmaker en hij heette Van der Wiel en hij zat altijd achter zijn raam op schoenzolen te slaan. En hij riep heel hard, dat opa een rekel was, die altijd met ballen liep te gooien. En dat de politie er moest worden bijgehaald.
Nou, dat was natuurlijk heel onredelijk van schoenmaker Van der Wiel. En daar heeft hij wel spijt van gekregen ook. Altijd als opa en Willy van der Tas door de Grote Visserijstraat liepen gingen ze naar het raam van de schoenmaker toe, gooiden het balletje zachtjes (en soms iets harder) tegen zijn ruit en riepen dan: "Hé, Van der Wiel! Grote debiel!" of "Achterlijke imbeciel!" of "Met je kleine piel!" Want ik heb al verteld, dat opa heel veel vieze woorden kende.
Maar ja, opa werd 14 en ging naar de tweede klas en Willy van der Tas bleef zitten, en toen was het natuurlijk afgelopen met de pret. Bovendien ontdekte opa in die tijd, dat de route naar school over de Mathenesserdijk veel korter was.
Auteur: Teagarden
Een tijdje terug liep ik op een informatiemarkt kinderen zo ver te krijgen om naar een verteller te komen luisteren die ik had uitgenodigd. "Kom je ook?", vroeg ik wervend, zodra ik iemand onder de 1 meter 30 ontwaarde en trok mijn wenkbrauwen uitnodigend hoog op. "Er is een verhalenverteller, hij kan heel leuk verhalen vertellen!" Ze geloofden me niet, dat zag je zo. Sommigen staarden me ongeïnteresseerd aan en liepen door, anderen doken weg met een blik die grensde aan doodsangst. Help, ze halen je hier bij je moeder weg... "Gratis!", voegde ik er nog schril aan toe, maar het mocht niet baten: er liep niemand met me mee. Een soort negatieve versie van de rattenvanger van Hamelen was ik.
Toen de verteller zich er zelf in ging mengen kwam het toch nog goed. Ik kan u werkelijk niet vertellen hoe hij het deed, maar ik begreep best waarom ze met hem wel mee gingen en met mij niet. Later zei hij het ook, heel vriendelijk en ik proefde zelfs een beetje vertedering in zijn woorden.
"Je moet leren flirten", zei hij.
"Ik kan niet flirten", antwoordde ik koppig en trok het gezicht waar ik wél goed in ben, hier in huis kort aangeduid met De Frons.
"Jawel, dat kun je wél, iederéén kan leren flirten", riep hij bemoedigend.
Nog voordat ik hem kon geloven, omdat hij het zo verleidelijk zei, schoot er een wig door mijn goede wil. En heel stiekem en onhoorbaar stelde ik me zo voor dat ik het eigenlijk helemaal niet wilde kunnen, flirten.
Toen ik een paar dagen
later mijn hotmailaccount afsloot en automatisch op de voorpagina
van MSN terechtkwam las ik: "Hoe goed kun jij flirten?" Een quiz!
Tien vragen moest ik beantwoorden en toen ik dat gedaan had wist ik
zeker wat ik eerder al vermoedde: ik kan niet flirten. Eén punt
slechts had ik gescoord en die had ik te danken aan het feit dat ik
wist wie Casanova was. Voor de rest was ik compleet hopeloos. Ik
onderneem niks als ik iemand leuk vind, ik ben nog nooit naar bed
geweest met iemand die ik in de kroeg heb ontmoet, ik weet altijd
achteraf pas wat ik had moeten zeggen op een gevatte opmerking, ik
vind ‘openingszinnen' complete flauwekul, bij mijn eerste
date ben ik gewoon mezelf en om exact die reden ben ik ook niet in
staat tot een zogenaamd ‘kat-en-muis spel'. Geduldig zakte
men door de knieën en sprak mij troostend toe. Jij weet best
hoe je moet flirten maar maakt er geen nationale sport van. Je
stelt je soms wat afwachtend op. Eigenlijk ken je je eigen
flirt-kwaliteiten nog niet helemaal. Oefening baart kunst! Ik
moest dus gaan oefenen, vonden ze daar.Op het gebied van de liefde ben ik nooit een flirt geweest. Ik ben namelijk een dromer. Ik droomde mijn schoolverkeringen en die waren om die reden standvastig en harmonisch. Waar mijn leeftijdsgenoten het aan maakten met elkaar en na twee weken of zo weer uit, daar kalkte ik aan het begin van het schooljaar een naam in mijn agenda en die naam bleef ik een vol jaar trouw. Het onderwerp van mijn diepe genegenheid was zich totaal niet bewust van mijn gevoelens en kende mij trouwens niet eens, want niet zelden zaten we in verschillende klassen. En toch hadden we een perfecte relatie, die nooit verveelde en op geen enkele manier konden we elkaar teleurstellen of kwetsen. Aan het eind van het schooljaar was ik nog net zo verlangend en verliefd als aan het begin. Tot er een ander kwam, een leukere. Dan switchte ik. Eis voor een dergelijk gelukkig liefdesleven was totale onzichtbaarheid en flirten vermeed ik dus angstvallig.
"Zoek toch eens contact met die jongens", kreunde mijn moeder vertwijfeld, maar ik dácht er niet aan. Ooit raakte ik, geheel per ongeluk en buiten mijn schuld, in gesprek met zo'n vlam. Ik herinner me er niet veel van, alleen dat hij me nog het meest deed denken aan een gorilla die zich luidruchtig op de borst stond te kloppen en toen was de verliefdheid over. Zonde.
De ware ontving me in zijn huis, zag De Frons en knikte me toe, schonk een glas Cola voor me in en ging toen hartgrondig chagrijnend verder met waar hij mee bezig was: dia's sorteren en terugplaatsen in een bak die de kat in een wilde bui vanaf een hoge kast op de grond gekontdraaid had. Daarna nam hij me mee naar een film waarin een psychopatische moordenaar die ooit zijn slachtoffers als maaltijd gebruikte een jonge agente helpt een andere psychopatische moordenaar op te sporen. "Deze is echt, die wil ik", dacht ik blij, en trouwde met hem. Ik refereer hier nog wel eens aan wanneer ik in televisieprogramma's Nada van Nie-achtige dames aan hulpzoekende vrijgezellen hoor uitleggen hoe ze zich moeten gedragen tijdens een date. "Als jezelf!", brul ik dan luid, maar het geheim blijkt nu juist te zijn dat je alles mag doen, behálve jezelf zijn. Heel positief en opgewekt en vrolijk moet je zijn, complimenteus en geïnteresseerd. Al heb je een kijk op het leven als Hans Dorrestijn of een gortdroog relativeringsvermogen als Maarten van Rossem, toon het vooral niet. Lach veel en vertel hoe succesvol je bent.
Op het gebied van de liefde ben ik dus geen verleidster en ik wil ook niet verleid worden. Hoe meer iemand zijn best doet hoe onwilliger ik word. Een vriendin van me had het eens flink te pakken van een man die steeds opdringerige briefjes achterliet onder haar ruitenwisser. Terwijl ik koude rillingen over mijn rug zat te onderdrukken snikte zij dat het toch onmogelijk was geweest dáár weerstand aan te bieden en dat ze nimmer had kunnen vermoeden dat de vogel weer zou vliegen zodra zij zou toehappen. Hetgeen prompt gebeurd was. Zoals goede wijn geen krans behoeft, zo behoeven echte gevoelens geen show. Maar op zakelijk gebied. Daar ligt het toch genuanceerder, want dan wil je dingen bereiken die niet het hart aangaan, maar het resultaat. Hetgeen mij terugbrengt bij de verteller en zijn publiek.
Toen ik dus begin deze week op mijn werk een felroze gekleurd boekje in een kast vond dat ‘Zakelijk flirten' heette, geschreven door Mirjam Wiersma, kon ik geen weerstand bieden aan de verleiding. Thuis krulde ik mij op de bank en een uurtje later wist ik wat me voortaan te doen staat.
Vanaf nu graveer ik een permanente glimlach op mijn gezicht, laat mijn toon sprankelen, pas mijn spreeksnelheid en intonatie aan mijn gesprekspartner aan, noem constant de naam van mensen met wie ik praat, studeer een paar goeie ‘ijsbrekers' in, zet een pot drop op mijn bureau (en blijf daar wel zelf met mijn fikken uit!), sorteer de berg rotzooi op mijn bureau zo dat de lijn tussen mijn hart en dat van mijn toekomstige gesprekspartners vrij is, ik ga bedrijfsborrels organiseren (en weersta de neiging daar zelf middels smoesjes onderuit te komen), schrijf een introductie over mijzelf van dertig seconden en leer die uit het hoofd, in verband met De Frons ga ik weer over op lenzen (brilloos is namelijk vriendelijk, open en toegankelijk), tijdens moeilijke gesprekken daarentegen zorg ik ervoor juist een bril op te zetten (verantwoordelijk, zakelijk en intelligent). Met vensterglas uiteraard, zoals wordt aangeraden. Verder duik ik onmiddellijk in mijn garderobe om die aan te passen aan mijn omgeving en goddank hoef ik aan mijn haar niks meer te doen: dat is al bruin en aangezien uit onderzoek blijkt dat brunettes verstandig en betrouwbaar overkomen, doen blondines en roodharigen er goed aan snel een bezoekje aan de kapper te brengen.
Kortom: ik word exact de collega die ik zelf voor geen goud zou willen hebben.
Prenten: Starry Night
It just smells funny.
Zo sprak ooit de Amerikaanse musicus Frank Zappa. En of hij gelijk had. Ik moest de laatste dagen vaak aan zijn woorden denken, wanneer er ongewild weer een flard North Sea Jazz Festival via de televisie langs mijn subiet luikende oogleden gleed.
Ik hou niet van jazz. Beter bewijs dat opvoeding en smaak helemaal op geen enkele manier aan elkaar gerelateerd zijn bestaat er niet. Mijn vader is vanaf zijn puberjaren verknocht aan deze muzikale kunstvorm, een voorkeur die hij in later jaren zwaar inzette om de huiselijke sfeer te belasten middels veel gedoebiedoebiedoe, nerveus vingergeknip en ritmisch voetgestamp op momenten dat wij graag naar Toppop wilden kijken. Clifford Brown, Dizzy Gillespie en Thelonious Monk. Billie Holiday, Ella Fitzgerald en Sarah Vaughan. Het zijn namen die me met de paplepel werden ingegoten en samen met de pap krachtig weer werden uitgespuugd want pap is smerig en jazz bliefde ik ook niet. Van een spreekwoordelijk afzetten tegen mijn ouders was geen sprake, want de Franse chansons glibberden ondertussen naar binnen als negerzoenen. Met Ella kon ik tot op bepaalde hoogte ook nog wel overweg, maar zo iemand als Monk, met zijn psychopathisch gerammel op een schijnbaar uit elkaar donderende piano, heeft elk vermoeden van een ontkiemende liefde voor jazz ondubbelzinnig en volkomen kansloos de das om gedaan. Ik hou niet van jazz.
Ik weet echter na 43 jaar opvoedkundige terreur wel wat jazz is, en wat van de week langskwam, voorzien van het bekende trompetlogootje met olijk wapperende zeiltjes, had helemaal niks met jazz te maken. Ik zag feest en ik zag blije mensen en een podium vol synthesizers en daar kwam ook muziek uit, maar geen jazz. Er kwam bijvoorbeeld Braziliaanse muziek uit en natuurlijk kunt u zeggen dat er best een heel klein beetje jazz te vinden is in Braziliaanse muziek en dan heeft u nog gelijk ook. Ook Braziliaanse muziek werd me met de paplepel ingegoten trouwens en net als die Franse muziek klokte dat lekker naar binnen. João en Astrud Gilberto, Tom Jobim, Baden Powell, Sergio Mendes met zijn Brasil 66. En waarom gleed die Braziliaanse muziek zo lekker bij me naar binnen? Wel, omdat het best jazzy is, maar lang niet jazzy genoeg om mij af te schrikken. Daar was het te poppy voor. En nu kunt u mij natuurlijk van zeuren gaan beschuldigen, want Braziliaanse muziek is dan misschien geen pure jazz maar toch wel een beetje en ik luister er nog graag naar ook, dus wat is nou precies het probleem!? Dat zal ik u vertellen. Die Braziliaanse muziek was nou precies het enige dat nog een beetje aan jazz refereerde. Voor de rest hoorde ik allemaal andere muziek.
Ik vroeg het aan een kennis en mijn kennis lachtte. "Waar is de jazz?", vroeg ik, "waar is de jazz op een jazz festival?" "Who cares?", zei hij luchtig om mijn frons weg te wimpelen. "Als die optredens maar gewaardeerd worden door een publiek dat van jazz houdt toch? Het werkt, daar gaat het toch om?"
Dus zo zat het. Omdat een jazzminnend publiek van een
bepaald soort muziek houdt wordt ook die muziek tot het festival
toegelaten. Dus, stel, uit onderzoek blijkt dat jazzliefhebbers ook
heel graag naar Bach of Mozart luisteren, dan kunnen we volgend
jaar een kamerorkestje op het podium zien neerstrijken dat een
moppie uit de Brandenburgse concerten of de Milanese kwartetten ten
gehore brengt. Op synthesizer.En toch zat het me nog niet lekker, als jazzleek. Juist als leek. Wat interesseerde het me überhaupt, zult u zich afvragen. Dat ligt toch minder gecompliceerd dan het lijkt. Ik hou niet van jazz, omdat het me opzadelt met een nerveus en ongemakkelijk gevoel. Het gevoel dat bij jazz hoort, past niet bij mij. Maar tegelijkertijd heb ik er altijd wel bepaalde kernpunten uit opgepikt die me ervan overtuigen dat jazz uniek is. Jazz is warm, jazz is puur, jazz is authentiek. Jazz is improviseren, muziek maken zoals je ademhaalt. En precies dat miste ik bij het zien van de festivalbeelden. Ik zag en hoorde een hoop langskomen, veel vrolijkheid en veel toeters en bellen, maar het bleef allemaal aan de oppervlakte hangen. Alsof er een trucje werd opgevoerd.
Om de kern van muziek over te brengen hoef je helemaal niet zoveel kunstgrepen uit te halen. Je kunt bijvoorbeeld heel stil achter een piano gaan zitten en voor je het door hebt zit je publiek te janken of te swingen, al naar gelang wat je speelt. Als je een Parisienne bent van 1.50 m lang dan ga je statisch achter een microfoon staan en zingt de longen op dusdanige wijze uit je lijf - waarbij je hoogstens je handpalmen een beetje omhoog draait - dat iedereen het gevoel heeft dat je emotioneel binnenstebuiten gekeerd wordt. De gekunstelde imitatie herken je vervolgens, wanneer die gepaard gaat met alle felle grimassen die bij die emoties horen die het origineel opriepen, waardoor ze juist wegglijden als ijle en ongrijpbare geesten. Een holle buitenkant zonder inhoud. Jazz staat niet alleen voor een bepaald geluid, het staat ook voor inhoud.
Slechts heel even hoorde ik een echo van die inhoud. Dat was toen de 263 jaar oude Omara Portuondo het podium betrad. Dat had een debacle kunnen worden, want bejaarden die zonodig aan de aandacht van het verplegend personeel willen ontsnappen om nog eens een microfoon te grijpen beloven meestal weinig goeds en inderdaad: Omara was te oud. Maar er was iets aan haar optreden
dat
nog veel schokkender was. Haar belegen zang gaf het liedje wel een
ziel, een warmte die ik met jazz associeer en die bij al die
anderen ontbrak. Als een kleine oase lag haar optreden ingebed in
een kakofonie van jubel en Yamaha. “Ja”, zei mijn
kennis smalend. “Die sterren van vroeger… Die
appelleren aan de nostalgie van een wat ouder publiek. Maar het
hoort allemaal bij een formule die werkt.”Nou moet ik bekennen dat de vermelding van formules mijn gaapspieren altijd danig doet opspelen, met name wanneer ze goed schijnen te werken, maar los daarvan. Moet ik als leek nu concluderen dat Frank Zappa gelijk had? Is jazz niet dood, maar hangt er wel een raar luchtje aan? Is er nergens op de wereld meer een hedendaagse muzikant te vinden die jazz kan voortzetten zoals het ooit werd bedoeld? Of is jazz verworden tot een goedwerkende formule die moet zorgen dat het klapvolk blij is en gaat stampen en jubelen? Want in dat geval kunnen ze volgend jaar net zo goed Frans Bauer uitnodigen als attractie. Dan maken we er een grote, lange, vrolijke polonaise van.
Foto's 1 en 2: Uit de privécollectie van en gaarne in digitale vorm afgestaan door 'Teagarden'
Foto 3: Van internet (fotograaf mij niet bekend)
Ik zal nooit mijn allereerste ochtend op de basisschool vergeten. Met een groep kinderen, waarvan ik sommigen kende maar de meesten niet, wandelde ik het klaslokaal in en ging ergens zitten. Op ieders tafeltje lag een groot wit vel papier met potloden ernaast. Ik staarde er naar, terwijl de kinderen om me heen een potlood pakten en brutaal begonnen te tekenen. Ik ging niet tekenen, want als enige snapte ik dat dát nooit de bedoeling kon zijn. Ik zat nu op de grote school en op de grote school tekende men niet, men rekende. Ik moest gaan rekenen op dat starende vel papier, maar ik kon nog helemaal niet rekenen. "Begin jij niet?", vroeg een meisje dat naast me was gaan zitten verbaasd. "Ik weet niet wat ik moet doen", stamelde ik benauwd. "Ik kan nog niet rekenen." "Tékenen", antwoordde ze verbaasd. "We mogen gaan tékenen." Gelukkig had ze gelijk.
De twee jaren voorafgaand aan mijn lagere schoolloopbaan had ik gekleuterd in een klein gebouwtje onderaan de dijk, Hummelhof geheten. Veel kan ik me van die tijd niet meer herinneren. De poppenhoek was het Walhalla waar je heel af en toe voor werd uitverkoren, met de blokken spelen was populair, ik was niet populair behalve wanneer we gingen tekenen omdat ik dat goed kon en voor de rest herinner ik me eigenlijk alleen een bezoek van Sinterklaas met rare schoenen, een schipperstweeling die de godganse dag heel hard in koor zat te schreien, een timide meisje dat Thea heette en prachtige golvende haren had tot over haar billen en de keer dat we allemaal naar het raam geroepen werden omdat net een mol zijn koppie boven het gras uitstak. Leren deden we niet. In de tweede klas, luttele maanden voordat we naar de grote school zouden gaan, begon de juf vellen papier in de klas op te hangen met letters erop. "Wat staat hier?", vroeg ze dan. "Raam!", brulden wij, want het papier hing op het raam. "R.A.A.M., heel goed", juichte de juf. "En hier?" "Deur!!", riepen wij blij. Ook goed. Toen het schooljaar bijna was afgelopen wisselde ze de vellen stiekem om. Ik hoorde bij het grote collectief dat hard RAAM bleef roepen tegen wat nu DEUR bleek te zijn.
Deze jeugdherinneringen borrelen boven bij het lezen van een berichtje in de krant van vanmorgen. "Kind al in de crèche leerstof aanbieden", staat erboven. De Onderwijsraad wil alle kinderen vanaf twee jaar minimaal vier dagdelen naar de crèche sturen en leidsters moeten in verband hiermee een hogere opleiding gaan volgen. Waarom dat zo belangrijk is vind ik nergens terug, alleen dát het zo is en één zinnetje springt er voor mij uit.
Uit onderzoek blijkt dat leidsters maar 6 procent van de tijd gericht met een kind bezig zijn.
Dit soort zinnen is meesterlijk van opzet. Ik weet namelijk niet hoe het u vergaat, maar mij greep de paniek onmiddellijk naar de strot. Nee! Het is niet waar! Stelletje gemakzuchtige huppelkutjes... En arme arme verwaarloosde wurmen! Maar vervolgens ga je dan eens over je eigen moederschap nadenken, de manier waarop ikzelf mijn kinderen bijsta in het leven - ook toen ze twee waren - en dan leest zo'n zin ineens heel anders. Dan blijkt er te staan:
Uit onderzoek blijkt dat peuters maar liefst 94 procent van de tijd lekker helemaal zélf mogen weten wat ze doen!
Ik zou mijn kinderen er meteen heen sturen, naar zo'n crèche.
Toen wij kinderen kregen werden we van alle kanten gewaarschuwd dat bepaalde luxes vanaf nu uit ons leven verdwenen zouden zijn. Uitslapen op zondag bijvoorbeeld: vergeet het voortaan maar. Voor mijn geestesoog strekte zich een leven uit waarin ik eigenlijk vooral geacht werd bezigheidstherapeute te zijn. Wanneer een kind een kik geeft, dan dien je als ouder onmiddellijk aan te treden om ze bezig te houden. Volgens mijn directe omgeving en ook volgens vakbladen als ‘Ouder Van Nu', waar ik natuurlijk meteen een abonnement op had genomen, ook al maakte de inhoud me maandelijks licht depressief.
In het begin klopte het. Als een zuigeling krijst dan staat je niks anders te doen dan in de houding te springen, een borst te ontbloten of gevulde luiers te vervangen door lege. Daarna kun je weer lekker naar bed trouwens, maar dit terzijde. Toen ze echter wat ouder werden ontdekten we dat baby's beschikken over een welkom talent voor jonge ouders: het vermogen zichzelf te vermaken. Deze ontdekking was niet het resultaat van een diepgaande universitaire studie, noch werden wij op dit essentiële onderdeel gewezen door een vaktijdschrift. We ontdekten het door, wel, door luiigheid eigenlijk. Zodra op zondagochtend om half 6 zo'n keeltje openscheurde in een dwingend "Mama! Maaa-Maaaa!! MAAAAA-MAAAAA!", dan strompelde ik naar het babykamertje, griste wat hardkartonnen boekjes en verantwoord plastic speeltjes bij elkaar en mikte die met een vriendelijke glimlach in het ledikant. Gezellig reutelend togen ze aan het spelen en wij knorden verder tot een tijdstip dat nog steeds als erg onchristelijk voelde, maar de zon was in ieder geval op.
Ook nu ze ouder zijn lopen onze levens eigenlijk vooral parallel aan elkaar, binnen hetzelfde huishouden. Af en toe schenk je eens een glaasje limonade in, geeft er een op zijn kop omdat hij buiten slakken aan het verzuipen is onder het mom ‘ik wilde kijken of ze kieuwen hebben' (niet) of overhoort 's morgens aan de ontbijttafel nog snel even wat topografie die ineens onverwacht vandaag op het programma bleek te staan, maar voor de rest vermaken mijn kinderen vooral zichzelf en ik trouwens ook. In de vakantie willen we nog wel eens een middag naar de dierentuin gaan of naar de Efteling of naar de nieuwe film van Winx Club, maar daar blijft het bij. Er is geen enkel onderzoek voor nodig om vast te stellen dat ik die 6 procent ‘gericht bezig zijn met mijn kinderen' misschien niet eens ga halen. Is dat erg?
Is het noodzakelijk dat kinderen meer dan 6 procent gerichte aandacht krijgen van een volwassene? In het bericht ontbreekt een motivatie, het blijft in de vaststelling hangen. De mijne moeten veel aandacht ontberen, zoals u hebt kunnen lezen. Toen ze heel klein waren gingen ze twee ochtendjes naar de peuterspeelzaal, waar ze voor zover ik weet vooral hun eigen gangetje gingen met verkleedkleren en klei en boekjes en vooral ook andere kindertjes. En de overige dagdelen van de week waren ze thuis, aanrommelend of diep in slaap, want ze slapen wat af, die kinderen. Al is het niet om half 6 zondagochtend.
Mijn hele leven heb ik op vrij gespannen voet gestaan met het fenomeen sport, omdat ik altijd het gevoel heb gehad dat er dingen van me verwacht werden waar ik niet aan kon voldoen. Fysiek niet en mentaal niet. Ik ben lichamelijk niet atletisch en zelfs nogal onhandig, waarbij komt dat de wil te winnen en iets te presteren om die tekortkomingen te compenseren volledig ontbreekt.
De allereerste keer in mijn leven dat ik met een sport in aanraking kwam, was toen ik op zesjarige leeftijd op zwemles moest. Ik was me er overigens niet van bewust dat ik sport bedreef, want de lessen waren eigenlijk meer gericht op overleven, hetgeen aan het einde van elk uur gelukkig telkens weer gelukt bleek. Zwemles was iets dat gegeven werd door snauwende mannen en vrouwen die me met een lange, puntige haak bedreigden en me vooral dingen wilden laten doen die tegen al mijn basisinstincten ingingen. "Volgende week mogen jullie in het diepe", zeiden ze bijvoorbeeld, zodat ik de hele week misselijk was. Dat ‘mogen' was bij wijze van spreken, want het mocht helemaal niet, het moest.
Terwijl de andere kinderen in mijn groepje elkaar verdrongen omdat ze niet konden wachten op dat diepe, stond ik helemaal achteraan mezelf onzichtbaar te maken zodat ze me misschien over het hoofd zouden zien. Een jongetje met stug blond hondenhaar dat mijn doodsangst deelde begon zo hard mogelijk te schreeuwen en trok alle aandacht naar ons toe zodat dat van dat onzichtbare helaas mislukte en uiteindelijk werden wij naar de rand geduwd. Ik moest verschrikkelijk plassen. Het moment waarop ik de gedwongen sprong waagde en in de peilloze diepte verdween ben ik kwijt. Waarschijnlijk schakelde ik over op een automatische piloot die niet meer tot het bewustzijn doordrong en ontwaakte pas toen mijn moeder me droog stond te wrijven, ik mijn kleren weer aan mocht en daarna een Droptella kreeg. Een week later begon alles opnieuw. Toen ik op een dag zo in paniek was dat ik niets anders wist te verzinnen dan keihard wegrennen, zodat ik in volle vaart op het glibberige beton uitgleed en met een dreun op mijn achterhoofd viel, vond mijn moeder het welletjes en mocht ik eraf. Drie jaar later haalde ik alsnog mijn diploma's, dankzij een badmeester die van zwemmen vooral iets leuks maakte.

Dat ingrediënt bleek cruciaal. Ik moest het leuk vinden en de meeste sporten vind ik niet leuk. Met gym moest ik over veel te hoge banken springen of aan ringen naar achteren slingeren en dan loslaten en dan moest iemand me opvangen en daarmee bouwde je dan vertrouwen op in je medemens. Ik heb geen vertrouwen in mijn medemens, nooit gehad ook, en mijn neusvleugels begonnen intuïtief net zo te trillen en wijduit te staan als daar aan de rand van dat diepe zwembad. Er werd iets van me geëist dat mijn leven bedreigde en ik wilde vluchten.
Als mijn leven niet bedreigd werd dan werd er op me gescholden. Soms hoefden we niet aan ringen te slingeren of in glibberige touwen te klimmen of tegen rechtstandige rekken op te klauteren naar het plafond. Dan gingen we namelijk korfballen of volleyballen of iets anders doen met een bal. Als je iets met een bal doet, dan heet dat teamsport. Je kunt ook in je eentje ballen, tegen een muurtje namelijk waarbij je het hele alfabet afwerkt en dat vond ik altijd leuk. Maar ballen als teamsport wanneer je slecht bent in sport betekent dat mensen boos op je worden omdat je wegduikt op het moment dat je moet toeslaan of niet wegduikt maar de bal zo'n ongecontroleerde richting op stuurt dat hij uit is en je ploeg een punt verliest. Een punt verliezen is vreselijk als je van sport houdt en iedereen vond het dus erg vervelend als ik in hun team zat. Ik ook.
Ik zat op ballet en dat was best aardig want er was muziek en niemand bedreigde me en er werd ook niet op me gescholden, ook al zag ik er nog het meest uit als een in een te strak pakje gehesen havenarbeider die droog het in het ruim werpen van zakgoed staat te oefenen. Met dansen had ballet weinig te maken. Ballet bestond uit heel ingewikkelde pasjes onthouden en steeds opnieuw en opnieuw uitproberen terwijl je gedwongen werd je te mollige lichaam te bekijken in een zaalbrede spiegel onder keiharde paskamerlampen. Ik vond dansen wel fijn maar dan ongecontroleerd op mijn slaapkamer onder begeleiding van de Top 40 met een haarborstel in mijn hand die de microfoon voorstelde.
Dat sport ook
kunst kan zijn ontdekte ik toen ik op televisie John McEnroe begon
te volgen die dingen met een houten racket en een tennisbal deed
die me ontroerden tot in al mijn vezels. Wat hielp was dat hij een
bijzonder onaardige man bleek die ongegeneerd het gezag uitschold,
onhebbelijk deed tegen zijn publiek en zijn racket woedend op de
grond stuiterde als iets hem niet zinde. Schijt hebben aan alles en
iedereen en zonder rem chagrijnen, ik mocht dat wel, juist omdat
ikzelf in zo'n braaf keurslijfje zat en van nature wel over een
chagrijnig karakter beschik. Ik ging op tennis om te proberen iets
van dat onconventionele gedrag over te kunnen nemen en tennis bleek
de eerste sport waaraan ik werkelijk plezier beleefde. Rondrennen
en zo hard mogelijk tegen een bal aanmeppen paste bij me en niemand
schold op me wanneer ik die bal ver uit sloeg want dat vonden ze
alleen maar fijn omdat het punten opleverde.Maar McEnroe verloor Roland Garros van Ivan Lendl en werd toen verliefd op een actrice met een sikkeneurig pruilmondje en kreeg toen een heleboel kinderen en toen stopte ik ook maar met tennissen.
Hierna ging ik hardlopen en op zich was dat helemaal geen gekke keuze. Rennen had ik namelijk mijn hele leven gedaan. Vanaf het moment dat ik alleen naar de basisschool mocht rende ik vier keer per dag: naar school en naar huis en weer naar school en weer naar huis. Ik wandelde nooit. Ik heb daar eigenlijk nooit zo bij stilgestaan, maar als ik tegenwoordig mijn eigen kinderen sloom naar school zie schrijden, zorgvuldig hun ene voet voor de andere plaatsend, rustig keuvelend of elkaar nijdig in een ligusterheg douwend, dan realiseer ik me dat ik dat nooit deed en volgens mij ook helemaal niet kon. Zodra ik buiten stond begon ik te rennen. Net zolang tot ik was waar ik moest zijn. Dat vond ik lekker.
En toch was hardlopen niet lekker. Want ook hardlopen was een prestatie, waarbij een klokje noodzakelijk was en de afstand die je ging hollen. En als ik over een bepaalde afstand ietsje langer deed dan een voorgaande keer, dan had ik het niet goed gedaan. En als ik dan de volgende keer probeerde net ietsje harder te gaan zodat ik wél sneller zou zijn en daardoor steken in mijn zij kreeg of slingerende papbenen of pijn in mijn longen, dan voelde ik me een mislukkeling en ging de volgende keer smoesjes verzinnen om verhinderd te zijn, want wie heeft er nou zin in pijn en mislukking? In smoesjes verzinnen was ik heel goed en op een dag stopte ik met sporten.
"Jij bent geen sportief type", lachte de mevrouw die zwangerschapsgym gaf grimmig en prikte in mijn lubberige buik waar de spieren als uitgerekte bretels in bleken te liggen.
Toen ben ik opnieuw gaan hardlopen. Of liever, ik ben
gaan rennen. Precies zoals ik ooit naar school rende en weer terug.
In mijn eentje, zonder klokje, zonder besef van afstand, met muziek
in mijn oren. Onder me roffelen mijn benen en dragen me voort, in
een zalige sukkeldraf die me aangeboren is. Mijn hersenen gaan in
een droomstand, mijn lichaam verdwijnt, drie kwartier lang bestaat
er niets anders dan een cocon van rust, muziek en beweging. Ik
zweef. Ik kijk uit over het water, ik hoor de vogels, ruik het gras
en de bomen terwijl het asfalt onder me wegglijdt. En nooit eindig
ik een rondje teleurgesteld. Mijn hoofd is leeg en mijn lijf voelt
goed.Maar ik sport niet.
"Van de kunstvorm heavy metal heb ik het sterke vermoeden dat die niet zal standhouden", beweert de mij voorheen onbekende Britse filosoof en schrijver Roger Scruton in Het Betoog van vorige week zaterdag. Een conservatief denker wordt hij genoemd, ook dat nog. Het artikel waarin Scruton zijn bewering doet heet Het nut van een opera van Mozart is geen vraag en het was medeblogster Hiraeth die mij op zijn denkbeelden wees en me er nieuwsgierig naar maakte. Het betreft een pleidooi voor het belang om kwalitatief hoogstaande cultuur door te geven aan de volgende generaties. Gelukkig lag de krant nog niet onder de konijnen.
De titel van het stuk spreekt me aan en ook de ideeën die Scruton er omheen weeft hebben in eerste instantie mijn volledige instemming. Cultuur dient geen ander doel dan zichzelf en is daarom als waarde gelijk aan bijvoorbeeld vriendschap. Vrienden zijn voor allerlei zaken goed, zoals bijvoorbeeld om je te helpen in moeilijke tijden. Toch zul je tegen een vriend nooit zeggen: "Jij bent mijn vriend omdat ik denk dat je mij goed kunt helpen als ik het moeilijk heb." In zo'n geval gebruik je de vriend namelijk als middel en niet als een doel op zichzelf. En dat is precies wat kunst en cultuur volgens Scruton ook zijn: doelen op zichzelf.
Tot zover ben ik het geheel met Scruton eens. Kunst en cultuur worden té vaak benaderd vanuit een ‘nuttigheidsdenken', waarin alleen instrumentele waarden erkend worden en geen intrinsieke. Kortom, van kunst moet je gewoon lekker genieten, zoals je van je vrienden geniet. Ook van degenen aan wie je misschien geen fluit hebt wanneer je in een dip zit. En als ze ten langen leste nog een ander nut in zich blijken te dragen, dan is dat mooi meegenomen, maar dat mag nooit een doel op zichzelf zijn.
Maar dan blijkt dat ik Scruton toch niet helemaal juist begrepen heb, hetgeen me terugbrengt bij de opmerking waarmee ik begon, zijn bewering dat heavy metal het als kunstvorm niet lang gaat redden. Wat deze opmerking impliceert is namelijk dat dat van belang is. Hij motiveert zijn stelling met het aanbrengen van een verschil tussen kunstuitingen die de tand des tijds hebben weten te doorstaan en kunstuitingen die alleen interessant zijn voor tijdgenoten. Terwijl hij aan de ene kant aangeeft dat kunst een doel op zichzelf is, daar legt hij vervolgens zelf het zwaartepunt bij de functionaliteit. Scruton vindt dat kunstuitingen die hun nut door de eeuwen heen bewezen hebben verdedigd en beschermd moeten worden, maar plaatst kunst die dat nog niet heeft bewezen - nog niet heeft kunnen bewijzen - en passant vrij gedachteloos op een lager plan. Wat mij niet duidelijk wordt, is waarom je het eerste niet zou kunnen nastreven zonder het tweede te diskwalificeren. Waarom zou het plezier waarmee je naar Le nozze di Figaro luistert superieur zijn aan het plezier dat je beleeft aan een cd van Coldplay?

Overigens ontkent Scruton ook niet een snob te zijn. "Als er geen waar en onwaar is, geen goed en kwaad, als er geen mooi en lelijk bestaat, dan is iedereen gelijk," walgt hij. Hij citeert de Duitse filosoof Nietzsche in zijn beschrijving van menselijke wrokgevoelens: "De haat die de mens van nature voelt ten opzichte van alles dat hoog en verheven is." Ik vind dat Gerrit Komrij het ooit leuker zei:
Een kunstwerk dat met inspraak van buurtbewoners tot stand komt, levert onherroepelijk een tuinkabouter op.
Daaraan ligt echter volgens mij geen haat ten grondslag, noch wrok. Het is gemakzucht, desinteresse en soms ook simpelweg domheid. Voor kwalitatief hoogstaande kunst moet je moeite doen, terwijl je hapklare kunst gewoon tussen de bedrijven door naar binnen slobbert. Scruton's angst is dan ook terecht in mijn ogen. Steeds minder mensen zijn bereid om die moeite te doen, doordat ze teveel makkelijke kunst in de schoot geworpen krijgen en niet meer getraind worden in het tot zich nemen van minder toegankelijke kunstuitingen. Daardoor dreigt zeer essentieel cultuurgoed langzamerhand weg te zinken uit ons bewustzijn. De valkuil die hierbij echter op de loer ligt is om alles wat moeilijk toegankelijk is bij voorbaat het predicaat 'kwaliteit' te geven en alles wat makkelijk toegankelijk is het stempel ‘verdacht'.
Bestaat dé waarheid? Scruton pareert relativisten die stellen dat die niet bestaat met de vraag: "Weet je het zeker?" Dat is natuurlijk guitig, want daarmee legt hij bloot dat zij zich op zo'n moment zelf schuldig maken aan het zich aanmatigen van een waarheid. Tegelijkertijd zwakt hij er ook zijn eigen stelling mee af, want inderdaad, 'de waarheid' bestaat niet en zelfs dát kan dus niet als waarheid gekwalificeerd worden. Er is geen waar en geen onwaar, er is geen goed en geen kwaad en er is geen mooi en lelijk. De werkelijkheid is veel genuanceerder dan dat. Er is slechts kunst die al dan niet zoveel kwaliteit in zich heeft, dat het op den duur al dan niet tijdloos blijkt. En dat minder toegankelijke kunstuitingen als opera en abstracte schilderkunst het daarbij moeilijker hebben dan ‘Air' van Bach en ‘Zonnebloemen' van Van Gogh staat daar los van.
De opmerking over de houdbaarheid van heavy metal legt bloot dat Scruton inderdaad opereert vanuit conservatisme. Hij verklaart namelijk niet waarom hij denkt dat die kunstvorm alleen interessant is voor mensen die nu leven - een zeer beperkte groep overigens, metal is niet direct toegankelijk te noemen - en baseert zijn vaststelling dus waarschijnlijk louter op de in zijn oren armoedige kwaliteit ervan. In dit geval ben ik geneigd dat met hem eens te zijn, maar moet tegelijkertijd bekennen dat dat een glibberig pad is. Ooit werd ABBA weggezet als hopeloze eendags-wergwerppop, maar dertig jaar later blijken ze verre van vergeten. Johann Sebastian Bach raakte na zijn dood in de vergetelheid en zou pas bijna een eeuw later de reputatie verwerven die we nu zo vanzelfsprekend vinden. Vincent van Gogh verkocht tijdens zijn gehele leven slechts één schilderij. Dus de interesse waaraan heavy metal beantwoordt is misschien ook tijdlozer dan Scruton denkt, wie zal het zeggen.
Scruton's zorgen reiken verder dan kunst alleen, hij maakt zich ook zorgen over het onderwijs. Zo betreurt hij het dat er een generatie is opgestaan die een filosofiedocente de vraag stelt waarom je naar een man als Socrates zou moeten luisteren. "Alleen maar omdat hij een academische titel heeft?" Ik vraag me af wat er mis is met die vraag. De uitspraken van iemand niet zomaar klakkeloos overnemen enkel omdat diegene een zekere status heeft lijkt me op zichzelf niet ongezond en getuigt van een kritische geest. Ik zou mij kunnen voorstellen dat Socrates zelf ooit zo'n leerling was die op een dergelijke manier tekst en uitleg wilde over zaken die door anderen blindelings als evident beschouwd werden. Originele denkers putten het liefst uit eigen bron, niet uit die van anderen. Karel van het Reve, zelf toch niet de eerste de beste, omschreef ooit zijn eigen neiging om 'alleen iets te leren dat je aanvliegt'. Deze neiging, zo verklaarde hij, heeft als groot voordeel dat je in ieder geval altijd je eigen mening geeft en niet de mening van iemand die je over het besproken onderwerp gelezen of gehoord hebt. Het enige wat blijkt uit de vraag van de leerling aan de filosofiedocente, is dat Socrates hem niet is ‘aangevlogen'. Dat kan aan Socrates liggen en dat kan aan de docente liggen. Maar hoe het ook zij: het is prima dat Socrates 2400 jaar na dato het belang van zijn denkbeelden moet blijven verdedigen tegenover nieuwe denkers. Als die denkbeelden maar wel aangeboden blijven worden natuurlijk.
In principe volg ik de zorgen van een Roger Scruton. De middelmatige smaak van de massa is nog nooit in de geschiedenis zo aan de macht geweest als nu. We leven in een tijd waarin het media-aanbod wordt afgestemd op het aantal kijkers, lezers en luisteraars en iedere burger kan zijn mening of column de wereld ingooien en vrijuit een veelgeraadpleegde encyclopedie vullen met eigen waarheden. Deskundigen en specialisten worden verdrongen door schreeuwlelijkerds, expertise wordt onderschat en ik juich elke filosoof toe die dat aan de kaak wil stellen. Ik heb de oneliner van Hiraeth, die deze constatering zo messcherp samenvat, niet voor niets in tegeltjesvorm gevat. Maar persoonlijk prefereer ik daarbij het uitgangspunt dat cultuur nuttig is als innerlijke waarde en niet slechts als hulpmiddel om iets hogers te bereiken. En al zeker niet het Goddelijke hogere dat Scruton tussen neus en lippen door nog blijkt te propageren als noodzakelijke basis van onze verplichtingen en ons morele besef. Leer ons Mozart kennen en vertel ons over Socrates. Maar gun ons ook onze contemporaine kunst en zelfs een tuinkabouter op zijn tijd, ook al is het onmogelijk de uiteindelijke waarde ervan nu al in te schatten.
Illustratie: uitspraak van Hiraeth, virtueel op tegel gezet door Starry Night (2008)
Bronvermelding: 'De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen' - Karel van het Reve / Amsterdam : Van Oorschot (1987)
Close-up bladmuziek: 'Messe Basse' van Gabriel Fauré (1881)
Fragment schilderij (respectloos in drieën gehakt door blogster): 'Reflectie van de Grote Beer' van Jackson Pollock (1947)
Terwijl het hele leven een aaneenschakeling is van onzekerheden en verrassingen weten we één ding zeker: op een dag is het voorbij. Wortels begeven het, bladeren verwelken, harten stoppen met pompen, ruisende aderen verstillen. En al wat groeide en bloeide verstart in een grimas van eeuwige rust. Hoe ijverig het leven ook bezig is geweest zich te laten gelden en er het beste van te maken, dat ene gegeven blijft als een dreigende wolk boven ieders bestaan hangen. Ooit is het afgelopen. Het is niet alleen voor passief suïcidale rockartiesten een banale waarheid: no-one here gets out alive.
Planten kan het niet veel schelen. Vanuit het niets beginnen ze aan hun bestaan, wild woekerend dan wel subtiel en in welriekende schoonheid en zich slechts verdedigend met een passief gepresenteerd doorntje of een treurig druppeltje gifstof. Als de tijd daar is laten ze onverschillig hun dorre bladeren vallen, buigen gedwee hun bruinkrullende bloemen en keren terug naar het niets. Zich volledig onbewust van hun aanwezigheid.
Dieren bekommeren zich iets meer om hun existentie en kunnen zelfs bijzonder lelijk optreden wanneer ze zich erin bedreigd voelen. Ze bijten, prikken, brullen, spugen een stinkend goedje in je gezicht of maken zich als de wiedeweerga uit de voeten, maar zodra het gebeurd is wordt de dood als een tamelijk oninteressant akkefietje beschouwd. Er schijnt een handjevol beesten te zijn dat nog wel een dagje of wat in lichte staat van verwarring rond wil treuren op de plek van andermans overlijden, maar zelfs zwanen - die de naam hebben hondstrouw en levenslang te rouwen - vinden het na enkele weken welletjes en wagen zich weer heupwiegend en kontdraaiend op het liefdespad. De dood hoort erbij. Het is even slikken, maar dan gaat het leven verder.
Eén diersoort onderscheidt zich in deze van de rest der schepselen: de mens. Geplaagd als hij wordt door zijn intelligentie is hij zich maar al te bewust van wie hij is en dat laat hij zich niet zomaar afpakken. Bovendien laat ook het verscheiden van soortgenoten hem moeilijk los door een goed ontwikkeld geheugen en - erger nog - zijn oog op de toekomst. De dood is voor de mens geen optie. Een onacceptabele barrière in een glorieuze aanwezigheid. Het verdedigingsmechanisme dat ieder levend wezen bezit om zijn eigen einde uit te stellen is lang geleden bij de Homo sapiens doorgetrokken naar een veel breder plan. De dood moest overwonnen worden.
De oplossing om de dood te slim af te zijn is van een indrukwekkende eenvoud en getuigt tegelijkertijd van veel creativiteit. De dood - zo concludeerde men namelijk - lijkt slechts het einde, maar is in feite nog maar het begin. Dat was briljant verzonnen en vond als idee veel aftrek, op een paar azijnzeikerige zeurkousen na die helemaal geen zin hadden in nog meer leven na het leven terwijl daar geen enkel bewijs voor was, maar die leerden daarover hun mond te houden want hun mening was iedereen erg onaangenaam. Door de eeuwen heen heeft het plan zonder enige moeite standgehouden binnen allerlei denkbare culturen en je zou dus denken dat iedereen nu gelukkig is. Dat is echter niet het geval, omdat er nogal wat verdeeldheid heerst over hoe het nou precies is ingericht in het hiernamaals. Dat is natuurlijk geen wonder. Er is een nijpend gebrek aan getuigen.
Zo geloven sommigen in een hemel slechts voor diegenen
die erin geloven. Wie niet gelooft of verkeerd gelooft mag er niet
in, al heeft hij zijn hele leven lang elke dag braaf bejaarde
dametjes naar de overkant van een drukke verkeersader geholpen en
op vrijwilligersbasis zwemles gegeven aan zwaar gehandicapte
adolescenten in een stemmig verlicht golfslagbad: de hel is het
afvoerputje dat speciaal voor hem is gecreëerd. Anderen zijn
ruimhartiger: de hemel is voor iedereen - als je je maar een beetje
gedragen hebt op aarde - en de hel bestaat helemaal niet. Ooit
volgde ik op internet een verhitte discussie tussen mensen van deze
beide richtingen, die elkaar te lijf gingen met een
zelfverzekerdheid die een wekelijks theebezoekje aan
Onze-Lieve-Heer deed vermoeden.Ik ken ook iemand die zeker weet dat het zwerk gevuld is met rondfladderende zielen die zeer bewust een ouderpaar selecteren om het leven bij te starten. Waarom dan niet iedereen voor de koningin kiest of voor een fris fruitig echtpaar waarvan moeder de vrouw elke middag na school met roze appelwangetjes achter een gezellig potje thee zit te wachten is - geloof het of niet - een inkoppertje. Dat komt namelijk omdat sommige zielen rijper zijn dan andere en wel een uitdaginkje kunnen gebruiken. Zodat ook verlepte heroïnehoertjes en agressieve dronkelappen zich mogen verheugen in een kinderschare, als ze hun best er maar voor doen.
Hoe ziet de hemel eruit volgens de experts? Kijk, als ik mocht kiezen dan wacht me een geurige chocolaterie waar de godganse dag KRO Detectives of leuke films worden vertoond. Maar voor een orthodoxe christen is het ongetwijfeld een enorm rechthoekig kerkgebouw, opgetrokken uit bleke baksteentjes, waarin een eindeloze rij atheïsten geboeid door het gangpad langsrinkelt onder begeleiding van bestraffend psalmengezang. De indianen daarentegen hoopten op een fijn jachtgebied vol grazende bizons en genoeg pijlen voor iedereen en Mohammed B. rekent naar verluidt op het gemekker en geklaag van tweeënzeventig maagden.
En de hel, hoe zit het daar dan mee? Is het de eendimensionale vuurzee waar Lucifer de scepter zwaait? Kwam Dante in de buurt met zijn meer vindingrijke en uitermate sadistische bedenksels? Had Sartre gelijk en worden we eeuwig in een gesloten kamer neergezet met mensen die we niets te vertellen hebben en met wie we dan maar aan het kibbelen slaan? Blijven we voor altijd ronddwalen in een soort spookachtige tussenwereld op de plek waar we stierven, zonder te begrijpen dat we dood zijn? Of is de hel een groot theater met non-stop René Froger, Wende Snijders, Modern Talking en geen wc?
Ach, ik vind alles best. Het voordeel als je niets gelooft is dat je alles kunt geloven. Als een idee leuk is, dan ga ik er graag in mee. Komt er een nieuw leuk idee langs, dan fladder ik verder. Niets zo prettig als fantaseren over onsterfelijkheid en het levert nog prachtige films op ook. Maar ondertussen reken ik er stiekem toch maar op dat ik op een dag gewoon mijn moede lichaam mag neervlijen, mijn ogen mag sluiten en mag wegzakken in het eeuwige niets. Tussen de plantjes.
No-one Here Gets Out Alive (The Doors)
Eigen foto's (genomen in Pannenkoeken & Poffertjesrestaurant De Pier in Scheveningen, wandschildering door kunstenaar Ed Koenders): De onsterfelijken
Lang geleden waren er twee mensen die veel van elkaar hielden. Zoveel, dat ze naar de burgerlijke stand togen en een datum prikten om met elkaar te trouwen, ergens in de herfst. De zomer daaraan voorafgaand gingen ze samen met vakantie en hoewel ze nog maar aan de vooravond stonden van de seksuele revolutie en ze zich volgens de overlevering dus eigenlijk hadden moeten beperken tot wat volledig gekleed friemelen en vozen, gingen ze verder. Zonder enige vorm van bescherming, want aids bestond nog niet en om zwangerschap te voorkomen hield zij in haar agenda de gevaarlijke dagen bij.
Als mijn ouders in die zomer van 1964 beschermd gevreeën hadden, als de doorbreking van het levensritme door vakantie en het zwoele Italiaanse klimaat mijn moeder's cyclus niet in de war had gestuurd, als ik die dag - voor de eerste en laatste keer in mijn hele leven - niet de snelste was geweest.... dan had ik niet bestaan. Wel iemand anders, iemand die een paar maanden later dan ik geboren was en van wie mijn ouders ongetwijfeld net zoveel gehouden hadden als van mij. Maar er bestaat gerede twijfel of mijn echtgenoot haar ooit ontmoet zou hebben of - mocht dat door een bizar toeval toch gebeurd zijn - verliefd op haar was geworden. Als het al een meisje was geweest. Mijn kinderen waren er dus nooit gekomen. Drie levens die nimmer bestaan hadden. Andere levens er wellicht voor in de plaats.
Zou dat erg zijn geweest? Och. Wie weet was het kind dat nooit een kans kreeg omdat mijn ouders zo onvoorzichtig waren wel een groot pianiste geworden. Of een baanbrekend kunstenares. Misschien was ze het zonnetje in huis geweest, zonder luimen of lichte neiging tot zwaarmoedigheid en complexen, waarmee ik het levenspad van mijn geliefden doorgaans op vermoeiende wijze pleeg te plaveien. Een kittige duizendpoot die appeltaarten bakkend haar permanent stofvrije huishouden op rolletjes hield, met groene vingers het lover in haar keurig gewiede tuintje up-to-date houdend volgens de allerlaatste trends en een prominente rol spelend in de ouderraad van de basisschool van haar kids. Een vrolijke meid kortom vol kwaliteiten en levenskracht. Nooit de kans gekregen door een moment van slecht getimede passie aan het Gardameer. Ik troost mij met de gedachte dat het omgekeerde ook waar kan zijn. Dat mijn ongeboren zus een stokerig kreng was die mij nimmer naar de kroon had kunnen steken.
Er zijn concepties in de geschiedenis die ik bejubel. De vrijpartij van de ouders van Johann Sebastian Bach op precies het juiste moment vind ik gedenkwaardiger dan zijn geboorte- of sterfdag. Dat de ouders van Vincent van Gogh deden wat ze deden op het moment dat ze het deden kan me tot tranen toe ontroeren. En met de paar ongestoorde momenten tussen de lakens van het echtpaar Pasteur mogen we ons ook gelukkig prijzen. Maar over het algemeen, ik zeg het eerlijk, vind ik het leven in zijn totaliteit vooral getuigen van een groot vertoon van vervangbaarheid. Mens, dier, plant, voor jou een ander en de hele boel reilt en zeilt net zo prima als wanneer je er niet was geweest. Het is je bestáán dat eventueel achteraf voor enige vorm van gemis zorgt bij andere levende organismen. Maar een niet-bestaan heeft nog nooit aantoonbaar rampen opgeleverd. Andersom wel. Er is een vrij fiks aantal voorbeelden te noemen waarbij een kleine verstoring een hoop narigheid had kunnen besparen. Hoe een andere wending zou de wereldgeschiedenis bijvoorbeeld genomen hebben als de postbode die de Hitlertjes in zijn wijk had maar op het juiste moment de brievenbus had doen klepperen en zaken met enkele minuten had vertraagd.
Ik moet hieraan denken wanneer in de discussie over embryoselectie het verwijt doorklinkt dat iedereen die niet a priori tegen - zij het beperkte - toepassing van die techniek is, daarmee de waarde van reeds levende mensen met een kankergen ter discussie stelt. Toevallig ken ik een vrouw die beschikt over zo'n gen. Een collega. Beschikte moet ik zeggen, want nadat ze tien jaar geleden ternauwernood borstkanker overleefde is ze een aantal maanden terug alsnog na een lange lijdensweg bezweken aan te laat geconstateerde baarmoederkanker. Dat zij gemist zal worden en haar leven dus uitermate waardevol was, daarvan getuigde het intense verdriet van de nabestaanden op de uitvaart. Haar dochter stond er, met haar twee kleutermeisjes erbij die tekeningen en bloemen op de kist legden. K3 zong 'Oma's aan de top'. De dochter nog geen dertig, maar met een afspraak op zak om preventief beide borsten te laten amputeren. En belast met de zorg dat het gen ook haar twee meisjes niet heeft overgeslagen. Waardeloze levens? Onder geen beding. Hadden zij niet moeten leven? Op heel veel zeer essentiële gebieden wel natuurlijk, een mens is veel meer dan de ziekte waaraan hij eventueel lijdt of ooit zal lijden.
Maar het gaat niet over geleefde levens, over bestaande mensen die op allerlei gebieden een bijdrage leveren aan onze samenleving en hun directe omgeving. Het gaat om het stadium ver daarvoor. Als het leven nog uit niks meer bestaat dan een paar cellen waaruit een mens zou kunnen groeien, onder de juiste omstandigheden. Het stadium waarin nog niemand weet hoe dat specifieke leven eruit gaat zien, op een paar waarneembare details na. Zoals de aanleg voor een bepaalde ziekte, die een leven gegarandeerd ondraaglijk zal gaan bederven.
Lang niet iedereen deelt dat standpunt. Voor sommigen is leven hoe dan ook heilig - in welk stadium dan ook - en dient onder alle omstandigheden beschermd te worden. Deze mening stoelt met het volle gewicht op slechts één idee: het bestaan van een opperwezen zo machtig dat hij kan maken en breken wat hij wil, maar tegelijkertijd zo klein en kwetsbaar dat hij zich het kapotmaken van zijn scheppingen net zo diep aantrekt als mijn zoontje, wanneer hij een van zijn vele op school vervaardigde knutselwerkjes per ongeluk in de prullenbak aantreft en zich ter plekke diep getergd afvraagt of ik nog wel van hem hóu.
Er valt wel iets op: bij fanatieke aanhangers van het opperwezen zijn sommige knutselwerkjes meer gelijk dan andere. Het gaat namelijk om een zeer specifieke vorm van leven, zodat bijvoorbeeld een menselijk embryo op meer onbespreekbare bescherming kan rekenen dan pakweg een scharrelkip of een hinderlijke mug. Bovendien doet zich het voor buitenstaanders niet te volgen verschijnsel voor dat menselijk leven dat andere ideeën aanhangt voor gelovigen ineens net zomin onaantastbaar is als voor niet-gelovigen. Sterker: het geloof in datzelfde opperwezen wordt soms zelfs ingezet als motivatie om te mogen doden. Samengevat: een embryo dient beschermd, een soldaat van de tegenpartij mag rustig afgeschoten.
Het is onbegonnen werk te proberen elkaars standpunten altijd te kunnen volgen of te begrijpen. Veel verder dan gedogen zal het vaak niet komen. En dat zou geen probleem hoeven zijn, wanneer mensen elkaar hun grondbeginselen zouden gunnen. Embryo's selecteren wanneer er taaislijmziekte in de familie voorkomt mag. Maar het hoeft niet. Een vlokkentest ondergaan wanneer je op je veertigste zwanger raakt mag. Het hoeft niet. Een euthanasieverklaring ondertekenen wanneer je wilt voorkomen in ondraaglijk lijden je laatste dagen te slijten mag. Het hoeft niet. Die vrijheid om te leven volgens je eigen levensovertuiging zou logisch moeten zijn, maar is het voor een kleine groep orthodoxe gelovigen niet. Waar de politiek mogelijkheden probeert te scheppen waarin iedereen - binnen bepaalde grenzen uiteraard - eigen afwegingen kan maken, daar deinst de strenggelovige medemens er niet voor terug andersdenkenden hun eigen vrije keuze te ontzeggen. Zo vindt de voorzitter van de jongerenvereniging van de ChristenUnie, IJmert Muilwijk, dat mensen die voor embryoselectie uitwijken naar België ontmoedigd en zelfs bestraft moeten worden. Het hebben van een eigen mening en daarnaar kunnen leven is niet genoeg, die mening moet koste wat kost worden opgedrongen aan anderen. En dit is precies de reden waarom fundamentalistische partijen - hoe aardig hun woordvoerders ook lijken - pertinent niet in een kabinet thuishoren.
Echo: Sterrenmeisje, 10 weken oud
Foutieve
verdubbeling na storing op Volkskrantblog.nl
Ik durf het blog niet te verwijderen, omdat ik bang ben dat daarmee ook het oorspronkelijke blog verdwijnt.
Ik durf het blog niet te verwijderen, omdat ik bang ben dat daarmee ook het oorspronkelijke blog verdwijnt.
Dinsdagavond was er een tafel op televisie. En aan die tafel was een dwarsdoorsnede van de mensheid in al haar facetten aangeschoven. Het was leerzaam en ontluisterend.
Koning Onbenul zat er in drievoud. De eerste heette Knevel, de tweede Van den Brink en de derde Postma. Zij speelden de objectieve buitenstaander en voelden zich op geen enkele manier betrokken bij wat dan ook. Zij stelden talloze hele domme vragen en trokken hun wenkbrauwen hoog op.
Voorts zat De Massa er, vertegenwoordigd door een bars naar een onbestendig punt in de ruimte starende mevrouw. Achter haar waren vaag de contouren zichtbaar van een kille groep met hooivorken in de aanslag. Dat ze verdrietig was is begrijpelijk, hartsvriendin zijnde van een ooit op gruwelijke wijze vermoorde jonge vrouw. Dat ze echter volstrekt geborneerd en egocentrisch in het gebeuren stond getuigde van een bepaalde instelling. Niet iedereen die intens verdrietig is vangt dat op door zich vast te klampen aan stigma's en veroordelingen.
Die nieuwe slachtoffers, de Verschoppelingen, waren ook aan tafel aanwezig. In de gedaante van twee zwagers die ooit uit rijden gingen in een bos waar op datzelfde moment een meisje vermoord werd. Dat was zo verdacht, dat justitie eigenlijk bij voorbaat al wist dat er stront aan de knikker moest zijn. De mannen werden gekraakt, veroordeeld en gingen de gevangenis in.
En als laatste bevond zich aan tafel Koning Leeuw. Hij was alleen en in dit geval was dat symbolisch. De mensheid kent niet zoveel Koning Leeuwen. Mensen die verbeten tegen de stroom in blijven doorzwemmen en hun eigen koers blijven volgen omdat ze nu eenmaal in de rotsvaste overtuiging verkeren dat de massa en het gezag het bij het verkeerde eind hebben en het recht moet zegevieren. Dat een dergelijk karakter soms ook wat kan doorslaan zal de Verschoppelingen in onze samenleving een zorg zijn: als de hele wereld zich van hen heeft afgekeerd, veroordelend of ongeïnteresseerd, dan hebben ze slechts van de Leeuwen nog iets te verwachten.
En dat is precies wat hier gebeurd was. Samen met een oude, gepensioneerde leeuw had Koning Leeuw zich jaren geleden over de zaak van de Verschoppelingen gebogen en ontdekt dat er van alles niet klopte en deugde. Leeuwen lijken goedmoedig en loom, maar geven nooit op en kennen daarbij geen genade. Jaren waren er nodig geweest, maar uiteindelijk kon niemand er meer omheen: de zwagers waren niet schuldig en werden in ere hersteld. Officieel althans. Officieus lag nog altijd de zwarte mantel van de verdenking over hen heen, vooral binnen hun eigen gemeenschap. Waar rook is, is vuur.
De Massa ging niet overstag. De Massa wil een schuldige, hoe dan ook. Als er geen schuldige is, dan raakt de massa gefrustreerd. Dan moet er een schuldige verzonnen worden. En De Massa neemt er geen genoegen mee als een schuldige van hen wordt afgepakt. Argumenten doen niet terzake, het eigen gevoel staat voorop. Die schuldige is bezit geworden van De Massa en De Massa geeft dat bezit niet zomaar prijs. De Massa heeft honger en moet eten. De Massa is bloeddorstiger en gevaarlijker dan de Leeuw, omdat ze niet nadenkt en in tegenstelling tot de Leeuw louter uit is op eigen verzadiging.
Dat een casus zoals de Puttense Moordzaak voor veel meer slachtoffers kan zorgen dan slechts degene met wie alles begon, daar wenste ze niet bij stil te staan. Voor een rouwende nabestaande bestaan er in dat opzicht natuurlijk wel verzachtende omstandigheden, maar lang niet iedereen stopt met nadenken enkel omdat ze heel verdrietig is. Wat Natascha van der Stelt zich in ieder geval moet realiseren is dat de shock waarin ze momenteel verkeert meer te maken heeft met het onder ogen moeten zien van haar eigen keuze voor kortzichtigheid en de makkelijkste oplossing, dan met het feit dat ze moet omschakelen. Of ze haar vriendin nu verloren is door toedoen van Piet of van Klaas, dat heeft geen enkele invloed op het verdriet of de pijn op zich. Dat Christel niet stierf door ziekte of een ongeluk was haar namelijk al bekend.
Niemand vindt het leuk om eigen fouten te moeten erkennen - zeker niet wanneer je door die fout hebt bijgedragen aan het creëren van nieuwe slachtoffers - en de meeste mensen beginnen er dan ook liever niet aan. Zelfs niet als er ineens keiharde DNA-bewijzen zijn tegen een tot dan toe volledig buiten beeld gebleven man, zoals hier gebeurd is. Daarom vrees ik dat Viets en Du Bois voor een bepaalde groep binnen Putten persona non grata zullen blijven. Dat is niet persoonlijk, dat is zelfbescherming.
Koning Onbenul zat er ondertussen met vage blikken bij en stelde vragen die vooral refereerden aan de begrijpelijke opstelling van de vriendin, de pariapositie van de Verschoppelingen binnen hun gemeenschap, de onbegrijpelijkheid van hun gebrek aan belangstelling voor Van der Stelt's boek en het ongelofelijke van iets bekennen dat je niet gedaan hebt. Dat dat een psychologisch erkend fenomeen is dat uitgebreid naar voren kwam toen de scheve schaatsen rond deze zaak aan het licht kwamen, dat hadden de journalisten en de schrijfster/columniste blijkbaar even gemist indertijd. Postma kon het niet begrijpen. Een van de Verschoppelingen begon op geduldige toon met een toelichting en werd na drie zinnen onderbroken: "Ik zou nooooooit iets bekennen als ik het niet had gedaan." Hetgeen niet alleen een aanvechtbare, maar tevens een bijzonder oninteressante bewering was.
De Vries zat er met een neutraal gezicht bij. Zo goed als de massa de leeuwen niet begrijpt, zo goed kan een leeuw de gedachtekronkels van de massa niet volgen en wil dat ook niet. Mevrouw van der Stelt had zichtbaar verdriet en dat respecteerde hij en voor de rest had hij zijn werk gedaan. De kijker intussen volgde alles met verbijstering en verontwaardiging, zo blijkt ook uit de reacties op de webpagina van het programma ‘Knevel & Van den Brink. En dat geeft de burger dan toch moed.
"In Denemarken beschermen ze cartoonisten en in Nederland pakken ze ze op", opent het bericht over cartoonist ‘Nekschot' op de voorpagina van mijn krant. Het is volstrekt politiek incorrect om links te leggen met de Tweede Wereldoorlog hoor ik wel eens, maar soms
Kan.
Ik.
Het.
Niet.
Helpen.
Die onnavolgbare Nederlandse houding ten opzichte van underdogs tegenover een misdadige, terroristische overmacht. Nog voordat ik me er echt in heb kunnen verdiepen schiet daar de link al door mijn hoofd en laat me even niet meer los: de vergelijking van de Denen met ons brave spruitjesvolkje. Hoe de Denen zich ooit opstelden toen hen een ‘Jodenvraagstuk' werd opgedrongen, en de manier waarop de Nederlanders dat vraagstuk te lijf gingen. Waar de Denen massaal meehielpen de in Denemarken woonachtige Joden in een grootscheepse reddingsactie naar het neutrale Zweden te verschepen, daar ijverden de Hollanders vooral om de organisatorische kwaliteiten van de Nazi's naar de kroon te steken, door een geoliede machine te creëren die ‘ons' de twijfelachtige eer heeft opgeleverd procentueel gezien van alle West-Europese landen het hoogste aantal Joden richting vernietigingskampen te hebben gemanoeuvreerd. Niet omdat ‘wij' slechte mensen zijn, maar omdat wij subiet lijken te stoppen met gezond en rechtvaardig nadenken zodra we bedreigd worden door lieden wier beweegredenen we niet kunnen volgen en die we vrezen.
Gelukkig wordt het beeld ietsje genuanceerd zodra ik verder lees. Den Haag is net zo verbijsterd als ik. Het blijkt eigenlijk weer alleen om Hirsch Ballin te gaan die luid ‘BANZAII!' krijtend zijn ritje op het pathetische stokpaardje Godslastering heeft voortgezet. En daarbij een politiemacht heeft ingeschakeld van lieden die zo genieten van het vernederen en kapittelen van hun medemens dat ze er serieus hun beroepskeuze op hebben gebaseerd. Van je hobby je beroep maken, ik kan er jaloers op worden.
"Zo, en die anonimiteit ben je vanaf nu natuurlijk mooi kwijt", schijnt de arm der wet de stoute cartoonist grimmig te hebben toegevoegd, nadat hij op de vroege dinsdagmorgen vanachter zijn computer vandaan was geplukt en in het cachot geworpen, omdat hij in 2005 beledigende tekeningen op Internet had gezet over Moslims. In plaats van de neiging te voelen iemand te beschermen tegen de moordenaars die die anonimiteit van belang maken, klinkt in zo'n uitlating een koudmakende triomfantelijkheid door. Je ontkomt niet aan de indruk dat betreffende dienstklopper Nekschot's misdaad van een dermate laag allooi vond, dat een onvrijwillige voortijdige levensbeëindiging als een aanvaardbaar gevolg kon worden beschouwd.

Waar bestaat die misdaad eigenlijk uit? Wel, volgens Hirsch Ballin heeft Nekschot flinke haat gezaaid met acht van zijn cartoons. Persoonlijk had ik nog nooit van Gregorius Nekschot gehoord, toen Hans Teeuwen hem vrijdagavond bij Pauw en Witteman ineens ter sprake bracht. In het voorbijgaan kreeg ik even een van zijn cartoons gepresenteerd: Mohammed die een uitgemergelde Anne Frank van achteren neemt, met als bijschrift ‘Make love, not war'. Ik ben niet snel geshockeerd, kan best wat onsmakelijkheid velen en Heilige Huisjes ken ik eigenlijk ook niet. Zelfs Anne Frank mag wat mij betreft op de hak genomen worden, alleen al omdat ik ervan overtuigd ben dat haar onafhankelijke, bewegelijke geest daar best mee overweg had gekund. Maar de cartoon voldeed op geen enkele manier aan een paar eisen die ik aan humor of satire stel. Het moet ergens op slaan en ik moet in de lach schieten. Geen van beide was hier het geval. Maar haat zaaien...? Wie wordt er nou eigenlijk - welbeschouwd - beledigd door zo'n ranzige cartoon? Mohammed? Nee. Anne Frank? Nee. Nekschot beledigt vooral zichzelf, door zijn tekentalent en behoefte aan cynisme niet in een iets scherpere en beter doordachte context te gieten. Als provoceren een doel op zich lijkt, dan getuigt dat wat mij betreft vooral van zwakte en gebrek aan talent.
Nou zijn er mensen die er anders over denken, daarin heeft Hirsch Ballin gelijk. De Nederlandse moslimfundamentalist (zou dat een beroep zijn? - ik haal dit letterlijk uit de krant) Abdul Jabbar van de Ven bijvoorbeeld, want hij was het die drie jaar geleden aangifte deed tegen de cartoons van Nekschot. Er was vervolgens al die tijd voor nodig om de ondeugd op te sporen omdat de kunstenaar zijn plaatjes anoniem verspreidde. Die anonimiteit werd als een soort belediging op zich beschouwd, afgaande op de vreugdekreet van de latere verhoorder. En zodra de anonimiteit gekraakt was dacht men ons vaderland een enorme dienst te bewijzen door deze topcrimineel op een manier in de kraag te vatten die we vooral uit Amerikaanse televisieseries kennen.
Waarom? Waarom zo'n rare gretigheid om iemand die een stoute tekening heeft gemaakt op dergelijke intimiderende wijze aan te pakken? Hirsch Ballin wil ons laten geloven dat het komt omdat hier haat gezaaid werd. Maar als dat werkelijk zo zou zijn, dan was meneer Nekschot stilletjes medegedeeld wat hem ten laste werd gelegd en zo onzichtbaar mogelijk zou alles zijn afgehandeld. In een rechtszaal, zoals dat hoort. Het vertoon van spierballen, zoals hier gebeurde, getuigde echter van een hang naar publiciteit en om in termen van zaaien te blijven: dat werkt natuurlijk als kunstmest. Waarom kunstmest strooien als je hetgeen gezaaid is zo verfoeit? Dat is natuurlijk helemaal niet logisch. En dus jokt onze Ernst.
Het goede nieuws hier is dus dat er géén link met de Tweede Wereldoorlog is. Er is geen sprake van een basale lafheid t.o.v. fundamentalistische agressors die zorgt voor het bakken van mierzoete broodjes die de terroristen steunen in hun missie.
Het slechte nieuws is dat we overduidelijk een minister van justitie hebben die stiekem een beetje sympathiseert met hatende fundamentalisten. Nekschot heeft namelijk niet alleen cartoons getekend over Mohammed, hij is ook niet dol op christenen en spijkerde bijvoorbeeld een homo aan het kruis alsof het Jezus was. En ministers zijn natuurlijk veel te netjes om zo te haten dat ze willen gaan moorden, maar ondertussen wensen ze dergelijke onverlaten wel degelijk aan de schandpaal te nagelen. Het is per slot van rekening niet voor het eerst dat een christelijke minister zich schouder aan schouder plaatst met diep beledigde moslims. Donner zag in de moord op Theo van Gogh ook vooral aanleiding tot het weer in het leven roepen van wetsartikel 147, hetgeen we als een indirecte steunbetuiging aan het adres van Mohammed B. mogen beschouwen.

En wat moeten we nu? Wel, als de wiedeweerga als één man opstaan, gelovigen en ongelovigen met gezond verstand in plaats van een obsessie, en protesteren tegen deze gang van zaken. Niet bij de pakken neer gaan zitten en hopen dat het meevalt, want dat doet het niet. Hirsch Ballin heeft nu binnen een zeer kort tijdsbestek twee keer bewezen dat hij ergens in een zeer essentiële basis - daar waar het over democratie gaat - niet deugt, dus die verdient hoe dan ook een schop onder zijn kont. Een minister die kwalijke zaadjes voedt is levensgevaarlijk en dient de wacht aangezet te worden. Geef de man een paard, een lans en een windmolen en laat hem lustig in zijn eigen tijd vermeende lasterlijkheden te lijf gaan.
En laat vervolgens verder iedereen met zijn rotpoten van onze rotcartoonisten afblijven!
Illustraties:
- Houtsnede uit 'Het Narrenschip' (1449), toegeschreven aan Albracht Dürer
- Cartoon van Gregorius Nekschot
- Illustratie van Don Quichot door Honore Daumier
Ooit, we spreken over bijna veertien jaar geleden en daarvoor, was mijn naam niet Starry Night maar Starry Sky. Als Starry Sky kwam ik ter wereld en als Starry Sky was ik gewend aangesproken te worden. Boven al mijn repetitieblaadjes stond het: naam Starry Sky. Op mijn zwemdiploma's: Starry Sky. Op mijn post: Starry Sky. Onder mijn sollicitatiebrieven: Hoogachtend, Starry Sky.
Starry Sky, dat was ik.
Toen, op een goede dag, ontmoette ik meneer Night. Meneer Night en ik vonden elkaar leuk, daarna nog leuker en tenslotte allerleukst en toen trouwden we. Zoals mensen die elkaar allerleukst vinden soms plegen te doen. En vanaf die dag heette ik dus niet langer Starry Sky, maar Starry Night.
Dus? Dat viel nogal te bezien, zo bemerkte ik in de periode na mijn trouwen. Want ineens bleek ik - totaal ongepland en onverwacht - toegetreden te zijn tot een korps van ouderwetse, slaafse kindvrouwtjes die zomaar hun eigen identiteit opofferden aan Hun Man. Kennelijk kwam dat vanuit mijn hoek totaal onverwacht, want ik werd veelvuldig en niet gespeend van enige spot ter verantwoording geroepen. Hoe ik zoiets nou kon doen, mijn achternaam inleveren en die vervangen door een compleet andere. Ik hou van discussiëren, maar nu werd ik ineens geacht iets te beargumenteren dat geen moment onderdeel had uitgemaakt van mijn gedachtewereld. Wie trouwt verandert van achternaam. Dat was voor mij altijd even logisch geweest als de link tussen trouwen en een ring of samen in één huis.
Omdat ik echter de lulligste niet ben en mij bovendien bewust van de subjectiviteit van links (zo bestond de link tussen trouwen en tienduizenden guldens besteden aan een lawaaiig feest met bijbehorende Sissi-jurk voor mij dan weer niet), wilde ik mij op verzoek best in de problematiek verdiepen. Het lastige daarbij was dat mijn werkelijke motivatie, desinteresse, niet werd geaccepteerd. Het bestond niet dat iemand zo weinig Identiteit ontleende aan een naam, dat ze hem zonder er ook maar een seconde bij stil te staan aan de wilgen hing. Want dat deed ik. Ik presenteerde mij vanaf mijn huwelijksdag nimmer als Starry Night-Sky. Het was gewoon Starry Night geworden, Sky was uit mijn Identiteit verdwenen. Hoe kon dat!? Ik dreef mijn gesprekspartners schier tot wanhoop. Waarschijnlijk omdat ik overduidelijk geen slaafs kindvrouwtje ben en dus niet klopte met de theorie.
Omdat desinteresse niet voldeed als argument trachtte ik mij te verdiepen in de standpunten van mijn opponenten. Niet slechts uit beleefdheid trouwens, want stel dat ik in al mijn argeloosheid iets afgrijselijks over het hoofd had gezien! Dit moest ik tot op de bodem uitzoeken, om na te gaan of er eventueel - in het ergste geval - nog iets bijgestuurd zou kunnen worden. Die Identiteitskwestie sprong daarbij het duidelijkst naar voren. Wie van Starry Sky switcht naar Starry Night wordt een compleet ander mens, begreep ik. Mijn tegenwerping dat ik mij geen ander mens voelde trof geen doel. Ik moest verder graven naar het belang van die Identiteit en daarvoor pakte ik Van Dale er maar eens bij.
iden·ti·teit (dev):
1. gelijkheid van naam en persoon
2. (identiteiten) dat wat eigen is aan een persoon
3. (wiskunde) vergelijking die voor alle waarden van de daarin voorkomende veranderlijke grootheden geldig is
Betekenis 3 kon ik wegstrepen, dus ik richtte me op de andere twee. Gelijkheid van naam en persoon. Wel, vóór 10 juni 1994 had ik officieel bij de burgerlijke stand geregistreerd gestaan als Starridallidasky Sky, daarna als Starridallidasky Night, dus met die gelijkheid tussen mijn naam en mijn persoon zat het wel snor, leek me. Wat zegt u? Starridallidasky? Ja, zo naamden mijn ouders mij in een jeugdige romantische bui officieel, maar gelukkig kozen ze op het geboortekaartje en in het dagelijks leven voor een iets praktischer variant. In die zin was er dus op het gebied van de eerste betekenis van Identiteit al iets niet helemaal jofel tussen mij en mijn officiële naam en wie weet speelde dat zelfs wel een rol bij mijn desinteresse. De betrekkelijkheid van mijn naam was me met de paplepel ingegoten.
Maar de tweede betekenis dan? Wat eigen is aan een persoon. Wel, ik bezit een hoop eigenschappen, zowel goede als minder goede, die mij herkenbaar en ‘eigen' maken. Neem ze weg en ik ben ik niet meer. Geef me een geduldig karakter en u herkent mij niet meer terug. Zadel mij op met een rekenknobbel en u schrikt zich dood. Ontneem mij het vermogen eindeloos meisjes te tekenen in de kantlijnen van aantekeningenblokken en u zult mij diep ongelukkig zien. Maar verf mijn haar, doe mij bruingekleurde lenzen in, verander mijn cup naar C of wijzig mijn achternaam en voor u staat precies dezelfde persoon als daarvoor, met wat uiterlijke aanpassingen.

Wat mij in de discussie opviel is dat mijn desinteresse met betrekking tot mijn naam eigenlijk ook irriteerde. Mijn onbewuste besluit tot naamsverandering had duidelijk een stempel van ongeëmancipeerdheid, maar omdat ik dat helemaal niet leek te zijn gold ik als stoorzender. Dat de theorie eventueel niet klopte ging er niet in, dus moest ik toch ergens diep van binnen stiekem een volgzaam typje zijn en daar diende ik op betrapt te worden.
"Laten we de vraag dan omdraaien", kreeg ik voorgelegd, nadat ik mijn gedachten omtrent die identiteit uiteen had gezet. "Waarom zou je wel van naam veranderen?" Hoewel ik ook daar eerlijk gezegd nog nooit echt over had nagedacht, had ik het antwoord op die vraag sneller paraat. Ik wilde een gezin gaan stichten en ik wilde als gezin met dezelfde naam naar buiten treden. Een volkomen sentimenteel argument geef ik toe, maar daarom nog niet minder valide. Als mijn kinderen Night gingen heten, dan wilde ik ook Night heten, zo simpel was het. En als ze Sky zouden heten, dan moest mijn man ook Sky heten. Waarschijnlijk komt dit voort vanuit hetzelfde hersenspinsel dat ook maakt dat ik een broertje dood heb aan popgroepen die zich ‘Gerry and The Pacemakers' noemen, of ‘Johnny And The Moondogs'. Het is Bruce Springsteen of The E Street Band, maar als je dat gaat mixen maak er dan alsjeblieft The E Street Band van. Of ga solo. Om die reden was het dus uitgesloten dat ik ooit deel zou willen uitmaken van een gezin luisterend naar de naam Starry and the Nights. Een afwijking, geef ik toe, en ik heb er om die reden ook geen enkel probleem mee dat andere mensen hieromtrent andere gevoelens hebben. Sterker: ik begrijp het volledig.
"Maar", wierpen mijn gesprekspartners dan nog een allerlaatste argument in de strijd, "waarom heeft meneer Night dan inderdaad zijn naam niet gewijzigd, in plaats van jij? Dat kan tegenwoordig!
Ja, dat kan tegenwoordig, maar daartoe hadden we enkel kunnen beslissen als het onderwerp ons ene sikkepit had kunnen schelen en dat deed het dus niet. Bovendien tastte het nog een extern gevoel van onbehagen aan: stambomen. Ik moet bekennen dat ook stambomen mij niet bijster interesseren, maar ik weet dat er heel veel buitengewoon aardige mensen zijn die er hun levensdoel van maken. En moet ik het deze groep, die mij even dierbaar is als modeltreintjesminnaars en postzegelverzamelaars dat zijn, het nou zomaar verschrikkelijk moeilijk gaan maken omdat ik een emancipatorisch punt zou willen scoren? Neu.
De mensen in mijn bestaan gaven het hierna op en lieten het onderwerp verder rusten. En alle nieuwe mensen die ik ontmoette wisten niet beter of ik heette gewoon Starry Night. Maar in het mei-nummer van Onze Taal wordt mij als lezer de prangende vraag onverwacht toch weer gesteld.
Wat vindt u ervan? Is het goed dat gehuwde vrouwen hun meisjesnaam blijven dragen?
Wel, Onze Taal, mijn antwoord is kort en krachtig: het interesseert me werkelijk geen ene lor!
Interesseert het u wel? Hier kunt u meestemmen.

Alice opened
the door and found that it led into a small passage, not much
larger than a rat-hole: she knelt down and looked along the passage
into the loveliest garden you ever saw. How she longed to get out
of that dark hall, and wander about among those beds of bright
flowers and those cool fountains, but she could not even get her
head though the doorway; `and even if my head would go through,'
thought poor Alice, `it would be of very little use without my
shoulders. Oh, how I wish I could shut up like a telescope! I think
I could, if I only know how to begin.' For, you see, so many
out-of-the-way things had happened lately, that Alice had begun to
think that very few things indeed were really impossible.
Uit:
XII Sonnetten van de Dood Gij zijt lankmoedig, Gij zijt vroom,
Oh zoete Dood, vol mededogen. Gij houdt ons steeds dít doel voor
ogen: 't Ontwaken uit een boze droom. Oh Dood, Gij zijt zo
autonoom. Zo zonder hardheid, feil of logen. Gij doet de
levensklank verhogen. Gij zijt des levens afsluitboom. Geen mens,
die op deez' brakke aarde Niet voelen, noch beseffen kon Uw
onbenoemb're overwaarde. Geen mens, die in Uw ogen staarde, Die U
geen smart of heimwee baarde, Of die U niet in weemoed spon.
(Vadertje Theetuin als Tachtiger)








I'm not like
them But I can pretend The sun is gone, But I have a light The day
is done, I'm having fun I think I'm dumb Or maybe just happy Think
I'm just happy My heart is broke But I have some glue Help me
inhale And mend it with you We'll float around And hang out on
clouds Then we'll come down And have a hangover Have a hangover
Skin the sun Fall asleep Wish away soul is cheap Lesson learned
Wish me luck Soothe the burn Wake me up I'm not like them But I can
pretend The sun is gone, But I have a light the day is done, I'm
having fun I think I'm dumb Or maybe just happy Think I'm just
happy

