
Doodsritueel
goden en sjamanen, verhalen over de dood, dood, rituelen, sjamanisme, rituelenbegeleider, rouwproces, sterfproces, uitvaart, ademtocht
Nieuwe rituelen rond sterven en dood
Het sterfproces en de dood zijn zelfs heden ten dage nog voor velen taboe. We praten er liever niet over, of zo weinig mogelijk. Veel mensen hebben wel vage ideeën over hun eigen uitvaart, maar ze vastleggen is vaak een stap te ver. Eigenlijk hebben we geen tijd voor de dood, we hebben het veel te druk met het leven. Als de dood - die zich niets van onze wensen, agenda’s en ideeën aantrekt - aan de deur klopt, confronteert hij ons met een nieuwe situatie en gooit en passant alles in de war. De dood eist zijn plek in de agenda. De dood is deel van het leven, of we willen of niet.
Mensen die in hun nabije omgeving met de dood worden geconfronteerd, staan voor een voldongen feit. De dood kwam, een geliefde is dood, en nu moeten er zaken worden geregeld. Het rouwproces begint, men is in shock, ontredderd. Er volgt een lawine van ongewenste, maar noodzakelijke handelingen en beslissingen die moeten worden genomen: wat moet er op de rouwkaart en hoe moet die eruit zien? Gaan we cremeren of begraven? Waar, hoe en wanneer? Gelukkig is er de begrafenisondernemer, onderdeel van een goed geoliede uitvaartmachine, die je begeleidt bij deze handelingen. Moeder kan gewassen worden door professionele maar vreemde handen, zoonlief mag spreken maar niet langer dan een kwartier en er kunnen tijdens de dienst drie liederen worden gedraaid. Bij de receptie krijgt de bezoeker twee koffie en een plakje cake. Zo. Alles is onder controle.
Ho. Stop.
Wat te doen als de overledene in kwestie een Osho aanhanger was, of een Zen boeddhist, zijn of haar leven liet inspireren door de kabbala, of door een Noord-Amerikaanse indianenstam? Wat als de overledene een andersoortig spiritueel pad bewandelde? Immers, in deze tijd verdiepen veel mensen zich in andere religies, andere culturen of alternatieve levensstijlen. Men houdt zich bezig met antroposofie, leeft de sjamanistische levensstijl of volgt het pad van een goeroe. Men leest het Tibetaanse dodenboek, is gefascineerd door Voodoun, ziet hoe dodenrituelen in andere culturen en landen worden uitgevoerd en voelt zich daardoor aangetrokken. In die culturen is de dood vaak niet het einde, maar een nieuw begin, een overgang naar een andere staat van zijn.
En nu is de Nederlandse antroposoof dood, nu is de Hollandse sjamaniste overleden. Wat nu? De familie volgt misschien andere paden dan de overledene en wil niet van die poespas. De familie heeft geen idee wat te doen, heeft weinig informatie over de alternatieve levensstijl in kwestie en valt terug op de Nederlandse funeraire gewoonten. Cake.
De vriendenkring zit met de handen in het haar. Het plakje cake voelt nu niet goed, de traditionele sobere dienst lijkt niet genoeg. Er is behoefte aan passende rituelen, maar die zijn er niet. De gemiddelde begrafenisondernemer kan hierin niet voorzien. Is er toch een mogelijkheid om de overledene een afscheid te geven dat past bij zijn of haar levensstijl en overtuiging?
Hoe het was
Na de Tweede Wereldoorlog worden in Nederland veel rituelen rond sterven en dood geminimaliseerd of afgeschaft. De ontkerkelijking is een feit, het concept ‘ritueel’ wordt geassocieerd met het christendom, en die verbinding brokkelt snel af. Mensen beginnen hun heil elders te zoeken. De grote geloofsstromingen zoals het Christendom, de Islam en het Jodendom houden vast aan de eigen rituelen, maar de uitvaarten van mensen die niet tot die groepen behoren worden strak gestroomlijnd en ontdaan van alle niet-functionele gebruiken. Alle handelingen rond sterven en dood moeten sober, ingetogen, snel en vooral functioneel worden uitgevoerd. Het nieuwe motto is ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’. Alles moet aan strenge regels voldoen, tot de maat van de kist, de dikte van grafstenen, het lettertype van inscripties. De gemiddelde uitvaart duurt hooguit drie kwartier en soberheid is het toverwoord. Het atheïstische ‘dood is dood en daaraan hoeven we verder weinig aandacht te besteden’ weert alle vormen van rituele gebruiken. Het ritueel als belangrijke overgangsmarkering is dood en wordt haastig begraven.
De eerste kentering
In de jaren tachtig van de vorige eeuw komt er een kentering. Nabestaanden krijgen steeds meer behoefte aan een eigen invulling en zijn steeds minder bereid de organisatie rond sterven en dood uit handen te geven. Ze willen persoonlijk betrokken zijn bij de uitvaart en het sterfproces. Ze willen inspraak in de keuze van kist en grafzerk. Waar lange tijd alleen naam en datum op grafstenen worden vermeld, wil men nu door middel van persoonlijke teksten uitdrukking geven aan wat de kern van iemands leven en persoonlijkheid was. Spirituele symbolieken uit andere culturen vinden opgang. Boeddha’s verschijnen op graven, sculpturen van Noorse dodenschepen worden neergezet, de levensboom wordt in steen gehouwen. In eerste instantie krijgen nabestaanden te maken met tegenwerking uit het uitvaartwezen, met rigide ambtenarij en strenge regels. Maar de kentering laat zich niet tegenhouden.
De tweede kentering
De laatste tien jaren ontwikkelt zich langzaam een tweede kentering rond sterven en dood. Die verandering ontstaat vooral door de mondigheid en wensen van nabestaanden, en wordt in eerste instantie opgepikt door mensen in de zorg en in het uitvaartwezen. Hoewel er nog steeds een streng uitvaartklimaat heerst, verschijnen er mensen die begrijpen dat men behoefte heeft aan persoonlijke rituelen die passen bij de levensstijl van de overledene. De diversiteit aan alternatieve levensstijlen en religies schreeuwt om nieuwe mogelijkheden. Er ontstaat een nieuw beroep: de ritueelbegeleider. Een dergelijke begeleider geeft op andere wijze vorm aan een uitvaart door deze op maat te maken, passend bij de overledene, zijn of haar spirituele levenswijze en de wensen van de nabestaanden.
Ook in de stervensbegeleiding begint het besef te dagen dat het ook anders kan, daar in het verzorgingstehuis en ziekenhuis, daar in het hospice. Zieken kunnen worden geholpen bij de (eventueel spirituele) voorbereiding op hun sterven; overledenen kunnen worden begeleid naar de andere kant, naar het dodenrijk. Er worden nieuwe rituelen ontwikkeld en er wordt ook teruggegrepen op oudere rituelen uit de eigen of een andere cultuur.
De terugkomst van rituelen
Een ritueel is van belang om de overgangsfase van leven naar dood te markeren en te vergemakkelijken, voor de overledene zelf en voor degenen die achterblijven. Rituelen geven een kader waarin alle betrokkenen kunnen stilstaan bij het vertrek van een geliefde. De dode gaat verder, de nabestaanden moeten ook verder. Ieder mens is deel van een gemeenschap en die gemeenschap zal veranderen door het wegvallen van een van de leden. Rollen zullen verschuiven, families zullen anders van samenstelling zijn.
Mensen kunnen zelf of eventueel met behulp van een ritueelbegeleider nieuwe, passende rituelen maken voor een stervende of pas gestorvene. Deze rituelen kunnen de ziel van de overledene sterken tijdens de reis die voor de boeg ligt. Ze hoeven niet ingewikkeld te zijn of cultureel/traditioneel correct te zijn: een sjamanist die hier opgroeide is geen Noord-Amerikaanse indiaan, een Nederlandse boeddhist komt gewoon uit de Hollandse klei of de boerenkool.
Het is heel goed mogelijk om in respect verschillende culturele aspecten te integreren. Bij een net overleden boeddhist kun je het Tibetaanse dodenboek voorlezen tijden een dodenwake. De ziel van de sjamanist kun je begeleiden over het water naar de sjamanistische dodenrijken. Je kunt met z’n allen gebedsvlaggen maken, een bidmarathon houden, de dode feestelijk uitgeleide doen en de voorouders attenderen op de komst van een uit het land der levenden door middel van een passend ritueel. Je kunt de sjamanendrum spelen tijdens een uitvaart, veren met daarin ingefluisterde gebeden in bomen hangen op de begraafplaats. Denk ook bijvoorbeeld aan een Noord-Amerikaans indiaans ritueel waarbij iedere bezoeker iets te eten meebrengt voor een gezamenlijke maaltijd in bijzijn van de overledene, aan een Indiase uitstrooiing van bloemen in een rivier, of aan het maken van een individuele levensboom op of bij het graf.
Er ontstaan steeds meer mogelijkheden om op een ‘alternatieve’ manier te worden begraven of gecremeerd. Dat de meeste uitvaartondernemers tegenwoordig open staan voor andere invullingen dan de uitvaart van de drie-liedjes-en-een-plakje-cakemethode wordt geïllustreerd door de heuse alternatieve uitvaartbeurs Voor altijd… in het Archeon op 1 november 2009 a.s. (zie www.vooraltijdbeurs.nl).
Stervensbegeleiding
Ook in de stervensbegeleiding dringt het besef door dat een pastoor of een maatschappelijk werker goede diensten kan verlenen aan een stervende, maar dat er daarnaast behoefte is aan een nieuwe, spirituele hulpverlener. Iemand die gedegen, met liefde, en met verstand van zaken andersoortige rituelen en handelingen kan uitvoeren voor wie daaraan behoefte heeft. Hoewel er op dit gebied nog tegenstand is en oude kaders hardnekkig zijn, begint het tij te keren. Want ook deze kentering laat zich niet tegenhouden.
Kan en mag alles bij een uitvaart of in de stervensbegeleiding? Nee, we hebben ons nog steeds aan bepaalde regels te houden. Er is al veel mogelijk, zolang het maar niet te gek wordt. Of, zoals een medewerker op een begraafplaats mij vertelde: ‘Alles kan, mits het geen circusattractie wordt.’ Deze typische Nederlandse opmerking vertelt ons dat er nog veel moet veranderen.
Dit artikel verschijnt in het oktobernummer van de Koorddanser.
Linda is rituelenbegeleider, auteur van 'Goden en sjamanen in Noordwest-Europa' en ‘Ademtocht, verhalen over de dood’, dat in oktober verschijnt bij uitgeverij A3 boeken.
Foto: op Zorgvlied, eigen foto
Uitvaartbeurs Voor altijd… in het Archeon op 1 november 2009 a.s. (zie www.vooraltijdbeurs.nl)
Ademtocht: het tweede boekenkind
ademtocht, boek, dood, coby schilder, bert deben, korte verhalen, A3, linda wormhoudt
“Het is geboren en het is goed.” Hij ligt languit in het gras, op zijn rug. Uit zijn mondhoek bengelt een grassprietje. Hij klopt uitnodigend op het gras naast zich. “Kom bij mij liggen, het is nu tijd om even te rusten.”
Ik schik mijn rok en ga naast hem liggen. Het gras voelt zacht onder mijn haar. Een vlinder fladdert precies voor mijn ogen. Het dier is zich van geen kwaad bewust.
“Doe je ogen dicht”, zegt de man zacht. Ik doe braaf mijn ogen dicht.
“Voel je je ongemakkelijk?”
Daar moet ik over nadenken. De man naast mij is mij vertrouwd, maar ik blijf op mijn hoede. Dit is per slot van rekening Heer Dood, dus voorzichtigheid is op zijn plaats. Ik wil antwoord geven, maar mijn mond weigert dienst.
“Het was een prettige samenwerking...” peinst hij. “Ik vond het zeer aangenaam!”
Ergens in mijn keel vind ik eindelijk woorden: “Ik niet altijd.” Gras kriebelt tegen mijn wang. “Ik heb mijn belofte gehouden, uw woorden verteld. Ik heb dat verzwegen wat onverteld dient te blijven, en dat gedeeld wat gedeeld dient te worden. Is het genoeg? Ben ik nu vrij?”
Ik gluur voorzichtig naar hem, door mijn oogwimpers heen. Hij heeft zich half omgedraaid en ligt op zijn dodenzijde. Hij gluurt terug. Het grassprietje slaapt in zijn mondhoek. Mijn hersenen proberen te bevatten wat ik zie in zijn gezicht. De rimpels waarin dromen wonen, de ogen vol geheimen. De glimp van menselijkheid, daar, net achter het onnoembare.
“Het is nooit genoeg, en dat weet je ook. We zijn nog lang niet klaar.”
Hij buigt zich over mij heen. Een dode hand zweeft boven mijn gezicht, teder haast. Zijn mond vlak bij mijn oor.
“Blijf heel stil nu…”. fluistert hij. Mijn lichaam reageert ogenblikkelijk. Ik kan niet meer bewegen. En dan vertelt hij mij een verhaal, een intiem verhaal, in een dode taal. Het is het verhaal van het Noorden. Ik zie een dodenrijk, een schimmengrens. Een rivier met messen, en een vrouw op een heuvel.
“Adem in”, gebiedt hij.
Ik adem in, diep en gehoorzaam. Er is geen paniek.
Dan zakt zijn hand traag over mijn lippen.
Ademtocht: het tweede boekenkind
Mijn eerste boekenkind, Goden en sjamanen in Noordwest-Europa, huppelde in juni 2008 de wijde wereld in. Mijn wilde sjamanenkind wilde haar eigen paden ontdekken, haar leeswegen verkennen. Ik liet haar hand los en keek haar na. Ze is nu volwassen, een liefdevolle dochter die haar eigen weg is gegaan. Ze komt nog wel langs, honderduit vertellend over haar avonturen.
Ondertussen was er uit mijn jarenlange relatie met een ietwat vreemde heer een tweede kind ontstaan. Het kon niet uitblijven, want boekenkinderen kiezen hun eigen ouders uit. Ik wil bij dezen het gelukkige nieuws met u delen.
Mijn tweede boekenkind heet
Ademtocht
Het is geschreven in samenwerking met Heer Dood.
Coby Schilder: de tekeningen
Ik ben begonnen met het schrijven van korte verhalen op het VKblog in februari 2007. Mijn fascinatie voor de dood en mijn interesse in andere culturen zijn twee belangrijke rode draden. Fantasie en werkelijkheid zijn zusters.
Door het schrijven alhier kwam ik in aanraking met andere schrijvers, en deze contacten bleken in veel opzichten zeer waardevol. Een van de bijzondere mensen die ik via het Volkskrantblog leerde kennen was Coby Schilder. Haar tekeningen, waarvan ze sommigen deelde met ons via haar blog, bezitten magie en bezieling. Ik was dan ook zeer blij dat zij met mij wilde samenwerken aan Ademtocht.
Coby tekende met potlood bezielde portretten van enkele hoofdpersonen in het boek. Zij begreep hoe de verhalen bedoeld waren, wat de personen bewoog. Ze liet ze toe in haar hoofd, hart en hand. Sommige tekeningen zijn van mensen die mij zeer dierbaar zijn. Coby gaf ze een gezicht. Daar ben ik haar dankbaar voor.
Bert Deben: het gedicht
Een ander bijzonder persoon op het Volkskrantblog is de dichter Bert Deben. Hij schreef een prachtig doodsgedicht. Dit gedicht is in het boek opgenomen en inspireerde mij tot een verhaal. Drie Volkskrantbloggers, een bijzondere samenwerking.
Boekpresentatie: uitnodiging
Ademtocht komt uit op zaterdag 10 oktober en die dag is er een boekpresentatie in Amsterdam-Noord. Volkskrantbloggers zijn van harte welkom! Als u aanwezig wilt zijn, neem dan contact op met mij of met Coby. Heer Dood zal ook aanwezig zijn, maar slechts in de coulissen.
Ik wil Geroma bedanken voor de foto van haar vader. Bij deze is hij in Ademtocht vereeuwigd.
A3 is onze uitgeefster. Haar vertrouwen in ons is een zeldzaam cadeau.
Met speciale dank aan Thera de Jonge, voor haar vriendschap en ondersteuning!
Illustratie: cover Ademtocht.
Een-na-laatste dochter
generaties, genen, vrouwen, boosheid, woede, wotan, odin, storm, grootmoeder, moeder
Ik ben razend. Te lang heb ik mijn woede verstopt, genegeerd, weggemoffeld. Nu Wut met stormkracht naar binnen komt, daar breuken slaat, herken ik het. En ik haal uit. Storm hoort te woeden, daar buiten, in vrijheid, in Wotan’s naam.
Ik ben razend, net als mijn voormoeders. Net als zij onvrijwillig draagster van de onderhuidse rivier van ongenoegen, vol met ‘alles accepteren’ en ‘houdt je mond’ stromingen. Oh moeder en grootmoeder, zoveel boosheid. Godvergeten passiviteit. Genetische razernij verhuld onder jaren schoonmaakazijn, goede huisvrouw, in ‘doe maar gewoon’ en ‘stel je niet aan’. Generaties lieve brave meisjes in vrouwenlichamen. Eeuwenlange boosheid nu woekerend in de een-na-laatste dochter. En ik ga het stoppen. Want weet je ma, weet U, grootmoeder, God is ons allang vergeten en ongehoorzaamheid is nu de mijne. Nu de onze.
“Ze kan schrijven, maar niet strijken”
Nee, ma, ik kan niet strijken. Laat het los, ik ben geen strijkdochter. God keek even verveeld de andere kant op toen hij passiviteit uitdeelde aan deze derde in lijn. Vergeef mij, moeder. Laat mij schrijven, ik kan woedend zijn.
Ook voor jullie, ook op jullie. Ook op hem, ook op hen.
Manminnaar, ga weg
mijn woorden mijn rondingen
mijn zinnen mijn vlees,
jou uitnodigend tot strelen
Waarom is voor jou mij liefhebben als mij havenen
zijn mijn zinnen jou zo levensvreemd,
begrijp jij mijn wezen niet?
Was het ook zo voor jou, mijn moeder? Vergeef mij, laat mij jouw woede uiten.
Schreeuw-en, het woord in tweeën getrapt,
Spoken van korte zinnen
Je ging en ik werd half.
Was het voor U zo, mijn grootmoeder? Vergeef mij, laat mij uw woede uiten.
Mijn minnaar, donder op.
leun niet langer op mijn kracht
Mijn huidhuis nu een slagveld,
de jouwe zonder smetten
Lege glazen, spoor van mede
getrokken door jouw wijsvinger, daar, over mijn buik
Was het ook voor jou zo, dochter? Vergeef mij, en laat mij jouw woede uiten.
Jij minnaar, die mijn kristal versplinterde, nu als naalden in mijn handen
Lichtgevend vangen ze de nieuwe zon op.
En die zon heet zelfvertrouwen.
Art: woman in rage
Voor vier generaties.
Handreiking
hand vragen, handreiking, liefde, loslaten, zomerverhaal, julien clerc, vader, mobiel
“Vaarwel?”
Mijn mobiel werpt zich op als bemiddelaar. Man van augustus reikt zijn hand uit. Man van de maand is wakker geworden.
Ik staar naar de letters op het scherm. Het vraagteken is belangrijk.
Het aannemen van de hand heeft verstrekkende consequenties. Mijn hoofd ijsbeert dan ook, ze wikt, ze weegt. Zijn hand, ik vroeg er ooit om, zegt ze. Nu geeft hij hem, wat nu?, zegt ze. Het had andersom moeten zijn, zeg ik. Zoals vroeger, toen mannen om handen vroegen, aan strenge vaders. Maar er is hier geen vader die een dochter kan weggeven.
En ik geef mijzelf niet weg, nee,
ik geef mijzelf niet weg.
Stilte vraagt om antwoord. Ik heb er geen voor handen. Mobiel ligt onrustig op de tafel.
Mijn hart kan ik geen raad vragen, want zij ligt nog op de straat.
Mijn hoofd maakt de beslissing.
Augustus draalt. Maar het is bijna
september.
Foto: out of your head
Septemberlicht
mobiel, staccato, korte verhalen, zomerliefde, julien clerc, septemberlicht, afscheid, vaarwel, liefde
“Hej Lin, Waar ga je naartoe, zo laat?”
Hij staat bij zijn auto, mijn augustusman. Ik probeer mijn pas niet in te houden, maar in hetzelfde ritme door te lopen. Gewoon door te lopen, alsof mijn hart niet plots met een dramatische klap in mijn schoen was gevallen.
“Even weg” mompel ik.
Julien loopt om zijn auto heen, richting vluchtvrouw. Zijn blik draagt verbazing. Ik loop gewoon door. Mijn voeten lijken zo zelfverzekerd en vastberaden. Dat is best een moeilijke opgave met een hart in je linkerschoen.
“Ik zie je later” zegt hij, ergens achter mij, haast vragend.
“Dacht het niet” mompel ik in mijzelf. Mijn ogen staren strak naar voren en mijn rug staat stijf van spanning. Het vluchtritme valt, een pas uit de maat. Staccato sterft als ik eindelijk mijn mobiel heb gevonden. Ik sms al lopend.
“Vaarwel”
De mobiel, redding voor lafaards.
Ik vermoordde net augustus.
Er valt iets uit mijn schoen. Ik zie mijn hart rollen.
Foto: love on the street
Klaagmuur (Iran/mensenrechten)
klaagmuur, protest, onrecht, waanzin, moord, executie, iran
Ik klaag tegen jou, muur, hoewel het niet veel zin heeft. Ik klaag tegen elke steen en tegen elke zandkorrel in jouw binnenste. Eigenlijk heb ik geen woorden, maar ik zoek ze toch, daar in mijn binnenste. Daar waar de oude klanken wonen, de Ur-klanken, daar waar alle pijnkreten leven. Daar wonen de Ur-woorden, zoals het woord
Nee
Daar wonen alle kreten van verzet, de stillen en de luiden, duizenden NEE’S en STOP in alle talen
HELP woont er ook.
Dit kan niet, klaag ik. Ik schrijf het woord ‘nee’ in alle talen op duizenden papiertjes. Ik vouw ze duizend keer en geef ze duizend keer aan jou. Voor jou, muur. Help. Help ze, die meiden die protesteren en vechten voor een beter leven. En help de buurvrouw ook, als je toch bezig bent. Luister naar
NEEneinNJETnoSTOPIT
Waarom heb ik het gevoel dat ik tegen een muur praat?
Maagden verkracht voor 'legale' executie
Amsterdam- Leden van de in Iran gevreesde Basij verkrachten maagden in de gevangenissen in de nacht voor hun executies.
De bewakers trouwen de nacht voor de terechtstellingen met de vrouwelijke gevangenen, om de verkrachtingen 'legaal' te maken binnen het huwelijk. Vervolgens mogen de vrouwen, omdat ze geen maagd meer zijn, 'legaal' geëxecuteerd worden. Een van de leden van de paramillitaire groep onder de religieuze leider Ali Khamenei heeft dat anoniem in de openbaarheid gebracht. De Jerusalem Post bericht daar over.
Toen hij 18 jaar was, kreeg hij volgens eigen zeggen 'de eer' tijdelijk jonge meisjes te trouwen die ter dood veroordeeld waren. De man heeft daar nu spijt van. Hij is net zelf vrijgekomen uit de gevangenis, waar hij zat omdat hij twee tieners had bevrijd die waren gearresteerd na de demonstraties rond de laatste verkiezingen.
Sommige vrouwelijke gedetineerden kregen slaappillen toegediend om ze rustig te maken. Maar de vrouwen vochten desondanks tegen de verkrachtingen. Volgens de anonieme man waren ze nog banger voor de onteringen dan voor de executies die daarop volgden. "Ik heb ze horen huilen en schreeuwen. Een van de meisjes heeft haar gezicht en nek met haar vingernagels helemaal opengekrabd, dat vergeet ik nooit meer."
Bron: de Telegraaf
Art: Vachal, cry of the mass
De laatste vlinder
hoop, laatste vlinder, hel, hella, echo, strohalm, vleugels, vertrouwen, goden
Ze woont nog ergens van binnen, het vertrouwen. Daar slaapt ze, deze vlinder, haar vleugels nu opgevouwen, stil en afwachtend. Ergens in de diepte leeft ze nog, hoewel ik haar aanwezigheid slechts vaag kan waarnemen. Ze is er nog, ondanks alles wat er gebeurde.
Ze moet er zijn, het kan niet anders, ze is mijn strohalm.
En ze is de
laatste van haar soort.
Maar misschien slaapt ze niet. Misschien is ze al een tijd
geleden in stilte gestorven, zonder taal en zonder teken.
Misschien dwaalt ze al in Hella's rijk en wacht ze op mij.
Misschien voel ik alleen haar echo.
Ik hoop, bij de goden, dat ze nog leeft.
En ik hoop, bij de goden, dat de goden nog leven.
Deel 3
Als ik deze god zie, krijg ik het koud, ondanks de hitte van het woestijnzand onder mijn voeten. Op een veilige afstand kijk ik naar de woestijnman.
‘Je mag niet kijken!!’ bijt hij
mij toe.
‘Je zult niet, je mag niet, je kan niet, schaam je, bedek
je, onreine vrouw!’
Ik realiseer mij dat mijn hoofd onbedekt is. Mijn hand gaat als
vanzelf omhoog, geschrokken.
Vluchtneiging. Angst kruipt door mijn adem, maar ik blijf
staan.
Ik tuur in het felle zonlicht, en probeer de god beter te zien.
Ja, daar, achter de eerste verschijning, staat een tweede. Een
liefdevolle godin staat achter de Angstaanjager. Al'Lat is
groots.
‘Ik zie u toch wel, daar, achter de kreten van uw
volgelingen’
‘Je mag niet, ongelovige vrouw!’
‘Deze ongelovige groet degene achter u’
In mijn ooghoek zie ik een rivier glinsteren.
Ik vervolg snel mijn weg.
Art: onbekend
Godenstilte
god, boeddha, meditatie, offers, bloemen, boeddhisme, stilte
Deel 2
Ik staar naar de god voor mij.
Hij is in diepe meditatie: zijn ogen half geloken, zijn mond een
beetje open.
Het is een mooie god, zo'n rustige god.
Ik leg vers geplukte bloemen voor hem neer.
‘Goedemorgen, god. Ik breng u bloemen als
offer’
De god mediteert verder. Ik schik mijn jurk en ga voor hem
zitten.
‘Ik ben hier slechts op doortocht’ zeg ik. ‘Ik
heb veel over u gehoord, en ik ken een aantal van uw volgelingen.
U lijkt mij een lieve god: geen geweld, geen ellende, alleen
rust...’
Ik pak een van de bloemen op en ruik eraan. Dan leg ik de bloem
op zijn schoot.
Hij mediteert verder.
‘Veel van uw wijsheid trekt mij aan’ filosofeer ik
hardop. ‘Eerbied voor alle levende wezens, meditatie,
loslaten, het bewust zijn van de ziel’
De god is in diepe meditatie: zijn ogen half geloken, zijn mond
een beetje open.
‘Maar ik ben niet een van de uwen, en dat weten we beiden.
Niet dat het u wat uitmaakt, want u mediteert immers gewoon
verder’
Voorzichtig sta ik op, en geef hem een kus op zijn versteende
voorhoofd.
Dan loop ik verder.
Deel 1
Ik ben op het matje geroepen.
De man voor mij zit in een grote lederen stoel, streng en
gesloten. Hij slaat zijn handen in elkaar, en ik zie hoe zijn
vingers zich verstrengelen. Dan laat hij zijn hoofd op zijn
handen rusten en kijkt mij aan.
Ik kijk terug, mijn handen nu ook verstrengeld, slapend op mijn
schoot.
Mijn kokerrok kijkt kuis voor zich uit.
‘Ik snap helemaal niets van jou’ zegt de man.
‘Ik heb al het denkbare uitgehaald met jou. Ik liet je
lopen op doodlopende paden, blokkeerde betere wegen, stuurde
vileine fantomen. Duivels heb ik jouw kant op gestuurd, en de
schaarse beschermengelen verwijderde ik handmatig. Elk spoortje
hoop en elk sprankje naïviteit heb ik vakkundig vermorzeld. Ik
doe mijn werk goed! En hoewel ik even dacht je te hebben
gebroken, ben je er nog steeds. Dit stond niet in mijn
verwachtingspatroon.’
Hij ontwart zijn vingers, en zoekende handen vinden papier. Dan
schuift hij met een resoluut gebaar een grafiek naar mij
toe.
‘Kijk, hier staat het, zwart op wit. Truc, en een
neergaande lijn. Rotstreek, weer een dalende lijn. De ultieme
gemene rotstreek, and you hit rock bottom. Zo is het geschreven,
zo moet het zijn. Jij wijkt op significante punten af van het
Grote Plan, zoals het geschreven staat in de sterren en, niet te
vergeten, in de Heilige Grafieken.’
Mijn handen liggen nog steeds verstrengeld op mijn schoot, en
mijn mond blijft gesloten. Mijn rok kijkt zedig, zonder te
knipperen.
‘Ik moet eerlijk toegeven dat het mij irriteert’ zegt
de man voor mij. Nerveus strijkt hij een lok godenhaar weg.
‘Je volgt de oude tradities niet, je luistert niet en je
doet wat je wilt. Jij hoort nu op de rotsen te liggen en om
genade te smeken. Smeek om genade, vrouw en verlos ons uit het
lijden!’
Mijn handen nemen een andere positie in. Ze zweven omhoog, nu in
de bidhouding, de genadehouding. Hij ziet het, en
glimlacht.
‘Ja, nu ben je een braaf meisje’
‘U hebt gelijk, en ik heb spijt...’ zeg ik zacht. Ik
sla mijn ogen neer en mijn benen over elkaar. ‘Ik zal mij
in het vervolg aan de tradities houden, en niet meer afdwalen. Ik
heb gezondigd, vergeef mij alstublieft’
De man voor mij kijkt verheugd, en opgelucht. Zijn handen legt
hij, gerustgesteld nu, op zijn pantalon. Daar vallen ze tevreden
in slaap.
‘Dan kun je gaan, met mijn zegen, kind. Jouw straf: drie
grafiekgroetjes en zes tulpenkransen. Wees devoot, luister naar
de Herder en volg het Grote Plan. Ga in Hemelse
Vrede’
Als ik opsta weet ik dat ik mijn Eerste Grote Rotstreek heb
uitgehaald. Deze god gelooft in mij. Als ik de deur uit loop
giechelt mijn kokerrok.
Ik ook.
Heidekracht
hunebedden, grafheuvels, klokbekercultuur, heide, monumenten
Het Engelse Stonehenge heeft op veel mensen
een zekere aantrekkingskracht. Ze willen daar rondkijken, de
sfeer voelen, de stenen aanraken, ronddwalen en fantaseren op
deze plek die voor onze verre Europese voorouders een belangrijke
plaats schijnt te zijn geweest. De spirituelen onder hen weten
dat het een heilige plek is, een plaats van kracht, een sacraal
punt in het landschap. Zelfs mensen die zich niet bezig houden
met spiritualiteit voelen dat er op deze plaats iets woont, daar
net uit het zicht, verborgen in de ooghoeken. Het zijn containers
van kracht, plaatsen waar zich een sacrale, voelbare energie
bevindt. Daarnaast geven ze ons een verbindingsmogelijkheid, een
onzichtbaar koord waardoor we contact kunnen leggen met hen die
deze plaats bouwden en daar rituelen hielden voor hun
goden.
Het is prachtig weer. Ik loop op de heide en geniet van de
weidsheid, het paars en groen, de blauwheid van de hemel die als
een koepel dit landschap omvat. Voor mij doemen de bekende vormen
zich op: rond en groen, gekleed in teunisbloem en braamstruik.
Aan de voet van de eerste heuvel blijf ik staan, doe mijn rugzak
af en zoek vervolgens een plekje in het lange gras. Ik doe mijn
ogen dicht en probeer mij voor te stellen hoe het hier was,
duizenden jaren geleden. Ook toen was het hier heide: de barre
gronden, daar waar geen gewassen wilde groeien. Daarom begroeven
onze voorouders, met liefde en toewijding, hier hun doden. Hier
op deze plaats bouwden ze grafheuvels en kwamen bij elkaar om de
doden te eren.
En ik ben niet in Engeland, ik bevind mij niet
op een exotische plek in een ander land, ik ben in Nederland en
ik zit op een Nederlandse heide.
Een grafheuvel of tumulus is een aarden heuvel uit de brons of
ijzertijd waarin doden werden bijgezet. Verspreid over Nederland
zijn er nog ongeveer 3000 prehistorische grafheuvels te vinden.
De meesten van hen zijn gebouwd door mensen uit de
Klokbekercultuur. Wij weten niet veel over ze, hun afkomst is in
nevelen gehuld en de achtergelaten sporen zijn miniem.
Archeologisch onderzoek toonde aan dat ze een groot
verspreidingsgebied hadden: sporen van dit volk zijn gevonden van
Denemarken tot Spanje. De meeste nog bestaande grafheuvels zijn
tegenwoordig zo klein of vervallen dat ze amper opvallen in het
landschap. Veel mensen weten dan ook niet of nauwelijks van hun
bestaan af. Het onderhoud van en educatie over deze
prehistorische graven is sterk afhankelijk van de gemeente waarin
ze liggen.
De Klokbekercultuur (Glockenbecher-Kultur, Beaker culture) is
vernoemd naar het gevonden aardewerk waarin een flauwe S-vorm aan
een kerkklok doet denken. De klokbekervolken leefden tussen
ongeveer 2700 tot 2100 voor Christus, van het late Neolithicum
tot aan het begin van de Kopertijd.
Het woord ‘krachtplaats’ betekent letterlijk
‘een plaats die kracht bezit’, een spirituele kracht,
die afkomstig kan zijn van handelingen van mensen (plekken waar
eeuwenlang is gebeden, een plek waar lang rituelen zijn gehouden)
of een kracht die er van nature al is (een krachtige natuurlijke
plek, bijvoorbeeld een bos, een meer, een bijzondere
steen).
Het woord ‘heilig’ roept bij de meeste Nederlandse
mensen vooral christelijke associaties op. Bijna alle
verwijzingen naar Nederlandse en Belgische plekken waarin het
woord ‘heilig’ wordt gebruikt, hebben te maken met
het christendom: bedevaartsoorden, associaties met christelijke
heiligen. Het Engelse woord ‘sacred’ heeft een
bredere lading: niet per definitie christelijk, maar heilig in
algemene zin, waarbij het niet uitmaakt uit welke spirituele
stroming het afkomstig is. Het Engelse woord ‘sacred’
kan worden vertaald met het Nederlandse ‘sacraal’:
dit klinkt neutraler, groter dan ‘heilig’.
Wie waren deze heuvelbouwers, wat was hun beeld over het
hiernamaals, en welke goden aanbaden ze? Als ik informatie zoek
over dit heidegebied en de Klokbekermensen, begint er zich
langzaam maar zeker een beeld af te tekenen. Het onderzoek is
niet gemakkelijk: veel mensen weten weinig tot niets over de
grafheuvels en hun bouwers. Als ik bel met gemeenten krijg ik
mensen aan de lijn die bijna schoorvoetend vertellen dat ze er
eigenlijk niets van afweten. Ja, er zijn grafheuvels. Ja, van de
Klokbeker of Hilversumcultuur. Ja, er is een bijl gevonden
ergens, en ‘bekertjes’. Ik verbaas mij over het
gebrek aan informatie en het maakt mij nog
nieuwsgieriger.
De gevonden grafgiften vertellen een deel van
het verhaal. Tot de meest voorkomende grafgiften behoren
klokbekers, stenen polsbeschermers en hamerbijlen, vuurstenen
pijlpunten en in sommige gevallen koperen sieraden en koperen
dolken. Men vond ook vogelbotjes, botten van de bruine beer en
hertshoorn. Geweifragmenten komen uitsluitend voor in
kindergraven. Het dierlijke materiaal, soms verwerkt in sieraden,
lijkt te spreken van een animistisch wereldbeeld, waarin aan
sommige dieren een spirituele betekenis werd verbonden. Deze
mensen bewerkten het land, maar jaagden en verzamelden ook. Men
vermoedt dat het in de eerste instantie een (semi)nomadisch
herdersvolk was zonder vaste woonplaats. We weten weinig van de
woonplaatsen van de Klokbekermensen, omdat er in Nederland niet
veel huizen en nederzettingen van hen zijn gevonden. Er is over
hun dagelijkse bestaan en levenswijze dan ook vrij weinig
bekend.
Ik zit in het hoge gras en stem mij af op
de omgeving. Alles is rustig. Dan leg ik, als blijk van respect,
een offertje neer voor de ouden die hier rusten. Ik deel mijn
voedsel en mijn water. Een wandelaar loopt voorbij. Ik stop
automatisch mijn handelingen, probeer mij onzichtbaar te maken
voor zijn nieuwsgierige blikken, en wacht tot hij voorbij loopt.
Het werkt niet, want de man heeft iets opgemerkt, iets wat hij
niet kan vatten. Hij komt recht op mij af.
'Wat doet u?' vraagt hij.
'Niets bijzonders' antwoord ik.
'U bent zeker zo’n verrekte heiden' zegt de man, terwijl
hij mij streng aankijkt. 'Ik zal voor uw zielenheil bidden.' Hij
loopt met grote passen weg, en slaat met een wandelstok hard
tegen een braamstruik aan. Ik waan mij even in de
Middeleeuwen.
Waar in Engeland en Scandinavië de daar aanwezige krachtplekken
zoals grafheuvels nog enigszins met respect worden behandeld,
lijkt dat in Nederland niet het geval. Deze grafheuvels zijn
archeologische schatkisten, een fysieke link naar onze
voorouders, naar de geschiedenis van het land onder onze voeten.
De heuvels kunnen ons meer vertellen over de manier van leven en
de manier van denken van die mensen die hier duizenden jaren
geleden rondliepen. Ze kunnen inzicht geven in hun
geloofsstructuur en hun beelden van het hiernamaals. Ook deze
mensen dachten na over een ‘leven na de dood’, en
eerden hun doden door deze heuvels voor hen te bouwen en
grafgiften mee te geven. Deze plaatsen zijn tijdscapsules die ons
waardevolle informatie kunnen geven.
Maar er is geen interesse voor die informatie. Geen interesse van
de vele joggers, fietsers en wandelaars, geen interesse van de
Nordic walkers die zich en masse door dit sacrale landschap
voortbewegen. Nederlandse mensen die zich bezig houden met
verschillende vormen van spiritualiteit vertellen elkaar lyrische
verhalen over reizen naar Stonehenge en Avebury, over
spookachtige graftomben in Scandinavië en oeroude krachtplaatsen
in Peru. Ze vertellen over die buitenlandse krachtplaatsen en dat
wat ze daar voelden, die speciale energie, die schoonheid van het
oude. Weten ze wel dat Avebury is gebouwd door mensen uit
dezelfde Klokbekercultuur als die hier grote delen van Nederland
bevolkte en verantwoordelijk is voor vele
grafheuvels?
Waarom is er geen interesse voor de sacrale
plaatsen in Nederland?
De hunebedden in Drenthe zijn speelplaatsen voor kinderen
geworden, hangplekken voor jongeren die even het toeziende oog
van hun ouders willen vermijden, rare stenen die je kunt
gebruiken als fietsenstalling, canvas voor graffiti. Oeroude
‘bergen’ waar onze voorouders bij elkaar kwamen om de
zonnewenden te vieren en hun goden te vereren, zijn verdwenen uit
het geheugen, campingplaatsen geworden of leven alleen voort in
plaatselijke legenden.
Heuvels waarvan de naam een aanwijzing is voor een heidense
oorsprong, zoals de Zonnebergen, de Manenbergen, de Wodansbergen
(de god Wodan) de Donderbergen (de god Donar) de Materbergen
(moedergodinnen), Paasbergen (Godin Eostre), Helsbergen (Godin
Hel), Hengstbergen(vruchtbaarheidsrituelen) en Tafelbergen
(heuvels met een afgeplatte kegelvorm) zijn nog in heel Nederland
te vinden, maar er is geen haan die er naar kraait. Het
interesseert ons niet: Stonehenge is veel interessanter.
Er komen twee wandelaars aangelopen, met een hond. Een jongen op
een crossfiets snelt de heuvel op, om vervolgens met grote
snelheid aan de andere kant naar beneden te racen. Op de top van
de heuvel zijn de resten te zien van een kampvuur. Daarnaast
liggen stukgeslagen bierflesjes. Ik zie degene wiens resten in de
heuvel rusten, zich omdraaien in zijn prehistorische graf.
(Dit artikel staat ook in het Mei nummer van de
Koorddanser)
Foto: eigen werk.
'Wees duidelijk' zegt hij.
Ik zoek de woorden daarbinnen, een antwoord, maar vind ze niet
meteen. Daar waar woorden altijd binnen bereik waren en aan mij
gehoorzaamden, vind ik nu een leegte. Ik schrik er van, want
woorden kleden mij, geven mij gestalte.
‘Nou?’
Haast verbaasd over deze nieuwe situatie zoek ik verder, nu in
tijdsnood. Ik moet een antwoord vinden, gehuld in welsprekendheid
of gevatheid. Maar in deze leegte woont niets dan de wind, en
lege hoeken staren mij aan. Er wonen hier geen woorden, zinnen
zijn spoorloos, verhalen zijn verdwenen. En ik kan mij niet meer
verschuilen.
Stilte.
Toch ken ik het antwoord want het is een diepe vis, een
Coelacanth,
een die lang ondergedoken was en nu aan de oppervlakte komt.
Maar ik kan het niet vangen met woorden, want
die woorden bestaan nog niet-
ik kan het niet pakken want deze vis is zo echt.
Als ik opsta en naar hem toe loop neem ik een risico
Als ik hem aankijk zal ik de grens over moeten
want dan moeten mijn ogen vertellen wat woorden niet kunnen
zeggen.
Art: unknown
Ik zie haar weer, de kleine meid.
Twee lange vlechten, een poppenjurk, haar blond als stro.
Ze ziet er schattig uit, alsof ze is weggelopen van de set van
'het kleine huis op de prairie'.
Elke keer als ik haar zie verwacht ik dat Michael Landon op het
toneel verschijnt, compleet met trouwe hondenogen en een wijze
uitspraak. Haar zie ik wel, maar hem zie ik niet.
De eerste keer dat ik haar zag zat ik voor het raam van mijn
benedenwoning naar buiten te staren. Ik had een kopje koffie
gezet, en nipte aan het heet. Ik ken elke steen van elk huis in
de straat, en elk gezicht van elke bewoner. Ik woon hier al vele
jaren. Tegenover mij woonde mevrouw Ter Wind: een oude vrouw die
zelden meer haar huis uit kwam. Ze was slecht ter been en liet
haar boodschappen bezorgen. Een keer per week kwam een jong ding
met een hoofddoek haar helpen met het huishouden.
Naast haar woonde een oudere heer wiens naam
ik nog steeds niet ken. Hij was bijna nooit thuis, en als hij
thuis was draaide hij harde muziek. Ik vermoed dat hij doof was.
Het maakte niet uit, de harde Beethoven: ook ik ben een beetje
doof geworden in de loop der jaren. De meneer knikte altijd
vriendelijk gedag als hij op weg ging. Misschien ging hij naar
bingo, of de biljartclub, of dronk hij koffie met andere oude
mannen in het bejaardenhuis om de hoek.
En toen ineens was daar het meisje. Ik schat haar een jaar of
acht. Ze liep aan de overkant van de straat en ze viel op. Ze
viel op omdat ze zo jong was, zo totaal misplaatst hier
op het aanleunhofje waar alleen stokoude mensen wonen. Ze liep,
nee, ze huppelde, met van die zwarte lakschoenen die ik
nog kende uit mijn jeugd. Van die tapdansschoenen, Shirley Temple
schoenen. Ik wist niet eens dat dit soort schoenen nog te koop
waren. Ik keek naar het huppelende meisje, dacht dat ze misschien
de kleindochter was van een van de hofbewoners, en toen bleef ze
staan. Ze keek mij recht aan en ik schrok ervan. Ik voelde mij
betrapt.
Blauw. Blauwe grote onschuldige ogen. Toen
lachte ze, zwaaide, en liep door. Ze stopte bij het huis van
mevrouw Bakker op de hoek. Ik zag dat ze aanbelde, en het duurde
even tot mevrouw Bakker bij de deur was. Het meisje ging naar
binnen en de deur sloot zich.
De volgende dag stond er een vreemde auto in de straat. Ik zat
voor het raam naar buiten te kijken, en zag een man met een grote
tas naar buiten komen. Daarna kwam er een ambulance. Mevrouw
Bakker was die nacht gestorven, hoorde ik van mijn huishoudhulp.
Ik ging niet naar de begrafenis.
Een week later zag ik haar weer, het meisje van de prairie. Ze
leek ook op dat ene meisje, die oudste dochter, die blonde met
die vreemde ogen. Ze liep, nee ze danste over het
trottoir, als een klein schattig balletdanseresje. Haar jurk
zwierde en haar vlechten zwierden mee. Ze stopte voor de deur van
de bingomeneer en belde aan. En hij was thuis. Hij was nooit
thuis, maar nu toevallig wel. Ik keek toe hoe ze hem aansprak en
naar binnen ging. Ik zette verse koffie. Toen ik weer bij het
raam ging zitten was de deur dicht.
Twee dagen later stond er een bekende auto in de straat en zag ik
hoe ze meneer bingo weghaalden op een brancard. Er lag een zeil
over zijn lichaam. Mijn huishoudhulp ging kijken. Hij was al
minstens een dag dood, vertelde ze rillend.
Ik ging niet naar de begrafenis.
Verleden week zat het kleine ding op de vensterbank van mevrouw
Ter Wind. Een briesje blies haar rokken bol: ik zag een
schelpenrand van kant. Zij zag mij, ik zag haar. Ik vond dit een
perfect moment voor een entree van Michael Landon, maar hem zag
ik niet. Ze gleed van de vensterbank, keerde zich om, keek bij
mijn buurvrouw naar binnen en klopte op het raam.
'Oh god, laat haar de deur niet openmaken', dacht ik
nog, en ik zocht op mijn telefoonklapper naar het telefoonnummer
van mevrouw Ter Wind. Beverig draaide ik het nummer op mijn
ouderwetse telefoon. Ze nam niet op. Ik keek naar buiten. Dat
kreng van het verdomde prairiehuis was weg. Ik belde mijn
huishoudhulp. Antwoordapparaat.
Mijn hart ging tekeer. Ik nam mijn pillen.
Ik ging niet naar de begrafenis van mevrouw Ter Wind.
Ik zie haar weer, de kleine meid.
Twee lange vlechten, een poppenjurk, haar blond als stro. Ze
staat voor mijn deur en ik doe niet open. De gordijnen deed ik
dicht en ik zit in het donker.
Ze klopt op mijn raam. Ze bekijkt het maar.
Dat de dood blonde vlechten heeft vind ik een
rotstreek.
Ik wist het niet
spijt,stervende,sterven,keuze,leven,dood,gustav klimt,
Ik wist het niet. Dat is mijn enige excuus. Nu
ik het onuitspreekbare deed, dat deed wat verboden is, voel ik
mij leeg. Vreemd genoeg voel ik geen schuld, slechts stilte,
en het is die stilte die mij bang maakt.
Ik proef spijt op mijn lippen.
Hoe kan ik uitleggen hoe ik tot mijn daad kwam? Ik begrijp het
zelf niet eens, en ik heb haast geen woorden, geen zinnen die uit
kunnen drukken wat ik voelde, wat ik deed, en het waarom.
Soms is 'waarom' slechts een woord.
Had ik het anders kunnen doen? Als ik terug denk aan de
gebeurtenissen, het snoer van kettingreacties, vind ik daar geen
logica, slechts chaos en eenzaamheid. Daar woont de kern, vermoed
ik, de reden achter mijn gedrag.
Ik proef eenzaamheid op mijn lippen.
Ik heb mijn werk niet goed gedaan. Ik deed niet wat er van mij
verwacht werd, en ik heb mijn opdrachtgever teleurgesteld. Mijn
gedrag was onverantwoordelijk. Ik zou mij moeten schamen, maar ik
voel een soort bevrijding: mijn last was veel zwaarder dan ik mij
in de eerste instantie realiseerde.
Eeuwenlang deed ik trouw wat gedaan moest worden. Men haatte mij
erom, verafschuwde mij. Ze zagen mij als de veroorzaker en dat
was ik niet-
ze zagen de haler en niet de brenger.
Weet je, ze raakte mij. Dat verbaasde mij, want ik was
onaanraakbaar. Niets kon mij deren, mijn ziel was zo dik
bepantserd, met reden. Er was geen smeekbede die ik niet kon
weerstaan, geen dreiging die ik niet opzij kon vegen. Oefening
baart kunst, en ik had veel kunnen oefenen. Mensen zijn zeer
inventief als ze bedreigd worden: scherpe katten zijn het,
sissend, bloedend, haal en overhaal.
Ze trekken, duwen, slaan, weerstaan
rillen en schelden
vechten, smeken, huilen, vertellen mij dat het niet
eerlijk is
Zij deed dat niet.
Ze was als een wilg.
Ik kwam naar haar, het was haar tijd. En ze glimlachte naar mij.
Jong was ze, bleek en mager. Een vechtster, een amazone,
een die zo moe was, en nu in de laatste ronde stond,
wetend dat de strijd bijna over was.
Mijn hand was al uitgestoken, en zij stak de hare uit.
Ze staarde, intens, en ze nam mij, totaal onverwacht, in haar
armen.
Ze wiegde mij, heel voorzichtig, en fluisterde tegen
mijn haar.
'Zo eenzaam ben jij, zo onbegrepen'
Iets brak in mij.
Alsof er iets smolt, daar diep van binnen.
Mijn hoofd ging als vanzelf naar voren, en ik kuste haar op de
bleke lippen. Ik zoog.
Ik zoog haar ziekte op, die vreselijke ziekte, het kroop in mijn
mond en ik slikte het in.
Het smaakte bitter, een smerig ding.
'Leef' zei ik schor.
Voorzichtig maakte ik mij los uit haar omhelzing.
De kleur kwam al terug op haar lippen.
Art: Gustav, the kiss
“Die man is nog nooit buiten zijn eigen kop geweest”
‘Meidenzeggenschap’, Terry Pratchett
Ik ben om. Het heeft jaren geduurd, maar nu ben ik om. Terry Pratchett, een fantasyschrijver, heeft mij bij de kladden. Deze man heeft een zeer bijzondere schrijfstijl. Mijn vrienden waren al lyrisch over zijn boeken, en probeerden mij al jaren aan de Pratchetts te krijgen. Nu ben ik een echte stier: als iedereen linksom gaat, zet ik mijn hoeven schrap en weiger mee te lopen. Daarom ben ik waarschijnlijk de enige op het Europese continent die de Harry Potter boeken niet heeft gelezen. Ik verdom het. Maar Terry heeft mij te pakken.
In het kader van mijn schrijfexperiment (het uitproberen van diverse schrijfstijlen) hieronder mijn eerste TerryPratchettschrijfpoging.
Vormverlies en heksenles: theorie
Mag ik even jullie aandacht? Dit is namelijk belangrijk. Ik heb geen zin om alles op het bord te schrijven, dus let op. Het is niet toegestaan om uilen in te zetten, de hoeden moeten af (ja, Damian, die van jou dus ook) en de staven gaan de gang op.
Nu.
In deze middenwereld, de wereld waarin wij leven, hebben de meeste zaken een herkenbare vorm. Die vormen zijn tastbaar, voelbaar, en zichtbaar. Misschien ook ruikbaar, maar dat is iets voor een andere keer. Een boom is een boom, en zelfs met ogen dicht herkennen je handen de vorm. De schors onder je handen, de structuur van bladeren, de vorm is bekend. Je weet dat het geen kookpot is, of zoiets onuitstaanbaars als een wichelroede: het is een boom omdat je hart dat weet. Naast de vaste vormen zijn er lossere vormen, zaken die kunnen veranderen van vorm. Zoals water, wat zich kan manifesteren in verschillende gedaanten. Magisch gezien is water dan ook zeer handig. Ook dat is iets wat wij straks gaan uitproberen in de praktijk.
Maar in magie hebben we te maken met andere werelden. En in die andere werelden wonen andere vormen. Vormen die mensenogen amper herkennen als vormen omdat er geen wiskundige theorieologie achter zit. Vormen die strikt gezien geen vormen zijn, maar ik gebruik het woord voor de vorm. Die dingen zijn niet aan-wijs-baar, niet aan-toon-baar. Sommigen zien niet eens toonbaar uit, onzedig gedoe, ze doen maar wat. Soms jatten ze vormen van anderen, maar het staat ze gewoon niet. Deze vormelozen zijn Van Een Andere Orde. Wezens, zaken en dingen die geen duidelijke substantie hebben van zichzelf, maar toch bestaan. Energievormen.
In die andere werelden zijn er plaatsen die er niet behoren te zijn maar er wel zijn. Dit is storend, want dit idee doet dingen met je hoofd. Een soort onzijn. Die plaatsen wonen aan de andere kant van de werkelijkheid, daar waar ze niet malen om vormregels. Ze hebben daar ooit over poldervergaderd en besloten dat de regel is dat er geen regels zijn.
Stel je voor dat je geleerd hebt om daar naartoe te gaan, naar zo’n niet bestaande plaats met niet bestaande wezens, ergens in een uithoek in Alfheim of zo. Je moet leren hoe je er moet komen, en hoe je bescherming aanbrengt, want dit zijn gevaarlijke plaatsen. Gevaarlijk omdat jij wel een vaste vorm hebt, een middenwerelduiterlijk, opgepimpt volgens de laatste evolutiemode. Het hebben van een vaste vorm heeft zeker zijn voordelen, en de vormelozen weten dat. Omdat er een vaste vorm is kun je manifesteren, handelen zelfs, aanraken, betasten. En het kunnen gebruiken van de zintuigen kan een staat van opperst genot brengen. Als je wat ouder bent begrijp je dit vast. Stel je voor nu de geur van pasgebakken brood maar voor, of het gevoel van fluweel onder je handen, en dan begrijp je wat ik bedoel.
Ik dwaal af, zeg je nu, en dat is gedeeltelijk waar, maar niet helemaal. Je moet leren hoe je jezelf kunt beschermen, want de vormelozen zijn uit op je hug (persoonlijkheid) en je ham (huid), en niet in de laatste plaats op je önd(levenskracht). Deze vorm van Hyge-cræft is linke soep, geloof me, en komt pas ter sprake in het tweede heksenjaar.
Maar goed, stel, dat je naar die wereld kan gaan. Geleerd van de buurvrouwheks, van mij, of van een rondreizende tovenaar. Kan allemaal. Nou, daar, in die uithoek, kun je leren over vormverandering. Daar waar ‘vorm’ slechts een woord is, kun je leren hoe je uit je huid sluipt, hoe je een andere huid leent, en, niet geheel onbelangrijk, hoe je weer terug komt in je eigen vel. Daar op die plaatsen kun je leren over energievelden, hoe je die oproept, en hoe je zo’n veld kunt opvouwen, verkleinen, mee kan nemen, weer neer kan zetten. Dit is bruikbaar als je geliefde wordt bedreigd door een groep deurwaarders/boze Vikingen, als je wilt vluchten voor je schoonmoeder/heks uit een naburig dorp of als je van plan bent iemand een beetje te plagen, net als de persoon in kwestie zich in haar of zijn bed omdraait om in te slapen.
Als je die wereld wilt betreden, neem dan altijd een helper mee, een gids, of een god. Pas op voor oneerbare goden en gevallen engelen. Neem nooit snoepjes aan van goden met rood haar, en pas op voor mengelingen. De goedaardigen van geest doen geen nieuwerwetse dingen met mengtover, hoewel ik hoorde over een moderne stroming die juist dat adverteert waarvoor ik nu waarschuw. Mijn punt is, ja, vormverandering is te leren. Op de middenwereldse manier, waarbij je een vorm aantrekt van iets anders, iets met een gedegen vaste zonderpoespasvorm. Daarmee zou ik eerst gaan oefenen.
~~~~De bel gaat~~~~~~
Moment! Voordat je wegrent, het huiswerk voor morgen:
Lees deze les nog een keer. Probeer dan een half uur uit je eigen hoofd te sluipen, en ga op zoek naar een leenvorm. Eentje in de middenwereld. Zet wel een kookwekker.
Nu mijn jagersdagen over zijn en het stil is
van binnen, zie ik slechts mijn eigen naaktheid. Er is geen
harnas meer, geen bescherming, slechts huid en botten, losjes
gedrapeerd over dat wat men ziel noemt.
Ik draag nu slechts mijn haar
en de tekens, de zichtbare en de onzichtbare
Elk teken waardevol, een herinnering aan een gebeurtenis die mijn
wereld schokte.
Een slang kronkelt over mijn enkel en verbind mij aan de
aarde
koraalslang rood
De uil op mijn rug fladdert zachtjes,
oehoed liefdesliedjes in mijn hals.
Pictures on my skin.
Maar nu het stil is van binnen zie ik ook die andere oplichten,
die tekens die wij allemaal dragen, daar net onder het
oppervlakte. Ze sieren onze huid en zwemmen onder spieren: het
zijn de resten van opgelopen wonden en de dolken in de rug. Elke
handeling liet sporen achter, een landkaart scheppend van
ongezien geweld, een slagveld van harde woorden en daden jou
aangedaan.
Hij zit achter mij en zijn handen raken mijn rug. Vingers strelen
de contouren van die doodslijnen, die diepe lijnen, de kraters
geslagen door verraad. Ik voel de vingertoppen zoeken, daar waar
ik niet kan zien, daar in de blinde hoek.
"Je bent mooi" zegt hij in zijn zangtaal.
"Hoe kun je dit nu mooi vinden? Het is een slagveld!"
"Ik loop er graag"
Zijn wijsvinger loopt een kronkelpad op mijn ruggengraat.
"Deze bijvoorbeeld. Het rode pad, de grootste wond, weet je nog?
Het pad van de Jaagster, het pad van de speer. Het begint al te
helen, nu alleen de hechtingen nog eruit"
Hij geeft een ruk, ik zeg au, hij trekt een hechting los.
Ik schiet naar voren en hij trekt mij naar achteren.
"We zijn nog niet klaar, dear"
De palm van zijn godenhand raakt mijn heup.
"Hier, deze is ook zo mooi. Als een grote blauwe plek woont het
hier, vlakbij je basis". Hij buigt zijn hoofd om het te kussen.
"Er was geen basis, maar dat wist je niet'"
Zijn armen draaien mij om. Hij legt zijn handen op mijn dijen.
Daar lopen littekens, met een zachte curve naar boven. Vingers
volgen steels de ronde vormen.
"Oorlogswonden, vrouwenwonden. Kijk en wend je ogen niet af. Ze
zijn nu zichtbaar in de stilte, en ze zijn prachtig"
Ik kijk naar de spiraalvormige paden, pijnrivieren. Ik zie dat ze
geheeld zijn. Ze doen geen pijn meer, ze zijn. Mijn huid vertelt
het verhaal, het is een canvas, een schilderij, mijn
schilderij.
"Doe je ogen dicht" gebied hij.
Ik sluit wimpers, en voel zijn handen op mijn naakt. Hij tekent,
hij kerft, hij ritst runen op mijn wit. Na een eeuwigheid mag ik
kijken, en ik zie het veranderde huidlandschap. In de
pijnrivieren zwemmen nu roze vissen, en bloemen kronkelen op mijn
armen. Mijn borsten nu een lotuszee, mijn schoot een oase.
"Dit is hoe ik jou ziel zie. Geen harnas meer. Blijf nu
naakt"
Ik knik in stilte.
Achterdochtig (4)
achterdocht, emotie, teleurstelling, schuld, angst, vertrouwen
Gisteren sloop ze bij mij naar binnen, de
kille, op van die stille voeten. Ze zocht een comfortabele stoel
op de eerste rij, en installeerde zich daar. Een sluipmoordenares
met kwade raad, zure fluistertonen, en 'zie je wel' zinnen.
'Nooit zomaar je vertrouwen geven, ik zei het je toch' zegt ze
nu. Ze steekt een sigaret op.
Langzaam blaast ze de rook uit. Haar blik is triomfantelijk. 'Ik
heb je nog zo gewaarschuwd!'
Mijn hoofd doet pijn. Daarbinnen vallen
puzzelstukjes op hun plaats. Ze schuiven en buitelen, laten
verbanden zien en betekenissen.
‘Precies. Zie je het nu?’ Ze knikt begripvol.
‘En daarom reageerde hij zo..’
‘Ja. Het spijt mij dat je er zo achter moest komen’
Het spijt haar helemaal niet. Ik zie het aan haar gezicht. Ze geniet.
‘Weet je..’ zeg ik. ‘Jij helpt mij niet’.
‘Dat staat ook niet in mijn contract’ zegt ze, terwijl ze zich uitrekt en achterover leunt.
Dit is deel vier van de emotieserie. Het doel was, om zo klein mogelijk een negatieve emotie en de impact te beschrijven.
Deel 1: Angstig
Deel 2: Schuldig
Deel 3: Teleurstelling
Art: onbekend
Teleurstelling (3)
meermin, medogenloosheid, hardheid, troebel, drogbeelden, emotie, teleurstelling
Even voel ik de volle diepte van teleurstelling. Even waad ik
door dit troebele water, daar waar algen drijven en houvast
zoeken aan mijn heupen. Dan zet ik doelbewust een stap naar
voren, zodat ik het dieper kan voelen. Groen omarmt mij in deze
koude poel, en modder verwelkomt mijn voeten.
En heel bewust ga ik even, heel even, kopje onder om de impact
ten volle te voelen.
Met open ogen kijk ik naar Teleurstelling, zij die onder water
woont, de meermin.
Haar armen dragen drogbeelden. Ik wil ze niet meer.
Ze draagt nog meer, en ik wil het niet meer.
Ik bedank haar in stilte voor haar hardheid en
medogenloosheid.
Dan waad ik naar de aardse grond, en veeg dode algen van mijn
schouders.
deel 1: Angstig
deel 2:
Schuldig
art: Good old Gustav
Klimt
Ik draag haar. Ze woont net achter mij, daar waar ik haar net
niet kan zien. Ze loopt met mij mee en ze fluistert in mijn oor.
Ze beoordeelt mijn daden en werkt op mijn zenuwen.
Haar stem is zacht en dringend, niet begrijpend, vragend
ook.
"Waarom doe je
dit?"
"Ga weg alsjeblieft"
"Je nodigde mij zelf
uit"
Ik probeer haar te negeren maar het werkt niet. Heel soms is ze
even weg, even vervaagd, dan denk ik niet aan haar en doe wat ik
doe. Maar als de stilte mijn hart insluipt- en ik alleen ben met
mijn gedachten, wacht ze mij op.
"Waarom doe
je dit?"
"Donder
op"
"Je nodigde mij zelf uit,
vrouw’"
"Je bent
niet eerlijk" zegt ze,
fluisterend haast. "Ben je
jezelf vergeten?"
"Nee.
Niet vergeten. Ik weet wat ik
doe"
"Waarom geef je jezelf
weg?"
"Waarom zeg
je dat?"
Haar toon is indringend. Ze staat niet langer achter mij, maar
naast mij. Ik kijk in mijn eigen gezicht, het is te
confronterend-
en ik kijk snel weg van haar.
"Jij weet uit
ervaring hoe het
voelt. Waarom wil je het nu een ander
aandoen?"
"Je hebt
gelijk"
Ik kan niet anders dan toegeven.
Ik kan niet anders dan weggaan.
Ik kan niet anders.
Deel 1: Angstig
Art: onbekend
Ik kan niet bewegen. De touwen zitten strak om mijn polsen, en
zijde beneemt mij de adem. Vrouwe Verlamming staat naast mij,
verheugd. Gracieus buigt ze naar mijn gezicht, en streelt
het.
Haar aanraking voelt als ijs en haar glimlach is een
scherf.
‘Lekker…’
zegt ze.
Ze kust mij met bleke lippen, ademloos.
Een touw laat los en valt.
Dan verandert de Dame van vorm, de bleekheid snelt weg, en haar
flarden zijn nu rood.
Ze is nu de Jaagster, en in haar ogen schemert
Achtervolging.
Ik vind mijn adem weer, die nu snel (te snel) galoppeert, en mijn
rokken oppakt
ik vlucht
en ze haalt mij in,
haar adem zo dichtbij
Nee!
Als ik blijf staan pakt Vrouwe Aanval haar dolk.
‘Vecht
dan, sissygirl’
Polstouw rafelt.
Ik sla haar hard, met de vlakke hand.
Nu woont de angst bij haar.
Morgen het vervolg. Bedoeling: minder prettige emoties zo kort
mogelijk omschrijven.
Art: onbekend





