Alles over popmuziek
Het blog van poprecensent Gijsbert Kamer
VKBlog Headerimage

She & Him

vrijdag 19 maart 2010 17:34

swsw,zooey deschanel

Het aanbod aan live-muziek lijkt dit jaar overweldigender dan ooit. Een kleine 80 podia waar per avond een stuk of vijf, zes bands optreden. Wie het zichzelf in Austin niet te moeilijk wil maken zal iedere avond toch een soort van programma  moeten maken. Ik kies zelf iedere avond altijd een of twee acts uit die ik zeker wil zien, waar ik dus ook al een uurtje eerder heen ga om niet te worden teleurgesteld.

 

Gisteren had ik mijn zinnen gezet op She & Him. She dat is actrice Zooey Deschanel en Him dat is zanger/gitarist M. Ward. Twee jaar geleden brachten ze een plaat uit waar ik maar niet op uiteluisterd raak. She & Him Volume 1 heet dit album, dat vol staat met schtitterende sixties-pop. M. Ward heeft het voor elkaar gekregen de plaat een echte girlgroup sound mee te geven, en de liedjes die Deshanel zou prachtig zingt hadden zo van Phil Spector kunnen komen.

 

Het is een plaat die indertijd ook wel door mij is opgemerkt, maar dat het zo'n blijvertje zou zijn kon ik toen ook niet bevroeden. Volgende week verschijnt Volume 2 en die is ook mooi, misschien wel net zo mooi als de eerste, de tijd zal het leren.

 

Beter nieuws is nog dat She & Him voor het eerst echt op tournee gaan en op 6 mei in De Melkweg te zien zijn. Koop snel een kaartje dus, want bijzonder wordt het zeker.

 

Veel opgetreden hebben ze nog niet en dat blijkt donderdag ook op een soort van binnenplaats, de Cedar Courtyard. Prima plek om 's middags op bankjes te hangen, en ook een leuke lokatie voor concerten op de zomeravond. Alleen wel wat klein. Ik sprak na afloop veel mensen die er niet meer in konden.

 

Ik was er dus al een uurtje eerder en vermaakte me met de Radar Brothers. Sympathiek stel oudere jongeren met mooie woestijnblues maar het heeft me nooit genoeg weten te boeien om er thuis eens enthousiast een plaat van op te zetten.

 

Dan She & Him. Er komt een Hollywood ster, (zo heb ik me laten vertellen, al kende ik haar alleen uit Almost Famous en zelfs dat heb ik ergens gelezen), dus wordt iedereen ingepeperd dat fotograferen echt uit den boze is, laat staan met flitslicht. Om het die dekselse amateurfotografen die alles maar op YouTube zetten nog moeilijker te maken stond de band met achtergrond koortje in een onmogelijk rood schemerlicht.

 

Een actrice die niet gezien wil worden. Iedereen komt naar SXSW voor de muziek, dat zou Deschanel (inmiddels getrouwd met Ben Gibbard van Death Cab For Cutie) toch kunnen weten. Maar goed, die muziek was mooi, al klonk het allemaal nogal onwennig.

 

Ze moeten er nog inkomen, maar de combinatie van Deschanels echt bijzondere stem met de mooie (steel)gitaarbegeleiding van Ward klopte soms erg goed.

En als de band even los gaat en een Spectoriaanse wall of sound imiteert, is het helemaal mooi. Jammer dat mijn favoriete This Is Not A Test niet gespeeld wordt maar ik geniet volop.

 

Er zal nog veel gerepeteerd moeten worden want veel overgangen waren nogal onbeholpen, maar dat zal in mei wel goed zitten. Dan nog maar hopen dat het lelijke rode anti-camera licht uitblijft.

 

Aan het begin van de avond had ik nog een andere zangeres gezien, die ik al een tijd op mijn lijstje heb staan, Patty Griffin. Ik was naar Antone's gegaan omdat ik ook wat echte Americana wilde meepikken en Jim Lauderdale stond aangekondigd. Ik was zijn naam vaak tegengekomen ook op de nieuwe cd van Patty Griffin die ik woensdag nog bij Waterloo had gekocht. Een wat wisselvallig te veel reli-gerelateerd album dit Downtown Church, maar goed.

 

Lauderdale had een lekkere band bij zich en zag er goed uit met zijn zwarte met rhinestones ingelegde blouse. Ik was ook aangenaam verrast door zijn soulvolle stem en ook de liedjes van zijn in mei te verschijnen nieuwe plaat smaakten naar meer.

 

En toen kondigde hij doodleuk Patty Griffin aan en zei erbij apetrots te zijn dat de grote zangeres zomaar mee wilde doen met hem. Ze zong twee liedjes mee, maar altijd als tweede stem, wat ik jammer vond. Nog erger is het dat de Texaanse dame die geloof ik zelfs in Austin woont niet even zelf komt spelen, maar leuk was het wel om haar even op het podium te zien.

 

Na She & Him even naar Holy Fuck waar ik niet meer naar binnen kon, dus maar weer naar mijn favoriete hang out, Stubb's. Zag een mooie Band Of Horses die een paar erg sterke nieuwe liedjes speelden. Ook het maar weinig optredende Social Broken Scene speelde prachtig. Verwacht ik veel van, de komende tijd. Ongemerkt zijn deze Canadezen heel groot geworden, wat wel bleek aan de respons in Stubb's.

 

Om een uur of 1 werd ik echter bevangen door een enorme slaap en ben naar mijn hotel gefietst.

Toen ik na eindelijk weer eens 8 uur geslapen te hebben wakker werd schoot me meteen She & Him weer door het hoofd. Wat een mooie liedjes toch.

 

Meer graag, de komende dagen.

Zal Feargal Sharkey opnieuw geschiedenis schrijven?

donderdag 18 maart 2010 23:03

SXSW, Feargal Sharkey, Alex Chilton

Jammer van de zwarte spoeling door z'n haar, maar ook al is Feargal Sharkey inmiddels in de vijftig en draagt hij dure pakken, ik zie nog altijd de zanger van de Undertones in hem. Iedere keer als hij iets zegt hoop ik ook dat hij nog even gaat zingen, maar dat zit er niet in vanmiddag.

 

Feargal Sharkey heeft de uitvoerende kant van de popmuziek al meer dan twintig jaar geleden vaarwel gezegd. Voor hem geen Undertones reunie, en hoe jammer dat misschien ook is, ik heb niet het idee dat de man die vanmiddag in het Austin Convention Center op SXSW door David Fricke (Rolling Stone) geïnterviewd wordt het onderwerp wil ontlopen. Hij zit lekker in zijn vel, maar is eigenlijk voor iets heel anders gekomen dan praten over The Undertones.

 

Sinds een paar jaar is hij CEO van UK Music, een firma waarvan hij mede-oprichter is dat zich ten doel stelt Britse artiesten, managers, publishers en platenmaatschappijen niet alleen dichter bij elkaar te brengen maar ook met een strategie wil komen waardoor al die partijen aan muziek kunnen blijven verdienen.

 

Sharkey neemt speciaal even plaats achter een lessenaar om uit te leggen dat vooral Amerikaanse wetgevingen veel mooie ontwikkelingen en nieuwe business modellen  in de weg staan. Ik kom er alleen niet zo goed achter welke ontwikkelingen en wat de VS precies verkeerd doet. Fricke ook niet. Zijn opmerkingen dat de belangen van managements, publishers agenten en artiesten niet hetzelfde zijn, leek me logisch. Maar volgens Sharkey valt het met het onderlinge wantrouwen wel mee en zijn alle partijen bij goede wetgeving gebaat.

 

Op 29 maart presenteert UK Music hun strategie, maar over wat er in dat rapport komt te staan wil Sharkey geen mededelingen doen.

 

Afwachten dus, maar ik ben onder de indruk van de passie waarmee Sharkey het voor de creatieven in de UK opneemt. 'Muziek is ons belangrijkste exportproduct, we moeten zorgen dat het zo blijft' zegt hij. En 'USA we're coming after your ass!'

 

Goed, afwachten dus. Sharkey zegt ook nog dat hij zeker weet dat wanneer iemand als hij zelf in de VS de twee belangrijkste spelers weet te overtuigen dat ze zich bij USA Music moeten aansluiten, ook daar veel kan veranderen.

 

Wie hij in de UK zo ver heeft gekregen? Ook daar geeft Sharkey geen antwoord op.

 

Fricke heeft het er maar moeilijk mee en wil eigenlijk steeds terug naar 1979 toen de Undertones doorbraken. Dus zoekt hij naar bewijzen dat Sharkey ook toen al zeer bij de pinken was en alert was op bedrieglijke contracten. De anekdotes van Sharkey die het tegendeel bewijzen zijn geestig maar al bekend uit bijvoorbeeld die docu van een paar jaar geleden.

 

Als tot slot een YouTube filmje van Teenage Kicks wordt vertoond is er applaus.

 

Ik heb ook genoten, al begrijp ik nog altijd niet precies wat hij wil. Maar zijn gedrevenheid, goede babbel en eerlijke uitstraling zullen hem nog ver brengen. Even de 29ste maart afwachten dus, en kijken of Feargal Sharkey 32 jaar na Teenage Kicks opnieuw popgeschiedenis zal schrijven.

 

Dergelijke bijeenkomsten, daar smul ik overigens van en zijn voor mij net zo belangrijk en insprirerend als het zien van de bandjes in het avondprogramma. De zogeheten keynote speech van Smokey Robinson viel vanochtend echter tegen. Het was een interview met Dave Marsh, een van de bekendere veteranen van het Amerikaanse popjournaille. Maar het wreekte zich dat de heren elkaar al meerdere malen gesproken hadden. Om de vraag kreeg je wel weer een opmerking als 'waar we het laatst over hadden' of 'vorige keer zei je nog dat...'

 

Het leek echt of Marsh niks te vragen had en dus maar wat voorzetjes gaf voor anekdotes die hij al kende. Ik heb het niet uitgezeten, helaas.

 

Wel leuk was het panel Where Goes English Folk Music? met onder meer Judy Collins die vertelde over vroeger en Rachel Unthank en twee leden uit de Trembling Bells die uitlegden waarom folk eigenlijk niet ver afstaat van soulmuziek.

 

Leuk was ook dat de twee Trembling Bells nog een fraaie traditional gingen zingen, gewoon zonder begeleiding. Knap, het klonk prachtig. Ik ga zeker even kijken naar die band dezer dagen.

 

De Britse folk beleefd een opleving zo wil de Britse delegatie ons, buitenlanders, doen geloven. Best mogelijk, ze hebben in elk geval een mooie folder gemaakt The Fool's Guide To English Folk. En er staan veel Britse folk-muzikanten geprogrammeerd. Morgen toch maar even kijken in de St Davids Church waar onde de noemer Looking For A New England, Folk Music With A Twist een hele avond wordt georganiseerd.

 

Voor vanavond ben ik er nog niet helemaal uit. Ik wil zeker NIET naar Stone Temple Pilots en zeker WEL naar She & Him, verder staat het nog open.

 

Benieuwd of er verder nog wat aan Alex Chilton wordt gedaan hier. Bij de opening van het festival vanochtend zei een van de organisatoren dat zaterdag wel iets bijzonders zal gebeuren op het tijdstip dat Chilton met Big Star zou optreden, maar wat was nog niet duidelijk.

 

Hij wilde deze SXSW graag aan Alex Chilton opdragen en kon rekenen op groot applaus. Kijken of de geest van Chilton hier nog rondwaart. Al weet ik niet hoe ik die geest zou moeten typeren. 'Children by the millions wait for Alex Chilton to come around', zongen de Replacements in 1987. Volgens mij valt dat nu wel mee. Children van een jaar of 50 misschien, maar ik vraag me af of zij die in de rij gaan staan voor Stone Temple Pilots weten wie de goede man was.

 

 

 

 

 

 

 

 

Aangenaam weerzien met SXSW in Austin

donderdag 18 maart 2010 08:08

Spoon,SXSW

Gisteravond om een uur of tien gearriveerd in Austin, Texas voor SXSW. De Music & Media Conference, zeg ik er maar bij, want de Film- en de Interactive- tak die er sinds enkele jaren aan South By Southwest zijn toegevoegd, vonden eerder deze week en vorige week plaats.

 

Wat meteen opviel is dat de skyline weer veranderd is. Ze blijven hoge torens bouwen in het centrum van de stad, zo te zien niet voor kantoren maar voor woningen. Ik vroeg vanochtend aan een taxichauffeur die me naar mijn fietsverhuurbedrijf vervoerde hoe de crisis Austin getroffen had.

 

Niet, antwoordde hij. Het vergaat de stad eigenlijk wel goed. Maar, zo voegde hij er aan toe, Texas is altijd wat minder conjunctuurgevoelig dan andere staten. De verklaring begreep ik niet helemaal. Ik was ook te verbaasd dat een beleefdheidsvraag zo serieus, bijna wetenschappelijk werd beantwoord. Door een taxichauffeur.

 

Van de crisis in de muziekindustrie valt hier ook niks te bespeuren. Weer meer aanmeldingen en een recordaantal optredende artiesten uit binnen en buitenland. Hotels zijn steeds eerder vol, en worden vooral steeds duurder. Crisis? What Crisis? Volgende maand kan ik hier voor de helft van het geld zitten. Maar dan heb ik waarschijnlijk niet zo'n leuke avond als nu.

 

Eigenlijk kon de dag al niet meer stuk toen ik bij de fietsenhandel kwam. 'He Gilbert, I was wondering if you would come. Now South By Southwest has really started.' Ik had inderdaad niet gereserveerd dit jaar, maar 'Gilbert' was er en kreeg een vertrouwd onhandige semi-mountainbiker mee. Vier jaar geleden werd zo'n fiets nog total loss gereden, en belandde de rijder in het ziekenhuis, en nog altijd fiets ik voorzichtig.

 

Ik verblijf wat centraler en hoef niet die gevaarlijke South Congress af.

 

Maar goed,  ik vond de ontvangst van Michael Zakes van Waterloo Cycles wel vriendelijk. Ik kom er maar 1 keer per jaar.

 

Voor Zakes is het begonnen, voor mij ook. Vanmiddag verbaasd gestaan over de manier waarop Den Haag zich hier profileert, waarover meer in de papieren Volkskrant een dezer dagen.

 

Maar vanavond begon het muziekprogramma dan echt met voor mij een puik optreden van de band die ik hier vorig jaar voor het eerst zag: The Strange Boys.

Vorig jaar meldde ik al dat ik in het publiek een dansende Geoff Travis had gespot. Deze platenbaas van Rough Trade heeft de garagerock band uit Austin inmiddels voor Europa getekend en zij mochten op een Rough Trade Showcase in Emo's het spits afbijten.

 

Worden steeds beter deze jochies en de toevoeging van de saxofoniste uit de band Mika Miko pakte goed uit. Ook leuk was het dat Travis zelf plaatjes draaide voor de show: r&b en soul uit de jaren vijftig en zestig. Dat vind ik nou leuk. Zo'n platenbaas en zelfs een van mijn helden in de muziekindustrie die gewoon zelf de pauzemuziek verzorgt omdat hij dat leuk vindt.

 

Geoff Travis, oprichter van Rough Trade -label en -winkel en bijvoorbeeld ontdekker van The Smiths komt hier ieder jaar. Ieder jaar zie ik hem wel bij een optreden of panel zitten en ieder jaar wil ik iets aardigs tegen hem zeggen. Maar wat?

Bovendien heb ik geleerd dat praten met helden meestal niet veel goeds oplevert.

 

Na The Strange Boys de hele avond in Stubb's blijven hangen. Het mooiste podium in Austin. Buiten tussen een paar bomen. Ik zag een gedreven Walkmen, die aan Afghan Whigs in hun beste, meest soulvolle tijd deed denken. Hierna kwam een licht teleurstellende Sharon Jones met haar Dap Kings. Haar nog te verschijnen nieuwe plaat is wat consistenter dan de eerdere 2 maar ook wat ingetogen.

 

Ze kreeg te weinig volume om de nieuwe nummers echt tot recht te laten komen en het euvel van te weinig echt goede songs zal Sharon Jones nog wel even blijven achtervolgen. Niet spectaculair, weinig swingend en zelfs een beetje saai, en dat verraste me. Had meer progressie verwacht.

 

Hierna kwamen de Broken Bells en die vielen me weer mee. Knap geluid, die gelegenheidsband van Danger Mouse met de zanger van The Shins. De fraaie geluidsmix maakte sommige nummers beter en dwingender dan op plaat, maar niet alle nummers zijn goed. Het kan haast niet anders dan dat de band dat bij het live-spelen zelf ook heeft gemerkt.

 

Wellicht deze zomer nog te zien deze Broken Bells en maar hopen dat ze die hinderlijk flikkerende, dodelijk saaie, visuals thuis laten.

 

De NPR avond (Publieke Radio, en dus ook in Nederland te beluisteren op npr.org) werd afgesloten met een prachtig concert van Spoon. Ik ga met de week meer van hun laatste plaat houden en vond de Paradiso show van deze Austin locals ook al zo mooi.

 

Dat was het nu weer. Anders dan Broken Bells, bleek Spoon ook echt als een band samen te spelen. Echt muziekmaken, niet spelen alsof je op een kleurplaat de juiste vakjes met de juiste kleuren moet invullen, wat bij Broken Bells toch het geval was.

 

Spoon is wat mij betreft een van de beste Amerikaanse gitaarbands van het moment. Ik genoot echt van hun samenspel en van de enorme dichtheid aan prachtliedjes. Mooi begin van SXSW 2010.

 

Wat de compilaties van Blue Flamingo zo bijzonder maakt

maandag 15 maart 2010 16:21

Congo jazz,78 toerenplaten, Blue Flamingo

Vorige week bevangen door een lichte griep. Onhandig maar niet erg. Had alleen even geen zin in al te luidruchtige en even ook geen zin om over nieuwe releases een mening te vormen. Zoals wel vaker greep ik dus terug naar oude jazz, folk en soul. Ik heb de afgelopen tijd een paar reissues vergaard waar ik nog te weinig tijd voor heb gehad, dat kon ik nu even goed maken.

 

Allereerst is daar een mooi doosje Soundman Shots: The Caribou & Downbeat 78's Story. Een dubbel-cd die twee aan elkaar gelieerde labels van Jamaica presenteert, die midden jaren vijftig 78 toeren platen uitbracht. Vooral feestelijke dansnummers, de basis voor de latere ska, rocksteady en reggae. Muzikaal historisch heel interessant. Het Caribou label was speciaal gespecialiseerd in 'eigen' dansmuziek, een soort calypso zoals die in het Caribisch gebied veel werd gespeeld. De muziek lijkt erg op de veel beter gearchiveerde muziek uit Trinidad en bood een piepjonge Laurel Aitken kans zich te presenteren.

 

Ook de Amerikaanse r&b was op Jamaica zeer populair, al waren platen vaak lastig verkrijgbaar. Daarom perste Downbeat eigen exemplaren van hits van Shirley And Lee, Lloyd Price en zelfs Paul Anka (Diana).

 

Leuke compilatie, interessant verhaal.

 

Dat geldt ook voor een paar recente uitgaven op het door Damon Albarn opgezette Honest Johns.

 

Marvellous Boy bevat Calypso uit West-Afrika. Muziek die een antwoord of reactie was op de Caribische muziek die vanuit Cuba en Trinidad West-Afrika had bereikt.

Eenzelfde achtergrond kennen ook de cd's Africa Boogaloo: The Latinization Of West Africaen The World Is Shaking: Cubanismo From The Congo, 1954-1955, ook verschenen bij Honest Johns.

 

Alle drie zijn ze zeer aantrekkelijk verpakt met fraai fotowerk en mooie boekjes. Ik had er nooit zo over nagedacht maar het is een mooi gegeven hoe Cubaanse en andere Latijns Amerikaanse muziek in Afrika 'terugkwam' en daar werd verwerkt tot een eigen stijl. Vooral hoe de rumba zich in Congo ontwikkelde tot een eigen stijl waarbinnen later mensen als Franco konden floreren is razend interessant.

 

Ik werd ook heel benieuwd naar het boek waarin op de Honest Johns cd's wordt gerefereerd: Rumba On The River: A History Of The Popular Music Of The Two Congos van Gary Stewart.

 

Maar waar was ik dat boek onlangs ook al weer eerder tegengekomen? Precies, in het boekje bij Congo Jazz de zojuist verschenen compilatie cd van Blue Flamingo. Net als zijn twee jaar geleden verschenen 78 r.p.m. is Congo Jazz onderverdeeld in drie delen, of drie genres. Ziya Ertekin, zoals Blue Flamingo eigenlijk heet, gebruikt voor zijn compilaties alleen 78-toeren platen. Dat ze zo ongelooflijk goed klinken en de dynamiek enorm is, is razendknap. Het lijkt me ook dat er aan het overzetten op cd veel meer aandacht is besteed dan door zijn Britse collega's want die Honest Johns compilaties klinken toch wat vlakker.

 

Maar de puike geluidskwaliteit is niet het enige wat de Blue Flamingo titels zo bijzonder maakt. Het is ook de wijze waarop Ertekin zijn platen heeft geselecteerd en de volgorde waarin hij ze voorbij laat komen. Dit is wat een echt goede dj onderscheidt van een plaatjesdraaier. Per genre duurt zijn mix steeds tussen de 16 en 25 minuten, groeit het naar een climax, en trilt het nog even na.

 

Nu de tweede Blue Flamingo mix er is valt me nog iets op: de drie sequenties volgen elkaar ook volgens een vast patroon. Was het op de eerste Blue Flamingo de Spanish Tinge en French Connection dat het hart vormde, op Congo Jazz is dat, ja, de Congo Jazz. Dit middenstuk levert wat mij betreft steeds de grootste verrassingen op, maar ze staan ingebed tussen steeds een lekkere inleiding met wat opzwepende jazz van bekendere orkesten als van Duke Ellington en een afsluitende mix met respectievelijk opzwepende r&b en gospel, steeds uit de jaren 40 en 50.

 

Deel 1 en 3 van beide cd's klinken het 'lekkerst' dan wel meest vertrouwd en bevatten echt zeer feestelijke dansmuziek.

Maar dat middenstuk, dat is pas echt heel bijzonder. Zo was ik op de eerste Blue Flamingo gegrepen door Lionel Belasco y su Orquestra met Juliana. Een intens melancholiek nummer. Het is deze 78-toeren plaat waar we het hele Blue Flamingo project aan te danken hebben, zo blijkt uit het prachtige verhaal dat Ertekin in het boekje vertelt over zijn reis naar Port Of Spain, op zoek naar Belasco-platen.

 

Neem me al tijden voor om zelf ook wat meer Belasco muziek op te sporen, maar zoals zo vaak, is dat bij goede voornemens gebleven.

 

Het middenstuk van Congo Jazz bestaat dus uit Congo-jazz en in het boekje lees ik over de Griekse broers Jeronimidis die in de jaren veertig een eigen label in Congo hadden, Ngoma  waarop ze 'enkele duizenden' platen uitbrachten. Die zijn voor het merendeel verloren gegaan. Ngoma-titels vinden is een klein wonder, Ertekin heeft er vijf van, drie van de tien plaatkanten staan op zijn meesterlijke mix van 17 minuten.

 

Prachtig is hoe in die Congo-jazz ineens de elektrische gitaar een prominente rol krijgt, wat goed te horen is in het prijsnummer Elie Violette van Orchestre African Jazz. Dat orkest met Grand Kalle kom ik op veel compilaties tegen, zo ook op het zeer aanbevelenswaardige Rumba On The River, het eerste deel uit de prachtige African Pearls reeks.

 

Maar zo opzwepende als door Blue Flamingo hier in zijn 'set' gemixt hoorde ik het orkest nog niet eerder.

 

Alle titels die ik hier genoemd heb kan ik van harte aanbevelen, maar het meest enthousiast ben ik toch over de twee Blue Flamingo cd's. Hoewel zeer precies en ook te werk gaand als een echte archivaris, hoor je dat er op zijn cd's niet aan af. Ziya Ertekin gaat echt te werk als een dj-prof, die zijn repertoire van binnen en van buiten kent, maar niet alleen de meest obscure plaatjes wil opzetten. Soms knalt hij er een overbekende stamper doorheen (Old Time Religion), maar dat heeft dan ook altijd een functie.

 

Ik weet zeker dat ik beide cd's tot in lengte van jaren zal blijven draaien. Dat kan ik over weinig platen die de afgelopen twee jaar verschenen zijn beweren.

 

 

Waarom de autobio van Mick er volgens Keith nooit zal komen

maandag 8 maart 2010 16:48

rolling stones,exile on main street,joanna newsom,muziekbladen

Mooiste verhaal in de Britse muziekbladen deze maand staat in het al een paar weken oude Word. Het gaat over opnamestudio's en vooral het sluiten daarvan, naar aanleiding van de problemen rond Abbey Road. Allemaal leuk en aardig dat opnemen met computerprogramma's als ProTools, en het scheelt ook veel arbeids- en personeelskosten, maar er gaat wel degelijk ook wat verloren, zo meent David Hepworth. De auteur legt met schitterende anekdotes uit hoe het belang van een goede studio steeds belangrijker werd. Wat ik niet wist is dat Sinatra in 1958 zijn One For My Baby in de Capitol studio opnam in de aanwezigheid van in allerijl opgetrommeld Capitol-personeel, om Sinatra de indruk te geven dat hij voor een echt publiek zong.

 

Ook wist ik niet hoe een van de allerbest geproduceerde platen uit de jaren tachtig: ABC's Lexicon Of Love tot stand kwam onder leiding van Trevor Horn. Deze herinnert zich:

 

'How good do you want this to sound?' And they said, 'as good as it can'. So I said 'I can program the rhythm section and then after that it will be like painting by numbers.'

 

Zo werd de basis gelegd voor een van de best klinkende popplaten uit de jaren tachtig.

 

Verrukkelijk verhaal verder in een vernieuwd en vooral van meer faits divers voorzien The Word, wat zoals ik wel vaker heb gezegd mijn lievelingsblad is.

 

 

Q, Uncut en Mojo zijn al weer toe aan hun april-editie. Deze maand vond ik de Uncut het meet interessant.

Over de belangrijke platen deze maand bestaat consensus: de nieuwe Joanna Newsom, wat echt een album is waar het woord meesterwerk voor bedacht is. Ook Johnny Cash krijgt postuum veel lof. Minder overeenstemming bestaat er over de nieuwe Gorillaz. De vijf sterren in Q alsmede het predikaat 'album van het jaar' is niet alleen erg voorbarig, maar wordt ook tegengesproken in de andere bladen.

 

Terecht vind ik. Mij valt Damon Albarns nieuwste werkje behoorlijk tegen, kom niet verder dan 3 sterren. Maar Q pakte vorige maand met exlusieve interviews en illustraties zo groot uit dat die 5 sterren te verwachten waren.

 

De timing van de Lady GaGa coverstory ontgaat me een beetje. Eerst maar eens afwachten wat haar volgende stap is, zou ik zeggen. Wel heel verhelderend in Q is het stuk over Jimi Hendrix. Van hem is deze week een met veel publiciteit omgeven cd met 'nieuw' materiaal verschenen. Minder bijzonder dan wordt gesuggereeerd. Wat ik aardig vond aan het stuk is dat erin wordt gesteld dat Hendrix in de laatste 15 maanden creatief geen schim meer was van de kunstenaar die hij in de voorafgaande jaren was. Van een 'opleving' was helemaal geen sprake, en eerlijk gezegd hoor je dat aan dit zoveelste postume werk ook af.

 

Het doet me deugd dat de bladen dit keer niet zo hysterisch lopen te hijgen wat ze meestal wel doen als er iets 'nieuws' van Beatles, Dylan of Stones verschijnt.

 

Over de Stones gesproken. Van hen komt er binnenkort in allerlei prijsklassen een nieuwe editie van Exile On Main Street uit. Mijn favoriete Stones-album en hun laatste echt goede plaat. Uit 1972 dus 38 jaar oud....

 

Uncut kreeg zowel Keith als Mick (en Charlie) voor de microfoon over dit album wat een prachtstuk oplevert. Vooral heb ik erg gelachen om het gekissebis tussen Keith en Mick. Mick was nooit zo dol op Exile, volgens Keith vooral omdat hij vond dat zijn zang te ver naar de achtergrond gemixt was.

 

Keith waarschuwt ook nog even voor de mogelijke herinneringen van Mick: 'I would never take Mick's recollection of anything seriously.......That's why Mick never can write a book. He can't remember anything.'

 

Goed, die autobio van Mick komt er dus niet als we Keith mogen geloven. Wel heel erg benieuwd naar de extra's op de nieuwe Exile On Main Street. Volgens Uncut heeft Mick hierover het laatste woord. 'Als hij zegt dat een nummer een outtake van Exile is dan is dat zo.'

 

Mooi in Uncut het fotoverslag van Morrissey's eerste soloconcert. In Wolverhampton in 1988. Gratis. Maar je moest wel een Morrissey of Smiths shirt aan hebben...

 

Mooie foto's ook van Serge Gainsbourg in de Mojo van deze maand. Verder een interview met Peter Gabriel waar maar geen einde aan komt. Leuk voor zijn fans, want zo vaak spreekt hij niet, maar het kostte me moeite erbij wakker te blijven.

 

En hoe mooi ik de nieuwe Eels ook vind, echt nieuwsgierig naar Mark Everett ben ik niet, zelfs niet naar 'the only interview'.

 

Ook de bijdrage van Paul Drummond, beroepsarchivaris van 13th Floor Elevators vind ik wat mosterd-na-de-maaltijd. Hij schreef een mooi boek over de band uit Texas en verzorgde de liner-notes bij de prachtbox van vorig jaar. De inhoud van die box is nu ook los verkrijgbaar, en dus mag Drummond nog eens zijn verhaal doen. Niet heel urgent lijkt me.

 

Wel leuk om eens iets over de altijd een beetje naar de achtergrond van de folk verdrukte Judy Collins te lezen, maar wat mij betreft toch een wat minder nummer van Mojo deze maand.

 

O, en voor een prachtig interview met Joanna Newsom die echt een ongelooflijk mooie driedubbel-cd heeft uitgebracht verwijs ik u graag nog even door naar de New York Times van gisteren.

Mark Linkous en de stilte

zondag 7 maart 2010 19:43

Sparklehorse,mark linkous

Zelfmoord. Dat was het eerste dat in me opkwam toen ik vanochtend over de dood van Mark Linkous vernam. Niet dat het gegeven dat hij al jaren aan zware depressies leed bij mij bekend was, maar een lachebekje was de man die eerder bijna bezweken is aan een cocktail van Valium en anti-depressiva ook niet bepaald.

 

Hij hield volgens mij ook meer van dieren dan van mensen, zoals hij ook toegaf toen ik hem in het voorjaar van 1998 interviewde naar aanleiding van het tweede, en mij meest dierbare Sparklehorse album Good Morning Spider. In het artikel vergeleek ik hem ook met Jan Hanlo. Beiden hadden een grote voorliefde voor zowel dieren als motoren. Linkous hield vooral van paarden: 'A horse a horse, my kingdom for a horse' luidde de openingsregel naar Shakespeare in Homecoming Queen het eerste liedje van het debuut Vivadixiesubmarinetransmissionplot.

 

Altijd een leuke kwisvraag in die tijd: hoe heette de eerste Sparklehorse.

 

Van het interview weet ik niet veel meer dan dat we het uitgebreid over zijn held Tom Waits hadden. Linkous sprak net als ik de hoop uit dat de man snel met nieuw werk zou komen. Dat gebeurde een jaar later ook. Ter ere van de release van Mule Variations zou Waits tijdens SXSW in Austin, Texas een concert geven. Ik weet nog dat ik voor aanvang in de hal een beetje een beduusd ogende Linkous aantrof, met een sullig C&A jasje aan en een plastic tasje in zijn hand. Het ontroerde me. Het beeld heb ik altijd bij me gehouden, maar waarom?  Linkous stond ook op SXSW met Sparklehorse geprogrammeerd en zou zijn held zien optreden. Nou en. Blijkbaar had zijn hoop Waits ooit nog eens aan het werk te zien, zoals hij die een jaar eerder had uitgesproken veel indruk op me gemaakt. Nu stond hij daar, in afwachting van zijn held.

 

Waits' concert was prachtig, veel beter, afwisselender en muzikaler dan in latere tijden, zoals vastgelegd op die Glitter & Doom registratie.

 

Ik zou Linkous zelf hierna nog een paar keer zien optreden, maar vond het nooit meer zo goed als in de jaren 1996-1998.

 

Ik herinner me vooral twee concerten in Londen. De ene in november 1996, in de kleine zaal van de Astoria. Ik vond Sparklehorse toen zo ongeveer het mooiste dat ik kende en had er ontzettend veel zin in. Linkous zat toen nog in een rolstoel. Het werd een intens concert. Intiem ook, met slechts een paar honderd mensen die zich ook nog eens stil hielden.

 

Het mooiste concert van Sparklehorse zag ik anderhalf jaar later, in een omgebouwde bioscoop in Noord-Londen. De precieze naam ben ik vergeten. Het was rond het verschijnen van Good Morning Spider, ergens in juli. Ik was met een vriend speciaal voor Sparklehorse naar Londen gegaan, want optredens in Nederland stonden, naar ik me herinner, niet aangekondigd.

 

Die middag zou Michael Boogerd zich voor het eerst in de Tour de France profileren en reed hij vooraan ergens in de bergen. Ik herinner me dat we dat in een pub volgden en tegen elkaar zeiden: hebben we eindelijk weer eens een goede tour-rijder, zitten wij hier.

 

Maar het was prachtig daar in die oude bioscoop. Ik kreeg echt kippenvel bij Saint Mary, nog altijd een van mijn dierbaarste Sparklehorse liedjes. Linkous schreef het naar aanleiding van zijn verblijf in het gelijknamige ziekenhuis waar hij een paar maanden verbleef.

 

Dat was begin 1996 toen hij bijna was bezweken aan een overdosis anti-depressiva en Valium. Een ongeluk, naar toen gezegd werd, maar Linkous had die alleen op receptbasis verkrijgbare medicijnen wel gewoon bij zich. Ook toen leed hij dus al aan depressies.

 

Misschien juist daarom klonk zijn muziek op de beste momenten zo troostrijk. Zoals dat ook gold voor de muziek van Vic Chestnutt. Ook dood door zelfmoord.

 

Zo mooi als ik de muziek van Sparklehorse toen ook vond, zo weinig deed het me een paar jaar later. Ik zag ze nog een paar keer, onder meer in Paradiso, augustus 2001. Vond er niks meer aan. Die laatste twee platen: deden me niks.

 

Kan aan Sparklehorse liggen, of aan mij. Maar ik vind recentere liedjes van Linkous niet meer zo mooi als ouder werk.

 

Het lukte me die laatste keer in Paradiso ook niet om me erg te kunnen concentreren, want ook toen was het al in de mode om door concerten heen te kletsen. Van Sparklehorse concerten in Nederland herinner ik me vooral kabaal die niet van het podium kwam.

 

Het gekwebbel is inmiddels hoogst gebruikelijk geworden. Ik doe er zelf ook aan mee bij rockconcerten, maar als muziek stilte verlangt, dan hoor je dat te respecteren.

 

Hoe duurder de tickets hoe meer het publiek vindt dat zij het in een zaal voor het zeggen hebben, lijkt het wel. Het moest er een keer van komen dat een artiest gewoon opstapt en zegt: sorry hier kan ik niet spelen.

 

Dat deden Tindersticks vrijdag in Eindhoven. Ze waren het gekwebbel in de zaal beu en stopten vroegtijdig met hun optreden. Een initiatief dat navolging verdient. Het helpt als er in de zaal stoeltjes staan, is mijn ervaring. In theater-setting houdt iedereen zich koest, maar in Paradiso of dat soort zalen op stoeltjes te moeten zitten is ook geen lolletje.

 

Tindersticks stapten op. Linkous en Sparklehorse waren er te beleefd voor. Sparklehorse moet je horen in volstrekte rust. Stilte is bij hen een extra instrument. Ik ga die eerste twee platen nog eens draaien en denk aan mooiere tijden. Ik zie er de beelden bij  van Linkous op zijn motor door de bossen van Virginia zoals die gedraaid zijn door cameraman Jacques Laureys in de Lola da Musica die Lotje IJzermans over Sparklehorse maakte. In 1998, toen dit soort programmas nog gewoon op de Nederlandse Publieke Omroep te zien waren zonder dat er een kwisje aan verbonden werd.

Fela!, de Musical

dinsdag 2 maart 2010 10:08

Fela Kuti,Nigeria,musical,Broadway

Bij het verlaten van het Eugene O'Neill Theater aan Broadway, had de theater-criticus van de New York Times zich erover verbaasd dat niet iedereen op straat verder danste. Hij was in november vorig jaar bij de Broadway premiere van Fela! geweest, een musical over het leven van Nigeria's en misschien wel Afrika's grootste muzikant: Fela Anikulapo-Kuti (1938-1997). Zoiets had hij op Broadway nog nooit gezien.

 

Ik ook niet.

 

Ik was er afgelopen vrijdag. Ik was met een ander doel naar de VS afgereisd en had gepland de voorstelling zaterdag te bezoeken. Had ook al een kaartje.

Toen raakte ik ingesneeuwd in de Big Apple en bleek mijn reisdoel, Ithaca, vrijdag niet haalbaar. Zaterdag naar Cleveland afreizen zou de enige mogelijkheid zijn om alsnog te doen waarvoor ik gekomen was: de Avett Brothers zien en spreken.

 

Dat moest dan maar. Dan maar geen Fela!. Gelukkig bleek de voorstelling van vrijdag nog niet uitverkocht en dus zat ik om acht uur in het theater waar het publiek voor driekwart zwart was. Fela! was al succesvol off-Broadway geweest, waar het in een theater met een capaciteit van 300 man had gedraaid. De stap naar Broadway werd mede mogelijk gemaakt door de met grote letters als producent op de affiches aangeduide Jay-Z.

 

Het is een groot succes, de voorstelling draait nog tot juni en misschien langer. Ook zijn er plannen de musical naar Europa te halen, en ik kan me voorstellen dat Londen, Parijs of zelfs Amsterdam Fela! met groot enthousiasme zullen onthalen.

 

Nooit zoiets swingends in een theater beleefd als Fela!. Voordat de lichten van de fraai versierde en als nachtclub verlichte zaal doofden, stond er al een band aanstekelijke afro-beat te spelen. Dit orkest, bestaande uit leden van Antibalas zou de hele avond uitmuntend het geluid van Fela's Afrika '70 weten te evenaren.

 

Daar stond ineens een man in blauw pak op het podium, die precies praatte in het pidgin English dat ik kende van de platen van Fela. Het was geen presentator, het was de hoofdrolspeler Sahr Ngaujah, die uitlegde onder swingende begeleiding uitlegde wat de bedoeling was: we moesten ons wanen in Fela's Shrine Club in het Lagos van de jaren zeventig.

 

Het was 1978, de moeder van Fela was overleden, Fela wilde zijn land verlaten en gaf een afscheidsconcert in zijn eigen club 'dat tot in de eeuwigheid zou duren, en waarvan wij nu getuige waren'.

 

Welcome Na De Shrine

 

De acteur die Fela speelt lijkt niet alleen op hem, hij is het. Hij vertelt zonder al te prekerig, drammerig of uitleggerig te zijn, heel losjes over zijn leven. Hoe hij eind jaren vijftig naar Londen ging om muziek te studeren, terugkwam en een beetje vergeefs aan de weg timmerde.

 

Hoe hij in 1969 met zijn eerste band naar Los Angeles afreisde, daar in aanraking kwam met Black Power en in 1970 in Lagos een compleet nieuwe sound neerzette, met Afrika '70, de band waarmee hij tot 1978 de meest opzwepende muziek denkbaar zou opnemen.

 

Die vertelling is losjes en geestig en wordt niet alleen muzikaal omlijst, ook visueel. Ongelooflijk zoals het enorme ensemble zich dansend niet alleen over het podium maar ookk door de zaal beweegt.

 

Er is ook ruimte voor de wat meer ellendige kanten uit Fela's leven. Over hoe hij door de Nigeriaanse overheid op de huid wordt gezeten. Hoe zijn commune (met 27 echtgenotes) uiteindelijk wordt verwoest, zijn moeder daarbij uit het raam wordt gesmeten aan welke gevolgen ze zal overlijden.

 

Na de pauze zingt moeder Funmilayo (Lilias White) een huiveringwekkend mooi lied, dat een rustpunt is in de verder kolkende productie.

 

De voorstelling eindigt even losjes zoals die begon. De lichten gaan aan, Fela neemt afscheid, de band speelt nog even door. Dansend mogen we de zaal verlaten, en anders dan in november wordt er buiten nog even door gedanst.

 

Dat had alleen meer te maken met de door sneeuw en ijs bedekte trottoirs. Wel geestig om te zien hoe heel New York aan het glibberen was. Ik zag het als dansen, en dansend begaf ik me naar het hotel.

 

De voorstelling zindert nu al een paar dagen na. Onderweg naar Cleveland zaterdag en naar huis zondag las ik in de zojuist opnieuw uitgebrachte biografie van Charles Moore Fela: This Bitch Of A Life, waarin Fela zelf vooral het woord doet. Dit relaas bleek belangrijk als basis voor de musical, maar bevredigde mij niet helemaal.

 

Veel duidelijker en ook meer op zijn muziek gericht vond ik het meest recente nummer van Wax Poetics. Nummer 39 van dit tijdschrift is geheel gewijd aan Afrikaanse muziek, en los van een enkel stuk over de Rail Band uit Mali en Orchestre Baobap uit Senegal staat Nigeria en vooral Fela erin centraal.

 

Ook de wat minder sympathieke kanten van de Afrikaanse ster komen naar voren. Zijn vlucht in vaag spiritisme en zwarte magie na de dood van zijn moeder bijvoorbeeld, waardoor hij in de jaren tachtig een kwelgeest werd voor Europese tourpromotors.

 

En toch ook zijn gedrag als verlicht despoot in zijn eigen Kalakuta Republic. Vooral het relaas van twee van zijn bandleden is prachtig. Drummer Tony Allen is hier het meest bekend, en het verbaasde me dat zijn naam in Fela! en in de biografie nergens viel. Hij was samen met Fela toch verantwoordelijk voor het geluid dat we nu afro-beat noemen. Hij verliet Afrika '70 in 1978 na een optreden in Berlijn.

 

Dat deden meer leden uit Fela's band. Zij verkozen een leven als zelfstandig muzikant in Europa boven nog langer bestaan in de periferie van Fela.

 

Ook Nicholas Addo-Nettey, congo speler en zanger uit Fela's band bleef in Berlijn achter, waar hij tot op de dag van vandaag woont. Als Pax Nicholas maakte hij in 1973 een plaat in Lagos die zo goed als vergeten leek en ook onvindbaar. Totdat een (Duitse) verzamelaar van Afrikaanse muziek het album Na Teef Know The Road Of Teef in New York ergens in een doos tegenkwam.

 

Een prachtplaat, zo blijkt nu het New Yorkse Daptone label die opnieuw heeft uitgebracht. Dat de plaat vergeten was, is niet zo gek, legt de maker uit in Waxpoetics. Zijn broodheer hoorde de plaat een keer en was not amused. Te goed, te veel concurrentie voor zijn eigen muziek. Fela verbood de plaat domweg. Hij mocht ook niet meer worden gedraaid. De paar exemplaren die ervan bestonden raakten zoek, de master is ook nooit teruggevonden.

 

Ook dat was een kant van Fela. Zijn bandleden meenden ook aanwijzingen te hebben dat Fela er een eigen veiligheidsdienst op nahield die de commune niet alleen tegen gevaar van buiten maar ook van 'binnen' beschermde. Met grof geweld.

 

Deze donkere, jaloerse, kanten van Fela komen in de musical nauwelijks aan de orde, al wordt hij ook nergens echt verheerlijkt.

 

Wat hij achterliet is vooral veel ongelooflijk goede invloedrijke muziek, die ook weer opnieuw beschikbaar komt.

 

Het New Yorkse Knitting Factory is begonnen met het uitgeven van een stuk of vijftig Fela Kuti-albums, en hier zijn nog een paar tips:

 

- Pax Nicholas And The Nettey Family: Na Teef Know De Road Of Teef. Daptone Recordings.

Schitterende plaat van Fela's congo-speler die niet onder doet voor Fela's eigen werk. Gemaakt in 1973 en daarna zo goed als vergeten en verdwenen. Tot vorig jaar dan.

 

- Nigeria Afrobeat Special: The New Explosive Sound In 1970's Nigeria. Soundway.

Vijfde deel in mooi verzorgde reeks op het Soundway label. Alleen al de moeite waard vanwege de spectaculaire opener: Who Are You van Fela. Een single-versie die veel sneller en harder is dan de latere album versie.

 

Black Man's Cry: The Inspiration Of Fela Kuti. Now-Again Records.

Fraai verzorgde, goed gedocumenteerde cd met muziek van artiesten die Fela beïnvloed hebben, naast muzikanten die door hem zijn geïnspireerd. Echt een eye-opener, van de meesten had ik nooit gehoord.

 

En laat die musical nu maar snel deze kant opkomen!

 

 

 

 

De kortste John Peel Sessie aller tijden

woensdag 24 februari 2010 15:49

grindcore,metal,napalm death,john peel

Eind vorig jaar verscheen het verrukkelijke Grind Madness At The BBC - The Earache Peels Sessions. Een boxje met drie cd's waarop alle radiosessies staan verzameld die de bands gelieerd aan het Earache label opnamen voor de shows van John Peel.

 

Earache was een Brits platenlabel dat eind jaren tachtig begon met het uitbrengen van de platen van Napalm Death (Birmingham), Extreme Noise Terror (Ipswich), Carcass, Bolt Thrower, Godflesh en nog zo wat aan metal-bands. Hardcore, speed- ,trash- en deathmetal bestonden al. Metallica, Anthrax en Slayer hadden het metal genre al een flinke optater gegeven. Ik hield toen ook al niet van metal maar de speed van Anthrax (Spreading The Disease!) en vooral het door Rick Rubin meesterlijk geproduceerde Reign In Blood van Slayer (1986) waren twee metal platen waar ik veel plezier aan beleefde.

 

Allemaal niets vergeleken met Napalm Death. Maar het zou een paar jaar duren voor ik daar echt aardigheid in kreeg. Ik weet zelfs nog wanneer precies: in februari 1989. Een paar maanden voor het verschijnen van legendarische debuten van De La Soul en The Stone Roses keek ik op maandagavond naar Snub TV op de BBC. Een popprogramma dat zich vooral op de underground richtte. Op indiebands toen indie nog echt independent was, en andere randen van de popcultuur.

 

Heerlijk programma. Wat er precies in de uitzending aan voorafging weet ik niet meer, maar hiermee sloot het af. Zoiets had ik nooit gezien en vooral nooit eerder gehoord. Metal zonder gitaarsolo's. Zangers die niet zongen maar gromden. En een drumstel dat klonk als een machinegeweer. Dit heette dus grindcore. De bands (Extreme Noise Terror en Napalm Death) die te zien waren oogden ook niet in het bij metal onontkoombare denim & leather maar hadden rafelige t-shirtjes en campingbroeken aan. Net als het publiek. Dat gewoon om hen heen aan het springen was, in zaaltjes niet veel groter dan een pub.

 

Ik meende me ook een interview met drummer (en belangrijkste muzikant uit de grindcore scene) Mick Harris te herinneren waarin deze zei vegetarisch te zijn, maar dat zag ik niet terug en zal ik er wel bij gefantaseerd hebben.

 

Maar leuk was het wel. Ik ging me een beetje verdiepen in de platen van Napalm Death wiens debuutalbum Scum meer dan vijftig liedjes bevatte op gewoon een enkele lp. Een plaat die al in 1987 was verschenen. En ik bezocht ook optredens van bands als Napalm Death, Carcass en Bolt Thrower. Nog altijd met niks vergelijkbaar. Heerlijk, metal zonder solo's, zonder toetsen, alleen maar korte geluidsexplosies. Er kwam een verzamel-lp van het Earache-label met een singletje erbij waarop het nummer You Suffer van Napalm Death stond. Het duurde 0,75 seconde. De tekst ging, als ik het goed kon verstaan als volgt: 'you suffer, why?'

 

Beste metal-track aller tijden, dat leed geen twijfel. Een vervolg op dit wereldnummer is ook terug te vinden op de Grind Madness cd-box. Het is de climax van de allereerste Napalm Death sessie voor John Peel, op 22 september 1987.

 

Peel zelf heeft aardige dingen over Napalm Death en Extreme Noise Terror gezegd, zoals onder meer terug te vinden in The Olivetti Chronicles. Na een optreden van Napalm Death in Nottingham noteert hij: 'This had been another elemental night in Nottingham.' Maar nog leuker is het verhaal dat Mick Harris vertelt in de liner notes bij de box.

 

De jongens van Napalm Death waren al sinds eind jaren zeventig fan van Peel en maakten zelf ook muziek. Via Peel kwamen ze op talloze punk en hardcore bands. Harris noteerde bandnamen die hij in de platenzaken van Birmingham probeerde te bemachtigen.

 

Dat Peel ook nog eens een plaat van Harris zou draaien, daar had hij niet op gerekend. Maar het door Earache aan Peel gestuurde Scum werd door de dj meteen opgepikt. You Suffer kwam in een uitzending drie keer langs en Peel sprak al zijn wens uit dat Napalm Death een keer een sessie kon komen doen.

 

Zo geschiedde. Producer John Walters belt de ouders van Harris en krijgt later ook Mick aan de telefoon. Of ze snel een sessie konden doen. Dat was lastig want ze zouden een busje moeten huren, bovendien hadden ze niet de juiste apparatuur. Geen probleem volgens Waters, onkosten werden vergoed en hij hoefde slechts een lijstje met benodigde apparatuur te krijgen.

 

Arme technicus Dale Griffin. Die bij het zien van de lijst met songtitels probeert uit te leggen dat de door Napalm Death geplande 12 songs nooit in de maximale 20 minuten sessie kunnen. Harris legt hem uit dat ze voor die 12 liedjes hooguit 4 minuten nodig hebben, en dus gaan ze toch maar aan de slag. Griffin weet niet wat hij hoort. 'The noise just killed him', herinnert Harris zich.

 

Griffin laat de jongens verder hun gang gaan, hopend op een snelle verlossing uit zijn lijden. Arme Griffin. Niet alleen zou Napalm Death nog een paar keer terugkomen voor een sessie. Een paar maanden na de kennismaking staat Harris al weer voor zijn neus. Nu als drummer van Extreme Noise Terror.

 

Peel liet ze allemaal naar de Maida Vale in Londen komen, en nu al die sessies van 1987 tot 1990 bij elkaar verzameld staan vallen een paar dingen op.

 

Om te beginnen is die eerste Napalm Death sessie in september 1987 nooit overtroffen. 12 nummers in vijf minuten en veertig seconden. Alles wat grindcore zo leuk maakte komt erin voorbij. Natuurlijk die oerschreeuw maar ook dat verwoestende gitaargeluid in gevecht met de (dubbele?) bassdrum. In metal uit de jaren negentig zouden elementen uit grindcore terugkeren, maar daar had ik niet zo veel mee.

 

Eigenlijk vond ik grindcore toen bands als Morbid Angel erbij kwamen (bah, die soleerden wel) en er toetsenisten tussen bas, gitaar en drums mochten gaan staan al niet leuk meer. Bands als Godflesh gingen meer de industrial kant op, waar ik ook niet veel mee had. Wel geweldig vond ik Harris' nieuwe band Scorn (dubmetal?) maar dan zijn we al in de jaren negentig.

 

Ik heb de laatste dagen de drie cd's aardig doorgespit en kom steeds weer uit bij de eerste cd waarop de sessies van Napalm Death en Extreme Noise Terror verzameld staan. 56 nummers om precies te zijn. Volkomen uniek, nog altijd.

En van die 56 vind ik de eerste 12 het meest onontkoombaar.

 

Die 12 'liedjes' gespeeld op 22 september 1987 vormen de kortste John Peel Sessie ooit. En misschien ook wel de meest legendarische.

 

Grind Madness At The BBC is wat ik graag een belangwekkend pophistorisch document zou willen noemen.

 

 

 

Vervolg op 'Het failliet van de mainstream popmuziek'

zondag 21 februari 2010 18:15

popcultuur,mainstream,popjournalistiek

Met zeer veel interesse de afgelopen week de vele vaak zeer goed verwoorde en beargumenteerde reacties gelezen op mijn vorige blogbijdrage over het failliet van de mainstream popmuziek. Blijkbaar heb ik toch iets aangeraakt bij mensen voor wie popmuziek, (mainstream, alternatief of allebei) iets betekent.

 

Eerst even iets over wat ik niet heb willen beweren.

 

- dat vroeger alles beter was.

Veel wel ja, maar juist de popmuziek van nu lijkt me veelkleuriger, diverser en minstens zo opwindend als die uit, zeg,  de jaren zeventig.

 

- dat er vandaag de dag geen goede popmuziek gemaakt wordt.

Ik hoor nog altijd veel mooie muziek en misschien is het aantal goede nieuwe platen de laatste jaren wel veel groter dan twintig jaar geleden.

 

- dat popmuziek voor ons allemaal minder belangrijk is geworden. Dat kan ik natuurlijk ook niet zeggen want ik weet niet hoe hoog ieder individu nu popmuziek op het interesselijstje heeft staan.

 

Wat ik wel denk is dat popmuziek in het algemeen minder belangrijk wordt gevonden, waar ik verder op in zal gaan. 

 

Iemand merkte op dat er, net als eerder in de literatuur, geen heavy hitters meer zijn. Geen artiesten waar iedereen over mee kan praten. Wel bestaat er een grotere variatie aan artiesten die Paradiso kan vullen.

 

Daar ben ik het mee eens, en juist dat gebrek aan heavy hitters daar is het me om te doen. De vraag is dan vooral: is het ontbreken aan heavy hitters in de popmuziek erg?

 

Niet voor hen die hun weg in het grote aanbod aan nieuwe muziek wel weten te vinden, maar, zoals iemand anders ergens stelde: hoe bereik je de niet fanatieke muziekliefhebber. Allereerst met een geweldig liedje of album.

 

Laat ik zelf het voorbeeld film nemen.

Ik ga zelden of nooit naar de bioscoop en verzuim meestal ook nog eens de 'belangrijke' films op dvd te bekijken. Ja, jammer, maar je kunt nu eenmaal niet alles bijhouden.

 

Ik weet echter wel wat er draait en wat de belangrijke films zijn. Al was het maar omdat film veel meer een rol van betekenis speelt in dagelijkse gesprekken. Bijna iedereen weet wat films als Slumdog Millionaire of Avatar bijzonder maakt en heeft er zelfs al een mening over zonder die films gezien te hebben ('ik ga echt niet met een 3d bril in de bioscoop zitten).

 

Ik heb het hier over blockbusters, mainstream films die zeer succesvol zijn niet alleen onder, om het even gechargeerd te zeggen, het Toppers-publiek maar ook in cultureel meer onderlegde kringen. De filmindustrie is zowel zeer succesvol aan de bovenkant als aan de onderkant, het arthouse circuit.

 

Juist omdat het bioscoopbezoek het afgelopen jaar zo floreerde, ook dankzij Nederlandse kaskrakers als Oorlogswinter en Komt Een Vrouw Bij De Dokter moet volgens mij ook invloed hebben op het bezoek aan kleinere films in kleinere theaters.

 

In ieder geval constateer ik bij film iets dat ik bij popmuziek al jaren niet meer meemaak: noem op een verjaardagsfeestjes een paar titels van 'spraakmakende' films en iedereen weet waar je het over hebt.

Noem in hetzelfde gezelschap de nieuwste bands waar het afgelopen jaar veel over te doen is geweest als Fleet Foxes, Vampire Weekend en The xx, en de meesten zullen je vragend aankijken.

 

Dat was vroeger echt anders. Een David Bowie of een Lou Reed verkocht in de jaren zeventig echt niet zo heel veel platen maar iedereen wist wie ze waren.

 

Goed, er zijn een paar bands de laatste tien jaar echt doorgebroken: Coldplay en Muse, terwijl ik ook The Killers nog wel eens in een stadion zie verschijnen. En misschien is het zo dat de critici te weinig enthousiast voor hun en ook voor Snow Patrol, konden opbrengen. Inderdaad kan een hand in eigen boezem ook geen kwaad. Breekt er eens een band door naar Ahoy' formaat, is het weer niet goed.

 

Toch geldt ook voor Muse en Coldplay niet wat indertijd voor Simple Minds en U2 wel gold: ze waren echt het gesprek van de dag. Al was het maar omdat ook zij verafschuwd werden door de 'serieuze' popkritiek, overigens vooral in Britse bladen.

 

Ergens is ook gesteld dat vroeger alle muziek maar door de strot geduwd werd en dat het nu zo fijn is dat je zelf kunt zoeken en ook nog eens snel vinden, wat je wilt horen.

 

Dat is waar, maar het betekent ook dat er nu ook geen geduld meer is voor muziek waar je op het eerste gehoor geen zin in hebt. Iedereen vindt al snel zijn eigen niche of nano-cultuur en is bijvoorbeeld heel blij iedere week de nieuwste dub-step mp3's doorgestuurd te krijgen van zijn followers.

 

Zo zijn er honderden of misschien wel duizenden niches. Iedere muziekliefhebber kan meteen horen waar hij zin in heeft en hoeft dus niet te luisteren naar al het andere. Iedereen heeft zijn eigen playlist en wisselt die uit met gelijkgestemden. Prachtig allemaal, vooral voor diegene die heel erg veel tijd willen steken in het ontdekken en verspreiden van muziek. Voor ons journalisten bijvoorbeeld.

 

Maar het succes van de mainstream popmuziek wordt juist bepaald door hen die niet iedere dag het internet af willen struinen naar de nieuwste mix van, zeg, Diplo. De meeste mensen houden best van muziek maar daar moeten ze op gewezen worden. De versnipperde popcultuur veroorzaakt volgens mij eerder dat deze mensen niks nieuws meer horen en dus gezellig 1 keer per jaar met z'n allen naar Borsato of Toppers gaan, dan dat hun muziekbeleving wordt verrijkt.

 

Juist de versnippering is er volgens mij de oorzaak van dat er ook al jaren geen fatsoenlijk popprogramma meer op tv is geweest. De grote namen zijn al jaren hetzelfde en worden alleen maar ouder. Iets nieuws komt er niet bij. Er zijn te weinig grote artiesten die een groot publiek aan de buis gekluisterd houden, en zie van al die niches samen maar eens iets coherents te maken. Wie van dubstep houdt heeft geen zin om te horen hoe goed de nieuwe Jason & The Scorchers is.

 

Zonder Bekende Nederlanders, spelletjes en nostalgie geen pop op televisie. De VPRO mag het binnenkort weer proberen. Ik hoop er echt het beste van maar ben bang voor niet al te bekende Nederlandse popartiesten die een leuk kwisje doen waarin ook vooral leuke muziekfilmpjes te zien zullen zijn. Alles moet vooral leuk zijn, anders helemaal geen pop op televisie. Ook de VPRO heeft geen keus.

 

 

Om af te sluiten: wat ik nu zo leuk zou vinden als de popmuziek wereldwijd iets zou meemaken als wat wij hier op lokaal niveau hebben meegemaakt: de opkomst van Kyteman. Dat was nu wel eens iemand waar iedereen het even over had, zij het alleen in Nederland.

 

Ook blijf ik verlangen naar de komst van een band of artiest die zowel de redactie van 3Voor12 als die van RTL Boulevard zenuwachtig doet worden. Iemand als Amy Winehouse had dat in zich. Als er zich per jaar een stuk of vijf van dergelijke namen aandienen, dan is de popcultuur volgens mij pas echt gezond.

 

 

 

 

 

 

Het failliet van de mainstream popcultuur

maandag 15 februari 2010 15:30

popcultuur,

Sinds een paar weken twitter ik. Ik volg nog niet zo heel veel mensen, tijdschriften, zalen of andere bronnen, ik krijg zo ook wel genoeg informatie over me uitgestort. Het zal aan mijn eigen bestand liggen maar als ik zo eens lees naar welke muziek er zoal geluisterd wordt, dan zijn dat vooral platen die nog niet uit zijn van ook niet zelden artiesten waar ik nog nooit van gehoord heb. Prima, zo hoort het. Ik volg veel collega-journalisten en van hen wordt nu eenmaal verwacht dat ze op de zaken vooruit lopen.

 

Hot Chip een mooie plaat gemaakt? Oud nieuws, wisten we al maanden.

 

Zelf ben ik nogal weg van het eerste album van The Soft Pack, frisse, aanstekelijke powerpop. Vooral fijn om nu weer eens een vrij nieuw Amerikaans bandje niet te horen flirten met folk, Afrikaanse muziek en samplers. Mijn twitter-vrienden hebben het al weken over Yeasayer maar daar kom ik nog altijd niet doorheen, geen nummer dat ook maar in de buurt komt bij 2080 van hun vorige plaat.

 

Maakt allemaal niks uit, want we kunnen het allemaal nog zo hartgrondig met elkaar eens of oneens zijn over dit soort bandjes: in the end, nobody cares.

 

Yeasayer, Soft Pack, The xx, Vampire Weekend, Midlake, Grizzly Bear en al die andere blogosphere-hits: ze doen er eigenlijk niet toe. Leuk, weer een indie-bandje, weer een uitverkocht Paradiso. Maar dan? Iedereen die vorige week Midlake heeft gezien weet dat we hier te maken hadden met een band die het nauwelijks voor elkaar kreeg Paradiso aan zich te binden, laat staan een echt grote zaal om over hoofdpodia op Popfestivals maar te zwijgen.

 

Maar we zullen het met de Midlakes en Vampire Weekends moeten blijven doen, want een nieuwe band of artiest die grotere zalen of een podium als het Westerpark aankan, die is in geen velden of wegen te bekennen. Goed, met John Mayer lijkt het in Nederland na zes jaar toch te gaan lukken, en ook Snow Patrol lijkt aansluiting te vinden bij Coldplay en Muse, waar het populariteit betreft. Maar ook Snow Patrol is al meer dan tien jaar bezig.

 

Ik heb het al vaker geopperd: het ontbreekt de popmuziek aan echte nieuwe sterren. En een paar dingen zagen mijn idee de afgelopen weken bevestigd.

 

Ten eerste de uitermate treurig stemmende charity songs vanuit de Britse en Amerikaanse popcultuur.

Ik keek naar de remake van We Are The World (hier te zien) en was verbijsterd. Erg was niet alleen de keuze om dit liedje te coveren, want het resultaat was in alle opzichten minder dan het origineel. Wat me vooral frappeerde was het feit dat ik nauwelijks iemand van de 'popsterren' herkende. Was dit alles wat er de afgelopen jaren zich aan nieuw talent had aangediend? 25 jaar geleden kende ik van Bruce tot Stevie en Ray tot Willie iedereen. Nu hooguit 1 op de vijf.

 

Veel van hen leken me ook vooral in Amerika zelf grootheden. Trouwens, zo mogelijk nog erger leek me de remake van Everybody Hurts dat hier te beluisteren is. De popcultuur is een nazing-cultuur geworden. Iedereen doet grote artiesten na, niemand wil er zelf nog eentje zijn.

 

En waar ze die ambitie wel hebben, blijft hun succes tot eigen land beperkt. Zie Borsato en Bauer hier of Taylor Swift in de VS.

Een jaar geleden stond er in Rolling Stone een knap profiel van de meest succesvolle Amerikaanse popster van dit moment. Ik dacht: dit bewaar ik maar, want ze zou ook hier wel eens heel populair kunnen worden.

 

Dat is ze vooralsnog niet. Haar plaat, die de best verkopende van 2009 werd in de VS, kwam in Nederland niet verder dan de 43ste plek in de album-lijst en volgens mij doet Swift ook niet zoveel in de rest van Europa.

Niet zo gek als je nog eens kijkt naar haar optreden met Stevie Nicks een paar weken geleden bij de Grammy-uitreiking. Heel moeizaam, vlak en zelfs vals. Country zingen, dat kan Ilse DeLange een stuk beter, maar die zingt de laatste tijd helaas veel te veel slappe popdeuntjes.

 

Taylor Swift zie ik zo snel niet wereldberoemd worden, ook omdat ieder land wel zijn eigen Swift kent, en daar ook genoeg aan heeft. Maar de grootste Amerikaanse popster van het moment die buiten eigen land geen potten kan breken, dat is toch merkwaardig.

 

Het heeft er volgens mij mee te maken dat popmuziek en popcultuur veel minder belangrijk is geworden in ons leven dan een paar decennia geleden. Iets dat vorige week bevestigd werd door de auteur Douglas Coupland in een kort interview in de New York Times. Ik werd op gewezen door blogger Bob Lefsetz. Hij zegt het volgende:

 

'I'm starting to wonder if pop culture is in it's dying days, because everyone is able to customize their own lives with the images they want to see and the words they want to read and the music they want to listen to.'

 

En over toch grote populaire nieuwe culturele verschijnselen als Harry Potter, Taylor Swift en Avatar:

 

'They are not mega-trends like disco, which involved absolutely everyone in the culture. Now eveyone basically is their own micro-culture, their own nano-culture, their own generation.'

 

Ik denk dat Coupland daar gelijk in heeft. Er is genoeg goede muziek. Iedereen vindt in no-time waar hij naar wil luisteren en wat hij wil lezen of zien. Maar al die kleine 'micro-cultures' maken volgens mij popmuziek nog niet tot die invloedrijke cultuur die het een kwarteeuw geleden wel was.

 

Het gaat er niet om of de nieuwe Yeasayer wel of niet goed is, het gaat erom of iemand als Justin Timberlake mocht hij het zelf niet kunnen, nog opvolgers kent die wereldwijd indruk maken. Daar wacht ik eigenlijk op.

 

Deze zomer staat er in de Nederlandse stadions niet een grote naam van internationale allure geprogrammeerd terwijl het Westerpark het vooral met Nederlandse toppers moet doen. Dat is een ontwikkeling die mensen zorgelijk stemt die popmuziek als massacultuur hoog hebben zitten.

Nat en Nico in Nederland

woensdag 10 februari 2010 15:22

Nat Finkelstein,Nico,velvet underground,

Nog vier dagen is in Londen de expositie Nat Finkelstein: From One Extreme To The Other te zien. In een kleine maar fraaie gallerie Idea Generation, in de buurt van Liverpool Street en Brick Lane.

 

Vlak bij de Londensen East vestiging van de Rough Trade platenzaak, dus we waren zaterdagmiddag toch in de buurt.

 

Nat Finkelstein is de fotograaf die tussen 1964 en 1967 de huisfotograaf was van Andy Warhols Factory in New York. Twintig jaar geleden kocht ik zijn  fotoboek The Factory Years in de ramsj, maar had het al jaren niet meer ingezien.

 

Beroemd zijn vooral de foto's die Finkelstein nam van bezoekjes van Marcel Duchamp en Bob Dylan aan de Factory op 231 East 47th Street. Dylan en Warhol aan weerszijden van Warhols Double Elvis zeefdruk, op de rug gefotografeerd, dat is een klassieker.

 

Dylan zou het prachtige kunstwerk overigens ruilen met een bank die in het huis van zijn manager Albert Grossman stond. (ondankbare hond).

 

Finkelstein is ook in een ander opzicht voor de popgeschiedenis interessant: hij was de eerste fotograaf die de Velvet Underground voor de lens kreeg. De foto's die hij van Lou Reed, John Cale en Nico maakte zijn echt klassiek geworden.

 

Ik wist niet dat Finkelstein in oktober van het vorig jaar overleden is, en ook niet dat hij eind jaren tachtig een tijdke in Amsterdam had gewoond. Op de vlucht zijnde voor de Amerikaanse overheid, die hem als staatsgevaarlijk op de lijst had staan vanwege onder meer zijn bemoeienissen met de Black Panthers.

 

Raar toch dat er na Finkelsteins overleden niet een stoet aan necrologieën gepubliceerd werd. Mijn nieuwsgierigheid naar de man werd nog extra vergroot door de tekst die in de gallerie hing, naast een reeks contact sheets met schitterende foto's van Nico.

 

Ik had speciaal de catalogus van de tentoonstelling besteld, (sturen ze op verzoek online) vanwege deze tekst: 'Mijn laatste herinneringen aan Nico', maar juist deze tekst en foto's ontbreken.

 

Finkelstein haalt herinneringen op aan de laatste ontmoeting die hij in 1988 had in Amsterdam met de zangeres, die verslaafd was aan heroïne. Finkelstein nodigde haar uit mee te komen naar een concert van John Cale. Nico stribbelde aanvankelijk tegen, ze had het gevoel dat Cale geen behoefte meer aan haar aanwezigheid had. Maar ze gaan toch.

 

Grote kans dat ik er ook was, sinds Cale's plaat Music For A New Society uit 1983 was ik fan en ging ik naar al zijn concerten. Nooit geweten alleen, dat in dezelfde zaal zich naast Cale twee andere historische figuren bevonden.

 

Er vindt na afloop ook nog een ontmoeting plaats. Nat en Nico houden even contact. Nico heeft het zeer zwaar in die tijd en wil graag van haar verslaving af maar weet niet hoe. Ze denkt erover naar Ibiza te gaan. Finkelstein moedigt dit aan en zegt toe haar een paar dagen later al op te komen zoeken om haar te helpen met afkicken.

 

Als hij zijn koffers aan het inpakken is wordt hij gebeld: Nico is op Ibiza van haar fiets gevallen en overleden.

 

Nooit geweten dat Finkelstein Nico uit de put wilde trekken, zoals ik ook niet wist dat Finkelstein hier een tijd heeft gewoond. Wie wel?

Graag had ik bijvoorbeeld in Het Parool een stuk over Finkelstein in Amsterdam gelezen, of anders in mijn eigen Volkskrant. Daar is de helft van de documentalisten ontslagen, dus zeker weten doe ik het niet, maar bij mijn weten hebben geen van de Nederlandse kranten lang stil gestaan bij de dood van Finkelstein.

 

Jammer. Intussen heb ik vannacht weer zitten bladeren in Jan Cremers Ik Jan Cremer Derde Boek waar ik al eerder over schreef naar aanleiding van zijn herinneringen aan Bob Dylan. Ook Nico komt er regelmatig in voor. Cremer kent haar al van Ibiza in de vroege jaren zestig waar ze een verhouding hebben.

 

In New York komt hij haar weer tegen, in de periode dat ze door Andy Warhol ontdekt wordt en gekoppeld wordt aan de Velvet Underground. Cremer vindt het allemaal maar een stel minkukels maar zijn beschrijving aan een bezoek aan de moeder van Andy, is zeer geestig.

 

De Slowaakse keuken heeft veel overeenkomsten met de Hongaarse keuken van Cremers moeder. Cremer is wel gecharmeerd van de kookkunsten van Dzjoelia Warhola:

 

'Dzjoelia opent een grote kast, stampvol met blikken Campbell Soup, opgestapeld als in een supermarkt. In allerlei smaken: chicken, noodle, vegetables, tomatoes.

'Zat ies ze onlu zoepe my Andrew likes', vertrouwt Dzjoelia mij met een zwaar accent glimlachend toe.'

 

Cremer bezoekt Andy, die nog bij zijn moeder woont, samen met Nico 'mijn vriendin', een paar dagen nadat zij bij de Velvet Underground aan de slag kon.

'Een noodlijdende band, net opgericht, een samenraapsel van talentvolle muzikanten die hun weg nog niet gevonden hadden en in allerlei goedkope louche tenten optraden.'

 

Hij heeft het niet zo op Lou en John en hun zonnenbrillen. Hij ziet bovendien hoe 'zijn vriendin' er langzaam aan onder door gaat. Drugs.

 

Of Cremer Finkelstein ook gekend heeft, zou ik niet weten, hij komt in het boek niet voor.

 

Nico was in die dagen, zo begrijp ik, behalve oogverblindend mooi ook tamelijk onhandelbaar. De drugs bleven ook een groot probleem. Ook de opnamesessies in Los Angeles van haar sombere maar prachtige plaat The Marble Index (1968) gingen gepaard met de consumptie van onvoorstelbare hoeveelheden heroïne, zo las ik in de liner notes bij de compilatie Nico:The Frozen Borderline 1968-1970.

 

Ik heb het met haar te doen en wil veel meer over haar weten, maar vooral over haar laatste dagen. Hoe zat dat met Nat Finkelstein in Amsterdam?

Todd Rundgrens A Wizard, A True Star live in Londen

maandag 8 februari 2010 14:31

Todd Rundgren,Meat loaf

Jammer dat ik niet rook, denk ik wel eens. We waren dit weekend in Londen om Todd Rundgren te zien. Hij zou in de Hammersmith Apollo, een prachtige art-deco zaal, het album A Wizard, A True Star integraal live komen spelen, en laat dat net een van de favoriete platen van mijn vriendin zijn.

 

Ikzelf heb meer met Something/Anything de dubbel-lp die in 1972 verscheen en aan A Wizard/A True Star vooraf ging. Maar ik hou dan ook niet zo van sprookjes, fantasy en science fiction.

 

Mijn vriendin wel, en zij rookt bovendien. We zaten zaterdagavond een beetje bovenin de zaal, met wel heel goed zicht op het podium. Het voorprogramma begon, Todd Rundgren's Johnson. Vier oudere heren in klassieke rock 'n roll bezetting. De zanger/gitarist had zou het broertje van Rundgren kunnen zijn. Dat hij het zelf was, konden we ons niet voorstellen. Todd Rundgren die belegen cover-versies van doodgespeelde Robert Johnson speelt? Onmogelijk.

 

Na 3 liedjes gingen we richting bar, waar het lekker rustig was. Mijn vriendin wilde roken, dat kon buiten. 10 minuten later was ze terug. Ze was buiten in gesprek geraakt met twee wat oudere mannen, nog ouder dan ik. Die waren ook weggevlucht. Een van hen vertelde op 11 jarige leeftijd van zijn spaargeld de lp A Wizard, A True Star te hebben gekocht. Het was zijn lievelingsplaat geworden.

 

'I waited more than 30 years for this, and what do I get, Todd Rundgren playing crappy blues songs'. Het was inderdaad Todd zelf, zo verzkerde beide mannen mijn vriendin. Ze gedroegen zich een beetje als Waldorf & Statler, de twee mopperende mannen uit de Muppet Show. Ze hadden er ook eigenlijk geen vertrouwen meer in en wisten het zeker: na de pauze zou Rundgren vast terugkomen met een laptop.

 

Gelukkig hadden de twee heren ongelijk. Rundgren liet zich begeleiden door zes muzikanten, onder wie maar liefst drie toetsenisten. Het werd een prachtige voorstelling, zoals ik ook schreef in de Volkskrant van vandaag. Het was ook mooi om te zien al die heren van een jaar of vijftig om ons heen, die echt ontroerd leken toen de countdown begon. Het was duidelijk dat zich een kleine drieduizend man in Londen verzameld hadden voor wie A Wizard, A True Star echt veel had betekend.

 

Net als mijn vriendin zullen ook zij verbaasd waren dat er ineens een stuk van kant 1 werd overgeslagen, dat naar het slot van de voorstelling werd verschoven. Maar dat kwam de opbouw juist ten goede, zo bleek. Ik begreep ook waarom Rundgren, die nooit wil terugblikken op zijn onnavolgbare muziek uit de jaren zeventig, juist voor dit album gekozen had.

 

Op deze plaat zijn eigenlijk alle facetten die zijn muziek zo bijzonder maakte samengebald. Futuristische elektronische muziek, jaren zeventig-stijl, popliedjes, citaten uit bestaande soul en musical-liedjes, jazzrock a la Zappa, en stevig gitaarwerk: heavy metal avant la lettre.

 

In 1973 bevond de popmuziek zich in een soort overgangsfase. De sixties waren afgelopen, symforock, hardrock en glamrock hadden het roer over genomen. Rundgren beheerste het allemaal. Hij zou als producer betrokken raken bij belangwekkende platen van zowel de New York Dolls als Meat Loaf. Op A Wizard, A True Star loopt hij er alvast op vooruit. Meat Loaf maar ook Queen is hoorbaar door Rundgren beïnvloed.

 

En nog heel veel meer.

 

Toch horen we al decennia lang weinig van Rundgren. Hij maakt nog wel muziek, die hij als een van de eerste artiesten exclusief aan internet aanbood, maar daar is, met permissie, geen moer aan.

Hij moet toch ook beseffen dat hij in de jaren zeventig veel betekend heeft voor een complete generatie babyboomers, die nog altijd naar zijn oude werk zijn blijven luisteren. Toch zijn zijn platen nog altijd niet fatsoenlijk geremasterd. De cd's zoals die eind jaren negentig van zijn klassieke platen verschenen, zijn niet om aan te horen. Het wachten is op echt goed geannoteerde versies van platen als Todd, Something/Anything, The Hermit Of Mink Hollow en natuurlijk A Wizard, A True Star. Het is muziek die ook voor nieuwe generaties ontsloten dient te worden.

 

Todd Rundgren moet zich zeker na het succes zaterdag in Londen, toch beseffen dat hij best wat vaker tegemoet mag komen aan nostalgische gevoelens van zijn oude fans. Hij leek er ook lol in te hebben. In de vele verkleedpartijen, het heen en weer rennen over het podium, het zingen en het spelen.

 

Van mij mag hij binnenkort Something/Anything integraal komen spelen. Desnoods gaan we er weer voor naar Londen, maar ik  vermoed dat Paradiso ook dan wel de deuren voor hem zal willen openen.

 

Veel plezier daar vanavond!

Sly, Syd, Gorillaz: Overzicht van nieuwe Britse muziekbladen

zondag 31 januari 2010 22:52

Sly Stone,gorillaz,muziekbladen

Gisteren 32 euro uitgegeven aan de nieuwe Britse muziekbladen. Het aardige van Waterstone's in Amsterdam is niet alleen dat ze net iets eerder zijn dan de Ako- en Bruna-keten, maar dat ze ook een fijne spaarkaart hebben. Ik had de laatste maanden genoeg bij elkaar gespaard om The Pregnant Widow, de nieuwe roman van Martin Amis gratis en voor niks te mogen meenemen, dus dat scheelde alvast 26 euro.

 

Wire is nog toe aan het februari nummer, maar de meestal gelijktijdig verschijnende Q, Uncut en Mojo leven al in maart 2010.

 

Wire krijgt het ook deze maand weer voor elkaar met artiesten te komen van wie ik nog nooit gehoord had als Eliane Radigue, Mattin, en Wadada Leo Smith. Het probleem is ook deze maand een beetje dat ze niet erg hun best doen deze mensen helder te introduceren. Ik heb het blad nog maar even terzijde gelegd.

 

Bij de recensies viel me vooral een bespreking van een Alan Lomax-box met 10 cd's met oude field music uit Haïti op. Duidelijk geschreven voor de aardbeving daar, anders was het vast anders geëindigd dan met de regels: Maybe Haiti is more like our future, and not our past, than we even begin to suspect.

 

In de andere drie bladen goeddeels dezelfde album recensies: Corine Bailey-Rae, Hot Chip, Ali Faka Touré And Toumani Diabaté, Massive Attack en Peter Gabriel. Ook het enthousiasme is eensluidend, veel vier sterren, al meende Uncut Field Music zelfs met 5 sterren te moeten honoreren.

 

De features in Uncut zijn me deze maand het minst boeiend. Joy Division? Daar heb ik de afgelopen tijd net iets te veel over gelezen. De insteek: dertig jaar geleden trokken ze van Manchester naar Londen om Closer op te nemen, is me net iets te mager.

 

Een stuk aardiger vond ik het verhaal over Free. Een Britse rockband die begin jaren zeventig alles had om echt groot te worden, maar onderlinge ruzies tussen bassist Andy Fraser en zanger Paul Rodgers voorkwamen dit. Vervelend voor hun, maar nog meer voor de toen piepjonge gitarist Paul Kossoff. Een junk van een jaar of 18, die toen de band in 1972 door Rodgers ontbonden werd helemaal aan lager wal zou raken en in 1975 zou overlijden.

 

Nog altijd leven Rodgers en Fraser in onmin met elkaar. Ze spraken elkaar in 2006 voor het laatst. Fraser: 'I don't see Free re-forming. It's more likely that we all re-marry our first wives."

 

Aardig ook omdat dit verhaal nu eens niet is opgehangen aan een nieuwe box, film of biografie.

 

Langer heb ik gelezen in Q. Het 'gesprek' tussen voetballer Wayne Rooney en Stereophonics zanger Kelly Jones heb ik voor kennisgeving aangenomen. Goed geschreven, maar weinig relevant vond ik de reportage met de volgens mij vorig jaar behoorlijk geflopte Mika.

Handig is het overzicht met 20 relevante 'nieuwe' Amerikaanse gitaarbands. Oud nieuws voor het Twitter-volk waartussen ik me sinds een week begeef, maar nuttig voor iedereen die niet iedere dag naar Pitchfork kijkt waar ze nu weer naar moeten luisteren.

 

Meest intrigerend is de cover-story over Gorillaz, die in weerwil van eerdere berichten binnenkort met een nieuw album komen, en op festivals gaan spelen. De vorm is verwarrend: Gorillaz bestaat uit fictieve stripfiguren die aan het woord komen. Ik vermoed dat Damon Albarn degene is die Q gesproken heeft.

 

Hoe dan ook, een zeer leesbaar verhaal en alleen de lijst met gasten van Mos Def tot Bobby Womack, maakt nieuwsgierig.

 

Grappig dat Paul Witteman, die een paar jaar geleden door zijn redactie was ingefluisterd dat het een schande was dat Gorillaz niet op Pinkpop kwamen, en hier Jan Smeets ook over ter verantwoording riep, misschien alsnog zijn zin krijgt.

 

Kocht ik deze maand maar 1 blad (voor wie vooral benieuwd is naar nieuwe plaatrecensies volstaat 1 van de 3 bladen) dan zou dat Mojo zijn.

 

Tuurlijk het verhaal over Syd Barrett is mooi, net als de exegese van Paul Drummond over het hoesontwerp van The Madcap Laughs, maar het meest bijzonder is het interview met Sly Stone.

 

Het is een verkorte weergave van de zoektocht die de Nederlander Willem Alkema met succes naar deze kluizenaar heeft ondernomen. Dit voorjaar verschijnt zijn documentaire op dvd en volgend jaar komt er nog een Nederlandse ! geautoriseerde biografie. 

 

Alkema's verhaal is een fascinerend voorproefje, al weet ik niet of ik na talloze keren vergeefs afspraken gemaakt te hebben, zou openen met vragen over zijn kinderjaren. Jarenlang was Sly Stone volledig uit beeld en voor niets en niemand aanspreekbaar. Mede dankzij Alkema verscheen hij in 2007 op North Sea Jazz. Eerder was hij, een menselijk wrak, te zien op de Grammy Awards. Een gebeurtenis waar hij met grote weerzin aan terugdenkt.

 

Wat is er met hem gebeurd, hoe kon hij zijn talenten zo vergooien en valt er nog iets goeds te verwachten? Ik zou het allemaal niet weten.

Vind het wel leuk dat Nederlanders hier al het onderzoek hebben verricht.

 

Sly Stone bij de Grammy's haalde indertijd de voorpagina's. Benieuwd waar de Grammy's vannacht mee komen.

 

 

 

De onvolprezen Kevin Coyne

donderdag 28 januari 2010 01:10

Kevin Coyne,muziek,jaren 70,canon,

Vandaag zou hij 66 geworden zijn. Kevin Coyne de Britse zanger-kunstenaar die in 2004 overleed.

 

Onlangs verschenen er twee schitterende uitgaven die de essentie van zijn muzikantenschap bevatten. Allereerst is er een geremasterde en met demo's en live-opnamen uitgebreide heruitgave van zijn meesterwerk Marjory Razor Blade de dubbel-lp uit 1973.

Dit was zijn albumdebuut voor Virgin, het label dat Richard Branson toen net had opgericht. Hij kende de muziek van Coyne al van diens werk met Siren en wellicht ook van zijn eerste soloplaat Case History uit 1972.

 

Branson schijnt grootse plannen met Coyne gehad te hebben, zo had hij het idee om de zanger uit Derby te koppelen aan zijn andere vroege signing: Mike Oldfield. Kevin Coyne zingend op Tubular Bells, als het aan Branson had gelegen, was dat dus gewoon gebeurd.

 

Coyne deed het niet, zoals hij ook niet was ingegaan op het verzoek van Jac Holzman van Elektra om Jim Morrison te vervangen in The Doors. Coyne zag zichzelf niet zo snel in een leren broek, zou deze gezegd hebben.

 

Marjory Razorblade verscheen in 1973 en is niet alleen een hoogtepunt in het oeuvre van Coyne, maar een hoogtepunt in de popgeschiedenis. Grote woorden, maar iedere keer als ik de plaat hoor dan denk ik weer: dit is een in alle opzichten unieke plaat. De muziek is die van een getormenteerde troubadour. Hij schreeuwt, huilt, gromt en fluistert liedjes die allemaal volledig verschillend van elkaar zijn. Ook tekstueel. Maar toch vormen ze een eenheid. Of hij nu zijn moeder aanroept, luierende dames in een badplaats bezingt, verhaalt over zijn herinneringen als verpleger in een gekkenhuis, of gewoon een geliefde toezingt: alles klopt.

 

Hier is een groot artiest bezig zichzelf volledig bloot te geven, en toch houdt hij het mysterie in stand. Net als Dylan in zijn beste werk heb je niet altijd door waar het allemaal precies over gaat. (Wie is eigenlijk die Marjory Razor Blade?), maar de poëtische zegginskracht wordt met de jaren alleen maar groter.

 

Een eigenschap die vooral zijn werk na 1980 niet meer heeft. Daarom is het zo goed dat, en dat is de tweede bijzondere uitgave, tegelijkertijd ook I Want My Crown, The Anthology 1973-1980 verscheen. Op vier cd's is hier een voorbeeldige selectie uit zijn ouvre van die jaren gemaakt. Een periode waarin Coyne een stuk of tien albums zou uitbrengen die allemaal goed waren maar los van Marjory Razor Blade niet onmisbaar.

 

Een uitzondering wil ik maken voor de live dubbel-lp In Living Black And White uit 1976 en de concept-plaat die Coyne in 1979 maakte met Dagmar Krause: Babble.

Van In Living Black And White is op de nieuwe box niks opgenomen, wat maar deels wordt goedgemaakt door een complete cd met live-opnamen uit 1974.

 

Lange tijd was In Living Black And White de plaat die ik van Coyne het meeste draaide. Hij rockte ook lekker, mede dankzij het prachtige spel van Andy Summers. Die in de tijd dat ik de plaat leerde kennen, net naam zou maken als gitarist van The Police.

 

Nog steeds prefereer ik de versie van House On The Hill op die live-dubbelaar boven de versie van Marjory Razor Blade, en ook de stevig rockende Turpentine, Eastbourne Ladies en America staan in het geheugen gegrifd.

 

Los daarvan is The Anthology het ideale startpunt voor een mogelijk levenslange liefde voor dit werk van Kevin Coyne uit de jaren zeventig.

 

Daarna ging het eigenlijk snel bergafwaarts. Ik zag de man voor het eerst live in, ik dacht in 1980 in een tent in Laren. Rare wilde man die me aan Johnny van Doorn deed denken. Gedrongen, in het pak met een weelderige bos haar.

 

Ook herinner ik me een optreden in De Tagrijn in Hilversum met onder meer Zoot Money, een jaartje later. Was mooi wel. Ik zie nog het beeld voor me van Coyne die met zijn jas aan een dame innig omhelsde, al dansend op de dansvloer onder de discobol. 

 

Als ik de kans had ging ik kijken, en zijn platen willde ik erg graag goed vinden, maar dat werd steeds moeilijker. Coyne had namelijk een groot drank- en wellicht ook drugsprobleem.

 

Had hij midden jaren tachtig niet de Duitse Helmi tegengekomen, dan was hij er beslist aan onder doorgegaan. Zo vertelde hij in december 2000 toen ik hem interviewde in een door Walter Stokman geregissseerde aflevering van Lola da Musica.

 

Hij woonde toen al jaren in Neurenberg, waar hij nog altijd moeite mee had, al was hij er wel door gered. Coyne was overal van afgekickt en Helmi zorgde goed voor hem. Hij was wel een beetje een grumpy old man geworden. Hij maakte muziek, die best aardig maar niet geweldig was, maar begreep niet dat zijn publiek zo was geslonken.

 

John Peel, die hem ooit zijn eerste contract had gegeven en die zijn vroege werk ook veel op de radio had gedraaid moest het ook ontgelden: als die hem zo bewonderde, waarom draaide die al jaren zijn platen niet meer?

 

Omdat ze geen urgentie meer hadden. Ergens moest Coyne dat ook wel beseffen, leek me. Aardiger waren zijn schilderijen en tekeningen. Ook een discipline waar hij veel tijd aan besteedde.

 

Leek me geen makkelijke man om mee samen te leven, die Coyne. Helmi vond ik een lieve vrouw, die trots was op haar huisgenoot. (De docu is net als ander Coyne materiaal op YouTube te bekijken)

 

Coyne tourde inmiddels regelmatig met zijn twee zonen in de band, en het waren nog altijd de liedjes van Marjory Razor Blade die het meeste bijval kregen, ook al zouden er nog een stuk of dertig platen van Kevin Coyne verschijnen.

 

De toon die beslist iets onontkoombaars had, zoals Coyne die in de jaren zeventig had ontwikkeld, zou hij nooit meer terugvinden. Dat zal hem beslist pijn hebben gedaan.

Wij, zijn luisteraars, kunnen er nu meer dan vijfendertig jaar later opnieuw genieten van unieke muziek.

 

Marjory Razor Blade verdient een plaatsje in de canon van de popmuziek.

 

 

 

Einde van een mooi popperiodiek?

maandag 25 januari 2010 16:25

observer,jan blokker,brian eno,nick tosches

En binnen The Observer flakkert geen kaars meer. En al flakkerde ze - er fladderen geen motten meer naartoe.

 

Aldus Jan Blokker in zijn onlangs verschenen boekje Nederlandse Journalisten Houden Niet Van Journalistiek. De titel doet wellicht vermoeden dat het hier een pamflet betreft waarin de Grote Columnist de vloer aanveegt met de Nederlandse journalistiek, maar het is vooral een handig overzicht hoe kranten zich de afgelopen jaren ontwikkeld hebben. Er staat veel waars in volgens mij en ik stak er veel van op.

 

Bijvoorbeeld over de eerste zondagskrant ter wereld, het Britse The Observer. 'Requiem Voor Een Krant' heet het hoofdstukje. Het moge duidelijk zijn dat Blokker er geen vertrouwen meer i heeft dat het met de krant nog echt goed komt, eigenlijk, zo stelt hij wil het overkoepelende Guardian Media Group al jaren van het blad af.

 

En mocht het zo'n vaart niet lopen, dan zal de krant in ieder geval nooit meer zo'n bolwerk van onafhankelijke, doorwrochte en goedgeschreven journalistiek zijn als het in de jaren veertig en vijftig was.

 

Zover kan ik niet terugkijken, ik lees het al jaren met een zekere regelmaat. Sinds halverwege de jaren negentig koop ik iedere zondag een Britse krant. Lang was dat steevast de Sunday Times want die hadden een bijlage compleet gewijd aan cultuur. Toen ze begonnen hun overseas edities te voorzien van een bijlage die het 'beste' uit alle bijlagen bevatte (met dus minder cultuur en meer autosport) ging ik over op Independent On Sunday. Ook zij hielden op hun mooie cultuurbijlage in de export-edities te stoppen, zodat ik uiteindelijk was aangewezen op The Observer, die op zondag in elk geval nog iets aan boeken en muziek deden.

 

De laatste tijd wissel ik het een beetje af, en als ik in een goede bui ben koop ik ze allebei. Al kijk ik altijd even online wat ik kan verwachten.

 

Sinds een jaar of vijf heeft The Observer een maandelijkse muziekbijlage Observer Music Monthly (OMM) dat even mijn lievelingstijdschrift over popmuziek werd. Ook al was het wederom alleen in de UK zelf verkrijgbaar.

 

Ze hadden mooiere, langere en meer exclusieve verhalen dan andere monthly's en maakten gebruik van goede journaliste die niet noodzakelijkerwijs voor de zusterkrant The Guardian werkten.

 

De laatste maanden vond ik al dat er de klad in kwam, net als in hun aardige blog From Abba To Zappa dat dit jaar nog niet hervat is.

 

December verstreek zelfs zonder een OMM!

 

En wat las ik gisteren bovenaan de inhoudsopgave? Special Final Issue: American Legends.

 

Niet het meest interessante idee, allemaal miniportretjes van grote nog levende Amerikaanse muzikanten, en ook van inleider Nick Tosches heb ik wel eens vlammendere betogen gelezen. Maar het zou toch jammer zijn als het echt zo is dat ze er mee ophouden.

 

Ook The Observer zelf wil graag blijven lezen, want hoewel de Sunday Times regelmatiger bericht over popmuziek, zijn de artikelen in The Observer beter, zoals onlangs nog Paul Morley's interview met Brian Eno.

 

We zullen zien.

 

Het lijkt erop dat er weer een kaars gedoofd is.

 

O ja, ik ben ook om. Ik twitter sinds vanmiddag.

 

twitter.com/gijsbertkamer

 

 

 

Ian Dury herdacht

vrijdag 22 januari 2010 18:17

In maart is het tien jaar geleden dat Ian Dury overleed. Misschien is dat wel de reden dat er deze maand zowel een film over zijn leven in de Britse bioscopen in premiere ging, als dat er een biografie van hem uitkwam: Ian Dury The Definitive Biography van Will Birch.

 

Naar de biopic ben ik erg nieuwsgierig, ik heb echter geen idee of die snel in Nederland gaat draaien. De biografie kocht ik gisteren, tegelijk met het februari nummer van Word Magazine. Op de cover van dit van alle muziekbladen wat mij betreft meest lezenswaardige tijdschrift staat ook Ian Dury, die met een mooi verhaal en anekdotes van vrienden en collega's wordt herdacht.

 

De verkoopster, een jaar of dertig gok ik, vroeg zich af wie dat was Ian Dury. Punk? Niet echt, probeerde ik uit te leggen, al stamt hij wel uit de Britse punkjaren.

 

Ineens bedacht ik me dat Ian Dury inmiddels een vergeten grootheid is. Je hoort zijn hits nog wel eens voorbij komen: Sex And Drugs And Rock And Roll, Hit Me With Your Rhythm Stick, Reasons To Be Cheerful Pt 3 en Spasticus Authisticus. Maar verder?

 

Er wordt nooit meer aan hem gerefereerd, en ik geloof ook niet dat zijn albums nog zo geliefd zijn. New Boots And Panties was dat wel, in 1977. Voor velen, ook voor mij, verbeeldde dat album de toegankelijke, geestige kant van punk. De Sex Pistols en The Clash, daar kon ik niet veel mee. Met Ian Dury en Elvis Costello wel. Beiden brachten hun platen ook uit op hetzelfde label, Stiff.

 

Ook de tweede plaat van Ian Dury And The Blockheads beviel me wel, al kocht ik 'm geloof ik vooral omdat het singletje Hit Me With Your Rhythm Stick er bij ingesloten zat. Dury weigerde pertinent de singles op zijn albums te zetten. Daarvoor moest je bij Amerikaanse dan wel Canadese persingen zijn.

 

Die tweede plaat Do It Yourself uit 1979, vind ik nog steeds erg goed. Hij is nogal jazzy, maar vooral die pianosound bevalt me wel. En dan die malle hoes. Bloemetjesbehang, in 12 tinten. Ja echt, ontwerper Barney Bubbles had maar liefst 12 hoezen met elk ander bloemetjesbehang ontworpen. Zou er iemand zijn die ze alle twaalf heeft aangeschaft?

 

De plaat staat inmiddels niet goed aangeschreven, ik begreep dat hij moeizaam tot stand kwam, met een Dury die zich pas laat in de studio meldde en zijn teksten vaak niet af had. In het geval van Taxi is dat duidelijk: Waiting for the taxi, the taxi never comes, is zo ongeveer de enige regel in dit laatste liedje van kant 1.

 

Na Do It Yourself bracht Dury zijn wat mij betreft sterkste single uit Reasons To Be Cheerful, maar toen zijn belangrijkste Blockhead Chas Jankel de band verliet, was het snel gedaan met de populariteit.

Laughter bleek ondanks de komst van Dr Feelgoods Wilko Johnson een tegenvaller, en die met Sly & Robbie gemaakte Lord Upminister bevatte ook maar weinig memorabels.

 

Wat er na 1981 gebeurde met Dury hoop ik uit de biografie te kunnen vernemen. Zijn comeback kwam pas in 1997 met het album Mr Love Pants, toen er bij hem al kanker was geconstateerd. In 1998 sprak ik hem in Amsterdam. Dat herinner ik me nog goed.

 

Het was begin december. zondagmiddag. Een raar weekend. Vrijdag belde iemand van Sony dat er een mogelijkheid was om Bruce Springsteen te interviewen, zondagochtend in het Amstel Hotel.

 

Dat leek me prachtig. De afspraak met Dury diezelfde dag stond ook al. Wat een dag moest dat worden: twee helden te mogen spreken, en allebei ook nog eens een uur lang.

 

Het pakte anders uit. Zaterdagavond kwam het telefoontje van Sony. Het interview met The Boss kon niet doorgaan. Hij had in Spanje ook wat interviews gedaan en die waren zo slecht bevallen dat hij alle afspraken had afgezegd en naar de States was teruggevlogen.

 

Het boek, Tracks dat een aanleiding was voor het interview, en dat ik via koerier had ontvangen, dat mocht ik houden.

 

Bedankt Bruce.

 

Dury kwam wel. Het was de middag voor zijn concert in Paradiso. Een wat treurige lobby van een van de vele hotels die zich rond het Vondelpark bevinden. Dury dronk flesjes bier, en praatte ronduit. Over zijn ziekte, de jaren tachtig waarin hij afwezig was, omdat het Thatcher regime alle energie uit hem had opgeslorpt, zo vertelde hij.

 

Althans dat las ik terug in het stuk dat ik maandag over Dury voor de krant schreef.

 

Het artikel was de weerslag van het interview aangevuld met wat observaties over het concert. Ik herinner me dat het nogal aangrijpend was, omdat Dury de indruk wekte zeer ziek te zijn. Hij klonk verzwakt, en ik meldde dat hij onder de pijnstillers zat.

 

Hij was echter straalbezopen.

 

Dat lees ik in de biografie waarin het dagje Amsterdam uitgebreid ter sprake komt. Dury was zijn band vooruitgereisd, en al snel gaan drinken. Dat deed ie vaker als ie alleen op pad was, zo begrijp ik.

 

Toen zijn band arriveerde, zondag om drie uur, was Ian interviews aan het doen en al rat arsed. Absolutely pissed, glowing.

 

Er was geen andere mogelijkheid om hem het podium op te krijgen dan met de goederenlift onder het podium. Dat beeld herinner ik me nog goed, ook dat hij zich de woorden van Wake Up niet meer kon herinneren.

 

Dat vond ik heel sneu. Maar het had niks met zijn ziekte te maken. Voor het inderdaad enthousiaste publiek stond gewoon een dronkelap.

 

Birch wekt de indruk in zijn beschrijvingen dat het publiek zelf evenzeer onder invloed was, en zich had sufgeblowd. Maar dat was onzin.

Ook waren de reviews de volgende dag niet tremendous. Iedereen had het vooral erg met hem te doen, en het was ook een tragisch gebeuren daar in Paradiso.

 

Nog geen anderhalf jaar later was Dury dood. En zijn muziek leek langzaam uit de popcanon te verdwijnen. Wellicht dat film en boek hier verandering in kunnen brengen. Ik geniet nog altijd van zijn eerste twee platen en bewaar warme herinneringen aan de ontmoeting met hem, toen hij nog niet bezopen was, maar er wel hard naar toe aan het werken was.

 

Ik ga dit weekend het boek eens goed lezen, want hoe dan ook, zijn muziek was uniek. En aanvankelijk ook invloedrijk. Madness zou bijvoorbeeld veel van hem leren, hun muziek koppelde het kolderieke van Dury aan de serieuze poplyriek van Ray Davies.

 

Hopelijk pikken nu ook jonge muzikanten iets van hem op.

 

 

 

 

 

 

 

Arjen Grolleman RIP

woensdag 20 januari 2010 22:06

arjen grolleman, kinkfm

En zo is de dood ineens heel dichtbij. We zouden vanavond een vriend te eten krijgen. Zo rond half zeven belt ie op. Het etentje kon niet doorgaan, er was iets heel ergs gebeurd. Arjen Grolleman was overleden, een oud collega en vriend van hem. Een vriend van mijn geliefde en van enkele anderen die mij zeer dierbaar zijn.

 

Ikzelf kende Arjen wel, maar we waren niet bevriend. Ik heb altijd het idee gehad dat hij mij beschouwde als iemand uit het vijandige kamp. Geen idee waarom, ik heb het hem altijd willen vragen, maar dat kan nu dus niet meer.

 

Hoe dan ook, hij was een man naar mijn hart. Iemand die zich met de volle overgave inzette voor wat langzaam zijn levensdoel was geworden: van KinkFM een groot radiostation maken met een etherfrequentie. Vaak waren ze er dicht bij, maar dan lag moeder Veronica dwars of iemand anders.

 

Met weinig middelen een gezaghebbend station voor alternatieve muziek leiden, dat is wat hij na het vertrek van Jan Hoogesteijn samen met Jantien van Tol deed. 'Er is niets mooiers dan anderen overtuigen van je muzieksmaak', zei hij, en 'muziek is een roeping'. Woorden van deze strekking zijn me uit het hart gegrepen.

 

Zijn voorkeur ging uit naar extreme, donkere, veelal elektronische  muziek. Een voorkeur die niet de mijne was, maar ik bewonderde de manier waarop hij er ook voor zorgde dat die muziek bij een dochteronderneming van Veronica ook de ruimte kreeg.

 

Een programma als X-Rated dat hij samen met zijn vriend Bob Rusche maakte mag uniek heten, en heeft een behoorlijke zeer vaste kern van luisteraars. Radioprogramma's uitzenden met muziek die jezelf persoonijk raakt. Het lijkt zo simpel en ook zo noodzakelijk. Maar afgelopen weekend in Groningen heb ik zelf weer kunnen vernemen dat radiomanagers hele andere doelstellingen hebben. Marktaandelen en programma's maken voor zoveel mogelijk mensen, dat is wat de Publieke Omroep zich ten doel gesteld heeft.

 

KinkFM onderkent dat er nog zoiets als niches bestaan, met fanatieke liefhebbers. Al heb ik het altijd jammer gevonden dat ook zij daar niet ver genoeg in gingen. Zo heel veel verschilde hun playlist niet van die van 3FM. KinkFM houdt net zoveel vam Snow Patrol en de Killers als dat ze dat bij 3FM doen.

 

Ik ben benieuwd hoe dat nu verder moet. Ik kan me een KinkFM zonder Grolleman nauwelijks voorstellen. Al zijn energie stak hij erin, en ik vermoed dat hij zijn verdiensten als voice over bij RTL ook investeerde in wat hij uiteindelijk het belangrijkste vond: radio maken.

 

Zie zo iemand nog maar eens te vinden. Ik ken er zegge en schrijven slechts  een die ook alles er voor over had het radiostation op te bouwen waar hij zelf volledig achter kon staan: Rob Stenders.

 

Hij begon KX Radio, waar ik nu met zeer veel plezier zelf twee uur per week radio maak.

 

Grolleman en Stenders zijn mensen die de muziek voorop stellen, iets dat me voor radiomakers logisch leek, maar dat is het al jaren niet meer.

 

Ik luister nu naar de aangepaste programmering op Kink en hoor van Joy Division tot Andrew Bird en Chris Bell de mooiste muziek voorbij komen. Af en toe hoor je de stem van Jan Douwe Kroeske die de verslagenheid namens zijn Kink-collega's onder woorden brengt.

 

Die moet enorm zijn. Ze verliezen een zeldzaam bevlogen roerganger.

 

Hoe hij op slechts 37 jarige leeftijd precies overleden is, is nog niet duidelijk.

 

Van de trap gevallen, net als een van zijn helden Johnn Balance van Coil? Het idee zal hem bevallen, maar ik weet niet het zijn omgeving troost kan bieden.

 

 

 

 

 

 

 

Hartekreet vanuit Arcade Fire

dinsdag 19 januari 2010 15:15

arcade fire, liefdadigheid, giro 555, haiti

Ik wilde graag geld overmaken voor hulp aan Haïti.

 

Maar niet via Giro 555. Ik geloof best dat de Nederlandse hulporganisaties zeer goed werk verrichten, maar ik lees net iets te vaak over de veel te hoge salarissen daar en de veel te hoge overheadskosten.

 

En dan Henny Huisman.

 

Waarom zijn het altijd has beens en ijdeltuiten die je als eerste met hun kop op tv ziet? Zo'n Huisman smult van dit soort rampen en hij hoopt net zoals veel van zijn collega's op een uitnodiging voor de inzamelingsavond (een avond duurt bij de publieke omroep tegenwoordig maximaal 90 minuten) donderdag.

 

Nederland en liefdadigheid, ik vertrouw het voor geen cent, daarvoor zijn de verhalen over bekende Nederlanders die met peperdure businessclass tickets naar Afrika gaan om even hun 5 sterren hotel te verlaten voor een camerapose met een hongerig kind, me net iets te talrijk.

 

Het irritante aan al die liefdadigheid van artiesten en beroemdheden is dat je er niet over mag mopperen, want het is voor een goed doel en je wordt al snel als cynicus in de hoek gezet wanneer je niet blij wordt van iets als het Glazen Huis.

 

Maar goed, ik wilde dit keer dus wel graag iets doen.

 

En toen las ik gisteren The Observer, ik had 'm gekocht voor een interview van Paul Morley met Brian Eno (ja ik weet het, het staat online, maar ik wilde de gedrukte versie).

Bladerend kwam ik op pagina 23, de opinie-pagina en zag daar een fotootje van Regine Chassagne, van Arcade Fire.

 

Zij is van Haïtiaanse afkomst, zo wist ik, en haar verhaal vond ik hartverscheurend.

 

Somewhere In My Heart Is The End Of The World.....

 

Zij noemt de organisatie Partners In Health, en dat leek me meteen een club die wel te vertrouwen was. Ik heb de site bekeken en meteen geld over gemaakt.

 

Waarom vertrouw ik dit wel? Het zal gevoelsmatig zijn. Ik vermoed dat Chassagne echt vanuit haar hart spreekt en bovendien is het een artiest die ik bewonder. Daarom ben ik haar verhaal gaan lezen en daarom heb ik uiteindelijk meteen geld over gemaakt.

 

Als donderdag iedereen zichzelf weer op de borst gaat kloppen, de minister weer glimmend komt melden dat hij het bedrag verdubbelt (alsof het een gezelschapsspel betreft) en de programmamakers elkaar glimmend van trots in de armen vallen, hoef ik me niet schuldig te voelen over het cynisme die dit soort 'acties' bij me oproepen.

 

Gewoon rechtstreeks geld over maken, kan ook. Niet wachten op Henny of George Clooney of Bono.

 

Ik wilde graag een bijdrage leveren aan de hulp en ben blij dat ik dit stuk van Regine Chassagne tegenkwam.

 

 

 

 

 

 

Vier dagen Groningen: Wat is er blijven hangen?

maandag 18 januari 2010 10:19

Eurosonic,Noorderslag

Hoe zou het vandaag in Groningen zijn? Vanaf woensdagavond tot zondagochtend verzamelde de Nederlandse popindustrie, aangevuld met een weer groter geworden Europese vertegenwoordiging zich in Groningen voor Eurosonic/Noorderslag. Kroegen, clubs, hotels, restaurants: alles zat vol met randstedelijke vertegenwoordigers uit media en industrie. Overal klonk live-muziek en werd er gepraat, gedeald en vooral getwitterd.

 

En nu is iedereen weer weg. Velen zullen Groningen pas over een jaar weer aandoen. En hoewel ook ik me ieder jaar weer voorneem vaker naar het Noorden af te reizen, als dank voor de gastvrijheid, de goede sfeer en de lage prijzen (behalve in de Oosterpoort zelf dan), heb ik geen idee wanneer het er weer van komt.

 

Maar wat heeft het opgeleverd. Wat hebben we allemaal mee naar de randstad mee teruggenomen. Ik zat even de zeer grondige verslaggeving op 3Voor12 te bekijken en bedacht me: veel.

 

Niet eens zozeer kwa muziek. Ik heb me meer geamuseerd dan vorig jaar op het Eurosonic, waar Europees talent zichzelf presenteerde in talloze showcases, maar heb niet het gevoel iets sensationeels te hebben meegemaakt.

 

Vast staat dat het Verenigd Koninkrijk dit jaar groot inzet met nog meer zingende dames. Marina & The Diamonds en Ellie Goulding leken me iets te snel als belangwekkend gehyped,  maar van Rox verwacht ik wel veel. Het allermooiste was misschien wel de cover van Dreams van Fleetwood Mac, dat ineens een verrassende reggae-beat kreeg. Maar Rox is er ook nog niet. De band oogde wat suffig, en als dit haar beste liedjes waren, dan is er nog wel wat werk te verrichten. 

 

Mooi moment was donderdagavond de overgang tussen de optredens van Loops Haunt en 2562 in het Platformtheater. Een kwestie van een laptop verwisselen, meer niet. Maar wat een verschil in sound. Nadat Loops Haunt het publiek op de dansvloer had murw gebeukt met een donkere, abstracte en vooral snoeiharde mix van dubstep en hardcore, klonken de toch toch ook niet bepaald voorspelbare beats van 2562 ineens als lichtvoetige disco deunen.

 

Dat was natuurlijk niet zo, maar even een 'normale' beat voelde toch als een bevrijding. En meteen werd er ook gedanst. Wat ik in het Platformtheater hoorde smaakt naar meer, die Loops Haunt ga ik checken, en 2562 nog beter volgen.

 

Van alle optredens die ik donderdag zag, is dit het meest blijven hangen. Geen enkele nieuwe band kwam daarbij in de buurt. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat ik steeds op de verkeerde plek was. Een gevoel dat je op dit soort festivals toch al vaak hebt, en nu met Twitter nog versterkt wordt. Iedereen maakte in Groningen elkaar gek met adviezen en afraders. 

 

Ik twitter nog niet, maar als ik het afgelopen weekend tot een conclusie ben gekomen dan is dat wel dat of ik dat nu leuk vind of niet de 'social media' een cruciale rol in de popbeleving zijn gaan vervullen. Ik voelde me tussen de voortdurend met hun iPhone of BlackBerry in de weer zijnde collega's als een analfabeet en kreeg zelfs het idee dat ik iets heel belangrijks miste.

 

Lijkt me niet echt leuk voor de artiesten op het podium. Natuurlijk ze weten dat ze voor een zaal met lieden staan die al na 30 seconden hun mening klaar hebben. Maar dat die mening ook meteen de wereld in geslingerd wordt is toch betrekkelijk nieuw.

 

Had ik getwitterd dan had ik vrijdag bijvoorbeeld dit bericht verstuurd:

 

Laten we een ding afspreken: Ellie Goulding mag nooit meer Roscoe van Midlake zingen.

 

Niet gedaan, en gelukkig maar. Oke, het klonk nergens naar, maar het kan best dat dat kwam door allerlei technische kwalen. Misschien heeft ze wel een prachtige versie van dat liedje in huis. Toch denkt nu iedereen (het debacle zong zich gelijk rond) dat dit prachtnummer door haar verkracht werd.

 

Ik heb tijdens het zien van een concert ook geen zin in allemaal bijdehante meninkjes geloof ik. Soms is het beter alles even te laten bezinken, wat ik nu dus ook gedaan heb.

 

Dan stel ik vast dat het enige optreden dat ik echt prachtig en meer dan veelbelovend vond op Eurosonic, en waar ik nog vaak aan terug heb gedacht, dat van Everything Everything was, vrijdagavond in het Grand Theater.

 

Soms complexe nummers in de geest van Radiohead, maar ook de knappe samenzang van Fleet Foxes is de band uit Manchester niet vreemd. Met of zonder Twitter was het er stampvol, en van alle (nieuwe) bandjes die ik zag leek me hun set het meest compleet.

 

Het leek me al met al toch een behoorlijk veelzijdig en hoopgevend Eurosonic. Terwijl ook het seminar-gedeelte met een paar aardige nieuwtjes net wat meer inhoud had dan andere jaren. Mojo trekt samen met artiesten en podia ten strijde tegen de 'secondary ticketing', Spotify wil ook in Nederland iets beginnen. Ik weet niet zo goed wat daar het voordeel van is, ik ben geloof ik al een jaar op Spotify geabonneerd, en kan alle Nederlandse muziek horen die ik wil. Maar goed.

 

Jammer was het natuurlijk dat Bob Lefsetz niet kwam praten (mocht van zijn arts niet zo lang vliegen) en teleurstellend was het interview met Steve Knopper. Wat een zelfingenomen kwast was die Fransman die hem interviewde.

 

In plaats van Knopper nog eens goed laten uitleggen wat zijn bevindingen waren die leidden tot het prachtboek Appetite For Self Destruction, wilde Emmanuel Legrand steeds ventileren hoe goed ie zelf in de materie was ingevoerd.

 

Dieptepunt was zijn opmerking over een reken- dan wel drukfout. Een getal klopte niet, volgens de moderator. Nee, zei Knopper, dat had je me al eens gemaild...

 

Wat het publiek ermee moest? Zou het publiek het ook maar iets interesseren of Knopper bij Rolling Stone per woord betaald krijgt? Legrand  wel, die ook nog even kwijt moest dat hij (zelf freelancer voor onder meer Billboard) de redactionele keuzes van Rolling Stone niet best vond.

 

Niemand die wist waar die het over had, net zoals de enorme stoet aan namen die voorbijkwam niet iedereen bekend voorkwam.

 

Jammer.

 

Op Noorderslag zelf genoot ik van een prachtig optreden van Tim Knol, Neerlands meest veelbelovende singer/songwriter. Hij speelde met Anne Soldaat op gitaar die, sorry het is niet anders, zelf een paar uur later op mij weer het meeste indruk maakte. Going South vond ik dit keer in de 3Voor12-zaal het mooist.

 

Ook blij werd ik van Kytemans Hiphop Orkest. Traditiegetrouw speelde de winnaar van de Popprijs in de Grote Zaal en ik geloof niet dat het er ooit zo druk is gebleven nadat de winnaar bekend was gemaakt als dit jaar. 

 

Ongelooflijk hoeveel er in een jaar met zo'n band kan gebeuren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe goed is die nieuwe Vampire Weekend eigenlijk?

woensdag 13 januari 2010 02:06

Vampire Weekend,Eurosonic,noorderslag

Een van de eerste spraakmakende platen twee jaar geleden was het debuut van het Amerikaanse Vampire Weekend. Frisse gitaarpop, sterk beïnvloed ook door Afrikaanse muziek, zodat in recensies nogal vaak de naam Paul Simon en zijn plaat uit 1986 Graceland viel.

 

Ik vond Vampire Weekend erg goed, en draai 'm nog altijd met veel plezier. Een liedje als A-Punk ben ik met de tijd zelfs meer gaan waarderen.

 

Nu twee jaar later, is opnieuw de eerste plaat die er in de 'bogosphere' en andere media toe lijkt te doen opnieuw van Vampire Weekend. Ik was zelfs echt een beetje opgewonden toen hij vorige week bij de post zat.

 

Vond er eigenlijk niet zoveel aan.

 

Geen probleem, gewoon nog een paar keer proberen dacht ik. Hij duurt nog geen 36 minuten dus veel tijd ben je er niet mee kwijt. Maar het wilde maar niet echt lukken.

 

Ik hoorde door alle ritmische wendingen, rare geluidseffecten en een sample van M.I.A maar geen echt pakkend liedje. En dan was er die stem van Ezra Koenig. Het leek soms echt alsof hij Paul Simon na wilde doen. Paul Simon die het repertoire van Dirty Projectors doorwerkt, zoiets.

 

Toch bleef ik moed houden. Ik las in alle bladen euforische recensies. De verbreding van invloeden werd overal ruim geprezen, en hoewel iedereen wel vaststelde dat Contra wat minder direct was dan Vampire Weekend werd me beloofd dat geduld zou worden beloond.

 

Ik wacht en hoop er nog steeds op. Gisteren bombardeerde ik de plaat in Kamermuziek op KX-Radio toch maar tot 'Kamerplaat', en zei er ook bij dat het even wennen was. Maar eigenlijk had ik er toch een beetje spijt van. De beste plaat in de eerste weken van 2010 is die van Eels. En dat terwijl ik toch een beetje was uitgekeken op E.

 

End Times is in alle sobere droefheid echter prachtig.

 

Ik blijf het proberen met Contra maar voorlopig spreekt het verstand: 'moedige stap voorwaarts, muzikale wendingen die niemand maakt, het ideale midden tussen Grizzly Bear en Dirty Projectors (zoals ik op Pitchfork, 8.6) las', maar zwijgt het gevoel.

 

We zullen zien, voorlopig doe ik het nog met The Soft Pack, een van mijn tips voor 2010 wier debuutalbum eind deze maand zal verschijnen. Andere debutanten die ik graag tip zijn:

 

- Tim Knol

- Rox

- The Drums

- Broken Bells

 

Tim Knol en Rox zijn dit weekend in Groningen te zien op Eurosonic/Noorderslag. The Drums, een New Yorks bandje en Broken Bells -Danger Mouse samen met James Mercer van The Shins- niet, omdat ze net als The Soft Pack niet uit Europa komen.

 

Niet erg want het wordt al genoeg heen en weer rennen tussen ongetwijfeld te volle zalen daar in Groningen. Het programma ziet er goed uit, vijf van de vijftien bands/artiesten door de BBC getipt in hun jaarlijkse lijst zijn er in Groningen te zien.

 

Zeer amusant trouwens, die BBC Sound Of 2010, met veel namen die je ook in de (Britse) bladen getipt ziet.

 

Hun nummer 1, Ellie Goulding is vrijdag te zien in Simplon, daar ga ik zeker even kijken. Opmerkelijk is verder het vorig jaar al doorgebroken The xx, de ook door mijn schandelijk over het hoofd geziene The Leisure Society, het enigszins verwante Isbells uit Belgenland  en de band die me vorig jaar in Groningen zoveel plezier bezorgde: LPG.

 

En dan heb ik het alleen nog maar over het Eurosonic programma.

 

Ik verheug me er echt op dit jaar. Ik denk niet dat ik dan nog tijd heb om langer aan een band tussen mij en de nieuwe Vampire Weekend te werken.

 

En of ik er na het weekend nog zin in heb?

 

Ik ben wel benieuwd of ik ergens nog liefhebbers tegenkom die net als ik niet zo enthousiast met Contra weglopen.

Mis ik iets, zie ik iets over het hoofd? Of is het eigenlijk gewoon echt niet zo'n goede plaat.

 

 

 

 

 

  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Postume Johnny Cash tijdloos mooi

Prachtige plaat van Field Music

The Soft Pack: frisse rockplaat

Laatste reacties

persona

She & Him
spiv: Na ja, kijk ik net Hitchhiker's Guide to the Galaxy, …

persona

She & Him
ron rozen: Future perfect radio, de internetzender heeft er een speciaal …

persona

Zal Feargal Sharkey opnieuw geschiedenis schrijven?
Will Hendriks: Voor wat betreft Alex Chilton: Bob Lefsetz schreef gisteren een …

persona

Aangenaam weerzien met SXSW in Austin
Will Hendriks: Ik heb gisteravond enkele nummers geluisterd op de NPR radio. …

persona

Zal Feargal Sharkey opnieuw geschiedenis schrijven?
RonaldSays: Benieuwd wat Feargal uit zijn koker gaat toveren en wat …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Gijsbert Kamer, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2010
2009
2008
2007

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •