Fadoua Bouali
VKBlog Headerimage
Ik zie het patroon steeds weer en elke keer voel ik een verlammende weerzin.
Tijdens een wandeling naar de waterput met Mina, de buurvrouw van opa op het platteland in het Rifgebergte, komen we een tengere vrouw tegen die een volle waterkruik op haar rug draagt. Op haar hoofd een grote strooien hoed  tegen de felle zon.
Als de vrouw blijft staan om ons te groeten, zie ik prachtige felgroene ogen die met een enorme triestheid de buitenwereld in kijken, in een smal
gezichtje die ouder leek door de  veel te vroeg
ontstane rimpels van het vele blootstellen aan de zon.
Als ze begint te praten, houdt ze de meeste tijd haar hand voor haar mond, uit schaamte omdat ze twee voortanden mist en de rest van haar gebit ook niet in een goede staat is, zoals ik snel zie.
Ze vraagt aan Mina van wie ik ben. De dorpelingen vragen wanneer ze een onbekende zien in hun dorp altijd van wie je bent, niet wie je bent. Ze vragen je altijd wie je moeder en wie je vader is. Ze stellen deze vraag opdat ze weten bij welke familie en stam je hoort om zo te weten te komen welke status je hebt. Je komt uit een rijke familie of uit een arme, of uit een heldhaftige die ooit een stammenoorlog  heeft gewonnen of tegen de Fransen en de Spanjaarden heeft gevochten.
Als Mina haar uitgebreid heeft verteld van wie ik ben, lichten haar ogen blij op. Ik moet de groeten doen aan mijn grootouders en mijn moeder bedanken die haar kennelijk kleren heeft gestuurd en wat geld.
Als ze verder gaat met haar waterkruik vertelt Mina me over de vrouw. Ze is heel jong zwanger geraakt van iemand uit het dorp, maar diegene ontkende alles. Haar vader is overleden toen ze nog  jong was.
Ze kreeg een dochter die nu een jaar of 14 is met wie ze alleen in een klein huisje woont. De dorpelingen steunen haar zoveel als ze kunnen. Haar dochter moet ik gezien hebben, zegt Mina, ze loopt mank  en gebruikt krukken. Ik herinner me het meisje dat ze beschrijft  en vraag Mina wat ze mankeert. Mina vertelt me dat er gezegd wordt dat ze een paar jaar geleden van het dak is gevallen, maar pas dagen later naar het ziekenhuis gebracht werd. De artsen zeiden dat ze geopereerd moest worden aan haar heup, maar ze hebben het geld niet.
Als ik thuis kom bij mijn grootouders vertel ik dat de vrouw met de groene ogen ze de groeten doet; ik weet haar naam niet meer. Oma zegt dat er veel vrouwen zijn hier die groene ogen hebben. ‘Je weet wel de moeder van het meisje dat van het dak is afgevallen en nu met krukken loopt', lichtte ik haar toe.
Ik zie aan de gezichtsuitdrukking van oma dat ze weet wie ik bedoel. Ze schudt haar hoofd en zegt dat het niet klopt dat het meisje van het dak is afgevallen. ‘De vuile honden hebben haar misbruikt toen ze nog heel klein was en haar voor de rest van haar leven verminkt. Dat heb je als je als vrouw geen man hebt, die je kan beschermen tegen onze grootste vijand.
‘Moge Allah de daders die het arme meisje kapot hebben gemaakt  in de hel laten branden!', zegt oma met woede in haar stem.
Ik voel een groot gevoel van onmacht en boosheid in mij opkomen als ik me realiseer dat het manke meisje wordt gezien als een bastaard omdat haar vader onbekend is. Kennelijk zijn er jongens en mannen die vinden dat zij haar daarom seksueel mogen misbruiken.
Het dringt voor de zoveelste keer tot me door dat binnen de Marokkaanse gemeenschap  meisjes en vrouwen pas ‘respectvol' worden behandeld en ‘veilig' zijn als er een vader, een broer, een echtgenoot of een ander machoachtig mannelijk familielid zichtbaar aanwezig is om ervoor te zorgen dat ze niet seksueel of anders op een andere manier misbruikt zullen worden door andere mannen.
Het lijkt alsof ik het over onwetende mannen en vrouwen heb, die in de oertijd leven, maar al een tijdlang zie ik dit patroon steeds binnen mijn Marokkaanse gemeenschap, zowel  in Marokko als in Nederland, en ook onder de zogenaamd beschaafde en intellectuele Marokkanen die praktisch in Nederland zijn geboren.
Ik kon het steeds niet goed duiden en een naam geven. Maar misschien wist  ik onbewust wel hoe het genoemd zou moeten worden, maar had ik het lef nog niet om het beest bij de naam te noemen.
Het beest heet Fitna en het betekent  onder andere morele chaos in het Arabisch. Ik moet denken aan de afscheidspreek van de profeet Mohammed, vrede zij met hem, die zijn grote zorgen uitsprak en de mannen opdroeg goed voor de vrouwen te zorgen en ze te beschermen.
Maar helaas hebben veel zogenaamde moslimmannen deze boodschap verkeerd begrepen. Ze denken dat de enige vrouwen die recht op respect en bescherming hebben, hun moeders en zussen zijn. Andermans dochters hebben geen recht op bescherming, en zeker niet als die ook nog eens van een andere stam zijn, of uit een ander dorp komen of een andere stad.

Geen enkele schoen past me

zaterdag 15 maart 2008 04:19
‘Als je niet oppast, zul je op blote voeten terugkeren naar Nederland', zegt mijn buurmeisje Fadila lacherig. Dit is een typisch Marokkaanse uitspraak: berooid, betekent het.
We ploffen op de bank neer om onze aankopen te bekijken na een dagje struinen over de markt en langs winkels. Ik heb aardewerken schalen en handgeweven kleedjes gekocht  om mee te nemen naar Nederland.
Fadila woont een paar straten verderop. Ik raakte met haar bevriend toen ik via via bij haar schoonzusje kwam om een Marokkaanse jurk te laten maken voor een bruiloft van een nicht.
Fadila  heeft haar middelbare school niet afgemaakt, is 28 en ongetrouwd. In haar ouderlijk huis doet ze het huishouden en zit ze urenlang voor de tv naar Egyptische soaps te kijken en naar Arabische muziekzenders die videoclips uitzenden met vrouwen met opgeblazen lippen en borsten, zware make-up, sexy kleding, mooie mannen, mooie auto's en mooie villa's.
Fadila gaat zelf niet graag naar buiten omdat ze wit wil blijven. Een witte huid is een schoonheidsideaal hier in Marokko, waarop de make-up-industrie handig inspeelt.
Fadila heeft jarenlang de blekende gezichtscrème Fair and Lovely gebruikt. Ze is ermee gestopt toen ze er pigmentvlekken en  acne door kreeg. Nu probeert ze alleen zoveel mogelijk de zon te mijden.
Op straat zie je hier veel jonge meisjes met een grauwige huidskleur met veel pigmentvlekken en een gepokte huid van de blekende crèmes. Fadila vindt dus dat ik veel te veel geld heb uitgegeven. Vanuit haar perspectief begrijp ik dat: ze heeft geen werk en dus geen eigen inkomen.
Ze krijgt af en toe wat toegestopt van haar ooms en tantes die in Europa wonen, als die op vakantie zijn in Marokko. Ze brengt dan de zomer bij ze door om ze te helpen met het huishouden, omdat hun verwende kinderen te beroerd zijn om in het huishouden te helpen.
Ze vertelde me hoe ze een keer vernederd werd door de man van haar tante. Hun oudste dochter ging trouwen en na de bruiloft hielp ze om het huis op orde te krijgen. Het bruidspaar zou door de familie op het vliegveld worden uitgezwaaid.
Fadila had de hele dag in de keuken gestaan, gedweild en de was gedaan. Haar jurk was vuil en nat door het werk en toen ze de huiskamer binnenliep en haar tante vroeg of ze een schone jurk voor haar had, viel de man van haar tante tegen haar uit. ‘Jij gaat niet mee, er is geen ruimte in de auto. Ze worden alleen maar naar het vliegveld gebracht, we gaan niet naar de kermis hoor!', schreeuwde hij tegen haar.
Terwijl  tante  haar man probeerde uit te leggen dat Fadila zich alleen wilde omkleden omdat haar jurk nat was, verdween Fadila huilend naar de keuken.
Ze zal die vernedering nooit  vergeten maar omdat haar tante haar elk jaar blij maakt met een zakcentje als dank voor het dweilen en wassen, zet ze haar trots opzij en blijft ze bezoeken.
Haar tante helpt haar ook met haar grootste probleem. Ze heeft schoenmaat 42 en hier in Marokko kan ze nooit schoenen vinden in haar maat. Ze heeft scheve tenen van het te kleine schoenen dragen.  Haar tante brengt nu elk jaar schoenen voor haar mee uit Europa. Door haar schoenenprobleem moet ik aan een droom denken. Ik droomde dat ik samen met mijn moeder schoenen aan het passen was in een schoenenwinkel. Geen enkele schoen paste me. Mijn moeder werd ongeduldig en vond dat ik het laatste paar dat ik had gepast maar moest nemen.
Ik weigerde omdat de schoenen niet goed pasten en ik was bang dat ik ze onderweg zou verliezen. Op het moment dat ik met mijn moeder, die zwaar teleurgesteld in mij was, de winkel wilde verlaten, zei de verkoopster dat ze een schoenmaker wist die perfect zittende schoenen voor mij kon maken.
Nog in gedachten bij mijn schoenendroom, open ik een e-mail  van stichting Aknarij die zich inzet voor de emancipatie en integratie van Berbers uit Zuid-Marokko. In de mail staat het verzoek een actie te steunen voor de vrijlating van de tien Boumalne Dades gevangenen: op 25 maart is er een protestactie bij de Marokkaanse ambassade in Den Haag.
In januari was er in het bergdorpje Boumalne Dades in het Atlasgebergte een demonstratie tegen het sociale en culturele isolement van Berbers uit Zuid-Marokko. De Marokkaanse overheid heeft tien demonstranten tijdens een rechtszaak op 26 februari veroordeeld tot een gezamenlijke gevangenisstraf van 34 jaar.
Ze hadden geprotesteerd omdat duizenden gezinnen door hevige sneeuwval wekenlang verstoken waren van drinkwater, elektriciteit en medicijnen en de Marokkaanse overheid geen enkele actie ondernam om de bewoners van deze gebieden te helpen. De mensen in kwestie hebben gebruik gemaakt van hun recht om te protesteren tegen onrecht; een recht dat de Marokkaanse Grondwet waarborgt, maar de Marokkaanse overheid niet respecteert.
Marokkaanse burgers in Europa die hun oorsprong hebben in deze streek zijn geschokt en roepen de Marokkaanse overheid op deze politieke gevangenen vrij te laten. Ik vertel Fadila over de petitie en de oproep tot protest.
Ze kijkt me hoofdschuddend aan  en zegt dat als ik niet oppas, ik niet alleen zonder schoenen Marokko zal verlaten maar misschien ook zonder voeten, als ik me te veel bezighoud met politiek gevoelige zaken.
Je voeten afhakken betekent hier vrij vertaald hetzelfde als je de mond snoeren.
Het is vandaag internationale vrouwendag en de Marokkaanse vrouw  heeft sinds de herziene familiewet in 2004 heel wat te vieren.
Koning Mohammed VI heeft met de herziening van het Marokkaanse familie- en personenrecht een einde gemaakt aan de  achtergestelde positie van de Marokkaanse vrouw. Zo is de leeftijd waarop meisjes kunnen trouwen van 15 naar 18 jaar opgeschroefd. Vrouwen hebben ook niet langer de toestemming nodig van een zogenaamde ‘gezinsvoogd' om in het huwelijk te treden. Polygamie mag alleen met toestemming van de echtgenote. En een vrouw mag nu zelf een echtscheiding aanvragen.
De koning blijkt ook een man die zijn woorden in daden omzet. Hij heeft een flink aantal vrouwelijke parlementariërs  benoemd. Er zijn ook steeds meer vrouwen directeur van een groot bedrijf, bankier, burgemeester of rechter.
Marokko kan hier trots op zijn, maar als je kijkt naar de achtergrond van deze vrouwen dan blijken de meesten uit een elite-familie te komen of daarin getrouwd te zijn.
Voor deze vrouwen die meestal een goede studie hebben genoten, vaak in het buitenland, is het vanzelfsprekend dat ze ambitieus zijn. Voor hen is het zelfs makkelijker ergens binnen te komen dan voor een man die dezelfde papieren heeft, maar niet uit de juiste familie komt, niet de juiste contacten heeft en geen geld heeft.
In Marokko gelden dat met
de juiste contacten en veel geld er altijd ruimte is
voor zowel mannen als vrouwen en dan speelt zo'n
glazen plafond wat we in Nederland schijnen te hebben
geen rol.
Dus vandaag valt er veel te vieren voor vrouwen die in de juiste families zijn geboren met de juiste contacten en geld.
Voor gewone meisjes aan de universiteit, er studeren steeds meer vrouwen, is de kans op werk na hun studie erg klein.
Marokko en ook veel andere Arabische landen kampen met een enorme groep hoogopgeleiden die na hun jarenlange studie geen werk hebben. Ze zien Europa als enige uitweg naar een menswaardig leven. De meeste jonge mensen leven alsof ze onderweg zijn en Marokko alleen een tussenstation is. Ze doen werk beneden hun niveau, tot ze weg kunnen.
Als jongeren werk hebben beneden hun niveau en ook nog
eens slecht betaalt worden dan zeggen ze dat ze dat
werk alleen maar doen om hun ‘hoofd daar  in te
verstoppen' totdat ze weg kunnen uit Marokko of de
baan vinden die zij graag willen.
De meeste vrouwen die ik hier in Marokko ken, hebben geen werk met een vaste aanstelling. Mijn bovenbuurvrouw Fatima werkt af en toe als werkster bij mensen thuis. Om rond te komen verkoopt ze tweedehands spullen op de markt, die ze bij elkaar bedelt bij vrouwen uit de rijkere wijken van Tanger. Ze heeft een dochter van 15 jaar en haar man werkt als een soort zelfbenoemde parkeerwachter in onze straat. In het begin dacht ik dat hij zich in een laatste ziektestadium bevond. Hij ziet lijkwit en is erg dun en zit hele dagen op een houten kistje en als hij geluk heeft rookt hij sigaretten.
Wanneer er een auto aan komt rijden, geeft hij automobilisten overbodige aanwijzingen waar ze kunnen parkeren en past hij ongevraagd op auto's tot de eigenaar terugkomt. Hij  krijgt een paar dirhams per klant en kan daarmee net zijn sigaretten kopen. Soms zie ik de arme dunne man boos gebaren en vloeken naar een wegrijdende auto omdat die niks heeft gegeven of te weinig.
In Marokko zijn niet alleen de vrouwen kwetsbaar maar ook de mannen. Als je als man geen werk hebt en jezelf niet kunt onderhouden, gaat dat ten koste van je waardigheid als man en als mens.
Op het beroemde Jemaa El Fna  plein in Marakech zie je al het kwetsbaars van Marokko bij elkaar. Tussen de acrobaten, slangenbezweerders, verhalenvertellers en de vele eettentjes met gegrilde schapenkoppen, kun je als je goed kijkt zien dat het plein geen plein is van vermaak maar een plein van leed.
Eigenlijk is het beroemde plein waar je iedereen altijd lyrisch over hoort, de plek waar Marokko zich diep voor zou moeten schamen.
Ik was in een kapsalon op het beroemde plein. De kapsters waren druk in gesprek over een recent drama. Er waren een paar vrouwen opgepakt omdat ze met westerse toeristen betrapt waren tijdens het opnemen van een seksfilmpje. De kapsters spraken hun zorgen uit over de vele sekstoeristen die de stad aantrekt. Ze worden vaak benaderd door toeristen die om seksmassages vragen, omdat ze in hun schoonheidssalon ook massages geven.
Ik herinner me een televisiereportage over jonge kinderen die op het Jemaa El Fna plein rondzwerven en die met pedofiele toeristen meegaan. Veel van de waarzegsters die je overal op het plein ziet zitten, fungeren als bemiddelaar voor de pedofielen. Op het plein zie je ook kleine aapjes met ijzeren kettingen om hun nek die gebruikt worden om toeristen te vermaken, Ze worden hardhandig aangepakt en geslagen. Je ziet uitgemergelde ezels die veel te zware karren moeten trekken. Met zweepslagen op hun wonden trekken ze de kar gehoorzaam voort met hun hoofd voorovergebogen.
Elke keer wanneer ik iemand hoor zeggen hoe geweldig het beroemde Jemaa El Fna  plein wel niet is en dat het the place to be is, dan krimpt mijn hart.
Het is het plein waar vandaag  op internationale vrouwendag de rechten van de vrouw, de man, het kind, de aap en de ezel evenredig worden geschonden.
Wanneer ik in de oude binnenstad van Tanger ben, eindig ik graag op het terras van het Continental Hotel voor een lunch met muntthee. In het zonnetje, onder een strakblauwe hemel, ben ik de enige klant. Ik probeer een paar verdwaalde wolken zo lang als ik kan te volgen, om ze vervolgens door nieuwe gedachten te verliezen.
In het begin voelde ik me schuldig omdat ik de wolken ‘kwijt was geraakt' maar inmiddels weet ik dat schuldgevoelens verspilde energie zijn, ook omdat er steeds nieuwe wolken langskomen.
Met beloftes te mailen en te bellen, heb ik van familie en vrienden afscheid genomen, vorig jaar. Van dat bellen en mailen is niet veel gekomen. In Marokko komen nieuwe vrienden en kennissen langs, die mij betoveren waardoor vrienden en familie naar de achtergrond verdwenen.
Als ik terug ben in Nederland, komen ze weer op de voorgrond. Maar nu  verdwaal ik maar al te graag in de sprookjesachtige Arabische wereld als ik naar het Continentental Hotel wandel. In de nauwe straatjes met kleine winkeltjes zitten de eigenaars bij de ingang op een kruk te wachten en te waken. Ze kijken naar de voorbijgangers en proberen die  hun winkeltje binnen te lokken. Vol passie proberen ze hun spullen te slijten wanneer een mogelijke koper zich aandient.
Ik moest wennen aan de ongeschreven rituelen tussen verkoper en koper. Als de koper een vrouw is, gebeurt er ‘iets' met de verkoper. Als ik naar een prijs vraag, wil de verkoper mij niet vertellen wat de prijs is. Hij kijkt weg en vertoont vervolgens een lachje waar ik me ongemakkelijk bij voel.
De verkoper geeft geen antwoord, maar laat me nog meer spullen zien of wijst me op andere kleuren van het ding wat ik wil hebben.
Tussendoor zegt hij dat hij een mooie prijs voor mij speciaal zal maken en zo gaat het een tijdje door totdat ik aanstalten maak om weg te gaan, omdat ik me ongemakkelijk voel.
Voor de lokale bevolking is het normaal dat er uitgebreid complimentjes en flirts worden uitgewisseld om uiteindelijk tot een prijs te komen waar beide partijen tevreden over zijn.
Soms krijgt de verkoper een goede prijs, maar vaak wordt zijn hoofd op hol gebracht door slimme gehaaide koopsters met suikerzoete woorden en gelonk.
Neem mijn nicht Khadija toen ik een djellaba op maat wilde laten maken. Ze bracht me naar haar vaste kleermaker en daar begon ze de arme man helemaal gek te maken toen hij een prijs vroeg die ze te hoog vond.
‘Ja maar dat kun je toch niet menen, ik ben al jaren je vaste klant', begon ze, boos en verwijtend. Daarna ging ze dichter bij hem staan en begon zachtjes tegen hem te praten met pruilende lippen en ik hoorde haar  ‘mijn liefje' tegen hem zeggen. Ik zag de korte mollige kleermaker helemaal opbloeien en zelfs blozen onder zijn kleine baardje.
Ze had hem helemaal in haar greep en de arme kleermaker bezweek onder haar charmes. Zij bepaalde de prijs. Ondertussen stond ik het tafereel te aanschouwen meteen mengeling van gene en medelijden voor de verkoper
omdat ze erg ver onder de prijs is gaan
zitten.
Deze manier van handel drijven is niet altijd winstgevend, vooral als de verkoper jong en onervaren is. Opa vertelde me dat wanneer iemand zegt: ‘ze hebben zijn winkel opgegeten', dat betekent dat de verkoper gek is gemaakt door vrouwen die alles voor bijna niets hebben meegekregen. In Saoedi-Arabië ging ik eens met een paar vrouwen winkelen in Jedda, na de pelgrimsverplichtingen. In een chique stoffenwinkel zag ik stof die ik prachtig vond. Toen ik de verkoper vroeg hoeveel de stof kostte, verscheen die vage glimlach die ik hier in Marokko ook zo vaak zie bij winkeliers. Hij zei dat hij een speciale prijs voor mij zou regelen.
Vervolgens haalde hij een kaartje tevoorschijn en wees me op een telefoonnummer. Omdat ik me nog in religieuze sferen bevond, begreep ik de onderliggende boodschap van de broeder, die gekleed ging in een lange witte jurk, met hoofddoek en baard, niet.
Ik dacht nog onnozel dat het door mijn gebrekkige Arabisch kwam. Het nummer dat hij me gaf was vast van de tolkentelefoon, daar maakten we in het ziekenhuis ook gebruik van.
Maar hij zei met een onsmakelijke lachje dat ik hem moest bellen en dat dat de prijs was van de stof. Toen pas viel ik van mijn religieuze roze wolk en begreep ik dat deze broeder in natura betaald wilde worden! De stof bleek rond de 350 dollar per meter te kosten. Ik rekende uit hoeveel ik nodig had voor een Marokkaanse jurk; ongeveer 3 meter. Dat betekent dat die stoffenverkoper mij dacht te mogen naaien voor een lapje stof van maar 1050 dollar!
Dat die man mij schatte op 350 dollar per meter, vond ik buitengewoon beledigend. Maar ja, met mijn 1.62 zet ik ook geen zoden aan de dijk.
De Marokkaanse gemeenschap buiten Marokko is het kloppende economische hart van het land. Zij vormen de broodnodige middenklasse die je op het vasteland zelf nauwelijks hebt. Maar het economische hart begint te falen nu steeds meer leden van de eerste generatie in kisten terugkeren in plaats van met een dikke portemonnee zoals ze de afgelopen veertig jaar hebben gedaan.
 
Hun nakomelingen voelen zich steeds minder verbonden met Marokko. Minister Ameur van Marokkaanse Gemeenschappen in het Buitenland zegt nu dat de Marokkaanse gemeenschap in het buitenland als een zeventiende provincie  moet worden beschouwd die de Arabische taal en de Marokkaanse cultuur moet behouden. Ook wil Marokko geld vrijmaken voor culturele reizen voor jongeren naar Marokko, om de banden met het land van herkomst te versterken.
Zowel  Nederlandse politici als de onderdanen van de zeventiende provincie hebben negatief gereageerd op de plannen van de minister. Ik denk dat het initiatief bedoeld is om de geldstroom naar Marokko op gang te houden.
Maar het kan ook worden gezien als een interessant gebaar waarmee  Marokko het een en ander wil goedmaken met al die Marokkanen die het land hebben verlaten voor betere leefomstandigheden; onderwijs voor hun kinderen, goede medische zorg, geen openlijke corruptie, vrijheid van meningsuiting en bescherming van mensenrechten.
Men kan het plan ook zien als een poging van Marokko de geëmigreerde Marokkanen te helpen hun problemen op te lossen.
Het voorstel Arabische taallessen te organiseren, vind ik prima. Dan begrijpen de berberse Marokkanen die het Arabisch vaak nauwelijks beheersen eindelijk wat de imams in hun vrijdagpreken in het Arabisch tegen ze zeggen. Misschien dat dan eindelijk het geweld tegen vrouwen stopt, want de islam zegt niet dat je je vrouw mag slaan.
Het initiatief om culturele reisjes te organiseren, juich ik van harte toe. Laat ontspoorde zeventiende-provincie jongeren  een jaar lang door de sloppenwijken en achterstandsgebieden van Marokko reizen en je zult zien dat ze meteen het rechte pad kiezen. Kijk naar mij, ik ben nu bijna een jaar hier in Marokko en mijn liefde en respect voor Nederland groeien met de dag. Ik kan niet wachten om voorgoed te mogen terugkeren naar Nederland.
Bij ‘het behouden van de Marokkaanse cultuur' vraag ik me af of de minister de Marokkaanse theeceremonie bedoelt, of de keuken, de literatuur of de traditionele kleding. Daar heb ik geen bezwaar tegen. Maar ik heb grote bezwaren tegen de duistere kant van de Marokkaanse cultuur. Let wel, die duistere kanten staan ver van de islam.
Volgens de Marokkaanse cultuur hoort een vrouw haar man altijd te gehoorzamen. Een goede vrouw is de vrouw die thuis blijft. Schrijnend zijn de vele Marokkaanse moeders in Nederland die een geïsoleerd bestaan leiden, waardoor ze de Nederlandse taal gebrekkig spreken. Ook hebben ze vaak geen eigen inkomen.
Een vrouw die niet is getrouwd, of gescheiden is, is volgens de duistere Marokkaanse cultuur een vrouw zonder waardigheid. Ze staat onderaan de maatschappelijke ladder.
De duistere Marokkaanse cultuur leert de mannen van jongs afaan een hypocriete seksuele moraal. Ze zien meisjes als een soort wegwerpmiddel.
Je zou denken dat het om mannen gaat die ongeschoold zijn en niet in het Westen wonen. Fout! Een vriendin van me ging voor haar werk als journaliste naar een datingfeest in Parijs. Daar kwamen de Franstalige onderdanen van de zeventiende provincie om een partner te vinden. Ze interviewde een paar mannen en vroeg of ze al een date op het oog hadden en of ze zouden willen trouwen met een meisje van zo'n feest.
Nee hoor, vertelden de heren doodleuk, het waren allemaal sletten. Ze zouden nooit met een meisje trouwen van zo'n feest omdat het ongehoord is volgens onze Marokkaanse cultuur om met zulke losbandige meiden thuis te komen.
Ze krijgen kennelijk in hun genen mee om zoveel mogelijk meisjes en vrouwen uit de eigen Marokkaanse cultuur  te onteren en te vernederen en op die manier een soort machtsgevoel over vrouwen te ontwikkelen.
Het interessante is dat ze dit niet hebben bij Nederlandse vrouwen, omdat ze zich ervan bewust van zijn dat voor hen andere waarden en normen gelden op het gebied van seksualiteit en relaties.
Enfin, u moet nu wel toegeven  dat ik grote kans maak ambassadeur van de zeventiende Marokkaanse provincie te worden!
Zolang als ik me herinner, hoor ik dat de Marokkaanse inwoners van het noorden, en dan met name de Riffijnen en de Berberse taal en cultuur, worden achtergesteld ten opzichte van het zuiden van Marokko.
Na bijna een jaar hier rond te hebben gereisd, vraag ik me af of het echt zo is. Het is me opgevallen dat ook in het zuiden van Marokko veel armoede is en ook heb ik de mensen in het zuiden horen klagen over corruptie.
De mensen in het zuiden denken juist dat de Marokkanen in het noorden het beter hebben dan zij. Het gras is duidelijk groener bij de buren.
Corruptie is  hier in Marokko zo vanzelfsprekend als de zon die opkomt en ondergaat. Politici, rechters en advocaten zijn erdoor besmet en dan vloeit het in heel het doen en laten van de samenleving.
Er bestaat een onzichtbaar systeem dat je moet bewandelen om je rechten te halen in Marokko. Dat heet ‘voeren'.
De politieagent moet je voeren wanneer je aangifte wilt gaan doen, de verpleegkundigen moet je voeren wanneer je wilt dat je zieke moeder haar medicijnen krijgt, de secretaresse van de advocaat moet je voeren opdat je dossier niet wegraakt, je advocaat moet je voeren en je geeft hem voer om de rechters te voeren.
Een paar voorbeelden.
Vorige zomer was een man aangehouden bij de Marokkaanse grens met een illegale Nigeriaan in de kofferbak van zijn auto. Deze man leeft van het illegaal overbrengen van mensen naar Spanje. Familie van de aangehouden man ging naar een kennis, omdat die kennis contacten heeft met ‘belangrijke' mensen. De kennis vroeg of er al een proces-verbaal was gemaakt. Wanneer iemand pas is aangehouden, kun je de agenten op het politiebureau een schappelijke voerprijs geven. Maar wanneer er al een proces-verbaal is gemaakt, komt de voerprijs hoger te liggen, omdat je én de advocaten én de rechters moet voeren en dat kost meer.
Een nichtje van mij had een identiteitskaart aangevraagd bij de gemeente. Toen ze alle benodigde papieren had ingeleverd, bleek het document plotseling onvindbaar. De volgende dag ging haar vader mee om te kijken of het al was gevonden. De ambtenaar maakte een uitgebreid beleefdheidspraatje met hem om te achterhalen hoeveel en wat hij precies kon halen bij deze vader in ruil voor het document. En na zich uitgebreid te hebben verontschuldigd voor het verdwenen document, vroeg hij of vader nog steeds werkte in het magazijn dat goederen levert aan hotels en of hij een keer daar mocht komen kijken.
Omdat de vader van mijn nicht begreep dat de papieren verdwenen waren omdat er nog gevoerd moest worden, sprak hij een tijd af met de ambtenaar om  in het magazijn te komen kijken. De ambtenaar koos een doos met flessen wijn en dezelfde dag kon mijn nicht haar identiteitskaart halen.
En dan de achterstelling van de Berberse cultuur en taal: de laatste jaren is er een inhaalslag gaande. Op de Marokkaanse tv wordt het nieuws ook in het Berbers uitgezonden naast de Marokkaans-Arabische, Franse en Spaanstalige uitzending.
In de tijd van koning Hassan II was de relatie met het noorden erg koel, maar sinds Mohammed VI het voor het zeggen heeft en met name sinds zijn bezoek aan Alhoceima na de aardbeving in 2004,  is de relatie hartelijk te noemen.
Toen geld en hulpgoederen waren ingepikt,  die bestemd  waren voor de slachtoffers van de aardbeving, heeft hij ervoor gezorgd dat de daders werden opgepakt. De koning heeft veel corrupte medewerkers ontslagen.
In de zomervakantie is hij vaak te vinden in de omgeving van Alhoceima. Hij loopt rond en praat met de mensen in de kleine dorpen waar hij komt. Hij helpt veel mensen. Zieken die een behandeling nodig hebben, stuurt hij naar ziekenhuizen in Rabat, op zijn kosten - geld van de staatskas natuurlijk.
Hij heeft veel mensen een soort taxivergunning gegeven, waarvan ze goed kunnen leven. Ook heeft hij bijna alle inwoners van het dorpje Idsulian, waar mijn grootmoeder vandaan komt, voor een pelgrimsreis naar Mekka gestuurd, om goodwill te kweken bij de lokale bevolking vanwege de overlast die hij ze in zomer bezorgt door de beveiliging die om hem heen hangt. De koning komt in dat dorp vanwege de prachtige ongerepte stranden; de mooiste stranden heeft hij voor zijn eigen veiligheid afgesloten voor andere bezoekers.
De Marokkanen die ik heb gesproken vertellen dat hij een hardwerkende man is, die betrokken is bij zijn volk, maar dat door de corruptie goede initiatieven van de koning niet altijd naar behoren van de grond komen.
Zo heeft hij in Alhoceima een  tehuis voor gehandicapten geopend. Radia, een ver familielid die doofstom is, heeft me trots een foto van haar en de koning laten zien. Na zijn bezoek heeft ze een baan gekregen in het tehuis als kok. Daar heeft ze na een paar maanden ontslag gekregen en ook is ze niet uitbetaald. De medewerkers van het tehuis waren door en door corrupt.
Eigenlijk zou de koning niet 40 procent van de staatskas moeten krijgen, zoals nu, maar de volle 100 procent. Zo weet je tenminste dat het geld in goede handen is en niet verdwijnt in het onzichtbare voersysteem.
Ik voel me  zo vrij om te schrijven dat koning Mohammed VI   de enige Marokkaan is die niet corrupt is in Marokko.

Het is aardbeientijd in Marokko

zaterdag 2 februari 2008 01:52
Ik moet aan mijn vrienden denken die me laten weten dat het weer in Nederland grijs en koud is, terwijl ik een paar rondjes ren in het parkje in mijn buurt. Een strakblauwe hemel en om de woorden van mijn nichtje Hagar te gebruiken: ‘De zon is wakker geworden!'
Een stevige vrouw met een hoofddoekje in djellaba rent me voorbij. Het is Hasnae, ik heb in het park weleens met haar gekletst. Ze is een maand geleden begonnen met hardlopen op advies van haar arts. Ze is pas 42 en heeft suikerziekte en een hoge bloeddruk. Ze stopt en vertelt me trots dat ze al bijna vijf kilo is afgevallen. We houden het kort en gaan ieder in eigen ritme hardlopen.
In het midden van het park is een plas regenwater blijven liggen van een tijdje geleden, hij is kleiner geworden nu het warmer wordt. Kleine vliegjes hangen er zoemend boven. Het voorjaar hangt in de lucht. Een grote oranje vlinder fladdert me traag voorbij en gaat rusten op een struik.
Na een uurtje loop ik weer naar huis langs de witte muur waarachter een begraafplaats ligt. Inmiddels weet ik dat daar mijn overgrootmoeder begraven ligt. Opa Moh vertelde me dat ze begin jaren vijftig hier in Tanger is overleden.
Ze kwam uit de Rif om aan een tumor in haar buik geopereerd te worden. Ze is nooit meer wakker geworden uit de narcose.
Het voelt vertrouwd aan nu ik weet dat ik ook mijn overleden overgrootmoeder groet wanneer ik hier langs loop. Als moslim behoor je wanneer je een begraafplaats voorbij loopt, de overledenen altijd te groeten als volgt: assalaam alaikoem mensen van de graven, jullie zijn ons voor, wij (de levenden) volgen jullie binnenkort.
Thuis maak ik een aardbeienshake, want het is nu aardbeien tijd in Marokko. Op de markt zie je overal karren vol met aardbeien soms zo groot als citroenen. Dan lees ik een mail van een vriendin waar ik niet echt blij van word. Ze schrijft  me of ik op de hoogte ben van de beurscrisis in de wereld en dat deskundigen bang zijn dat we dezelfde beurscrisis als in 1929 kunnen verwachten.
Na het lezen vraag ik me af welke gevolgen die crisis heeft en of  ik nu moet gaan hamsteren. De hele week heb ik hier niemand over de beurscrisis gehoord. Het ging wel veel over voetbal, vanwege de Afrika-cup.
In de hoofdstraat met winkels hebben straatventers hun spullen op het trottoir neergelegd. Oude vrouwen verkopen op een kleedje op de grond hoopjes groene pepers, knoflookbolletjes, kleine zakjes geweekte kikkererwtjes.
De beurscrisis heeft hen kennelijk nog niet bereikt, misschien behoren zij niet tot de mensen die getroffen kunnen worden door de beurscrisis. Zij bevinden zich altijd in een soort economische crisis en weten inmiddels hoe daar mee te leven.
Gelukkig was de volgende e-mail goed nieuws van Felicite, die ik vorig jaar in Rwanda heb bezocht. Samen met haar heb ik toen in Congo een paar vluchtelingenkampen bezocht. Ze schrijft me dat ze donaties hebben gekregen van ‘Let me play', een fonds van Nike, en inmiddels hebben ze hun eerste sportactiviteit georganiseerd samen met Congolese vrouwen uit de vluchtelingenkampen. Ze heeft foto's bijgesloten en ik geniet van de lachende gezichten. Het doet me goed te horen dat ons bezoek aan de vluchtelingenkampen een eerste vruchtje heeft afgeworpen.
De volgende e-mail is van een goede vriend met wie ik een lijntje van telepathie heb. Hij schrijft me over een Canadese serie The little mosque on the prairie en dat ik eens Canada zou moeten bezoeken na mijn jaar in Marokko.
Ik schrijf hem terug dat ik toevallig net met de gedachte speel het komende jaar moskeeën te gaan bezoeken in Europa en elders. Ik ben heel erg benieuwd naar de plek die de Europese moslimvrouw in de moskee inneemt, letterlijk en figuurlijk, en wat de moskee voor de vrouwen zelf betekent in deze tijd. Ik ben blij met m'n plannen en nog opgetogener door het mailtje van mijn vriend en ga naar café Hafa, een van de oudste volkscafés van Tanger met prachtig uitzicht over zee.
Een oude vrouw met een dikke bril zit op de stoep bij de ingang en steekt haar hand uit. Ze pakt mijn hand vast wanneer ik haar wat kleingeld geef. ‘Wacht even', zegt ze, ‘ik heb een baraka (een gave). Ik zie dat er een man is. Klopt dit?'
‘Je bedoelt een speciale man? Nou ja niet echt', zeg ik, ‘er zijn eigenlijk meerdere mannen.'
‘Luister goed mijn kind, je moet een man maximaal een week geven. Daarna moet je een papiertje maken. En als hij geen geld heeft voor de bruidschat, dan moet je ook genoegen nemen met tweehonderd dirham (ongeveer twintig euro), mijn dochter heeft dat ook zo gedaan', adviseert ze mij.
‘Nooit langer dan een week hoor, dat heen en weer gesleep (lees: gedate)  is zeer schadelijk voor ons vrouwen en vraag nooit een grote bruidschat', zegt ze streng.
Terwijl ik mijn hand voorzichtig van haar lostrek, stel ik haar gerust en beloof haar maximaal een weekje  met me te laten slepen en voor mijn bruidschat zal ik gezien de economische wereldcrisis maar 1 euro vragen. En snel glip ik het mooiste café van Tanger binnen.

Samen naar het paradijs in de Sahara

zaterdag 26 januari 2008 00:40
In de trein naar Marakech stap ik in mijn compartiment met mijn kleine koffer. Een oude westerse man met een vage gelig-grijze haarkleur en een dito gekleurd baardje wat hem een smoezelig uiterlijk geeft, staat op en helpt me mijn koffer in het bagagerek te zetten.
Hij begint tegen me te praten in het Frans en ik verontschuldig mij in het Engels dat ik hem  niet versta.
Een donkergetinte jonge vrouw met lange, zwarte ingevlochten vlechtjes, die kennelijk bij hem hoort, begint in een mengelmoes van Frans en Marokkaans tegen me te praten.
Ze vraagt me of ze mijn zitplaats mag zodat ze tegenover de Fransman komt te zitten.
We ruilen en ik kom in het midden te zitten, tegenover een jonge Marokkaanse man van eind dertig die verdiept is in een blad. Op de voorpagina staat een foto van een man van wie het hoofd vaag is gemaakt met een glas en een fles wijn. In het blad wordt aandacht besteed aan het hoge percentage alcoholverslaafden in Marokko.
Een oude man van ver in de zeventig met een wandelstok in een driedelig lichtbruin geblokt wollen pak neemt buiten adem plaats op de enige lege plek.
De man lijkt zo uit de jaren dertig te zijn weggelopen. Hij heeft iets van een Engelsman met zijn lichtbruine pet, grote bril met dikke glazen en zwarte wollen vingerloze handschoenen.
De man moet van het hollen naar de trein op adem komen en ik hoor hem bij het zuchten alhamdoelilah en stagfirallah mompelen. In Marokko is het not done om te zuchten en als je het toch doet, moet het gepaard gaan met het danken of prijzen van Allah.
De Marokkaanse donkere vrouw met vlechtjes vraagt me waar ik heen ga.
Ik vertel het en ik vraag haar waar zij naar toe gaan. Ze noemt een stadje in de Sahara dat ik niet ken, waar ze vandaan komt. De Fransman die haar echtgenoot blijkt te zijn, vertelt in gebrekkig Engels dat het er prachtig is. Hij noemt het een paradijs en het is er beter en goedkoper leven dan in Parijs. Hij woont er nu een jaar permanent en inmiddels is hij al bijna drie jaar getrouwd met de jonge Marokkaanse schone uit de Sahara.
Het leeftijdverschil tussen de twee schat ik minstens dertig jaar. Een moeilijk te plaatsen gevoel van irritatie en belediging in mijn ‘Marokkaanse-vrouwzijn' voel ik opborrelen bij het idee dat een oude Europeaan met zijn pensioen omgerekend in dirhams hier een rijke man is en daarom zo makkelijk een jonge vrouw aan de haak kan  slaan.
Maar ik weet niet wat me nou precies stoort, de oude Europese mannen die zich hier komen uitleven op de jonge Marokkaanse vrouwen die nauwelijks geld en vooruitzichten hebben, of de Marokkaanse vrouwen die vanwege het geld met die oude Europese mannen gaan.
In Rabat stapt de jonge Marokkaanse man  uit en laat het blad met de kop over alcoholmisbruik  achter. De Fransman geeft het aan zijn vrouw en ze schudt haar hoofd wanneer ze de kop leest.
De  mysterieuze oude man  pakt een groot dik boek uit zijn  kleine zwarte aktetasje. De flappen van het boek zijn verpakt in kranten. Misschien wil hij  zo  privacy creëren bij wat hij leest.
De oude man wordt door het verpakte boek interessanter. Pas als hij opstaat om uit te stappen  en me voorbij loopt, weet ik in welk hokje ik hem kan plaatsen: een oude Marokkaanse intellectuele homo en waarschijnlijk is hij ook schrijver.
De donkere schone legt eventjes haar hoofd op de knieën van haar man. Hij strijkt even over haar hoofd en fluistert iets tegen haar. Geraakt door dat gebaar voel ik mijn irritatie en gekrenkt zijn in mijn ‘Marokkaanse-vrouw-zijn' verdwijnen en besluit dat de Marokkaanse vrouwen beter af zijn met oude gepensioneerde Fransmannen  die hun alcoholgebruik onder controle hebben dan met jonge Marokkaanse mannen die niet met drank overweg kunnen met alle gevolgen van dien.
Het is misschien toch mogelijk dat uit de berekening van een oude gepensioneerde om een jonge  knappe vrouw aan de haak te slaan en de berekening van een jonge knappe vrouw om een oude rijke man aan de haak te slaan, toch zoiets wonderlijks als liefde kan ontstaan.
Nou, ik weet het zeker, ik heb de twee gezien en ik was getuige van oprechte liefde.
Over liefde gesproken of beter gezegd juist niet over liefde gesproken: ik kreeg een mail van een lezer die me schreef dat hij met een vraag zat: zou ik trouwen met een neef die alcoholvrij is, die liefde voelt voor knorretje, in de voetsporen van de profeet leeft en ook nog eens een prins is op een wit paard?
Deze lezer weet precies naar wie ik op zoek ben: een baard op een wit paard!
Maar  toch, deze lezer heeft denk ik niet al mijn columns gelezen. Hij heeft mijn columns die over neef-nicht-huwelijken gaan zeker gemist. Anders zou hij me deze vraag nooit stellen en vreemd was het dat hij over trouwen sprak maar verder geen woord repte over zoiets raars als liefde.
Aangekomen in Marakech besluit ik vaker de trein te nemen. Je kruist het pad van levens die onderweg zijn en ook ben ik genezen van zoiets misplaatst als beledigd zijn in mijn Marokkaanse-vrouw-zijn.
Een oom bleef slapen en de volgende ochtend moest hij weer vroeg op. Toen de muezzin de oproep voor het gebed deed, stond ik op om mijn oom  wakker te maken. Hij moest vroeg vertrekken om Fes voor de avond te bereiken. Hij houdt er niet van 's avonds te rijden, de wegen zijn slecht verlicht.
Terwijl hij koffie drinkt, open ik het raam. Een aangenaam  ochtendbriesje waait naar binnen. Mijn oom ziet dat ik moeite heb wakker te blijven.
Hij zegt: ‘De profeet, vrede zij met hem, heeft gezegd dat gezegend is hij die vroeg op staat en aan zijn werkzaamheden begint, zelfs een varken is gezegend door Allah.'
Dat klinkt interessant. Ik heb altijd al gedacht dat wij moslims varkens niet mogen eten uit respect voor het dier, niet omdat ze vies of onrein zijn.
Jaren geleden had ik een keer een discussie met een
> kennis.Hij zei dat ,wij moslims, het varken als een
> onrein en vies dier zagen en dat het daarom verboden
> was om te eten.
> ‘Nou', zei ik,'ik denk niet dat het varken als een
> vies dier wordt gezien vanuit de islam. Dat er moslims zijn die het dier als vies beschouwen, zegt meer over hun gebrek aan kennis en gebrek aan respect voor het dier dat door Allah is gecreëerd.  denk dat varkens juist
> uit
> respect niet mogen worden opgegeten. We weten inmiddels dat het varken het meeste soortverwant is aan de mens.
Ik neem afscheid van mijn oom bij de deur. Daar loopt mijn bovenbuurvrouw van in de zeventig die alleen voor haar zwaar gehandicapte zoon zorgt. Ze groet mij en vraagt hoe het met me gaat en wie die man was.
Ik leg haar uit dat het een oom is. ‘En is er al een verloofde in zicht?', vraagt ze zachtjes op een stiekeme toon.
‘Nee er is nog niets in zicht', vertel ik haar en ondertussen probeer ik een smoes te verzinnen om het kort te houden. Wanneer ze eenmaal begint met kletsen, komt er geen eind aan. En ook ben ik bang dat ze erover begint wanneer we sidi moulay Yahya gaan bezoeken.
Ze klopte een keer aan de deur voor een kopje suiker, uiteindelijk bleef ze meer dan twee uur bij mij hangen. Terwijl we aan de  thee zaten, vroeg ze me hoe het toch kan dat ik nog niet getrouwd ben. Voordat ik het door had, sprak ze over mij alsof ik een ernstig probleem was.
‘Heb je weleens laten nakijken of je misschien op slot zit?', vroeg ze me op geheimzinnige toon.
‘Sorry', vroeg ik, ‘hoezo op slot?'
‘Ja ja, mijn kind, ik zie het zo. Jij bent door het boze oog getroffen. Mensen zoals jij zijn daar heel makkelijk slachtoffer van. Als iemand jaloers op je is, kunnen zijn blikken je beschadigen. Maar je kunt geholpen worden door een sidi, die ik ken. Hij heet sidi moulay Yahya en woont in een van de zijstraten van de markt. Als je wilt, kan ik je erheen brengen.'
De buurvrouw sprak erg overtuigend en het scheelde niet veel of ik geloofde haar ook nog. Totdat ik aan mijn moeder moest denken die niets moet hebben van bezoekjes aan sidi's en verhalen over ‘op slot zitten'. Ze  zou me een pak slaag geven als ze erachter kwam dat ik met de buurvrouw over dit soort zaken zit te praten.
‘Jij op slot door boze blikken? Sinds wanneer doen wij aan dit soort onzin?Als ik nog een keer hoor dat je met die vrouw praat, zal ik je leren wat op slot betekent. Een maand lang huisarrest is wat je kunt verwachten!', hoor ik mijn moeder tegen mij foeteren.
Ik legde de buurvrouw uit dat mijn moeder niet van sidi's houdt en niet van dat soort zaken.
Om mij te overtuigen, vertelde ze over een paar sidi's in de buurt waar ze mensen naar heeft doorverwezen. Een onvruchtbare vrouw in de straat krijgt binnenkort haar tweede kindje dankzij sidi moulay Yahya!
En het ging maar door. Buurvrouw had onlangs een jongeman ontmoet die in een winkel werkt waar ze een radio heeft gekocht voor haar zoon. Ze raakte met hem aan de praat en ze vroeg hem of hij getrouwd was.
‘De arme jongen had verkering met een meisje, maar zijn familie wilde niet dat hij met haar ging trouwen. Uiteindelijk heeft hij het met haar moeten uitmaken. Sindsdien lukt het hem niet een nieuw meisje te vinden, de arme jongen.'
‘En toen?'
‘Nou, toen heb ik hem verteld dat hij door zijn ex-vriendin op slot is gezet. En ik heb verteld over sidi moulay Yahya  die hem kan helpen en hij wil hem gaan  bezoeken.'
Vreemd, dacht ik, het klinkt meer alsof die jongen gewoon liefdesverdriet heeft.
‘Dus als je wilt, kan ik met je meegaan naar de sidi', bood ze me behulpzaam aan, alsof ik naar de dokter moest voor een slechtnieuwsgesprek.
Ik beloofde haar erover na te denken en het haar wel te laten weten.
Het grappige is dat mensen in mijn omgeving er meer mee zitten dat ik nog niet getrouwd ben dan ikzelf. Mijn familie, kennissen en buren wachten met spanning op de grote dag.
Ik leg ze uit dat ik gewoon simpelweg de ware nog niet heb  ontmoet.
Hun commentaar is dat ik veel te hoge eisen stel.
Oké, ik geef het toe, ik heb altijd gehoopt  een Mohammed te vinden.
Maar nu stel ik mijn eisen bij. Nu hoop ik alleen een man te vinden die zich kan vinden in de geest van de profeet Mohammed, vrede zij met hem, zoals hij bijvoorbeeld in de overlevering ons mensen op één lijn zet met varkens.
Tja en nu moet ik een man zien te vinden die met mij kleine schattige varkentjes op deze wereld wil zetten.
Samen met oma heb ik opa opgezocht op het platteland en daar een paar dagen met hem doorgebracht vlak voor de Ied, het offerfeest.

We vertrokken op een donderdag, in een oude blauwe Mercedesbus waarin plaats is voor ongeveer zestien personen. Op deze dag is het busje altijd vol, omdat voor de zeelieden hun weekend begint. Deze zeelieden kunnen zich geen huis veroorloven in Alhoceima. Vandaar dat ze met hun gezin nog op het platteland wonen.

Oma vraagt aan de man voor ons met diepe rimpels op zijn voorhoofd hoe het met zijn gezin gaat en of ze een goede visvangst hadden vannacht. De man, Mimoun, ruikt naar vis, maar eigenlijk meer naar de zee.

Hij vertelde dat ze vannacht een goede visvangst hadden: sardines, Alhamdoelillah, alle lof aan Allah. De busrit duurde ongeveer 45 minuten, met een kleine tussenstop op de markt voor de laatste boodschappen. Oma vroeg aan Mimoun of hij twee kippen voor haar wilde kopen. Even later kwam hij terug met een grote kartonnen doos met twee levende kippen.

Toen we aankwamen bij het huis van opa hielp Mimoun ons met onze tassen. Oma zocht naar de zakken snoepgoed die ze had ingepakt om uit te delen aan de mensen die haar zullen bezoeken, en gaf een zak en twee repen chocola aan Mimoun voor zijn kinderen. Hij bedankte oma. Op zijn beurt haalde hij een plastic zakje en vulde het met vis uit de grote emmer die vol zat met de sardines en gaf het aan oma, die eerst netjes weigerde en het na veel aandringen toch maar aannam.

Het huis van opa is wit geschilderd en is omringd door enorme cactussen. Sommigen dragen nog wat overrijpe vruchten. De perenboom aan de achterkant is kaal en de olijfbomen zijn groen. De olijven zijn niet zo lang geleden geplukt voor de olijfolie. Een amandelboom draagt al zacht roze bloesems. Het huis moet bijna honderd jaar oud zijn en heeft een grote, open binnenplaats. In het midden is een waterput met regenwater voor het huishouden.

Drinkwater wordt gehaald bij een gemeenschappelijke waterput met een ondergrondse waterbron. Buurvrouw Fatima, die een ver familielid moet zijn, brengt dagelijkse een of twee vijfliter-jerrycans drinkwater. En ook brengt ze opa bijna om de dag vers brood dat ze in haar kleien oven bakt.

De buren houden opa een beetje in de gaten op verzoek van zijn kinderen (mijn ooms en tantes), omdat hij de meeste tijd alleen in zijn huis in het dorp verblijft. Ze zijn bezorgd dat hij niet in de stad Alhoceima wil blijven wonen, vooral nu hij nauwelijks ziet met zijn linkeroog. Ze zijn bang dat hij zal vallen of ziek worden of sterven, zonder dat iemand het in de gaten heeft. Hij is bijna 90 jaar. Maar opa wil perse in zijn ouderlijk huis blijven wonen en rond het huis rommelen en wroeten in de rode aarde van zijn voorouders.

Nadat we onze spullen hadden uitgepakt, ging ik voor de lunch zorgen. De sardines heb ik kort gebakken in een koekenpan met een beetje olijfolie. Binnen een half uur had ik een groot bord vers gebakken sardientjes, waarvan ik wist wanneer die gevangen waren en ook nog eens door wie! Samen met een salade van tomaten, rode ui, olijfjes en een dressing van olijfolie ,citroen en zout en met het verse brood van Fatima heb ik mijn buikje vol gegeten.

’s Avonds is het hier erg koud. Samen met opa zat ik op de brede traditionele banken met dekens om ons heen geslagen aan de thee. Oma lag tegenover ons al in bed en luisterde letterlijk met een half oor mee. Ze is namelijk inmiddels doof aan een oor. Opa vertelde over een meisje in het dorp dat zwanger was gemaakt door iemand uit haar eigen stam. Hij wilde niet met haar trouwen, omdat ze met bijna alle mannen van die stam was geweest.

Om het probleem op te lossen, hadden ze een leraar van een andere stam in de val gelokt. Ze had hem bewust verleid en vervolgens zijn ze ‘betrapt’. Hij werd gedwongen met haar te trouwen. Na een maand heeft hij haar wat geld gegeven en is van haar gescheiden.

Oma richtte zich op en vroeg me of ik ook het verhaal van Merjem ken. Ze was verbaasd, omdat ik het verhaal niet kende. Opa was ook verbaasd en zei dat ik naar oma moest luisteren, omdat het ook in onze heilige boeken zou staan.

‘Merjem ging op een dag naar de rivier om de was te doen. Ze had alleen een dun jurkje aan en nadat ze klaar was, ging ze in de rivier zwemmen.

‘Daarna had ze het koud en deed een mannenbroek aan en daarvan is ze zwanger geraakt. Haar moeder zag dat haar buik aan het groeien was en ze vertelde het aan de vader van Merjem. ‘Omdat het een grote schande was, werd ze naar het bos gebracht. Haar vader pakte een groot mes en wilde haar doden, maar zijn hand kon hij niet meer gebruiken – alsof iemand hem vasthield. ‘Het mes liet hij vallen en hij pakte stenen om haar te stenigen. En weer leek het of hij werd vast gehouden.

‘Toen gebeurde het wonder: de baby, Isa/Jezus (vrede zij met hem) sprak en zei dat hij niemand iets had misdaan en vroeg zijn grootvader waarom hij hem wilde doden.’
Dit verhaal is belangrijk omdat veel onschuldige meisjes en onschuldige ongeboren kindjes ten onrechte gestraft worden, zegt oma.

Dankzij de levendige verhalen van mijn grootouders kom ik de Ied en Kerst hier prima door.
Ik word anders wakker dan anders. Ik heb hier een nieuw ochtendritueel. Eerst komt om kwart over vijf de muezzin met zijn oproep voor het ochtendgebed, dan sta ik half wakker op, doe het gebed en kruip weer in bed.
Een uur later word ik echt wakker gemaakt door mijn eigen schaap!
Ik heb nooit gedacht dat ik een eigen schaap zou kopen en ook nooit geweten hoe romantisch het is om wakker te worden gemaakt door het geblaat van een schaap.
Het schaap heb ik samen met mijn oom Moestapa op de dinsdagmarkt van Alhoceima gekocht voor 1500 dirham, ongeveer 150 euro.
Ik was van plan samen met opa een schaap te kopen voor het Ied aladha, het offerfeest van volgende week. Maar opa had al zijn eigen plannen gemaakt en vertrok een dag eerder naar het platteland om daar een geit bij zijn buurman te kopen.
Oma is niet blij met de geit. Ze houdt niet van geitenvlees en vorig jaar had opa ook nog eens een oude geit gekocht die volgens oma niet te eten was, zo taai. Dit jaar weigert opa voor oma een schaap te kopen, omdat hij nog steeds boos op haar is omdat ze zijn geit van vorig jaar heeft beledigd. Hij was juist erg trots op de geit omdat hij zo groot was, met enorme hoorns.
Een groot offerdier geeft je hier status. Hoe weinig je ook verdient, voor het offerfeest doet iedereen zijn best om een groot en mooi offerdier te kopen.
Oma klaagt dat opa zo is veranderd sinds zijn jongere broer, een paar maanden geleden, plotseling is overleden. Ik merk inderdaad dat hij snauwerig is tegen oma wanneer ze hem corrigeert in de verhalen die hij vertelt over vroeger. Wanneer ze vasthoudt in haar correctie kan opa de hele dag op haar mopperen.
In het begin probeerde ik te bemiddelen en soms lukt het me om het zoveelste akkefietje van de dag te sussen. Maar inmiddels laat ik de akkefietjes voor wat ze zijn, omdat het vermoeiend is om steeds als politieagent op te treden tussen twee hoogbejaarden.
Ik vind ze stiekem ook erg grappig. En als ik niet bemiddel, maken ze het weer goed op hun manier. Laatst hoorde ik opa een compliment geven voor de soep die oma had gemaakt. Nog nooit had hij zulke heerlijke soep gegeten in heel zijn bijna 90-jarige leven, vertelde hij me lyrisch, zonder het zelf direct tegen oma te zeggen.
Dit compliment volgde nadat hij een dag eerder ruzie
met haar had gemaakt en hij probeerde het goed te
maken via de soep.
In het huis van oma wordt grote schoonmaak gehouden door haar schoondochters en kleinkinderen, als voorbereiding voor het offerfeest.
Op het dakterras worden kleedjes uitgeklopt en in de zon gelegd. Lange waslijnen vol wasgoed hangen te drogen. Omdat de zon best fel is, lig ik in de schaduw van het frisse wasgoed dat heerlijk ruikt naar Tide-waspoeder. Op de achtergrond blaat mijn schaap. Ik verzink in een gedicht van Alexander Pope: ‘Gelukkig is de man wiens wens en zorg is,
‘Een aantal geërfde hectares te behouden,
‘Blij om de lucht in te ademen van zijn geboortegrond,
‘Wiens kuddes met melk, Wiens velden met brood,
‘Wiens schaapskudde hem voorziet van kleding,
‘Wiens bomen in de zomer hem schaduw bieden,
‘In de winter vuur.
‘Gezegend die zonder zorgen ziet,
‘De uren,dagen en jaren onbekommerd verglijden,
‘Gezond van lichaam,gezond van geest;
‘Rustig door de dag, Stevige slaap 's nachts ;studie en kalmte
Samengevoegd,heerlijke ontspanning,
En onschuld,wat de meesten  pleziert
Met meditatie
Laat mij zo leven ,ongezien,onbekend;
Laat mij zo onbeklaagd sterven,
Gestolen van de wereld,en geen steen verraadt waar ik
lig.' Bij het gedicht denk ik altijd aan opa en aan zijn simpele manier van leven, dicht bij de natuur, en hoe hij zich regelmatig voor stilte terugtrekt in zijn huis op het platteland.
Oma komt bij me zitten in de schaduw en samen kijken we naar ons schaap. Volgens oma moet hij ongeveer twee jaar oud zijn, het is trouwens een mannetje, want hij heeft hoorns. Oma heeft hem Moh genoemd, naar opa, Mohammed, om zo haar frustratie over opa en de geiten die hij steeds koopt te beslechten.
‘Maar dit is tussen ons, laat opa mij niet horen', zegt ze lachend.
Opa krijgt zijn geit, oma haar schaap. En ik krijg nu het heerlijke geblaat van Moh en straks zal ik zijn schapenvacht met mijn eigen handen wassen. Met de hulp van de schoondochters van oma zal ik mijn eerste schapenvachtkleedje looien.
Ik heb nog een week te gaan voordat Moh wordt geofferd ter nagedachtenis van onze aartsvader Abraham (vrede zij met hem) die de opdracht kreeg van God om zijn zoon Ismaël  te offeren. Op het moment dat Abraham (vrede zij met hem) de wens van God wilde uitvoeren,  verscheen de engel Gabriël en vertelde hem dat hij de beproeving had volbracht, dat God alleen zijn gehoorzaamheid wilde, en geen mensenoffers. Vervolgens verscheen een ram in de buurt die werd geofferd.
Tot de offerdag moet ik Moh, die nu de hele dag door blaat met de andere schapen van buren van oma, die ook allemaal zijn gearriveerd en ook op de dakterrassen staan, een paar keer per dag hooi en water geven.
Zijn keutels ruim ik op en vanmiddag ga ik een extra lang touw kopen, zodat ik met hem naar buiten kan gaan. Achter het huis van oma is het land nog onbebouwd en strekt het zich uit tot de zee. Wat fijn is voor Moh, want hij moet natuurlijk ook zijn pootjes strekken.
Bij de gedachte straks een stukje stressloos Ied-vlees te mogen eten, word ik heel erg gelukkig.
Ik ben naar mijn grootouders gegaan om bij te komen van een lichte hersenschudding die ik heb opgelopen bij een ongeluk. De taxi op weg naar het vliegveld reed te hard, vloog uit de bocht en kwam tegen een heuveltje tot stilstand. Daardoor miste ik het toegezegde optreden tijdens Women Inc., afgelopen zaterdag in Amsterdam.
Toen het gebeurde, flitste de gedachte door mijn hoofd dat er gemiddeld tien doden per dag vallen bij auto-ongelukken in Marokko en dat ik op die vroege ochtend de eerste van die dag was. Maar gelukkig was mijn dag niet gekomen om opgehaald te worden door de engel des doods. Het was kwart over 5, misschien te vroeg voor de engel?
Gelukkig maar, ik heb toch een heel andere voorstelling van mezelf en de dood. Ik zie mezelf op mijn sterfbed met mijn kleinkinderen om me heen, die me regelmatig opfrissen, water geven en mijn kussen opkloppen.
Met opa zit ik op het dakterras in het zonnetje te genieten van de warmte. Opa vraagt af en toe hoe het schrijven gaat en of ik al bijna klaar ben, zodat we samen een kopje muntthee kunnen drinken.
Ik probeer me te concentreren. Lezers schrijven me dat ze niets begrijpen van het hoofddoekje en dat het toch een symbool is van onderdrukking en ze er naar van worden als ze het zien. Ik realiseer me dat er eigenlijk heel weinig bekend is over het gevoel dat een hoofddoekje de draagster geeft. Om dat gevoel te krijgen, hoef je geen moslim en ook zelfs niet gelovig te zijn. Het heeft met rituelen te maken en met een open houding zonder oordelende gedachten.
Ik zal proberen te beschrijven hoe je het hoofddoekgevoel kunt krijgen. Je neemt een uitgebreid bad en vergeet daarbij vooral je oorschelpen en neusgaten niet te wassen. Bij het afdrogen probeer je je bewust te zijn van je lichaam. Daarna doe je wijde kleding aan en ga je op een kleedje op de grond zitten. De grond moet schoon zijn. Als je kaarsjes in huis hebt, steek je die aan en als je een bosje bloemen hebt, zet je die voor je neer. Het zou nog mooier zijn als je rozenblaadjes op het kleedje zou leggen.
Daarna sluit je je ogen en visualiseer je een energiebron waar licht uit stroomt. Je loopt naar die energiebron en houdt nederig en dankbaar je handen op om wat van de energie te ontvangen. Je voelt hoe de energie via je handen in de rest van je lichaam stroomt.
Daarna loop je dankbaar weer terug naar het kleedje en blijf je zitten zolang als je wilt. Als het goed is, heb je na afloop een bijzonder gevoel. Om een beetje van dat  gevoel vast te houden,  kun je een hoofddoekje dragen. Zo houd je ongeveer een honderdste deel van dat fantastische gevoel vast. Dat is het geheim van de hoofddoek.
Opa vraagt weer of ik al klaar ben voor de thee en brengt me terug naar de aarde. Als we alleen zijn begint opa altijd spannende verhalen over vroeger te vertellen, dan de laatste roddels en uiteindelijk komt hij altijd met zijn zorgen over mij.
Hij vertelt me over hoe gek de meiden vroeger op hem waren in het dorp. Hij beschrijft Mahjouba, een mooi klein mollig meisje, met een gezicht als een volle maan met rode wangen en stevige borstjes. Met zijn oude verschrompelde knokige  handen schildert opa het gezicht en daarna de borstjes.
Een geweldige lach verschijnt op zijn gerimpelde gezicht en in de schittering van zijn ogen die tevoorschijn komt, lijkt het wel alsof hij Mahjouba voor zich ziet als de dag van gisteren.
Hij vertelt dat toen een oudere zus van hem ging trouwen Mahjouba ook op de bruiloft was als een van de bruidsmeisjes. In zijn tijd duurde een bruiloft acht dagen.
Ze had hem opgezocht in de kamer waar hij sliep. Opa begint bij dit deel van het verhaal heel zachtjes te praten en kijkt om zich heen of oma in de buurt is.
‘Ja, ze ging naast me liggen, de malle meid.'
‘En toen?' vraag ik nieuwsgierig en tegelijkertijd hoop ik dat hij niet alle details gaat vertellen.
‘Op dat moment kwam er een tante binnen en die heeft haar weggejaagd uit de kamer.'
Opa weet me te vertellen naar welke streek in de Rif Mahjouba is getrouwd.
Daarna krijgt opa's stem een serieuze klagerige toon en dan weet ik dat het moment daar is dat ik weer een schitterende poëtische preek ga krijgen.
‘Ik zie het aan je, elk jaar verminder je. De vleugeltjes van je vliegje zijn gebroken. Als een meisje een bepaalde leeftijd bereikt, zullen de vliegjes uitvliegen en voor altijd wegblijven. Als een vrouw geen volle heupen, borsten en een vol gezicht meer heeft, is dat een teken dat de vliegjes weg zijn', stelt opa met een treurige toon in zijn stem. Even krijg ik het onbehaaglijke gevoel alsof opa een ernstige ongeneeslijke ziekte bij mij heeft vastgesteld.
Oma komt aan lopen en ik vertel haar op zielige toon dat opa zegt dat de vleugels van mijn vliegje zijn gebroken. Oma loopt naar opa en probeert hem een draai om zijn oren te geven, terwijl hij probeert weg te duiken. ‘Wat zeg je tegen mijn kleindochter, haar vliegje is weggevlogen? Je zult bedoelen dat jouw vliegjes zijn weggevlogen. Sta op, anders krijg je een paar klappen van mij. Ze is toch geen vijg geworden!', moppert oma.
Ik las ergens dat de Marokkaanse overheid voorlichting geeft om burgers bewust  te maken van de risico's van neef-nicht huwelijken.
Maar ik heb hier in Marokko nog niets kunnen zien van deze zogenaamde bewustwording. Wel weet ik dat er een medische verklaring wordt geëist bij het maken van een huwelijksakte. Heeft dat iets te maken met het testen op familiaire erfelijke aandoeningen?
Ik ga langs bij een gynaecoloog die zulke medische verklaringen geeft aan huwelijksstellen. De gynaecoloog is rond de veertig, heeft beginnend grijs haar aan z'n slapen en zit achter een grote bureautafel. Hij bekijkt me indringend door zijn bril die rust op het puntje van zijn neus.
Hij groet me en vraagt me wat mijn probleem is. ‘Nee, alhamdoelilah (lof zij Allah), ik heb geen probleem.'
Hij antwoordt: ‘Alhamdoelilah, maar wat kan ik voor je betekenen?' Alhamdoelilah wordt  hier altijd gezegd, of het nu goed met je gaat of slecht, altijd: lof zij Allah.
In de spirituele islamitische wereld wordt verdriet trouwens  als een zegening gezien. We hebben allemaal onszelf weleens verloren in angst, pijn en wanhopigheid, en altijd hebben we het uiteindelijk op wonderlijke wijze overleefd en komen we er sterker uit dan voor het verdriet.
Mijn lievelingsdichter Rumi verwoordt het zo:
Ik zag rouw een kopje verdriet drinken en riep hardop: ‘Het smaakt zoet hè?' ‘Jij hebt me betrapt', antwoordde de rouw, ‘en je hebt mijn zaken verpest, want hoe kan ik nu verdriet verkopen als je weet dat het een zegen is?'
Terug naar de gynaecoloog. Ik vertel hem de reden van mijn bezoek. Hij bevestigt het feit dat wij  veel binnen de familie trouwen en inderdaad, dat vergroot de kans op kinderen met een  handicap.
k vroeg hem of de overheid iets doet om de bevolkingbewust te maken van de risico's van de internehuwelijken . Nee, de overheid doet hier niets aan en de medische verklaring die wordt geëist bij  het maken van een huwelijksakte heeft hier ook niks mee te maken.
Hij legt me uit dat in de verklaring staat dat de arts bij de persoon in kwestie wel of geen seksueel overdraagbare aandoening heeft geconstateerd.
De medische verklaring is een lachertje, legt hij uit.
‘Het lichamelijke onderzoek slaat nergens op, want dat bestaat uit je tong naar buiten steken en de hartslag en bloeddruk meten en  veel artsen nemen zelfs die moeite niet eens. De cliënten betalen 100 dirham en dan krijgen ze een verklaring waarin staat dat ze geen seksueel overdraagbare aandoeningen hebben.'
De  gynaecoloog legt uit dat het sowieso financieel niet haalbaar is voor de gewone man om zich te laten testen op  herpes, chlamydia, hepatitis en het aidsvirus. Zo'n onderzoek zou rond de 300 euro kosten terwijl een arbeider gemiddeld 5 tot 7 euro per dag verdient.
‘Trouwens', gaat de gynaecoloog verder, ‘er wordt hier in Marokko steeds minder getrouwd. Veel jonge mannen hebben geen vaste baan en kunnen zich de bruidschat en bruiloft niet veroorloven. En de mannen die het zich wél kunnen veroorloven, willen niet trouwen omdat hun seksuele behoeftes al worden bevredigd door verschillende vriendinnetjes of door prostituees.'
De gynaecoloog staat op en pakt de medische verklaring uit een kast en laat me zwart op wit zien hoe wij elkaar voor de gek houden.
Hij vraagt me tussendoor een paar keer of ik hem begrijp, terwijl het steeds meer lijkt alsof hij zijn hart aan het luchten is tegen mij.
‘Kijk, wij zeggen wel dat wij moslims zijn, maar in werkelijkheid staan wij heel ver van de islam. Uit een onderzoek is gebleken dat 5 procent van de Marokkaanse bevolking aan alcohol is verslaafd. Maar er wordt niet over gesproken. Wij houden onszelf voor de gek door te zeggen: nee, wij zijn een islamitisch land en wij drinken natuurlijk geen alcohol.
‘Een ander probleem is dat abortus verboden is in Marokko. Als een arts het uitvoert, riskeert hij officieel een gevangenisstraf  van vijf jaar. Maar ik word vaak benaderd door hoge pieten, waaronder rechters, die komen  met een  zwanger vriendinnetje, een dienstmeisje of  een of ander vrouwelijk familielid, om ze te aborteren.'
Hij bedekt met zijn rechterhand een oog en zegt dat dat het systeem is in Marokko en hij vraagt weer of ik hem begrijp.
Voor het afscheid geeft hij me nog even college over de oorzaak van de problemen van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland en vertelt dat hij een groot liefhebber is van poëzie. Hij draagt me een gedicht voor in het Arabisch van Ibn Arabi en reciteert een beroemde uitspraak van Voltaire.
Ik kan altijd bij hem langs komen als ik ik nog vragen heb, drukt hij me op het hart.
Buiten moet ik aan Kwitando denken. Hij is de baas van een gorilla-familie die ik heb bezocht in de jungle van Rwanda. De vrouwtjes waren allemaal van hem en de andere gorillamannetjes mochten niet aan de vrouwtjes komen.
Maar wanneer de mannetjes en vrouwtjes de kans krijgen, bedrijven ze stiekem de liefde in de bosjes. Als Kwitando ze betrapt, geeft hij het mannetje een pak rammel.
Als de Marokkaanse vrouw erachter zou komen hoe het er in de mensapenwereld aan toe gaat, zou ze best eens jaloers kunnen worden, want in de Marokkaanse mensenwereld krijgt alleen zij een pak rammel wanneer ze  zwanger raakt en haar maagdelijkheid verliest buiten het huwelijk.
Ja ja, ik begrijp het helemaal!
Asia, de medewerkster van het internetcafé in Tanger dat ik wekelijks bezoek, vraagt me hoe mijn week is geweest.
Ik vertel haar over de enorme boost die ik kreeg door de e-mails na mijn column over hoe ik hatelijke e-mails wegzucht. Deze onverwachte liefde en steun van mensen die ik niet persoonlijk ken, was zo overweldigend en helend dat ik me de hatelijke reacties en e-mails zelfs niet meer kan herinneren!
Zo zit ik een tijdje te ratelen en pas na een tijdje zie ik dat Asia wel erg stilletjes is vandaag. Ze vertelt me dat de opleidingsdirectrice van het ziekenhuis waar ze een opleiding volgt tot verpleegkundige, haar twee keer heeft gewaarschuwd vanwege haar hoofddoekje. Bij de derde waarschuwing wordt ze drie maanden van school en kliniek geschorst. Asia is tweedejaars en heeft vanaf het begin een hoofddoek gedragen. De directrice verwijt  haar de laatste tijd pas dat ze de uniformcode niet respecteert wanneer ze een hoofddoekje draagt zoals zij doet. Asia draagt het naar de mening van de directrice te ‘uitgebreid'. Ze wil dat ze tijdens de dienst een muts draagt, zoals die ook op de operatiekamer wordt gedragen, die alleen het haar bedekt. De hoofddoek van Asia bedekt zowel haar haren als haar hals.
 Ik vraag haar waarom de directrice nu pas moeite heeft met haar hoofddoek. Volgens Asia is ze erg humeurig de laatste tijd. Asia zou eind dit jaar stage lopen in Spanje of Frankrijk. Nu is dat niet meer zeker.
Momenteel wordt er veel geïnvesteerd in opleidingen voor verpleegkundigen in Marokko, met de bedoeling ze naar Spanje en Frankrijk te sturen waar er veel vraag naar is.
Ik wijs Asia erop dat  de directrice misschien denkt dat wanneer ze in het buitenland stage gaat lopen met hoofddoekjes, het werk haar misschien moeilijk zal worden gemaakt.
‘Ja, maar het is juist goed wanneer je je hoofddoek draagt als je in contact komt met niet-moslims. Zo kunnen ze je inhoudelijk beoordelen op je attitude en je omgang met anderen. En dan zullen ze erachter komen dat wij ook sociaal zijn en net zo gewoon als zij.'
Ik probeer Asia uit te leggen dat de hoofddoek erg gevoelig ligt in Europa.
De hoofddoek is een stukje stof dat in de westerse wereld wordt gezien als het symbool van onderdrukking. Als ik naar Asia kijk, zie ik een vrouw die bewust kiest voor de hoofddoek en ik zie geen onderdrukking. De man die haar jarenlang heeft onderdrukt, daar is ze sinds drie jaar van gescheiden. Nu  probeert ze iets van haar leven te maken door zich te ontwikkelen en daarnaast is ze een praktiserende moslimvrouw die haar hoofddoek draagt uit liefde voor Allah. Zijn vrouwen die hun hoofddoek afwerpen zonder die meter stof op hun hoofd plotseling vrije wezens?
Wat vrouwen nodig hebben om uit hun onderdrukte positie te komen is zelfvertrouwen en onderwijs. 
Ik ben een vrouw in een bevoorrechte positie: ik bepaal zelf of ik wel of geen hoofddoek draag. En dat wordt mij hier zelfs in zogenaamd islamitisch Marokko niet altijd in dank afgenomen. Er zijn altijd mensen die vinden dat ze je mogen veroordelen omdat je hem wel of niet draagt, terwijl het ze niets aan gaat.
Op een vrijdag was ik in de moskee met mijn nicht Amina. Na het gebed deed ik mijn gebedskleding uit. Daaronder droeg ik een zwarte linnen broek met een roze shirt met lange mouwen.
Toen ik naar buiten liep, zag ik bij de vrouwenuitgang twee oudere mannen in traditionele djellaba's staan. Ze deden geen moeite om een stapje opzij te gaan toen ik langs liep, naar een eetgelegenheid aan de overkant waar ik met Amina ging eten.
Aan tafel vertelde mijn nicht wat ze die twee mannen had horen zeggen: ‘Ze keken je na en eentje zei hoofdschuddend: la hauwla laqouatta ill lbillah.' Er is geen macht en kracht buiten Allah, betekent dat, en normaal gesproken zegt een moslim dat als hem een ramp overkomt. ‘Het had niet veel gescheeld of ik had die twee viezeriken toegesproken. Wat denken ze wel om zomaar over jou te oordelen. Zeker omdat je geen hoofddoekje draagt!' brieste ze. Ik voelde wel spanning toen ik langsliep. Een van de baardmannen probeerde oogcontact met mij te maken, maar ik had er geen zin in. Ik bevond me in een goddelijke gemoedstoestand door het gebed. Dat gevoel wilde ik niet kwijt.
De baardman is te vergelijken met een man die een vrouw probeert te versieren en wanneer ze niet is geïnteresseerd, haar uitmaakt voor vieze hoer.
Maar  het kan altijd erger qua schelden: die baardman heeft mij gewoon voor een wandelende ramp uitgemaakt!

Hatelijke e-mails zucht ik tegenwoordig weg

zaterdag 17 november 2007 00:03
In een zijstraatje van de drukke grote winkelstraat waar ik woon, loop ik wekelijks bij een internetcafé naar binnen. Er zijn er een heleboel in mijn buurt. Eerst loop ik naar de dichtstbijzijnde en als deze dicht blijkt te zijn, probeer ik de volgende. De dichtstbijzijnde geeft me meteen lichaamsbeweging door de steile trap die me naar de tweede verdieping brengt. In de gang is een grote bureautafel met een pc waar de medewerkers zitten.
Twee kamers zijn ingericht  met pc's op instabiele bureautafels met plastic stoelen. Asia, een van de drie vaste medewerkers, vroeg me een keer waar ik vandaan kwam, omdat ik haar in het begin wel eens per ongeluk buitenlands muntgeld gaf in plaats van Marokkaanse dirhams en natuurlijk ook vanwege mijn moeizame Arabisch met een zwaar Nederlands-Berbers accent. Ik zei doodleuk dat ik uit Marokko kwam.
Ik ben al een paar weken niet langs geweest en Asia vraagt hoe het met me gaat en of ik me al meer thuis voel hier in Marokko. Ze legt de vinger op de zere plek. Omdat ik haar niet lastig wil vallen met  mijn heimwee, antwoord ik vrolijk dat ik me heel erg thuis voel hier in Marokko.
Ik moet denken aan een ex-collega met wie ik het goed kon vinden en met wie ik erg kon lachen. Aan het begin van een nachtdienst stonden we bij de medicijnkast. We groetten elkaar terwijl we beiden ergens anders waren met onze gedachten, die vermoedelijk op elkaar leken: balen en medelijden met onszelf omdat we weer nachtdienst hadden.
Toen ik terug wilde lopen naar de zaal, vroeg L. me hoe het met me ging. Ik antwoordde dat het goed ging. Ik vroeg hoe het met hem ging. Hij keek me aan en zei: wil je het echt weten? Ik keek hem in zijn ogen en antwoordde: ‘Nee natuurlijk wil ik het niet echt weten! Jij zou uit beleefdheid moeten antwoorden: ja het gaat goed met mij. Ik ga nu terug naar mijn patiënten, ik spreek je om 3 uur, dan neem ik mijn pauze. En dan wil ik luisteren naar hoe het echt met je gaat, oké?' De conversatie bracht ons terug naar de plek waar we op dat moment waren, in het hier en nu en niet meer ver weg.
Ik neem plaats achter een pc en open de eerste ‘veilige' e-mails van bekenden en familie.
Een zus mailt me dat ze gezellig met de kinderen naar het bos is geweest om kastanjes en blaadjes te zoeken. Verzonken in een bad van heimwee naar vallende bladeren, regen, grijs en mistig weer en treinen die niet rijden vanwege vallende bladeren, begin ik aan het moeilijkste aspect van mijn wekelijkse column: het openen van de ‘risicovolle' e-mails van onbekenden.
Ik doe dit onder zeer strikte voorzorgsmaatregelen. Eerst adem ik diep in, dan lees ik razendsnel de mail door om hem te ‘scannen' op hatelijke tekst. Hatelijke e-mails delete ik meteen en dan adem ik rustig de mogelijk naar binnen gedrongen negatieve energie van de zender uit.
Kijk als iemand vindt dat ik niet kan schrijven en dat hij of zij het beter kan, vind ik dat prima en waarschijnlijk hebben ze gelijk ook, maar waarom moet er in Allah's naam gescholden worden op mijn Marokkaans-Nederlandse-islamitische achtergrond, vraag ik me af.
In het begin belde ik van slag  naar huis, naar Nederland, naar een van mijn zussen. Een zus adviseerde me om geen dure klaagtelefoontjes meer te plegen maar een alternatieve oplossing te zoeken en dat werd dus de wegzucht-therapie. Laatst kreeg ik een mailtje van een Marokkaanse Nederlander, die ik geen lezer kan en mag noemen omdat hij me vooral op het hart drukte dat hij nooit de Volkskrant leest en alleen maar heel toevallig mijn stuk had gelezen dat ging over de neef-nicht-huwelijken die risico geven op geretardeerde kinderen en schizofrenie. Deze meneer was not amused. Deze reactie hoefde ik niet weg te zuchten want de schizofrenie droop er natuurlijk van alle kanten van af.
In het internetcafé komt een schoolmeisje van een jaar of zestien met een zwarte sjaal op haar hoofd binnen en schuift achter de pc. Als ze zit, trekt ze haar sjaaltje van haar hoofd, gooit haar zwarte haren naar achteren. Ze kijkt nog even in een spiegeltje en stift haar lippen.
Daarna  installeert ze de webcam in de juiste positie. Het meisje is erg vroeg want normaal gesproken begint het online geflirt pas na vijf uur in de middag. Op zondag gaat het de hele dag door omdat er geen school is en veel mensen niet werken. Het is dan  zelfs moeilijk een vrije pc te vinden in veel internetcafé's. Het meisje hoor ik even later met een zwaar Egyptisch-achtig accent zwoel Arabisch praten door de microfoon. Wanneer de meiden dit doen, weet je dat ze met een ‘Arabische prins' uit de Arabische wereld aan het flirten zijn. Liefdesverklaringen, gegiechel en kusjes vliegen om mijn oren terwijl ik met ingehouden adem een nieuwe mail open.
‘Ik ben blij, trots en ontroerd te kunnen lezen hoe vrij jij durft te denken en te voelen en dit weet uit te dragen. Jij motiveert mij ook weer! Ik als Marokkaanse jongeman herken het allemaal erg goed. Ik ben ieder keer weer verbaasd dat de Marokkaanse meiden het erg goed doen! Helaas hoor ik dit te weinig van de Marokkaanse jongens.' Dat is de hartverwarmende reactie van Najib, een Marokkaans-Nederlandse lezer, die me onverwachts vleugeltjes geeft.
Jaren geleden ging ik met bus 18 naar school. Ik zat toen op het KCA, katholiek college Amsterdam-West, in de wijk Slotervaart die toen nog een overwegend blanke wijk was. Tegenwoordig heet die school ICA, islamitisch college Amsterdam-West.
Tijdens de biologieles keek ik uit het raam naar de wolken en vogels. Ik fantaseerde over verre reizen en leven in vrijheid als de vogels.
Toen ik terugkwam uit Rwanda had ik  een tussenstop op het vliegveld Kilimanjaro in Tanzania. Over de hoogste Afrikaanse berg heb ik alleen op school gehoord en nu vloog ik erboven en had ik uitzicht op de sneeuwop de top!
Ik dacht aan mijn dagdromen tijdens de biologieles en aan de jongeren van Marokkaanse afkomst die daar nu opgroeien in de zwarte scholen in Slotervaart. Wat mij altijd heeft geholpen is het koesteren van mijn dromen. Zolang je dromen hebt kun je blijven verlangen en verlangen is een touw waaraan je je kunt optrekken, ook al lijkt je leven uitzichtloos.
De spannende avonturen die ik heb beleefd in Rwanda en Congo deel ik met mijn moeder. Ik vertel haar over over mijn bezoek aan de Batwa-gemeenschap die uit de jungle is verjaagd om de gorilla's te beschermen tegen uitsterven. Nu dreigen de Batwa uit te sterven omdat ze uit hun natuurlijke omgeving zijn weggehaald.
‘Maar kind', zegt mijn moeder, ‘niet alleen zij worden bedreigd met uitsterven, jij zult ook uitsterven als je geen kinderen krijgt. Alsof je nooit hebt bestaan. Ja, zo zal het je vergaan.' Dit soort venijnige opmerkingen krijg ik vaak naar mijn hoofd geslingerd. Af en toe heb ik even rust, dat is wanneer ik op reis ben. Als ik langsga bij mijn geliefden omdat ik ze zo heb gemist, begint het weer. Een neef van begin twintig vertelt bij mijn moeder thuis dat hij zijn ware liefde heeft gevonden. Hij gaat het meisje ten huwelijk vragen. ‘Het moet niet gekker worden', zegt mijn moeder, ‘de jonkies willen trouwen en de bejaarden van bijna vijftig weigeren.' Dat ben ik dus, die bejaarde.
Na het weigeren van de zoveelste ‘goede kandidaat' zijn de verwijten scherper geworden. De laatste afgewezen goede kandidaat is de zoon van een nicht van mijn moeder.
Ik was net een maand in Tanger toen die me vertelde dat ze me graag als haar schoondochter wilde hebben. Haar zoon had ik nog nooit ontmoet. Ik vertelde haar heel voorzichtig dat het echt niet nodig was om de band nog meer te versterken. We waren  tenslotte al familie van elkaar!
Ik hoopte dat ze mijn afwijzing had begrepen en gerespecteerd, want ik hoorde er een tijdje niks meer over.
Dan word ik uitgenodigd om couscous bij haar thuis te komen eten. De bedoeling mij aan haar zoon M. te koppelen ligt er dik bovenop. M., een knappe man om te zien, begin dertig, heeft gestudeerd, maar zoals velen doet hij werk beneden zijn niveau en heeft hij zijn ogen gericht op Europa.
Hij toont zich geïnteresseerd naar het leven in Nederland. Nederland is behoorlijk doorgeslagen wat betreft vrijheid, meent hij. Homoseksuelen mogen hier trouwen, en dat is een zonde.
Tja, zeg ik, als het om moslimhomo's zou gaan, zou het als een zonde gezien kunnen worden, maar dan nog is het God die daarover mag oordelen.
Anders moet je het gewoon zien als twee mensen die van elkaar houden en die door middel van het huwelijk een aantal zekerheden willen vastleggen.
Homohuwelijken die uit liefde worden gesloten, daar heb ik als Marokkaanse moslimvrouw meer respect voor dan voor de hypocriete seksuele moraal binnen onze gemeenschap waar vooral de vrouwen en meisjes slachtoffer van worden, debiteer ik.
M. valt stil en kijkt me aan met inmiddels bijna halfopen mond. Ik weet dat ik op de goede weg ben om hem duidelijk te maken dat ik niet geïnteresseerd ben in een liefdeloos huwelijk met een familielid.
Trots vertel ik over een aantal homo-stellen die ik ken in Amsterdam die gelukkig getrouwd zijn.
En om hem helemaal te genezen van een eventueel gekoesterde huwelijkswens met mij vertel ik hem het horrorverhaal genaamd  Slotervaart.
Ik vertel over de problemen met de Marokkaans-Nederlandse jongeren die voortkomen uit de combinatie van ouders die geïsoleerd leven van de Nederlandse samenleving en de taal niet goed beheersen, de armoede, de liefdeloosheid waarin de jongeren opgroeien, het gebrek aan sociale vaardigheden en de geestelijke zwakheid die sommigen te danken hebben aan de inteelthuwelijken waaruit ze zijn voortgekomen. Om mijn betoog te bekrachtigen haal ik een vers aan uit de Koran: ‘Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen.' (Koran 49: 13)
‘Zie je', zeg ik tegen M. die plotseling haast heeft om naar zijn werk te gaan, ‘zelfs de Koran adviseert ons om ons te mengen met andere volkeren.'
Sinds die couscousmiddag is de relatie met mijn nicht bekoeld. Ach, ik voel nog wel liefde voor haar, ze is tenslotte familie.
In de loop van de ochtend  vertrek ik met Felicite, Faye, Mary en Annie naar Congo. We willen iets doen voor de vrouwen in de vluchtelingenkampen. In Gysenyi aangekomen moeten we vervoer regelen dat ons over de grens kan brengen naar de stad Goma.
Felicite, die Rwandese is, besluit haar oom te bellen die een hoge functie heeft  bij het departement immigratiezaken. Hij weet er al van en heeft alles geregeld. Bij de grens zullen we worden opgehaald.
Bij de grens blijkt hij zelf op ons te wachten. Het is een grote man en dat hij een belangrijke functie heeft, zie je aan de vele beambten die hem komen groeten.
De mensen die naar Congo willen kun je op een hand tellen. Als we onze visa hebben, lopen we over het stukje niemandsland naar Goma. We wachten op de auto die ons naar de vluchtelingenkampen zal brengen. Even later komen er een personenauto en een landrover aan. Een kleine stevige dame gekleed in een rode lange jurk met een oranje sjaal over haar rechterschouder gedrapeerd, groet Felicite.
Ze wordt aan ons voorgesteld als de persoonlijke rechterhand van de gouverneur van Goma. Ze verontschuldigt zich dat de gouverneur helaas niet aanwezig is, maar dat hij ons graag had willen ontvangen.
We worden naar het kantoor van de gouverneur gebracht, een statige villa met een goed onderhouden tuin gelegen aan het prachtige Kivu-meer. Het is een van de buitenverblijven van de voormalige dictator Mobutu.
De assistente leidt ons naar een ontvangstzaal waar een grote lange tafel staat van marmer met een ingegraveerd diepgroen dessin. Een grote glazen schuifdeur staat open en vanuit de plek waar ik aan de tafel zit heb ik een schitterende uitzicht over het Kivu-meer.
De assistente van de gouverneur verontschuldigt zich omdat ze haar mobiel moet opnemen en loopt naar buiten om een privégesprek te voeren.
We kijken elkaar vragend aan.
Felicite legt ons uit dat ze zeker willen weten dat we geen politieke activisten zijn en ons daarom willen spreken over de reden van ons bezoek.
Felicite vertelt de teruggekeerde assistente over de door haar opgerichte stichting Akwos, die sport gebruikt om vrouwen bij elkaar te krijgen en ze daarnaast onderwijs en voorlichting te geven. Ze heeft een speciaal programma om door de genocide getraumatiseerde vrouwen en verkrachte vrouwen te helpen. Ze wil haar ervaring en kennis delen met de vrouwen in Congo.
Het gesprek wordt positief afgesloten met de afspraak om te kijken naar de mogelijkheden van samenwerking.
De minister van sport wil ons spreken. Maar eerst moeten we wachten op een tv-ploeg. Het positieve  initiatief van Felicite moet naar buiten worden gebracht. Buiten staan een cameraman en een journalist al op ons te wachten.
Het bezoek aan Congo krijgt  bizarre wendingen en de vluchtelingenkampen lijken  onbereikbaar door de vele obstakels van beleefdheden en officieel gedoe, en niet eens door gevaarlijke gewapende rebellen.
De lucht is grijs en er hangt een regenbui in de lucht. Bij het bereiken van de eerste kamp is het nog droog. Het kamp genaamd Buhymba blijkt er net twee weken te staan. We worden ontvangen door een hulpverlener die vertelt dat er ongeveer tweeduizend vluchtelingen zijn, vooral vrouwen en kinderen.
Er staan hutjes met witte zeildoeken van de UNHCR. In een grote tent worden de vrouwen verzameld en een oudere vrouw doet het woord namens de andere vrouwen.
Ze vertelt dat ze uit hun dorpen zijn gevlucht vanwege het toegenomen geweld door de rebellen. Veel vrouwen en kinderen zijn slachtoffer van lichamelijk en seksueel geweld.
De hutjes waarin ze schuilen zijn vol en de stank is enorm door de slechte hygiënische omstandigheden.
Het kamp ligt afgelegen op een grote open plek waar niks is dan alleen maar zwarte lavastenen. Sommige kleine kinderen hebben slippers aan maar de meesten lopen op blote voeten.
Felicite doet het woord en vertelt over de reden van onze komst en dat we graag de vrouwen willen helpen.
De vrouw die het woord doet, bedankt ons voor onze komst en zegt dat ze blij zijn omdat ze niet vergeten zijn door de buitenwereld.
De vrouwen om ons heen beginnen te klappen en te zingen. Buiten de tent beginnen ze te dansen. Ik word meegetrokken om met de vrouwen mee te dansen. Door de zang en dans komt er een enorm positieve energie vrij verandert de deprimerende hopeloze situatie in een sfeer van hoop voor de toekomst.
Het begint zachtjes te regenen en zelfs dat is niet erg.
Onderweg naar  kamp Mugumga regent het harder. In dit kamp zitten zevenduizend vluchtelingen. We worden verwelkomd door een vrouw  die een prinses blijkt te zijn van een traditioneel koninkrijk uit de streek waaruit ze is verdreven.
In dit kamp is het nog voller. Een keer per week wordt er eten gedropt. Iedereen kijkt daar naar uit.
Buiten in de regen zit een jonge moeder voor wie geen plek is in de hutten, onder een grote paraplu op een grote zwarte lavasteen. Ze geeft haar baby de borst.
Bij het afscheid realiseer ik me dat ik de vrouwen niks concreets heb gebracht. Zij bleken juist de gevers door de kostbare energie die ze mij gaven in de vorm van dans, zang en een enorme lach.
Ik ben in Kigali in Rwanda aangeland. Aan de rode Afrikaanse aarde zie ik dat het pas heeft geregend. Het is hier regentijd en wat is het overal groen!
Ik word opgehaald door Eve. Zij werkt als vrijwilliger voor de stichting Akwos, die de eerste vrouwenloop van Kigali organiseert. Eve is 22 jaar en studeert informatica aan de universiteit.
Het vliegveldpersoneel attendeert me erop dat ik mijn opvallend gele see bye fly-plastictas, die ik bij het shoppen op Schiphol heb gekregen, niet mag meenemen vanwege de strenge regels die er gelden om het
milieu van Kigali en de rest van Rwanda te beschermen. Er worden milieuvriendelijke tassen te koop aangeboden voor een vriendelijke prijs.
Tijdens de rit naar mijn hotel valt me op dat de straten erg schoon zijn. Eve vertelt dat in alle steden in Rwanda de bewoners worden gemobiliseerd om mee te doen aan de maandelijkse umuganda, het gemeenschapswerk. Elke laatste zaterdag van de maand wordt er schoongemaakt.
Tussen 1994 en 1997 is de Rwandese economie met 70 procent gegroeid en hij blijft maar groeien. Traditioneel waren koffie en thee de belangrijkste exportproducten, maar sinds kort worden ook bloemen geëxporteerd.
Eve brengt mij samen met J., een Deense filmmaakster die hier is om een korte film te maken van de eerste vrouwenloop van Kigali, en Felicite, de oprichtster van Akwos, naar een lokale markt en een klein dorpje met blauw geschilderde winkeltjes. Daar verkopen ze alleen lokale, handgemaakte producten, houten beeldjes van zebra's, olifanten en gorilla's, kunstig gevlochten manden, tassen van bananenblad, en felgekleurde glimmende armbanden gemaakt van de hoorns van koeien.
De verkopers komen naar buiten nu ze potentiële kopers zien. Ze gebaren vriendelijk en nodigen je uit, zonder opdringerig te zijn, om hun winkeltje te bezoeken. De onderhandeling over de prijs verloopt prettiger dan het zenuwslopende, langdurige afdingen dat ik gewend ben in Tanger.
J. maakt op de lokale markt opnames voor de film. De voorbijgangers kijken nieuwsgierig naar de blanke vrouw met de camera en lopen verder. Kleine kinderen komen aanlopen en blijven op een afstand naar haar kijken.
Op de markt zie ik een gehandicapte man op de grond zitten met twee krukken naast zich.
Hé, hij is de eerste bedelaar die ik tot nu toe heb gezien.
De eerste dagen ben ik een beetje verward door de vooroordelen en ideeën die ik had over Rwanda, die niet blijken te kloppen.
Rwanda ken ik alleen van de afschuwelijke tv-beelden van mannen met machetes in hun handen die op mensen inhakken, en van de duizenden doden in de straten. Nu, dertien jaar later, blijkt het een van de veiligste landen in Afrika te zijn.
Ik ben nieuwsgierig naar de achtergrond van de mensen die ik op straat zie, in het hotel en op de markt. Waren ze Hutu of Tutsi en hebben ze geliefden verloren tijdens de genocide?
Op de radio is er veel aandacht voor de loop. Op het laatste moment besluit Felicite dat ook mannen en jongens mee mogen doen. Ze wil mannen laten zien dat vrouwen gelijkwaardig aan hen zijn, en dat zal niet lukken als ze alleen maar op afstand naar de vrouwen kijken. Het is beter ze erbij te betrekken.
Op de dag van de loop in het Amahoro-stadion bestaat de groep deelnemers voor driekwart uit mannen en kinderen en voor een kwart uit meisjes en vrouwen. Een uitzinnige massa van kinderen en mannen staat in de rij voor het gratis gele
T-shirt.
De meisjes en vrouwen staan er opvallend rustig bij. De oudere vrouwen trekken het gele
T-shirt over hun traditionele kledingdracht aan.
Bij de start sta ik naast een groepje vrouwen van wie de meesten slippers aan hebben en sommigen een handtas bij zich hebben. De vrouwen kletsen en hebben veel lol tijdens het wandelen en ik loop gezellig met ze mee.
Helaas kan ik geen lange conversaties met ze voeren, omdat mijn Frans erg slecht is.
Dan raak ik in gesprek met Martha, die goed Engels spreekt. Ze is 35 jaar, is aan haar tweede jaar rechten begonnen en heeft een dochter van tien jaar, voor wie ze alleen zorgt.
Omdat het goed tussen ons klikt, durf ik haar te vragen naar de genocide. Ze blijkt haar vader te hebben verloren en veel andere familieleden.
Haar leven was ingestort en nu probeert zij net als alle Rwandezen het beste ervan te maken, omdat iedereen op de een of andere manier door de genocide is geraakt.
‘We kunnen niet voor eeuwig met haat en wraakgevoelens blijven rondlopen. Wat ons is overkomen, is deels een gevolg van het kolonialisme. Het komt door de vele ongeletterde mensen die door de media met haat- en wraakpropaganda tegen elkaar zijn opgezet', meent ze.
‘Maar nu zijn we allen Rwandees en niet meer een Hutu of een Tutsi. We zijn in een fase van verzoening, vooruitzien en de opbouw van een betere toekomst voor ons land.'
Samen met Martha haal ik wandelend de finish in plaats van rennend.
Ik moet het eerlijk toegeven: de laatste keer dat ik heb gerend, was toen ik naar de Rwandese ambassade in Den Haag moest op de dag van vertrek en op het nippertje mijn visum heb gehaald.
Ik was toen erg onder de indruk van mijn persoonlijke tijd.
Met mijn nicht Amina wandel ik langs een beruchte rotonde waar de Marokkaanse verkeersregels gelden. Die houden in dat je geen voorrang verleent, aan niemand, nooit. Je geeft altijd flink gas en daarmee probeer je andere automobilisten te dwingen je voorrang te geven. Als ze niet stoppen, ga je heel hard toeteren en vloeken.
Maar aangezien iedereen gas geeft en niemand stopt, is het er altijd een grote chaos en wanneer er geen gewonden en doden vallen, is dat dankzij de beschermengelen die hier overuren aan het maken zijn.
Voor voetgangers betekent het oversteken van een zebrapad gevaar voor je leven. Auto's stoppen hier niet bij een zebrapad, wanneer ze een voetganger op een zebrapad zien, geven ze standaard extra gas. Ze zien geen voetgangers die oversteken, nee, ze denken dat het kakkerlakken zijn en geven daarom gas om het ongedierte te vermorzelen. Ik heb gehoord dat er gemiddeld tien verkeersdoden  per dag vallen in Marokko en dat er per jaar meer verkeersdoden vallen dan er doden vallen in een oorlogsgebied als bijvoorbeeld Irak.
Een oorzaak is dat sommige mensen hier hun rijbewijs kopen in plaats van lessen te volgen en een examen af te leggen.
Amina en ik zijn vroeg vertrokken, omdat het een behoorlijk stuk wandelen is van het appartement naar de Syrische moskee waar we naartoe willen.
Buiten is het erg stil omdat iedereen thuis nog rustig uitgebreid aan het eten is, of thuis blijft om te bidden.
Een paar uur eerder zag ik vanuit het raam dat het nog een drukte van jewelste was in onze straat. De straatventers hadden hun waren op de stoep uitgestald tegenover de winkels. Stoeten vrouwen van alle leeftijden in oude djellaba's komen boodschappen doen op de markt aan de overkant van de straat. Daarna lopen ze langs de straatventers waar ze traditionele Marokkaanse muiltjes en slippers  en bergen  hoofddoekjes en sjaaltjes in talloze kleuren, geborduurd of met spiegeltjes, kunnen kopen.
Later, in de namiddag en avond, komen de vrouwen weer, maar dan in hun mooiste djellaba met bijpassend hoofddoekje en tasje, met kinderwagens en kinderen, langs de producten van de venters flaneren. Het is elke dag een verassing wat de venters uitstallen op de grond. Soms hebben ze een partij katoenen pyjama's, soms setjes ondergoed, schoenen, keukenschorten,spijkerbroeken, make-up, babykleding.
De flanerende vrouwen kopen weinig maar zijn vooral nieuwsgierig naar wat er te koop is die dag, zodat ze dat weer kunnen doorgeven aan de andere vrouwen in hun straat.
Amina, een nicht van moederskant, zoekt me regelmatig op sinds ik hier ben. Doordat ze in Tanger is geboren en getogen, spreekt en verstaat ze geen Berbers, dus met haar kan ik mijn belabberde Marokkaans-Arabisch verbeteren.
Ze is huisvrouw en ongeschoold en heeft veel tijd over nu haar vier zonen volwassen zijn. Als Amina op bezoek komt heeft ze altijd iets bij zich dat ze net heeft gekocht bij de straatventers.
We wandelen de moskee binnen. Het blijkt al vol te zijn. We moeten onze gebedskleedjes buiten in de patio van de moskee spreiden.
Omdat de laatste tien dagen van de ramadan zijn ingegaan, is het drukker in de moskee dan in het begin van de ramadan. Deze tien nachten zijn bijzonder omdat in een van de nachten een bijzondere nacht verborgen zit. Van de Leylatoel Qadr  oftewel de Waardevolle Nacht weet niemand  precies wanneer die valt. Er zijn geleerden die zeggen dat het de nacht van de 26ste vastendag moet zijn. Hoofdstuk 97 in de Koran zegt het volgende over deze nacht: ‘Waarlijk, Wij hebben  u (de Koran) nedergezonden  in de Waardevolle Nacht. Wat weet gij (ervan) wat de Waardevolle Nacht is? De Waardevolle Nacht is beter dan duizend maanden. Daarin dalen engelen en de Geest (de engel Gabriël) door Gods gebod neder zeggende: ‘In alles vrede', tot het rijzen van de dageraad. Bij een temperatuur van ongeveer 20 graden is het fijn om in de openlucht te bidden. Het waait een beetje. De wind speelt met mijn hoofddoekje  en trekt het los en de stof waait  tegen het gezicht van Amina. Ze helpt me de doek wat steviger vast te maken omdat ik er nog niet handig in ben.
De imam roept op tot het laatste avondgebed en daarna stelt  iedereen zich in rijen op. Dan volgen de taraweeh gebeden. Tijdens deze vrijwillige gebeden worden lange stukken uit de Koran gereciteerd door de imam.
Omdat het ongeveer een uur lang duurt, vergt het veel concentratie en uithoudingsvermogen. Het concentreren gaat beter wanneer de imam mooi kan reciteren en het is een  ramp wanneer hij er niet goed in is. Voordat je het weet ben je dan gedurende het gebed bij de bakker, bij je buurvrouw die straks langs komt voor de thee en je vraagt je af wat je morgen gaat koken voor de gasten die langs komen voor de iftar.
Na bij een paar verkeerde imams de taraweeh  te bidden die me enkel konden inspireren om mijn boodschappenlijst voor de volgende dag te bedenken, kwam ik via via bij  de Masjied Soerien, de Syrische moskee, terecht waar de imam  je met zijn goddelijke stem meeneemt en je niet  loslaat gedurende de gebeden.
Na afloop ben je blij dat je het uur hebt volbracht. In plaats van moe voel je je uitgerust en fris.
Ik heb dan hetzelfde voldane gevoel als wanneer ik  5
km heb hardgelopen.
Net als miljoenen andere moslims over heel de wereld probeer ik extra te bidden gedurende het laatste deel van de nacht in de hoop me te bevinden in het magische moment dat de engelen voor vrede bidden.
De eerste nacht in het hotel in Jeruzalem kon ik niet slapen. Ik voelde me zo onveilig dat ik opstond om een stoel en een klein bankje voor de deur te plaatsten. Pas tegen de ochtend viel ik in slaap.
Ik had grote plannen gemaakt over de plaatsen die ik wilde bezoeken in Jeruzalem. Maar ik was het enthousiaste gevoel  dat ik had voordat ik was gearriveerd in Israël, kwijtgeraakt door het langdurige verhoor op het vliegveld bij mijn aankomst. Er zat een scheurtje in het fundamentele gevoel ‘geborgenheid en veiligheid' en dat voelde ik letterlijk in mijn lijf.
Met grote tegenzin besloot ik naar buiten  te gaan. Ik vroeg een hotelmedewerker in welke richting ik moest lopen voor the old city. Buiten werd mijn katerige gevoel versterkt door de felle zon. Mijn hoofd begon te bonzen en ik deed snel mijn zonnebril op.
Voor het hotel stonden bankjes en ik besloot daar maar eerst even te gaan zitten om van die ‘zonlichtaanslag' bij te komen. Alles voelde geïrriteerd en ik moest denken aan de opmerking ‘ik hoop dat je zult vinden waarnaar je op zoek bent' van de veiligheidsbeambte op het vliegveld, toen hij me mijn paspoort terug gaf.
Deze opmerking lijkt een rode draad in mijn leven. Ik heb hem al heel vaak te horen gekregen, terwijl ik me er niet van bewust ben dat ik naar iets op zoek ben.
Maar nu zelfs een veiligheidsbeambte deze opmerking heeft gemaakt, begin ik me af te vragen of ik niet een vorm van autisme heb - omdat ik iets niet door heb over mezelf, terwijl iedereen om me heen ziet dat ik  op zoek ben en ze allemaal hopen dat ik zal vinden wat ik zoek. Ik slenterde richting de old city  en dacht: ‘Alsof zij het allemaal wel hebben gevonden!'
In de oude stad met haar wirwar van straatjes en steegjes ademt elke centimeter geschiedenis. Ik kwam orthodox-christelijke vrouwen  tegen die lange zwarte jurken en lange zwarte gewaden over hun haren droegen.
Ze leken op dezelfde zwarte gewaden die ik steeds meer zie in de straten van Amsterdam.
De  religieuze joodse vrouwen droegen zo'n beetje dezelfde hoofddoekjes als veel Marokkaans-Nederlandse schoolmeisjes doen: alleen de haren bedekkend maar de hals bloot.
De religieuze christen-mannen met hun donkerbruine gewaden met koorden en lange baarden leken zo uit een middeleeuws schilderij te zijn weggelopen. De moslimvrouwen droegen hoofddoekjes die hun haren en hals bedekken.
Ik vroeg me af of hier ook een discussie zou zijn over de hoofdbedekking waarover in Europa zo veel te doen is.
Het straatbeeld was een mengelmoes van jonge soldaten met mitrailleurs - met wie je eigenlijk meer medelijden hebt dan dat ze gezag uitstralen - nieuwsgierige toeristen en lokale christenen, moslims en joden.
Ik vroeg aan een voorbijganger of hij me kon vertellen welke richting ik op moest voor de al Aqsa-moskee. Hij wees me de weg en vroeg me toen of ik Spaans of Italiaans was.
‘Nee', antwoordde ik, ‘ik kom uit Marokko.'
‘Ah, dus je bent een moslim!' reageerde hij met een stralende lach.
‘Ja', zei ik en mijn irritatie verdween als sneeuw voor de zon. Ik maak vaak mee bij nieuwe ontmoetingen dat mensen denken mij een compliment denken te geven door opmerkingen als: ‘Nee,ik vind je helemaal niet op een Marokkaan lijken. Ik vind je meer iets hebben van een ...'
Ooit hoorde ik een Marokkaanse jongen iets mompelen over een Indiaan. Ik keek hem aan en zei: ‘Wat zeg je, lijk ik op een Indiaan?'
‘Nee', zei hij geschrokken, ‘nee niet op een Indiaan, maar op een Indiase.' Pas later begreep ik zijn vergelijking: omdat veel Marokkanen dol zijn op Bollywood-films, dacht hij mij een compliment te geven.
De blijdschap van de Palestijn dat ik een moslim was, vond ik het mooiste dat ik sinds tijden had gehoord. Ik voelde meteen een klik. Over deze zogenoemde klik heeft de filosoof Gahzali het volgende gezegd: ‘Zo kan  een mens een ander vanwege hemzelf liefhebben, niet omdat hij een voordeel van hem verwacht, maar alleen ten gevolge van de geheimzinnige overeenkomst en verwantschap in hun aard en in hun verborgen wezen.' Hij liep met me mee naar de moskee en vertelde dat zijn vrouw ook daar zou zijn voor het middaggebed. Zijn vrouw ontfermde zich meteen over mij en was bezorgd over mijn gereis alleen. Ze nodigde me uit bij hen thuis te logeren. Ik stelde haar gerust dat ik in een veilig hotel verbleef. Samen gingen we naar de vrouwenafdeling voor het gebed. Ik had het gevoel alsof ik deze mensen al jaren kende.
De asceet Malik ibn Dinar, die leerling
was van de geleerde Hasan el-Basri.die leefde rond het jaar 748, zei: ‘Nooit houden twee elkaar gezelschap die niet een of andere eigenschap gemeenschappelijk hebben. De mensen zijn net als vogels, geen vogel vliegt uit met een ander, als er tussen hen geen verwantschap bestaat. Op een dag zag ik een raaf met een duif samen zitten. Wat deden die nou bij elkaar? Toen ze opvlogen, bleken ze allebei lam waren. Dus daarom bleven ze bij elkaar!' Ik was niet eens bewust op zoek, maar in Jeruzalem vond ik drie soorten vogels die niet alleen maar door de aartsvader Abraham met elkaar zijn verbonden, maar ook door hun hoofdbedekking.
Alleen de afvallige, atheïstische, liberale of verlichte vogels hadden niets op hun kop.
Profielfoto Fadoua  Bouali

Fadoua Bouali

Woonplaats: -
Vrouw
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Links

Groepen

Favorieten van Fadoua Bouali

Fadoua Bouali in Marokko

Fadoua Bouali, verpleegkundige van beroep en columniste van de Volkskrant, schrijft iedere week over haar verblijf in haar geboorteland Marokko. Ze gaat naar de sterren kijken met opa, theedrinken met oma, op zoek naar het geheim van het geboortedorp van haar ouders en op onderzoek naar de motieven van de gelukszoekers die wachten op de overtocht naar Europa.

Laatste reacties

persona

Koning Mohammed de zesde is de enige Marokkaan die niet corrupt is
habiba: wel ik ben ook van Marokko afkomstig maar ik ben …

persona

Koning Mohammed de zesde is de enige Marokkaan die niet corrupt is
habiba: wel ik ben ook van Marokko afkomstig maar ik ben …

persona

Het meisje dat van het dak is gevallen: Fitna noem ik dat
Hans de Koning: Overigens: ook in Nederlandse dorpen (Bunschoten/Spakenburg schiet me als voor …

persona

Koning Mohammed de zesde is de enige Marokkaan die niet corrupt is
elouarzazi: konning mohamed is de grootste viezerik in marokko. die man …

persona

Koning Mohammed de zesde is de enige Marokkaan die niet corrupt is
Harm!!!: wat is er mis Mohamed 6? hij doet zo veel voor …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Fadoua Bouali, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2008
2007

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •