Forum
VKBlog Headerimage
Dit weblog wordt binnenkort opgeheven.

Lees vanaf woensdag 26 maart de felste forumstukken & interessantste columns op de geheel vernieuwde site www.vk.nl/opinie.

Tot ziens!

De forumredactie van de Volkskrant
Het kan zo niet langer, er wordt veel te weinig geld uitgetrokken voor het onderwijs.

Ondanks de inspanningen van minister Plasterk zijn er een paar leraren die zo ontevreden zijn, dat ze de actiegroep lerareninactie.nl hebben opgericht. Veel collega's waren enthousiast toen juist Plasterk minister werd. Eindelijk iemand waar we vertrouwen in konden hebben. Het rapport-Rinnooy Kan over het lerarentekort en Plasterks reactie daarop, leidden bijna tot euforie.

Helaas duurde het niet lang. Met veel tamtam werd het rapport Actieplan Leerkracht gepresenteerd. Toen ik dat hoorde, dacht ik dat ik het verkeerd begrepen had: 1,1 miljard te verdelen tot 2020? Rinnooy Kan sprak toch over een investering van 1 miljard per jaar? Geloof je nu echt zelf dat je daarmee de problemen in het onderwijs kunt oplossen? Kom nou! Een fors deel gaat alleen al op aan de pr-stunt door de boeken gratis te maken. Ik kan je verzekeren dat ouders meer vertrouwen hebben in goede leraren voor de klas dan in gratis boeken.

Als we niet drastisch ingrijpen, heeft de helft van de leerlingen in Nederland over tien jaar geen leraar, een kwart moet het doen met ongekwalificeerde leraren en slechts het resterende kwart heeft geluk en krijgt les van een ‘echte' leraar. Een ‘echte' leraar schijnt een uitstervende soort te zijn.

Nu is het al zo dat in de regio Den Haag meer dan een kwart van de leraren onbevoegd lesgeeft. En met Plasterks plan wordt dat alleen maar erger. Jonge mensen met enig verstand in hun hoofd piekeren er niet over om leraar te worden. Als je de keuze hebt ga je toch niet in het onderwijs! De lerarenopleidingen zijn blij met iedere ziel die ze kunnen binnenhalen.

Vervolgens zitten ze na de propedeuse aan die studenten vast, omdat de financiering gekoppeld is aan het halen van een diploma.

Wat zou dat betekenen voor de kwaliteit van nieuwe leraren? Bovendien gaan de meeste studenten die met een diploma van de lerarenopleidingen afkomen, het onderwijs niet in! Hoe kan dat nou als Nederland het moet hebben van de kennis-economie? Waarom investeert Nederland niet veel meer in zijn toekomst? Waarom bereiden we leraren niet veel beter voor op hun taak? Waarom moeten leraren in Nederland de meeste lesuren draaien van Europa?

Waarom krijgen ze niet meer tijd om de lessen voor te bereiden, om te overleggen, om werk te maken van kwaliteit? Waarom moesten alle dwangmatige idealen budgettair neutraal het onderwijs ingeperst worden? Waarom?

Omdat Nederland de mentaliteit heeft van Zeeuws Meisje: geen cent te veel hoor!
Al jaren is het onderwijs het kind van de rekening. Daar kan de overheid immers het gemakkelijkste de knip dicht houden. Die leraren houden zich wel koest. Maar niet lang meer.

Wij geven Plasterk nog één kans: kom op 26 maart om 15 uur naar het Plein in Den Haag. Wij willen dat hij komt luisteren naar onze steun in zijn strijd om meer geld. Eén miljard per jaar extra op de onderwijsbegroting, tien jaar lang. Dat is geen cent te veel om Nederland te redden.

Ronald Cilon is leraar op het Aloysius College in Den Haag. Zie ook www.lerareninactie.nl.

Laat Peking haar spel niet spelen

vrijdag 14 maart 2008 22:01
Wel of niet naar de Olympische Spelen, daar gaat het niet om, zegt Mona Zhimin Tang. Het gaat erom pal te staan voor westerse waarden.

Hans Moleman is een beetje Chinees geworden, in negatieve zin. De communistische regering kan tot op heden aan de macht blijven, niet omdat ze een regering is ‘die beseft dat ze nog wel wat moet veranderen, wil het grote moderniseringsproject tot een goed einde worden gebracht', zoals hij hier twee weken geleden schreef (Forum, 1 maart). Nee, de CCP blijft aan de macht doordat ze wreed is, spioneert in het Westen en trucs gebruikt om mensen te misleiden, onder wie de correspondent van de Volkskrant uit het verre Nederland.

Moleman kan het Nie Na China-lied bewonderen in Shanghai, op Youtube. Dat is mooi. Op basis daarvan concludeert hij dat ‘de Chinese censuur niet meer is wat ze is geweest'. Daar is hij precies in de valkuil gevallen. Als hij de Nine Commentaries On The CCP  (klik hier voor de Nederlandse link)probeert op te zoeken, in het Chinees, dan zal dat niet lukken. Ook de pagina's in het Chinees over het bloedbad op het Plein voor de Hemelse Vrede op 4 juni 1989, zal hij niet kunnen lezen. Noch de site http://www.falundafa.org/ of sites over het orgaanroof-schandaal.

Chinezen hebben leren overleven in de lange, bloedige CCP-geschiedenis. Zij hebben geleerd dankbaar te zijn dat ze hun linker arm mogen behouden als de CCP hun rechter arm heeft afgehakt. Buitenlanders die te lang in China verblijven, nemen ongemerkt de logica van de partij over. Langzaam verliezen ze hun gezonde oriëntatie. Zo vermoed ik dat Moleman in China alleen nog het vernis zal zien van het echte culturele erfgoed. De binnenkant is allang door de CCP met geweld vernietigd.

Neem het Chinese schrift. Het Mandarijn-Chinees dat door mensen in de Volksrepubliek wordt gebruikt, is niet hetzelfde Mandarijn-Chinees dat in Taiwan wordt gebruikt. De CCP heeft 's werelds oudste nog levende Chinese geschrift durven manipuleren.

Of neem de Chinese geneeskunde. De essentie daarvan is het taoïsme - dat is de CCP als bijgeloof in de prullenbak gegooid. Sterker, eeuwenoude taoïstische tempels zijn vernietigd, taoïsten die in de weg stonden zijn vermoord.

Hier in Den Haag hebben mensen het geluk de voorstellingen van de Shen Yun Divine Beauty Art Group te mogen bewonderen. Via verschillende kunstvormen, zang, dans, muziek en toneel, vertellen deze voorstellingen wat de Chinese cultuur echt is, zonder CCP-invloeden. Deze voorstellingen worden overal bewonderd en toegejuicht, behalve in China zelf, het land waar de grondleggers van de Chinese beschaving, Confucius en Lao-Tse, leefden, waar het boeddhisme zijn volle bloei bereikte en waar dat met het confucianisme en het taoïsme voor het ene na het andere culturele en economische hoogtepunt zorgde. De CCP heeft de voorstellingen buiten China op allerlei manieren (inclusief intimidatie en bedreiging) geprobeerd te belemmeren. Gelukkig weten westerse toeschouwers juist daardoor wat er aan de hand is.

‘China gaat steeds meer open voor nieuwe ideeën, al slaagt het regime er ook in een andere indruk te wekken', schrijft Moleman verder. Hij roept  cabaretier Erik van Muiswinkel en andere artiesten op naar China te komen om samen te werken met Chinezen. Goed idee. Dat dacht ik ook. Dat dachten mijn Nederlandse vrienden drie jaar geleden ook. Het was Chinees Nieuwjaar. Overal waren versieringen, iedereen leek happy. In het Amerikaanse vijfsterrenhotel in het zuidwesten van China waar wij verbleven was er alles te vinden: van fitness, bowling, sauna tot kletscafé en prostitutie.

Wij bevonden ons in de gemoedstoestand waarin Moleman zich bevindt. Wij dachten echt dat China eindelijk de aansluiting had gevonden met de wereld. Met hier en daar wat minpunten. Totdat ik rond middernacht uit de lift door vier agenten van de geheime politie werd ontvoerd om via een geheime tunnel naar een kelder te worden gebracht waar ik werd ondervraagd door mensen die alles al over mij en mijn gezin wisten.

Ik krijg nu weer droge tranen en die stromen in mijn hart. Ik heb moeite  erover te vertellen. Toch hoef ik niet voor mijn leven te vrezen, omdat ik getrouwd ben met een Nederlander, en moeder ben van Nederlandse kinderen.
Wat denkt u er dat gebeurt met gewone Chinese burgers?


Op de dag waarop Moleman opriep naar China te komen, stond ik in het Brabants Dagblad  en werd ik op televisie door de NPS geportretteerd. Niet omdat ik graag in de media kom. Integendeel. Maar ik wil ook niet meer zwijgen en onderduiken in ruil voor de veiligheid van mijn kinderen.

Voor mij gaat het niet om wel of niet meedoen aan de Olympische Spelen. De keuze ligt bij de sporters. Het gaat om niet meedoen aan het machtsspel van de Communistische Partij. De acties van Van Muiswinkel en medestanders zijn ook niet bedoeld om China te veranderen van buitenaf.

Dat moeten Chinezen zelf doen. Het gaat erom de Nederlandse basis normen en waarden te bewaken en te verdedigen. Moleman schreef dat het ‘niet zo zwart-wit is als je dacht'. Maar Ik vrees dat de kwestie CCP versus Falun Gong wel om waarden gaat, die tussen kwaad en goed. wanneer een bewapende regering in de kwestie- CCP versus Falun Gong alle staatskrachten inschakelt om mensen die waarachtigheid, compassie en verdraagzaamheid volgen uit te roeien, of wanneer van gezonde en onschuldige beoefenaars van Qigong (lichamelijke en geestelijke gezondheidsleer, red.) willekeurig organen uit het lichaam worden gehaald en worden verkocht, dan is er volgens mij sprake van een duidelijke tegenstelling tussen goed en kwaad.

Wat kan een mens daar dan tegen doen? U mag kiezen: a) Doe zoals Van Muiswinkel en veroordeel deze misdaad. b) Doe niets.  c) Probeer een compromis te sluiten tussen goed en kwaad, tussen zwart en wit. d) Steun de CCP en maak voor hen propaganda.  Ik hoef niet te weten wat u doet. Het kost tijd om erover na te denken. Soms wel jaren. Maar er is niet zo veel tijd over. Het is urgent. Zeer urgent!

Mona Zhimin Tang  is zangeres.

Klik hier voor  het stuk van Erik van Muiswinkel en reacties daarop.
Klik hier voor de reactie van Erik van Muiswinkel op het stuk van Moleman.

We moeten allemaal wél naar China

vrijdag 14 maart 2008 17:05
Het is veel boeiender de grenzen van wat kan in China van binnenuit op te rekken dan vanuit de Tamtam-studio in Baarn, schrijft Hans Moleman.

‘Nie Na, N i e Naa China' - het zeurt al de hele dag door m'n hoofd, dat liedje. Je kunt het ook hier in Shanghai op Youtube bewonderen, de Chinese censuur is niet meer wat ze geweest is. Pakkende, simpele tekst, lekkere meedeinmelodie, enthousiast-onhandige motoriek van de optredende artiesten: je moet ervan houden, maar Holland spreekt een woordje mee. Alleen, er wordt een grote strategische fout gemaakt.

Je moet namelijk wél naar China tijdens de Olympische Spelen. Zeker als je protest wilt aantekenen tegen het systeem. Het helpt niet als je vanuit de Tamtam-studio in Baarn roept dat ze daar in Peking de vreselijkste dingen doen. Iedereen moet zelf naar China komen. Niet alleen de sporters, maar ook Erik van Muiswinkel, Bob Fosko, Vincent Bijlo, Jeroen van Merwijk, de hele Gideonsbende.
Mannen, hier is het plan: Bob verzamelt zijn Raggende Manne weer. Erik, Jeroen en Vincent kunnen misschien wat zangles overwegen, zodat ze versmelten tot een soepel achtergrondkoortje. Chinese vertalers inhuren voor het repertoire. ‘Kramp van je kanis' en ‘Zal ik jou eens effe lekker in je bek schijten - poep in je hoofd' klinkt vast heel apart in het Mandarijn. En op 8 juli, een maand voor de openingsceremonie, beginnen aan een monstertocht door China.

Kan dat, in een politiestaat als China? Wie niet waagt, die niet wint. China heeft een hele reeks undergroundcafés en alternatieve muziekpodia tegenwoordig, waar meer mogelijk is dan je zou denken, soms. Beginnen in Shanghai, bij A Room with a View bijvoorbeeld, en dan langzaam in een machtige omtrekkende beweging langs Nanjing, Guangzhou, Wuhan, Chengdu, Chongqing, Lhasa, Urumqi, Xian, Hohhot en Harbin, naar Peking toe.

Daar zit, halverwege de Verboden Stad en het Olympisch stadion, een pracht van een undergroundtent waar de Manne in de weken dat de Spelen woeden kunnen optreden. In Mao Live treden al elke avond indiebandjes op die zingen over de lol en de pijn van het Chinese bestaan.

Het gaat er soms ruig aan toe, en de barkeeper zal vast blij zijn met het recept van de Raggende Manne Slammer (scheut tequila in een stevig glas, shot champagne erbij en in een klap achterover). En dan iedere avond een andere Olympische sporter als gastact. Het wordt the talk of the town. Maar wat schiet je daar nou mee op, zal je vragen. Nou, je test het systeem. Er zit een regering die beseft dat ze nog wel wat moet veranderen, wil het grote moderniseringsproject tot een goed einde worden gebracht. China gaat steeds meer open voor nieuwe ideeën, al slaagt het regime er ook in een andere indruk te wekken.

Het is veel boeiender de grenzen van binnenuit op te rekken dan aan de zijlijn te blijven staan, in Baarn. Dat doen Chinese burgers zelf ook, dat testen, iedere dag. En als buitenlander loop je veel minder risico, zeker rond een evenement waarin het systeem zich van zijn beste kant wil laten zien. Als het meezit, bezorg je duizenden jonge Chinezen de avond van hun leven en merk je dat het hier niet zo zwart-wit is als je dacht. Als het tegenzit, beland je hooguit een paar dagen in de cel, dan worden je vooroordelen keurig bevestigd.

Effe laten zien wie je bent, zoals Bob Fosko zei - daar gaat het om. Solidair met het Chinese volk. Hou er alleen wel rekening mee dat de meeste Chinezen je niet zullen begrijpen, zelfs jonge, veranderingsgezinde studenten niet. Ze zullen de kritiek op de mensenrechten afwijzen, of er niet over willen praten. Ze zijn vooral bezig met andere dingen. Vooruitkomen, geld verdienen.
Besef ook dat ze op school hebben geleerd dat die kritiek uit het Westen bedoeld is om China te ondermijnen, om hun land onderuit te halen, net nu het weer een wereldmacht wordt. Ze denken dat wij het hen niet gunnen. Ze vertrouwen je niet. Daarom moet je veel praten. Niet schreeuwen, dat helpt niet in China.

Zijn ze dan blij met De Partij, met hun autoritaire systeem? Nee, veel Chinezen vinden dat er veel moet veranderen. Maar het moet voorzichtig gaan, anders loopt het fout af, zeggen ze dan: kijk maar naar de Sovjet-Unie die door die westerse democratie van jullie uiteen viel en een rovershol werd. Bemoeizucht van buiten valt in China vaak verkeerd, ook bij mensen die het in hun hart wel met je eens zijn.

Het is historisch verklaarbaar, lees de geschiedenis van de opiumoorlogen er maar eens op na. Je kunt zeggen, ze weten niet beter, het is de indoctrinatie van De Partij. Klopt een beetje. Maar er speelt meer, noem het nationale trots. Stel je voor dat Chinese grappenmakers opeens zeggen, hé, die Oranjes van jullie, kan dat effe anders? Dan denk je misschien toch ook: waar bemoei je je mee - al ben je geen vriend van Het Huis?

Het zijn maar wat kanttekeningen. Ik zie uit naar de tournee, de verwarring bij de autoriteiten, de jamsessies in Peking. Stel je voor, een polonaise van Mao Live naar Erica en Alex in het Heineken House. We gaan We Na, Wee Naaa China. Inhaken, allemaal!

Hans Moleman is correspondent van de Volkskrant in Shanghai.
Dit artikel stond op 1 maart op Forum. Zie ook vk.nl/peking
Leraren staken minder dan agenten - en leraressen nóg minder. Toch zou dat nog meer indruk maken dan een afgelaste voetbalwedstrijd. Ze hebben er ook alle reden toe, met zo'n waardeloze bond. Door Aleid Truijens.

Zaterdag was het weer Internationale Vrouwendag, en daarom trakteerde ik mezelf op een 24-urig dolce far niente, zoals iedere hardwerkende vrouw soms toekomt. Een dag doorgebracht met uitslapen, liggen op de bank met vier zaterdagkranten, in de zekerheid dat ik naar geen enkele presentatie, verjaardag of voorstelling hoefde. Een paradijselijke toestand, slechts onderbroken door de inname van veel en lekker eten.

Ik mocht er zelfs foute zwijmelmuziek bij opzetten, want man en zoon brachten de middag door op het sportveld, gevolgd door een bierovergoten derde helft.

Eerlijk gezegd kreeg ik pas in de gaten dat het Internationale Vrouwendag was toen ik die kranten doornam. Ze stonden vol ontmoedigende berichten over salarisachterstand van vrouwen (16 procent), hun doorbreken aan de top (5 procent), hun hardnekkige voorkeur voor parttimebaantjes, en met argumenten waarom topmannen dat liever zo houden (vrouwen verzwakken hun positie en zijn slecht voor de concurrentie), die kennelijk zwaarder wegen dan vrouwelijke pluspunten als langetermijnvisie en verbetering van de teamgeest.

Het was een schande dat ik zomaar wat lag te lummelen. Ik moest naar conferenties over glazen plafonds en dansavonden die ‘de godin' in de vrouw wakker schudden. Ik belichaamde hier, lome zeekoe van 52, eerder het thema van de boekenweek, waarover de kranten ook al niet uitgepraat raakten. Ook op dit punt werd ik berispt: use it or lose it, laat je overal zien, anders slaat de Alzheimer toe. Alleen Maria Goos, 52, gaf me in Het Parool gelijk. Ze pleitte voor meer nietsdoen, vaker nee zeggen en mijmeren. Zo werk je in de overige uren geconcentreerder en beter. Goede ideeën ploffen neer in een schoon hoofd.

Less is more, ook in het onderwijs. Minder uren lesgeven, maar betere lessen. Tijd voor voorbereiden en nakijken, tijd voor goede ideeën - zoals in de andere Europese landen. Minister Plasterk heeft tot nu toe niks gedaan om de positie van leraren te verbeteren. Wel heeft hij vorig jaar beloofd hen meer te laten werken - een volledige baan zou niet 36 maar 40 uur moeten zijn - zodat ze hun minieme salarisverhoging zelf betalen. Briljant idee. Academici verdienen op dit moment in het voortgezet onderwijs 25 procent minder dan in het bedrijfsleven. De vakbonden gaan dit voorjaar opnieuw in onderhandeling over een paar procent meer. Bovendien willen ze dat álle lerarensalarissen omhoog gaan, waardoor de kloof tussen ‘voorhossers' en ‘nahossers' (nu al zo'n 1.000 euro per maand) groter wordt en academici nog steeds niet naar opleiding worden betaald.

Aan zo'n bond heb je wat.

Waarom onderhandelen vakbonden trouwens niet rechtstreeks met de geldverstrekker, de overheid, maar met een quasi-werkgeversorganisatie als de VO-Raad? Diezelfde Raad die nu zegt ‘samen' met de leraren op de bres te staan voor betere salarissen, lanceerde vorig jaar het plan om beginnende leraren niet te betalen in de gewone beginnersschaal, maar twee schalen lager, als trainee. Geweldig idee in tijden van lerarentekort. Je zou als academicus wel gek zijn om zo'n baantje te nemen, vooral omdat je ten sterkste wordt ontraden fulltime te werken - dat houd je niet vol. Nu al zie je jonge eerstegraders na een paar jaar gedesillusioneerd naar het bedrijfsleven vertrekken. De VO-Raad betreurt die aftocht van talent kennelijk niet.

Gelukkig is er eindelijk een actiegroep, stopplasterk.web-log.nl, opgericht door docenten van het Haagse Aloysius College. Ze hebben vier eisen: inschaling naar opleiding; werkdrukverlichting; 15 procent loonsverhoging en géén lerarenregister.

Gerechtvaardigde eisen. Ze sturen mails naar alle docenten in het land en zullen zonodig het middel van staking niet schuwen. Mooi plan. Leg het onderwijs maar een paar weken plat, dat maakt nog meer indruk dan een afgelaste voetbalwedstrijd. Het zal niet snel gebeuren. Leraren staken niet graag; zij schaden er hun leerlingen mee.

Ik hoorde dit weekend nog een reden waarom zo'n staking onwaarschijnlijk is. ‘De parttimevrouwtjes', zuchtte een jonge leraar mismoedig, ‘zullen niet bereid zijn mee te doen.' Ik veerde op van mijn bank, het was tóch Vrouwendag. Wat een misselijke seksistische opmerking! De jongen legde uit dat zijn vrouwelijke collega's met kinderen doorgaans dik tevreden zijn met hun salaris. Zij kozen dit werk niet ‘om het geld' - hun kostwinner verdient genoeg - maar om de voldoening, de handige werktijden en de schoolvakanties. Maar híj kon met dit salaris geen gezin onderhouden.

Daalt de status van een beroep - en het salaris - wanneer vrouwen massaal toestromen, omdat het zo een kneuterige, ‘verzorgende' uitstraling krijgt? Of dalen de salarissen, en daarmee de status en de aantrekkingskracht op mannen, omdat veel vrouwen genoegen nemen met een leuk bedragje ‘erbij'? Vermoedelijk zijn beide mechanismen werkzaam. Beide zijn onaanvaardbaar en vernederend. Vrouwen moeten zichzelf niet als veredelde vrijwilliger laten gebruiken. De beroepsgroep die zo graag en vaak terecht klaagt, moet nu maar eens massaal en luid voor zichzelf opkomen.

Man of vrouw, kostwinner of niet.

Aleid Truijens is columnist van de Volkskrant. Haar artikelen staan iedere dinsdag op de Forum-pagina.
De kritiek van Stig Bengmark op de probiotica-studie waarbij opvallend veel patiënten stierven (Voorpagina, 8 maart en Binnenland, 10 maart) was al lang bekend. 

Zijn vragen zijn naar tevredenheid van het wetenschappelijke tijdschrift The Lancet gepareerd. Door die kritiek op de voorpagina te plaatsen, suggereert de Volkskrant dat het nieuws is. Nabestaanden van overledenen en patiënten die de ziekte hebben overleefd, worden opgeschrikt met achterhaalde opvattingen en vragen van één van de beoordeelaars van de studie.

De werkelijkheid is dat het document waaruit de Volkskrant citeert, één van de vijf reviews is die al maanden geleden  door The Lancet zijn ontvangen.  Het tijdschrift publiceerde pas nadat de redactie, op grond van het manuscript en het antwoord op aanvullende vragen, overtuigd was van de wetenschappelijke verantwoording  van het onderzoek. Daarbij zijn ook  de medisch-ethische aspecten van de studie en de bewerking en interpretatie van de onderzoeksresultaten afgewogen.
De Volkskrant rechtvaardigt de kop van het artikel ‘Felle kritiek onderzoek probiotica' en plaatsing op pagina 1 met het argument dat het aantal sterfgevallen  mogelijk voorkomen kon worden en dat de studie ethisch aanvechtbaar is. De krant acht deze aantijging gegrond omdat Bengmark zei dat er eerst een kleine studie bij mensen gedaan had moeten worden en dat uitgebreid laboratoriumonderzoek nodig is.


Ook stelt hij, dat geen tussenanalyse is verricht en dat hiermee een aantal sterfgevallen voorkomen had kunnen worden. Omdat dit de eerste vraag is die de onderzoeksgroep zich heeft gesteld, zijn de resultaten van de tussenanalyse, waarbij geen verschil bleek te bestaan tussen beide groepen, aan meerdere deskundigen, allen niet betrokken bij het onderzoek, voorgelegd.

Ook zij waren, net als de beoordelingscommissie halverwege, van mening dat de studie terecht is voortgezet.  Er is een dierproevenstudie gedaan en het product is uitvoerig getest in het laboratorium. Ook zijn drie kleine studies met probiotica gedaan bij mensen. Hieruit bleek geen negatief effect. Over deze onderzoeken is gepubliceerd. Verwijzingen naar deze studies staan ook in The Lancet. 

  De studie is verder goedgekeurd door alle vijftien  erkende medisch-ethische toetsingscommissies van de ziekenhuizen waar het onderzoek plaatsvond.  Uit de tussentijdse analyse door een onafhankelijke beoordelingscommissie bleken geen significante verschillen tussen de probiotica- en de controlegroep. Op basis daarvan was er geen andere conclusie mogelijk dan de studie voort te zetten.

In andere commentaren naar aanleiding van het onderzoek in vooraanstaande tijdschriften als The British Medical Journal  wordt gesproken van een uitzonderlijk initiatief om helderheid te brengen in het ingewikkelde probleem van acute alvleesklierontsteking. De opzet - inhoudelijk en medisch-ethisch - en de conclusies, keuren zij goed.

De gezamenlijke onderzoekers,
Hein Gooszen, chirurg, UMC Utrecht
Marc Besselink, arts-onderzoeker, UMC Utrecht
Hjalmar van Santvoort, arts-onderzoeker, UMC Utrecht
Erik Buskens, epidemioloog, UMC Groningen
Marja Boermeester, chirurg/epidemioloog, AMC Amsterdam
Harry van Goor, chirurg, UMC St.Radboud
Harro Timmerman, onderzoeker, UMC Utrecht
Vincent Nieuwenhuijs, chirurg, UMC Groningen
Thomas Bollen, radioloog, St.Antonius Nieuwegein
Bert van Ramshorst, chirurg, St.Antonius Nieuwegein
Ben Witteman, MDL-arts, Gelderse Vallei Ede
Camiel Rosman, chirurg, CWZ Nijmegen
Rutger Ploeg, chirurg, UMC Groningen
Menno A Brink, MDL-arts, MeanderMC Amersfoort
Sandro Schaapherder, chirurg, LUMC Leiden
Kees Dejong, chirurg, AZM Maastricht
Peter Wahab, MDL-arts, Rijnstate Arnhem
Cees van Laarhoven, chirurg, st.Elisabeth Tilburg
Erwin van der Harst, chirurg, MCRZ Rotterdam
Casper van Eijck, chirurg, Erasmus MC Rotterdam
Miguel Cuesta, chirurg, VUmc Amsterdam
Louis Akkermans, onderzoeker, UMC Utrecht

Klassen, leraren en managers trekken samen op

donderdag 28 februari 2008 10:38
Noem Sjoerd Slagter geen onderwijsbobo, maar een schoolleider die tegen de tijdgeest in probeert te investeren in vertrouwen. Wat hulp zou geen kwaad kunnen.

Columnist zijn heeft - in vergelijking met het ministerschap - zo zijn voordelen, erkende minister Plasterk laatst in een interview bij Buitenhof: je kunt ongenuanceerd je mening geven en desgewenst eens flink op de persoon spelen. Dat laatste doet Aleid Truijens in haar column van vorige week (Forum, 19 februari) dan ook ongegeneerd. Zij haalt uit naar ‘onderwijsbobo Sjoerd Slagter' en adviseert minster Plasterk ‘driest' tegen hem op te treden.

Afgezien van het feit dat ik driest optreden niet echt vind passen bij een minister, herken ik me in het geheel niet in kwalificaties als ‘bobo', ‘krijtlijntrekker' of ‘ondernemertje met gemeenschapsgeld die zichzelf hoge salarissen toebedeelt'. Schoolleiders en bestuurders gaan niet over hun eigen sa-laris en zijn zeker niet de ‘grootste vijand van de leraar'. En als je meer dan twintig jaar voor de klas hebt gestaan en daarnaast als rector jarenlang last hebt gehad van de regelzucht van Haagse bobo's, word je er natuurlijk nooit zelf één.

Vrijwel mijn gehele werkzame leven heb ik met mijn voeten in de onderwijsklei gestaan en aan den lijve ondervonden hoezeer je elkaar nodig hebt in de school. Sommige mensen schijnen er echter baat bij te hebben tegenstellingen te creëren. ‘Scholen' zijn de leraren niet, stelt Truijens. Polariseren levert misschien interessante journalistiek op, maar is niet goed voor het onderwijs. En eerlijk gezegd zie ik die tegenstellingen ook niet.

Natuurlijk zie ik de verschillen in positie, standpunten en verantwoordelijkheden. Maar alle partijen
dienen uiteindelijk hetzelfde belang. Goede schoolleiders weten dat een goede school bestaat bij de gratie van goede docenten. Wat ik zie, zijn schoolleiders, besturen en docenten die zich samen hard maken voor een betere beloning van docenten, voor kortere salarislijnen, meer doorgroeimogelijkheden. Ik zie alle betrokkenen bij een school zich gezamenlijk inzetten voor meer zeggenschap over didactiek, een betere aanpak en organisatie, een goede huisvesting en voldoende werkplekken.

Als docent, als rector en als bestuurder heb ik ervaren hoe cruciaal vertrouwen is in het onderwijs. Leerlingen, docenten en schoolleiding kunnen zonder wederzijds vertrouwen niet functioneren. Vertrouwen haalt het beste in mensen naar boven. Laten we daar dus in investeren.

Maar het onderwijs moet tegen de stroom in roeien. We leven in een low trust-samenleving. Wantrouwen beheerst en structureert de sociale verhoudingen. Bewindslieden, politici en journalisten die uit politiek belang of sensatiezucht een sfeer van wantrouwen in het onderwijs importeren, geledingen tegen elkaar opzetten en bestaande tegenstellingen uitvergroten, bewijzen het onderwijs, docenten en uiteindelijk ook de leerling een slechte dienst.

Het wordt tijd dat de politiek en de journalistiek zich bewust worden van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Sjoerd Slagter is voorzitter van de VO-raad (voor voortgezet onderwijs).

Plasterk moet nu driest optreden

donderdag 28 februari 2008 10:34
De overheid moet zich nu niet nederig terugtrekken uit het onderwijs, maar keihard optreden, stelde Aleid Truijens op 19 februari. Zij moet leraren beschermen tegen ‘de scholen', tegen onderwijsbobo's als Sjoerd Slagter.

De overheid heeft haar kerntaak, het zeker stellen van de kwaliteit van onderwijs, ernstig verwaarloosd. Het is hardop gezegd in het eindrapport van de commissie-Dijsselbloem, zonder terughoudendheid. Eindelijk lijken ze ruimschoots gelijk te krijgen: leraren die met de moed der wanhoop kinderen kennis probeerden bij te brengen, ouders die vergeefs zochten naar een school waar ‘zelfstandig leren' geen speerpunt was en leerlingen die eerder gemaakte foute keuzen niet konden herstellen.


‘Ontluisterend', noemt Jeroen Dijsselbloem wat hij aantrof in onderwijsland. Wouter Bos beaamt het met een jongensachtig lachje: we zaten fout. Ze leggen deemoedig de schuld bij de politiek, ook bij hun eigen PvdA. Ministers en staatssecretarissen waren verblind door hun verlangen te scoren en lieten het klusje van de onderwijsvernieuwing klaren door intimiderende ‘procesmanagers'; de beide Kamers zaten te slapen of vonden het wel best.

De Inspectie controleerde te weinig op kwaliteit, maar stelde zich op als een vernieuwingspolitie. Toch is het nog te vroeg om het bruisende glas te heffen op de triomf van de critici. De conclusies in het rapport Tijd voor Onderwijs tonen een onheilspellende contradictie. De onderzoekers zijn zeer kritisch over de invoering van didactische concepten als het studiehuis en andere vormen van ‘nieuw' of ‘competentiegericht' leren, die zonder draagvlak bij de docenten werden ingevoerd.

Tegelijk wil de commissie niet tornen aan de autonomie van de scholen.
 
Die zienswijzen gaan niet samen. ‘De politiek' valt veel te verwijten. Een paar bezoekjes van Netelenbos en Wallage aan ontzettend vrolijke scholen met ‘leertuinen' waren genoeg. Ze stuurden hun procesmanagers het land in om de vernieuwingen erdoor te drukken, met gretige hulp van onderwijscentra als KPC en APS, die vergenoegd constateerden dat hun kostje voorlopig was gekocht. Lerarenopleidingen brachten toekomstige docenten nog maar één effectieve didactiek bij, die van het ‘nieuwe leren' of aliassen daarvan. Maar ‘de scholen' hapten al even gretig toe.

Combineer mogelijkheden om te bezuinigen met kansen om de greep op eigenwijze leraren te verstevigen en de schoolbestuurders en hun management veren blij op, met als resultaat een landelijke monocultuur van ‘zelfstandig leren', met de vakdocent als instructeur. De mislukte onderwijsvernieuwingen zijn grotendeels te wijten aan ‘de scholen'.

De conclusie van de commissie-Dijsselbloem dat de overheid zich voortaan alleen mag bemoeien met ‘wat' geleerd moet worden - canons van vakkennis, ferme exameneisen - en niet met het ‘hoe', de didactische methode, is daarom verkeerd. Juist met het ‘hoe' is het jammerlijk misgelopen - zoals de commissie zelf constateert. Alleen de leraar die verzet bood krijgt, nu de revolutie is mislukt, een pluim: hij heeft erger voorkomen door hardnekkig voor de leerling te kiezen, hij bleef ‘goed' onder de terreur van de vernieuwingsprofeten.

Ook Plasterk noemt die leraar graag ‘een held', in schrijnende tegenstelling tot de ‘krijtlijntrekkers', de ‘ondernemertjes met gemeenschapsgeld' die de macht grepen en zichzelf hoge salarissen toedeelden. Het zijn gratuite complimentjes, een sneue troostprijs. Veel van die ontgoochelde leraren hebben het onderwijs trouwens allang verlaten. Het is bobo Sjoerd Slagter, voorzitter van de VO-raad (de raad voor het voortgezet onderwijs), die nu glimlachend de overwinning naar zich toe trekt.

Want kijk, Slagter is het natuurlijk helemaal eens met de conclusies van Dijsselbloem. De schuld ligt volledig bij de overheid! Gemakshalve vat hij de aanbevelingen van de commissie samen als ‘alle zeggenschap terug naar de scholen'. Net als bij de discussie over de 1.040-norm, waarbij Slagter eerst op schoot kroop bij Van Bijsterveldt om daarna spoorslags de kant van het LAKS te kiezen, schaart hij zich nu snel in het goede kamp.

Het was Slagter die in interviews orakelde dat vakkennis achterhaald was in onze ‘postmoderne' tijd met ‘polyvalente' waarden. Hij verkondigde dan ook de afgelopen dagen in de media dat er met de vernieuwingen niks mis was; het falen zat hem in ‘de regeltjes'. ‘Scholen' zijn de leraren niet. Slagter spreekt niet namens de leraren. Er zijn gelukkig nog schooldirecties die zich dienstbaar en constructief opstellen, maar vaker zijn bestuur en management de grootste vijand van de leraar, meer dan de overheid.
 
Die overheid moet zich nu niet nederig terugtrekken, maar driest optreden.

Zij moet leraren beschermen tegen ‘de scholen'. De kwaliteit gaat pas omhoog als de huidige monocultuur van ineffectieve didactiek wordt doorbroken, leraren ruimte krijgen hun vak te doceren en ouders weer wat te kiezen hebben - echte vrijheid van onderwijs. Het is Plasterk die het tweekoppige monstrum van autonomie en lumpsumfinanciering moet elimineren, het is Plasterk die de zeggenschap over lerarensalarissen en vereiste lesbevoegdheden moet terugeisen en de macht van de onderwijscentra moet indammen.

Na publicatie van het al even ‘ontluisterende' rapport van Rinnooy Kan liet hij dat na. Ook deze vernietigende conclusies bieden hem die ruimte.

Plasterk kan nu geschiedenis schrijven - als hij durft.

Aleid Truijens is columnist van de Volkskrant.

Nederland moet homovriendelijker worden

woensdag 27 februari 2008 14:22
Nederland heeft veel gedaan voor de rechten van homoseksuelen. Boris van der Ham e.a. vinden niettemin dat de regering discriminatie harder moet bestrijden.

Morgen debatteert de Tweede Kamer over de nota Gewoon homo zijn van minister Plasterk. Helaas ontbreken in deze nota enkele cruciale elementen. Die verdienen het om opgepakt te worden.

Wat betreft homo-emancipatie heeft Nederland veel om trots op te zijn. Het burgerlijk huwelijk is opengesteld voor partners van gelijk geslacht, homoparen kunnen een kind adopteren en een grote meerderheid van de Nederlanders zegt homoseksualiteit als bestaanswijze te accepteren.

Toch is er ook een andere kant. Het gevoel van onveiligheid onder homo's en lesbiennes is de afgelopen jaren toegenomen en de homotolerantie onder bepaalde bevolkingsgroepen is nog steeds te laag. Bovendien is het voor jongeren nog steeds moeilijk op school of bij sportverenigingen voor hun geaardheid uit te komen.

De regering moet daarom fors inzetten om homofoob-gerelateerd geweld beter te registreren en te bestraffen, gebiedsverboden in te stellen voor daders en scholen bij te staan in het geven van voorlichting.

Maar ook binnen de wetgeving is er nog veel te overwinnen. Zo verdienen adoptierechten voor homo's en lesbiennes blijvende aandacht, zoals het lesbisch meemoederschap. Nu dient de niet-biologische moeder van het stel het kind te adopteren, wat veel tijd en geld kost. Bovendien ontstaan er grote problemen met de rechtszekerheid van kinderen wanneer in de tussentijd de biologische of niet-biologische moeder komt te overlijden. Deze wetten moeten spoedig worden gemoderniseerd.

Een veel ernstiger tekortkoming in onze wetgeving vormen de discriminatiebepalingen in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB). Die wet maakt het voor het religieuze onderwijs mogelijk personen te weigeren die openlijk voor hun geaardheid uitkomen (zie het artikel hiernaast, red.). Dus moet deze wet, die leraren op dergelijke scholen bovendien hindert homoseksualiteit bespreekbaar te maken, worden aangepast.

Ten slotte pleiten we voor een nog fundamentelere stap. De regering heeft in haar beleidsprogramma aangekondigd te komen tot een herziening van de Grondwet. In dat kader pleiten wij ervoor dat in artikel 1 van de Grondwet homoseksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond moet worden opgenomen. Instanties als de Commissie Gelijke Behandeling en het COC pleiten hier al jaren voor en twee jaar geleden sloot ook het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) zich hierbij aan. Sinds de laatste Grondwetherziening in 1983 luidt artikel 1 als volgt: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.'
 
Wij stellen voor hier ‘hetero- of homoseksuele gerichtheid' aan toe te voegen.

De Grondwet heeft een sterke rol gekregen als maatschappelijk baken in het publieke debat. Het opnemen van deze non-discriminatiegrond zal een sterke en blijvende impuls zijn voor homo-emancipatie. Naast symbolische waarde heeft opneming ook een juridisch effect. In 2006 stelde de ‘Commissie rechtsgevolgen non-discriminatiegronden Artikel 1 Grondwet' dat expliciete benoeming in de Grondwet positieve gevolgen kan hebben voor meer rechtsbescherming van homoseksuelen.

Dat die bescherming nog niet vanzelfsprekend is, blijkt wel uit het debat over de ‘weigerambtenaren'. In ons huidige tijdsgewricht zou het niet geaccepteerd worden als een ambtenaar een huwelijk zou weigeren vanwege de religieuze of raciale oorsprong van de huwelijkskandidaten, maar waarom dan wel bij mensen van het gelijke geslacht? Gelovigen, mensen met een andere huidskleur en homoseksuelen, allen moeten zich in gelijke mate door artikel 1 beschermd weten en voelen.

Nederland is decennia lang een voorbeeld geweest wat betreft homo-emancipatie. Alleen al daarom heeft het de opdracht niet achterover te leunen, maar voort te gaan in het verbeteren van de positie van homo's en lesbiennes.

Boris van der Ham is Tweede Kamerlid voor D66.
Geert Dales is bestuursvoorzitter van de Hogeschool InHolland.
Claudia de Breij is cabaretière.
Johan Kenkhuis is voormalig Olympisch medaillewinnaar zwemmen.
Erwin Olaf is fotograaf.
Henk Krol is hoofdredacteur van de Gaykrant.
Ria van Oosten is hoofdredacteur van Zij aan Zij.
Tom Brouwers is voorzitter van het Homojongerenplatform.

Homo's hebben recht op een betere wet

dinsdag 26 februari 2008 17:54
De Algemene wet Gelijke Behandeling discrimineert en moet worden aangepast, vindt Frank van Dalen van het COC.

Donderdag (28 februari) debatteert de Tweede Kamer met het kabinet over de Algemene wet Gelijke Behandeling. Europa tikte Nederland eerder deze maand op de vingers omdat Nederland teveel ruimte biedt aan homodiscriminatie. In Nederland worden gelovige homoseksuelen monddood gemaakt, terwijl het kabinet in godsdienstige kring het open debat juist wil bevorderen. De AWGB discrimineert en moet worden aangepast.

Eurocommissaris Vladimir Spidla maakt in zijn brief eerder deze maand duidelijk dat Nederland op grond van artikel 5.2 organisaties op godsdienstige, levensbeschouwelijke grondslag en politieke organisaties te veel ruimte geeft om bijvoorbeeld homoseksuelen te weren.

Het ‘enkele feit' dat een (toekomstig) werknemer homoseksueel is of een relatie heeft met iemand van het eigen geslacht kan geen reden zijn hem of haar te weren of te ontslaan aldus Spidla. Dat vindt minister Plasterk ook en strikt genomen is dat ook wettelijk in ons land zo. Maar met tal van sluipwegen in onze wet is de praktijk heel anders. Daarbij wordt misbruik gemaakt van de zogenaamde ‘enkele feit'-constructie in onze AWGB én van het feit dat veel gelovige homoseksuelen niet in de positie zijn om dit openlijk aan te klagen.

Scholen leggen namelijk in hun grondslag vast dat openlijke homoseksualiteit daar niet mee in overeenstemming is en verlangen van het onderwijspersoneel en de leerlingen dat zij die grondslag onderschrijven en strikt naleven.

Aan de basis daarvan ligt een godsdienstig denken waarin onderscheid wordt gemaakt tussen ‘homofiele identiteit', wat ze als ‘het enkele feit' van iemands homoseksuele gerichtheid beschouwen en waarop ze stellen ook niet te discrimineren, en de ‘homoseksuele praxis', die wel wordt afgewezen. Een onderscheid dat in de EU-richtlijnen én in de AWGB niet wordt gemaakt.
Vreemd genoeg oordeelt de Commissie Gelijke Behandeling dat onderwijspersoneel en leerlingen verplicht kunnen worden zo'n grondslag te ondertekenen, zelfs als daarin eisen aan het privé-leven worden gesteld die formeel onwettelijk zijn en in veel gevallen ook niet ‘wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd' zijn voor de functies die uitgeoefend worden. Dat versterkt de indruk bij scholen dat ze met die grondslag ook het recht hebben om homoseksuelen te weren. En omdat daarover zelden of nooit klachten komen bij een rechter of de CGB is dit een uitstekend middel gebleken voor het bijzonder onderwijs om te voorkomen dat christelijke homoseksuele docenten of leerlingen zich openlijk uiten.

Scholen en andere organisaties op godsdienstige grondslag mogen vinden wat ze vinden en mogen dat ook uitdragen. Dat valt allemaal onder de vrijheid van onderwijs en meningsuiting. Maar de autonomie in eigen kring mag niet leiden tot een autonome rechtsorde waar institutionele discriminatie vorm krijgt. De grondslag kan geen rechtsgrond zijn voor ongelijke behandeling of het monddood maken van gelovige homoseksuele docenten en leerlingen.

CU-fractievoorzitter Arie Slob veegt deze hele kwestie van tafel met de opmerking dat er geen problemen zijn en dat de EU zich dus niet met de Nederlandse wetgeving moet bemoeien. Onbegrijpelijk als we kijken naar reacties op pogingen om homoseksualiteit in religieuze kring bespreekbaar te maken.

Enkele weken terug liet prof. dr. G. Harinck in het Nederlands Dagblad weten dat hij homoseksualiteit geen probleem vindt en waagde hij het zelfs de louter Schriftuurlijke afwijzing van homoseksualiteit te bekritiseren. Het was het startsein vanuit gereformeerd-vrijgemaakte kring voor een hetze tegen de hoogleraar. Een protestsite roept op tot ontslag van Harinck aan de Theologische Universiteit Kampen en daar wordt inderdaad een onderzoek naar gedaan. Onder die druk heeft de hoogleraar inmiddels zijn vrijzinnige woorden dan ook schielijk ingetrokken.

Als zo'n prominent voorganger uit eigen kring die zelf niet eens homoseksueel is enkel vanwege een paar als te vrijzinnig ervaren opmerkingen al zo aangepakt wordt, wat moet een anonieme gereformeerde wiskundeleraar of leerling uit Kampen, die wel homoseksueel is, dan wel niet denken? Die kijkt wel uit om voor zijn homoseksualiteit uit te komen. Die zal als er problemen ontstaan niet klagen bij de rechter of de CGB. Slob weet dat, maar noemt dat ´geen probleem´.

Als dit kabinet echt serieus werk wil maken van het op gang brengen van het gesprek over homoseksualiteit in orthodox-godsdienstige kring, en dat is een speerpunt van het homobeleid, dan dient dit kabinet eerst onomwonden duidelijk te maken dat homoseksuelen vrijuit aan het debat binnen hun kerkgenootschap moeten kunnen meedoen zonder angst dat zij hun baan kunnen verliezen of van school worden gestuurd. Die wettelijke waarborg dient nu spijkerhard verankerd te worden in onze anti-discriminatiewetgeving. Die waarborg is de voorwaarde voor een open debat in godsdienstige kring waaraan ook gelovige homoseksuelen vrijuit kunnen deelnemen.

En daarom moet de ‘enkele feit'-constructie uit alle artikelen in onze AWGB geschrapt en vervangen worden door de strikte ‘uitzonderingsregel' uit de EU-richtlijnen. Ook voor godsdienstige, levensbeschouwelijke en politieke organisaties moet gelden dat zij in lijn met wat Europa stelt enkel onderscheid mogen maken als zij concreet per functie heel precies kunnen aangeven dat het gaat om een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste voor het verwezenlijken van hun grondslag. In de praktijk zal dan blijken dat bij strikte toepassing van die wetgeving in vrijwel alle gevallen non-discriminatie prevaleert. Ook voor gelovige homoseksuele docenten en leerlingen.

Frank van Dalen is voorzitter van het COC.

Onderwijsprestaties naar beneden gepraat

woensdag 20 februari 2008 23:58
Het rapport van de commissie-Dijsselbloem biedt als lonkend toekomstperspectief beter gefundeerd onderwijsbeleid. Zo zullen toekomstige beleidsplannen pas mogen worden ingevoerd als uit experimenteel onderzoek is gebleken dat de plannen deugdelijk zijn. Als zodanig toont de Commissie zich een kampioen van de al enige jaren in internationaal verband klinkende roep om evidence based onderwijsbeleid. Een kleine, maar misschien niet onbelangrijke dissonant in deze mooie boodschap is de wijze waarop de voorzitter van de commissie omgaat met de positieve resultaten van Nederland op internationale onderzoeken. In de Volkskrant van 14 februari zegt hij hierover dat aan die onderzoeken te veel waarde wordt gehecht. Hij noemt vervolgens het PISA onderzoek niet representatief en stelt dat het geen verbazing mag wekken dat Nederlandse leerlingen het goed doen, omdat de vragen ontworpen zijn door het CITO en 'dus' nauw aansluiten bij het Nederlandse onderwijsprogramma.

In het rapport zelf wordt de zaak wel iets genuanceerder weergegeven; zo geldt de kritiek van een niet-representatieve steekproef slechts voor een van de vijf aangehaalde internationale onderzoeken (het PISA onderzoek in 2000). Overigens bleek die steekproef uiteindelijk wel representatief, al werd de te realiseren steekproefgrootte niet op de door de OECD voorgeschreven wijze bereikt. De feiten zijn verder dat Nederland bij elf betrekkelijk recente internationale peilingen, (driemaal PISA, 2000, 2003 en 2006, in de vakken lezen, wiskunde en natuurwetenschappen, en eenmaal TIMSS, 2003, in de vakken wiskunde en natuurwetenschappen), elf keer in de top tien van landen stond.

Gegeven het aantal peilingen en het feit dat voor alle drie de basisvakken consistent betrekkelijk hoog gescoord werd kan men hier moeilijk een negatieve waardering aan geven. Toch meent de commissie deze uitkomsten, waar een land als Duitsland als het ware zijn vingers bij zou aflikken, sterk te moeten relativeren. Tegelijkertijd wordt een (voorlopig) eenmalige, lichte daling in de prestaties bij de vakken lezen en wiskunde als een neergaande trend uitgelegd, en breed uitgemeten in de conclusies.

De suggestie van 'geen kunst' dat Nederlandse leerlingen goed presteren in de PISA onderzoeken, omdat de toetsen nauw aansluiten bij het Nederlandse onderwijs, is zondermeer opmerkelijk. Dit gegeven zou eerder moeten worden gezien als erkenning van het feit dat het Nederlandse onderwijs een goede aansluiting vindt bij wat internationaal wordt onderkend als belangrijke kennis en vaardigheden. Het vaststellen van de inhoud van de toetsen is een uiterst zorgvuldig proces dat wordt uitgevoerd door internationale commissies van deskundigen en waarbij door alle deelnemende landen met argusogen naar eventuele culturele vertekening wordt gekeken. De suggestie dat het CITO als deelnemer in het internationale consortium dat de toetsen ontwikkelt dit naar zijn hand zou kunnen zetten slaat nergens op.

In de Volkskrant van 18 februari legt de 'expert op wie Dijsselbloem zich baseerde', collega Borghans van het ROA, er nog een schepje bovenop in het relativeren van de betekenis van internationaal vergelijkend onderzoek. "Nederland is moeilijk te vergelijken met het buitenland", wordt uit zijn mond opgetekend. Hoewel deze cryptische uitspraak geen recht doet aan de uitgebreide analyse die Borghans aan dit onderwerp besteed heeft, is nuancering op zijn plaats. Onderzoeken als TIMSS en PISA leggen een breed scala aan achtergrondfactoren van leerlingpopulaties en schoolsytemen vast, daarbij inbegrepen de invloed van de sociaal economische status van leerlingen op de toetsscores, evenals de vraag in hoeverre de getoetste inhouden ook daadwerkelijk zijn onderwezen (dit laatste dan vooral in het TIMSS onderzoek). Dit zijn geen onbelangrijke maatregelen om de interpreteerbaarheid van de vergelijkingen in prestaties te verbeteren.
Internationaal vergelijkende peilingonderzoeken hebben zeker hun beperktheden, maar de zorgvuldigheid waarmee ze worden voorbereid en uitgevoerd kan de toets van wetenschappelijke kritiek doorstaan. Als dat niet zo zou zijn, dan waren de uitkomsten allang onderuit geschoffeld, vooral onder invloed van landen die het niet prettig vinden om slecht uit de bus te komen in de rankings.

Het idee van beter gefundeerd, op getoetste feiten gebaseerd onderwijsbeleid is loffelijk. Hoe moeilijk dit in praktijk te brengen is, wordt, merkwaardig genoeg, op ondubbelzinnige wijze geïllustreerd door voorzitter Dijsselbloem himself: zelfs als er tamelijk overtuigende empirische evidentie is, is er geen kruid gewassen tegen eenzijdige interpretaties door politici van feiten die wat moeilijk passen in de al gemaakte beleidskeuze, of in dit geval, de overall diagnose van een beleidsevaluatie.

Jaap Scheerens is Hoogleraar Onderwijskunde aan de Universiteit Twente

Wat doen onze Afghanen nog in Nederland?

woensdag 13 februari 2008 16:33
Zet de Afghanen in Nederland in bij de wederopbouw in Uruzgan, betoogt Carolien van Dam.

Er zijn op dit moment zo'n 1.200 Nederlandse militairen in Afghanistan. Tegelijkertijd verblijven er zo'n 60.000 Afghanen in Nederland, vijftig keer zo veel. Zouden al die Afghanen in Nederland militairen zijn, dan moesten we constateren dat we de strijd verliezen. Maar de Afghanen hier in Nederland zijn geen militairen, doch over het algemeen asielzoekers. Sommigen wonen hier al lang.
Wat asiel betreft is Nederland ruimhartig. Terwijl de Verenigde Naties menen dat vluchtelingen in de eigen regio moeten worden opgevangen, kijkt Nederland als het om regio gaat niet op een paar duizend kilometer. Politieke vluchtelingen uit heel de wereld zijn hier welkom, ook uit Afghanistan.

Zoals het hoort bij liefdadigheid weet de rechterhand niet wat de linker doet. Terwijl Nederland met de ene hand al jarenlang Afghaanse vluchtelingen onthaalt, stuurt de andere hand nu militairen naar Afghanistan op opbouwmissie. Daar moeten scholen worden gebouwd, waterputten worden gegraven en andere opbouwwerkzaamheden worden verricht. Door Nederlandse militairen.

Het getuigt van de grootheid van het denken in Nederland dat niemand hier ooit de vraag heeft geopperd of het niet in de rede ligt om de in Nederland opgevangen Afghaanse asielzoekers te vragen mee te helpen bij de wederopbouw van Afghanistan.

Dat reservoir van 60.000 mensen van Afghaanse afkomst in Nederland heeft grote waarde. Een waarde die in Afghanistan nog groter is dan hier. Want wat al die mensen in Nederland precies doen, weet ik niet, maar in Afghanistan zouden die 60.000 wonderen kunnen verrichten. Beschermd door 1.200 Nederlandse militairen zouden ze in een mum van tijd honderden scholen uit de grond kunnen stampen, duizenden waterputten kunnen slaan en verder nog van alles kunnen ondernemen om dat door burgeroorlog geteisterde land er weer boven op de helpen.

Begrijp mij niet verkeerd. Dit is geen pleidooi om alle Afghanen in Nederland te dwingen weer terug te gaan. Maar we zouden het ze toch wel kunnen vragen?

Of ze misschien willen helpen. Het is toch vreemd dat niemand zelfs maar die gedachte oppert.

Carolien van Dam is publiciste
Onze huidige christenen zijn minder gevaarlijk dan hun voorgangers, schrijft Carolien van Dam. Maar met de islam is het anders.

Het domesticeren van wilde planten en dieren, dat wil zeggen het door selectie en fokken veranderen van hun eigenschappen waardoor ze beter worden aangepast aan het leven met de mens, is de laatste tienduizend jaar een belangrijk onderdeel geweest van onze cultuur.

Maar de mens domesticeert niet alleen andere soorten. Ook ideeën die eerst uitsluitend in de intellectuele wildernis leven, moeten in de beschaving worden ingepast door ze te domesticeren.


Een van die ideeën, het christendom, nu tweeduizend jaar oud, is inmiddels een redelijk gedomesticeerde religie geworden. In de verre binnenlanden van de Verenigde Staten lopen nog wel enkele wilde christenen rond die abortusklinieken opblazen, maar hier in Nederland is de christelijke agressie tegen onchristelijk gedrag beperkt tot een moreel appel van vice-premier Rouvoet aan de VPRO om de film Deep Throat niet uit te zenden.


Dat domesticeren van het christendom is een lang en moeizaam proces geweest, want in zijn originele staat was het niet ongevaarlijk. Dat is in de geschiedschrijving goed geboekstaafd.


Nauwelijks was in de vierde eeuw het Christendom door de Romeinse keizer tot staatsgodsdienst verheven of de ene christen bestempelde de ander tot ketter die verbrand moest worden. Maar zoals de mens wolf of oerhond eerst tot jachthond en vervolgens tot schoothond heeft gemaakt en de kracht van de auroch of oeros wist in te zetten voor de ploeg, zo is ook de agressie van het christendom zorgvuldig uit dat geloof weggeselecteerd.


Zoals moderne runderen kleinere horens hebben dan de auroch en poedels kleinere tanden dan de wolf, zo ook staat een modern christen als minister Rouvoet slechts licht bewapend tegenover hem storende verschijnselen waar vroegere christenen veel agressiever op hadden gereageerd. De inquisitie verbrandde zowel mensen als boeken met verkeerde ideeën en ook Calvijn liet zich niet onbetuigd. Zodra hij in Genève eenmaal de macht had, zette ook hij zijn tegenstanders op de brandstapel. Godsdiensten zijn nu eenmaal gevaarlijk. Tot ver in de 19de eeuw was wie zich in Europa of Amerika tegen het christendom verklaarde zijn leven niet zeker.

Maar tegenwoordig is het christendom net zo gedomesticeerd als onze huisdieren. De Bond tegen het Vloeken doet nog maar eens in de tien jaar aangifte. In februari 2005, tegen NRC Handelsblad-columnist Frits Abrahams wiens column Onze Lieve Heer de Bond godslasterlijk en "bijzonder grievend'" voor christenen vond. De voorlaatste keer dat de Bond naar de rechter stapte, was in 1995. Toen was Theo van Gogh de gedaagde omdat die in HP/De Tijd christenen had omschreven als "het gekwetste volksdeel dat als supportersvereniging fungeert van "die rotte vis van Nazareth".

Onze huidige christenen zijn minder gevaarlijk dan hun voorgangers. Net zoals gedomesticeerde dieren van hun wilde voorouders niet alleen in fysieke kenmerken, maar vooral ook in hun gedrag verschillen. Wilde dieren mijden de mens en zijn meestal bang voor hem. Gedomesticeerde dieren leven niet alleen met de mens aan wie ze zich onderwerpen, maar zoeken in sommige gevallen ook actief zijn affectie.

Zo is het ook met getemde religies en dat maakt dat we tolerant tegen christenen kunnen zijn. Zoals je een hond wel naast je kinderen laat zitten, maar een wolf niet, zo kunnen wij tegenwoordig ook de meest eigenaardige christenen vrij laten rondlopen. Al vinden ze vrouwen niet geschikt voor politieke functies, zoals bij de SGP, of hebben ze andere vreemde opvattingen zoals aan de Veluwezoom, wij tolereren dat, omdat we weten dat ze niet langer gevaarlijk zijn.

Maar met de islam is het anders. Deze religie is nog lang niet gedomesticeerd. Daarvan hebben wij uit de berglanden van Anatolië en het Marokkaanse rif wilde vormen geïmporteerd, die daar gedijden in de oeroude wildernis van het analfabetisme waarin de gevaarlijkste ideeën overleven.

Het getuigt van volslagen wereldvreemdheid om te stellen dat de islam met dezelfde tolerantie moet worden behandeld als het christendom. De mens heeft tweeduizend jaar lang hard gevochten om het christendom te domesticeren en kan dat geloof nu in zijn nabijheid dulden, maar de islam is nog lang niet zover.

Die moet even voorzichtig worden aangepakt als de eerste wolven of wilde paarden die door de mens werden gevangen. Opmerkelijk is overigens dat het vooral christenen zijn, type Doekle Terpstra, die onder het motto vrijheid van godsdienst pleiten tegen een aparte aanpak van de islam. Misschien hunkeren zij nog naar de tijden dat ook de christenen ongetemd hun gang konden gaan.

Maar zij zouden moeten beseffen dat eenmaal gedomesticeerde dieren zich niet zonder voortdurende zorg van de mens in de vrije natuur kunnen handhaven. Daar worden ze door wilde dieren verslonden.


Carolien van Dam is publiciste.
Uit het feit dat politici niet mee durven doen aan IQ-tests, kan Carolien van Dam veel opmaken...

Laten we eens door Den Haag wandelen, zoals 2400 jaar geleden Socrates door Athene wandelde, daarbij filosofische en politieke onderwerpen besprekend. "Dat Nederland zo slecht bestuurd wordt komt doordat het IQ van de Tweede kamer tot onder de 110 is gezakt," zegt een van de metgezellen tegen de filosoof. "We zullen dat eens onderzoeken, antwoordt deze en hij houdt een willekeurige voorbijganger aan. "Beste man," vraagt hij hem, "vindt U dat de wetgever intelligent moet zijn?" " Jazeker," luidt het antwoord, "om goede wetten te maken moet de wetgever intelligent zijn."

"Hoe intelligent ongeveer?"vervolgt de filosoof, "intelligenter dan de bevolking, even intelligent als het gemiddelde van de bevolking of iets minder intelligent dat de bevolking gemiddeld is."


"De wetgever moet natuurlijk intelligenter zijn dan de gemiddelde burger,"antwoord de voorbijganger, "want anders kun je iedereen wel de wetten laten maken en we kiezen daar nu eenmaal speciaal de leden van de Eerste en Tweede Kamer voor. Als die niet beter zijn dan de rest, dan hadden we die volksvertegenwoordigers gewoon door het lot kunnen aanwijzen, net zoals ze in het oude Griekenland deden."


"Aha, mijnheer kent zijn klassieken," constateert de filosoof blij verrast, "maar vertelt U mij eens: Als wij vinden dat de volksvertegenwoordiging intelligenter moet zijn dan de gemiddelde Nederlander, moeten wij dan ook weten of dit het geval is?" "Natuurlijk,"antwoord de toevallige voorbijganger, "dat is dan noodzakelijk." "En hoe kunnen we dit weten?" "Door het te meten," antwoordt de man onmiddellijk. De filosoof knikt instemmend en kijkt zijn metgezellen aan met een blik van ‘die willekeurige voorbijganger is zo dom nog niet.'

"Hoe meten we of iemand intelligent is?"vraagt hij. "Met een intelligentietest," is het antwoord. De filosoof knikt opnieuw. "Wij zijn het er dus over eens dat alle Kamerleden een intelligentietest zouden moeten afleggen." "Ja," zegt de willekeurige voorbijganger "en eigenlijk niet alleen de Kamerleden, maar ook alle ministers en staatssecretarissen. Die moeten toch ook slimmer zijn dan de gemiddelde Nederlander."

"Stel nu,"vervolgt de filosoof, "dat we alle Tweede Kamerleden een intelligentietest afnamen en dat de gemiddelde uitkomst onder de honderd lag." "Tja, dan hebben we een probleem, antwoordt de voorbijganger. "Maar als we die test niet afnemen, is de situatie dan beter?" "Nee, antwoordt de voorbijganger, "want dan hebben we hetzelfde probleem, maar dan is de situatie nog erger, want dan weten we niet dat we een probleem hebben."

"Inderdaad," antwoord de filosoof. "Dank U wel voor deze heldere uitleg." En hij vervolgt met zijn vrienden zijn wandeling. De voorbijganger gaat zijns weegs. "Maar..., we moeten wat doen met deze kennis," zegt de jongste leerling aan de filosoof. "We moeten toch onmiddellijk het IQ van Kamerleden en regering gaan testen, willen we verzekeren dat Nederland goed bestuurd wordt?"


De filosoof glimacht naar de knaap: "Dat zal niet lukken,"antwoordt hij, "want de politici en bestuurders zullen daar nooit allemaal aan meewerken. Die doen graag mee aan tests als het Nationaal Dictee waarbij het niet uitmaakt indien je laag scoort. Integendeel, dan kun je je aan het volk vertonen als één van hen."


Hij ziet het bedremmelde gezicht van zijn jongste leerling en dat doet hem wat: "Maar een intelligentietest hoeven we ook niet te doen, om te weten of het IQ in bestuurlijk Den Haag hoog genoeg ligt,"gaat hij dan verder, "dat kunnen we weten zonder te meten."

Alle leerlingen kijken hem verbaasd aan, want in eerdere gesprekken had hij hen net geleerd dat je alleen maar kennis verkrijgt door dingen te meten. De filosoof legt het uit: "Als alle politici een even hoog IQ hadden als de gemiddelde Nederlander dan zouden ze geen enkel bezwaar hebben tegen een IQ-test voor hun beroepsgroep. Maar neem maar van mij aan dat ze daar wel bezwaar tegen hebben. Ze zijn net slim genoeg om te beseffen dat een IQ-test bedreigend voor hen is."


"Maar een politicus, ene Diederik Samson, die won toch laatst een intelligentietest op televisie?" werpt de jongste leerling nog tegen. "Inderdaad," zegt de filosoof terwijl hij deze blozende knaap zachtjes in de wang knijpt. "En het is wetenschappelijk bewezen dat Persil witter wast."


Hij barst in lachen uit: "En we hebben ook nog een hoogleraar in de Tweede Kamer zitten. Maar kom." Terwijl de filosoof met de ene hand zijn lachtranen uit zo'n ogen wrijft duwt hij met de andere de jongeling een duister kroegje in: "Hier gaan we een symposium houden. Daar leg ik het je allemaal precies uit. Gaan jullie maar vast naar huis," wuift hij naar zijn andere metgezellen, de deur van het etablissement achter zich sluitend.

Carolien van Dam is publiciste

Publicatiedrift medici is nietsontziend

vrijdag 8 februari 2008 12:00
In de medische wetenschap gaan publicaties boven het maatschappelijk belang, al vallen er doden. Stan van Eck wil die scoringsdrift aan banden laten leggen.

Bij een medisch experiment in Utrecht waarin patiënten met een acute alvleesklierontsteking een bacteriemengsel kregen toegediend, stierven opvallend veel mensen. Broer Scholtens maakte een heldere en genuanceerde reconstructie van het ‘Utrechtse probiotica-drama' (Kennis, 2 februari). Toch ontbreekt een belangrijke kritische vraag. Waarom hebben de Utrechtse onderzoekers zo lang gewacht voordat zij met hun alarmerende conclusies naar buiten traden?

Hoe meer wetenschappelijke publicaties een wetenschapper op zijn naam heeft staan, hoe hoger hij in aanzien staat. De scoringsdrift is hoog. Wetenschappers schrijven maar wat graag een artikel over hun onderzoek om dat aan te bieden aan een ‘gezaghebbend' vaktijdschrift.

Als een aangeboden artikel wordt geaccepteerd, volgt eerst nog een collegiale toetsing, peer review, voordat daadwerkelijk tot publicatie wordt overgegaan. Tussen het aanbieden van een artikel en de publicatie kunnen vele maanden zitten. Al die tijd heeft de wetenschapper een ‘zwijgplicht'.

Dit is een bekend fenomeen waar we binnen gezondNU, een populair publiekstijdschrift over gezondheid, voeding en psyche, regelmatig tegenaan lopen. Geregeld stuiten we op interessant onderzoek maar wil de onderzoeker niet meer kwijt dan wat vage algemeenheden omdat het onderzoek nog niet gepubliceerd is. Ook is het voorgekomen dat een wetenschapper door collega's met pek en veren werd overladen omdat hij met gezondNU sprak over zijn onderzoek zonder dat hij het onderzoek eerst had aangeboden aan een vaktijdschrift.

Nieuw voor mij is dat het algemene belang ondergeschikt is aan een publicatie in een vaktijdschrift. Het Utrechtse probiotica-drama legt pijnlijk bloot waar de belangen van de onderzoekers liggen.
Eind oktober werd het drama in zijn volle omvang duidelijk voor de onderzoeksgroep onder leiding van H.G. Gooszen.

Werd toen de noodklok geluid? Nee, de onderzoekers stelden een manuscript op en stuurden dat naar het ‘gerenommeerde' medische vaktijdschrift The Lancet. Een publicatie in dat blad is de droom van menig medisch wetenschapper. Werd na het insturen van het artikel alsnog de openbaarheid gezocht? Nee, het bleef stil op de burelen van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU).

Begin januari kregen de Utrechtse onderzoekers te horen dat hun artikel was geaccepteerd door The Lancet. Vervolgens duurde het nog ruim twee weken voor de geruchtmakende persconferentie plaatsvond. Patiënten die aan het onderzoek hadden meegedaan en familieleden van overleden patiënten werden een dag eerder ingelicht.

Het land was in rep en roer. Redacties van tv-programma's belden zich een slag in de rondte om de juiste deskundigen voor de camera te krijgen. Veel dagbladen ruimden een groot deel van de voorpagina in voor het nieuws. Consumenten die probiotica gebruiken, wisten niet waar zij aan toe waren. In de ophef werden door de media veel onnodige fouten gemaakt. Alle probiotica werden op één hoop gegooid. Ook door wetenschappers die bij het onderzoek betrokken waren.

Het uitschrijven van een persconferentie betekende overigens niet dat de Utrechtse onderzoekers nu volledige openheid gaven. Nog steeds lieten en laten ze niet het achterste van hun tong zien. The Lancet gaat voor. De onderzoeksgroep en de onderzoekers die het artikel hebben getoetst zwijgen, The Lancet zwijgt. Pas als het vaktijdschrift heeft gepubliceerd, mag de rest van de wereld weten wat er achter de schermen is gebeurd.

Er zouden vijftien tot 24 doden zijn gevallen. En toch gaat een publicatie in een vaktijdschrift voor. De onderzoekers lijken er nog mee weg te komen ook. Onvoorstelbaar en alleen maar mogelijk in de medische sector. Onwenselijk bovendien, de samenleving heeft recht op volledige informatie als de volksgezondheid mogelijk in het geding is.

Het is de hoogste tijd dat de scoringsdrift van wetenschappers aan banden wordt gelegd. Als het gaat om medici is daar een schone taak weggelegd voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Helaas heeft de inspectie in de Utrechtse zaak eveneens secundair gereageerd. Begin december al werd zij, volgens het artikel van Broer Scholtens, ingelicht over de onverwachte uitkomst van de studie. Pas toen zeven weken later het UMCU via een persbericht het nieuws wereldkundig maakte, besloot de inspectie een onderzoek in te stellen.

Stan van Eck is hoofdredacteur van het tijdschrift gezondNU.
Door toekomstige peuterleidsters en leraren zelf te laten bedenken wat ze willen leren, sluit je hen op in een beperkte leefwereld die ze vervolgens doorgeven aan volgende generaties, schrijft Aleid Truijens.

Welk kind houdt er nu niet van voorgelezen te worden? In pyjama op de bank, met natte haartjes, de afgekloven knuffel tegen de borst geklemd, op parallelle wijze tegen de voorlezende ouder geklemd, en dan maar verzinken in het verhaal. Zelf zat ik aan het eind van de werk- en kinderdag wel eens te knikkenbollen boven Pluk van de Petteflet of Mathilda, vooral omdat mijn kinderen dezelfde lievelingsboeken duizend keer wilden horen, maar dan kreeg ik een por in mijn zij: doorlezen! Onder geen beding mocht het ritueel worden overgeslagen.

Toch onderdrukken diezelfde kinderen nu, tien jaar later, een gaap als wij hun boeken cadeau doen of enthousiast vertellen over wat we hebben gelezen. Het paradijselijke voorlezen, leidde niet tot leeshonger. Ik ben al blij als mijn kinderen, na het verplicht lezen van een boek voor school, toegeven dat het best meeviel - voor een boek dan. Gelukkig zitten ze op scholen die hen dwingen tot lezen. Zonder een beetje dwang verschuift er niets in de - begrijpelijke - puberale voorkeur voor chillen, shoppen en uitgaan. Liefde voor lezen moet simpelweg worden gevoed. Ik ben daarin tekortgeschoten, maar de basisschool van mijn kinderen heeft het vuurtje evenmin brandende gehouden. Er was een schoolbibliotheek, maar daar werden vooral de slimme kinderen gestald die zich verveelden; ook kon je er materiaal zoeken voor een spreekbeurt over je marmot. Een enkele leerkracht las met verve kinderboeken voor en nam mooie boeken mee van huis. De laatste jaren worden die enthousiastelingen schaarser.

Een onderzoek van Margriet Chorus, in opdracht van de Stichting Lezen, onthult waardoor dat komt. Chorus onderzocht op acht Nederlandse pabo's en op acht roc's die opleiden tot peuterleidster en klassenassistent het onderwijs in kinderliteratuur en leesbevordering. Ze concludeert dat de aankomend leidsters en leraren te weinig lezen om later kinderen en ouders tot lezen aan te zetten.

Het ontbreekt de docenten op de opleidingen niet aan enthousiasme en deskundigheid. Maar sinds de invoering van het competentiegerichte onderwijs (cgo) zitten kinderliteratuur en leesbevordering niet meer structureel in het programma. Wel staan deze vroom in de doelstellingen vermeld: ‘kinderen stimuleren in hun ontwikkeling met behulp van kinderboeken' (roc) en ‘enthousiasmerend, kritisch en goed geïnformeerd zijn' (pabo). In de praktijk komt er niks van terecht.

Op de roc's krijgen studenten alleen kinderboeken onder ogen als dat van pas komt bij een opdracht. Er is vaak een korte workshop voorlezen. Cgo-adepten hebben altijd de mond vol van ‘rijke leeromgevingen', maar kinderboeken zijn op roc's amper voorhanden. De bibliotheek is wegbezuinigd, of opgeheven bij gebrek aan belangstelling. Op slechts drie van de acht roc's was het lezen van enkele kinderboeken verplicht. ‘Onze studenten zijn uit zichzelf geen lezers', verzuchten de roc-docenten. Ze houden meer van computerspelletjes of tv-kijken. Toch denkt staatssecretaris Sharon Dijksma dat het instellen van een ‘voorschool', waar de leidsters veel voorlezen en de ouders worden gestimuleerd dat te ook doen, enorm helpt bij de taalontwikkeling van peuters.

En dan de pabo's. Kinder- en jeugdliteratuur, ontdekte Chorus, is daar ‘holistisch' verweven met andere vakken en projecten. Door die verwevenheid en de vrijheid voor de student om zijn eigen onderwijs vorm te geven, is nauwelijks te zeggen hoeveel tijd eraan wordt besteed. Pabo-docenten betreuren het dat er in het competentiegericht onderwijs minder ruimte is voor kinderliteratuur dan in het oude curriculum. De geschiedenis van kinderliteratuur komt nergens aan de orde.

Op Chorus' vraag hoeveel kinderboeken pabo-studenten lezen, antwoordt een docent: ‘In het competentiegericht onderwijs kun je dit soort eisen niet meer stellen.' ‘Kennis is niet meer verplicht', zegt een andere docent, ‘dus wordt er minder gelezen.' Doordat leeservaring ontbreekt, blijven jongeren hangen op hun eigen leesniveau. Een boek is leuk of niet, maar voor welke kinderen het geschikt is of hoe je het gebruikt, kunnen ze niet beoordelen, laat staan dat ze kwaliteit kunnen onderscheiden. ‘Het mag toch niet zo zijn dat leerlingen op de basisschool meer gelezen hebben dan hun aankomende docenten?' klaagt weer een ander. Gedwongen door het nieuwe regime, leggen de docenten de lat steeds lager. Eerder ontwikkelde, goede cursussen uit het ‘oude' onderwijs verdwijnen in een la. Hun studenten zijn niet meer in staat om ouders boekentips te geven of zelfstandig een boekentafel in te richten.

Misschien is dat nog het schadelijkste effect van het competentieleren: door pubers en adolescenten (roc-leerlingen zijn vaak pas 15, pabo-eerstejaars 17) zelf spontaan te laten bedenken wat ze willen leren, en hen vooral niet lastig te vallen met wat ze saai vinden of niet kennen, sluit je hen op in hun beperkte leefwereld, een zelf verkozen kooi. Voor de toekomstige peuterleidsters en leraren komt daar nog bij dat ze die beperktheid doorgeven aan volgende generaties. Het is die studenten zelf niet aan te rekenen. Chorus stelt terecht voor de leeslijst weer in te voeren op de opleidingen. Haar eigen onderzoek mag daar als verplicht nummer bij.

Aleid Truijens schrijft elke dinsdag een column op de Forum-pagina.

Toch weer een man benoemd

maandag 4 februari 2008 00:01
Met de benoeming van Henk Hagoort als voorzitter van de publieke omroep (Media, 1 februari) is de maat vol. De mannenmaat wel te verstaan: dit kabinet - dat werk zou maken van topbenoemingen van vrouwen - heeft voor de zoveelste keer laten zien dat beloftes kennelijk lege papieren zijn om zolders mee te behangen.


Het probleem was niet dat er geen goede vrouw beschikbaar was. Een headhunter scoutte een aantal vrouwen, er was zelfs een topvrouw die tot de laatste ronde vorderde. Maar uiteindelijk viel de keuze toch weer op een middelmatige man. Zo komen we natuurlijk nergens.


Dit voorbeeld is bepaald niet de eerste keer. Hoe bestaat het, dat er uitgerekend in de commissie-Bakker die met voorstellen moet komen om de arbeidsparticipatie te verhogen, maar één vrouw zit? Naast zeven mannen? Was er behalve hoogleraar socialezekerheidsrecht Saskia Klosse werkelijk niet nog een vrouw te vinden die daar iets zinnigs over kon zeggen?


Bij zijn aantreden in februari 2007 beloofde het kabinet-Balkenende IV nog dat het zijn uiterste best zou gaan doen meer vrouwen benoemd te krijgen op topposities. Het zou zich daarbij in de eerste plaats richten op die benoemingen waar het rechtstreeks invloed op had. Dat wil zeggen bij de overheid en in de publieke sector in bredere zin. Bij de begrotingsbehandelingen in oktober spitste minister Plasterk (verantwoordelijk voor emancipatiezaken) dat nog eens toe: ‘Bij benoemingen van nieuwe leden van algemene en algemeen technische adviescolleges zal in de helft van de gevallen een vrouw worden voorgedragen.'


Hadden minister Plasterk en zijn collega's in het kabinet geen invloed op de samenstelling van de commissie-Bakker? Jawel, want ze hebben die zelf ingesteld. Waren er verder geen vrouwen voorhanden? Natuurlijk wel. En als het kabinet het zelf niet had kunnen bedenken, had het altijd nog kunnen terugvallen op lijstjes die voorhanden zijn met namen van topvrouwen in Nederland. Dertig jaar na de SIRE-campagne die wilde dat een slimme meid op haar toekomst is voorbereid, zijn er in Nederland volop vrouwen die behalve over vakkennis ook over de nodige bestuurlijke ervaring beschikken.


Er zijn veel meer voorbeelden te noemen. De laatste burgemeestersbenoemingen betroffen allemaal mannen. Voor het zeventien leden tellende Innovatieplatform werden maar vier vrouwen uitverkoren. En vorige week lekte via Elsevier uit wie de nieuwe secretaris-generaal wordt op het ministerie van Buitenlandse Zaken: een man (Ed Kronenburg, red.). Afgelopen donderdag, tijdens de uitreiking van de eerste Prinsjesdag Award (een prijs van Women on Top voor de meest vrouwvriendelijke politicus), werd de winnaar, minister Bert Koenders,  hier stevig op aangesproken. Zijn verweer was kort: er was nog niets beslist. Women on Top is benieuwd wat hij nog klaar krijgt bij zijn collega's op de Apenrots van Buitenlandse Zaken. Hopelijk lukt het hem echt new girls in het old boys network te introduceren. Het principe moet zijn dat bij gelijke geschiktheid de voorkeur uitgaat naar een vrouw. 


Het is nog maar de vraag of het kabinet zijn eigen streefcijfers weet te halen. Het percentage van vrouwen in leidinggevende posities moet van 12 procent nu naar 25 procent in 2010. Voor de rijksoverheid geldt de doelstelling dat in 2011 minstens 25 procent van de functies bij de Algemene Bestuursdienst door vrouwen wordt bezet. Op dit moment wordt op elf van de dertien ministeries minder dan 25 procent van die functies door vrouwen vervuld en op vijf departementen is dat zelfs minder dan 15 procent. Bij Defensie is de situatie het ernstigst; het percentage vrouwen in de krijgsmacht is maar 7 tot 10 procent, in de hogere rangen nog minder. De streefcijfers voor 2010 zijn: 6 procent vrouwen in de rang van kapitein tot majoor en 3 procent vrouwen in de rangen van majoor en hoger. 


Gelukkig krijgt het kabinet de komende tijd volop kansen om zijn beloftes alsnog waar te maken. Minister Plasterk moet op zoek naar een directeur voor het Nationaal Historisch Museum, minister Ter Horst naar een burgemeester voor Rotterdam, minister Verhagen naar een nieuwe secretaris-generaal voor Buitenlandse Zaken, minister Donner naar een nieuwe secretaris-generaal voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en minister Eurlings heeft een vinger in de pap bij de speurtocht naar een nieuwe directeur voor Schiphol.

Dat moet lukken, zou je zeggen.


Senay Özdemir is  hoofdredacteur/ uitgever van SEN en bestuurslid van Women on Top.

De kunst is een ontembaar wild dier

dinsdag 29 januari 2008 23:59
Toen Theo van Gogh vermoord werd, vroeg men mij waarom in de schouwburgen over dit voorval geen voorstellingen werden gemaakt. Waarom liet het theater het afweten? Waar bleef de betrokkenheid van de theatermakers bij de maatschappij! Het gebrek aan reactie op de podia werd gezien als een zoveelste bewijs dat de kunst er niet meer toe doet en de theatermakers zich in ivoren torens hadden teruggetrokken. Meer en meer is er kritiek op kunstenaars die zich niet engageren, geen ethisch oordeel, geen opvatting over goed en kwaad hebben. De kunst als bewaker van de tijdgeest, kunst die niet vrijblijvend is, dat zou het credo moeten zijn. Kunst die een standpunt inneemt, partij kiest.


Het belang van de kunst voor de samenleving staat voortdurend ter discussie. Het spreekwoord uit wiens hand men eet diens woord men spreekt gaat namelijk in het geheel niet op voor de kunst. Enerzijds geeft de maatschappij via subsidies geld aan kunstenaars om hun werk goed te doen, anderzijds uiten kunstenaars kritiek op de maatschappij, haar gezagdragers en burgers. Het is een paradoxale situatie die vaak tot misverstanden en conflicten leidt. Censuur is uiteindelijk de ultieme bestraffing voor de kunstenaar die de grenzen overschrijdt. Nederland huldigt het heilige principe dat door Thorbecke in de grondwet van 1848 kernachtig is weergegeven: "'Kunst is geene zaak van de regering. De regering is geen oordelaar van wetenschap en kunst". Wat is dan de behoefte van de politiek aan kunstenaars die tegen de stroom in schilderen, schrijven of theater maken en de angst voor diezelfde kunstenaars. Voor Plato was de kunst een schijnafbeelding van een schijnwerkelijkheid en dus nutteloos. In onze tijd wordt kunst vaak onschadelijk gemaakt door te stellen dat ze niet maatschappelijk relevant is. De relevantie van kunst wordt dan meestal afgemeten aan cijfers, inkomsten. De kunst wordt vervolgens als elitair bestempeld, entertainment voor de happy few. Maar in de massamedia kunnen we elke dag zien wat de gevolgen zijn van het monopolie van de publiekscijfers. Elke dag zien we op alle televisiekanalen, overal ter wereld, op hetzelfde uur dezelfde programma's. Geef het volk wat het wil lijkt het devies - tegenover de maatschappelijke nutteloosheid van kunst.


Benjamin Barber, politicoloog en ex-adviseur van president Clinton, stelt dat het kapitalisme de voorbije vijf eeuwen op een eenvoudig principe berustte: het produceren van goederen die overeenkwamen met reële noden en verlangens, waardoor grotere rijkdom het gevolg was. Het verenigde zelfbelang en altruïsme. De retoriek van ons ontspoorde hedendaagse kapitalisme brengt echter veel onnodige zaken aan de man. Waarom drinken mensen geen kraanwater, in de Verenigde Staten wordt jaarlijks 20 miljard dollar aan gebotteld water uitgegeven, terwijl er uit iedere kraan perfect drinkbaar water komt. Op hetzelfde moment hebben vier miljard mensen op deze aarde géén schoon water. Winstmaximalisatie en dus de macht van de cijfers werkt vaak maatschappelijk contraproductief. Het belang van iets voor onze samenleving kan nooit alleen in kwantiteiten uitgedrukt worden. Kunst vraagt een ander kader, andere begrippen en is wezenlijk verbonden met onze samenleving.


Enerzijds is er een grote afstand tussen de politiek en de kunst, anderzijds legt de politiek steeds meer verplichtingen op aan kunstenaars. Op dit moment schrijft de commissie Sanders op vraag van minister Plasterk een rapport over "de wijze waarop verbindingen gelegd kunnen worden tussen de cultuursector en andere maatschappelijke sectoren, redenerend vanuit de eigen kracht en intrinsieke waarde van de cultuur en de mogelijkheden om de betrokkenheid bij cultuur te vergroten, ook in financiële zin". In de tussenrapportage stelt de commissie dat er gewerkt moet worden aan het verbeteren van de economische bedrijfsvoering, uitbreiding van het marketingpotentieel, relatie met het bedrijfsleven en de bijdrage aan het maatschappelijk debat. Opvallend is dat in de verdere toelichting met geen woord gerept wordt over die bijdrage aan het maatschappelijk debat. De commissie lijkt er van uit te gaan dat verzakelijking en economische maatregelen voldoende zijn om dat draagvlak te creëren; een gedachte die al lang niet meer voldoet aan de echte noden van onze tijd. Een land dat het maatschappelijk belang van de kunst alsmaar ter discussie stelt is een beetje ziek.


Een paar jaren geleden kreeg ik wat Amerikanen een wake up call noemen. De orkaan Katrina was voor de Amerikanen zo'n wake up call, niemand begreep dat dit hen kon overkomen. Het leek alsof de hele natie tot dan in een droom had geleefd en nu de realiteit zich in zijn gruwelijk naakte geweld liet zien.


Het regisseren van Wagner's tetralogie Der Ring des Nibelungen verandert je leven, zegt men. Het is een cliché maar vaak schuilt in clichés waarheid. Toen ik gevraagd werd De Ring te regisseren heb ik tijdens de voorbereidingen alle boeken over Wagner snel terzijde gelegd, het bracht mij geen inzicht in Wagners uiteindelijke bedoeling, een operacyclus maken die iets betekenisvols kan zeggen over de tijd waarin we leven. Wagnerfanaten die van regisseurs verlangen dat ze de grote meester op de voet volgen, lijken te vergeten dat Wagner zelf een vlekkeloos, volgens al zijn aanwijzingen opgevoerde Ring terzijde schoof. Het zegt iets over Wagners theatraal vernuft dat hij zelf meteen voorstelde de operacyclus in volstrekt duister op te voeren, een idee dat regisseur Lars von Trier van hem overnam toen hij in Bayreuth gevraagd werd. De huidige intendant Wolfgang Wagner bestempelde het concept als onuitvoerbaar. Wagner opvoeren vergt niet alleen een goed theatraal instinct en grote vakkennis, maar ook een benadering die veel breder is, een wake up call. De 19de eeuwse componist Richard Wagner deed mij teruggrijpen naar hedendaagse sociologen en filosofen, naar Benjamin Barber, Ian Buruma, Peter Sloterdijk, Amin Malouf, Zygmunt Bauman en Manuel Castels. Ze bezorgden mij een wake up call, een inzicht in een wereld waarin ik elke dag leef.


Feit is dat de eerste drie delen van de cyclus telkens het late journaal in Vlaanderen haalden. Bij Siegfried was dat het meest evident. Wagner vertelt in Siegfried het verhaal van een jonge man die zich vervreemd voelt van de bestaande wereld en zich terugtrekt in de bossen waar hij zich gelukkig voelt samen met de wilde beesten. Siegfried is gefrustreerd, ongelukkig, leeft met een stiefvader die hij haat, wil weg, een eigen leven leiden. Maar omdat hij nooit geleerd heeft lief te hebben kan hij enkel met geweld afscheid nemen. Hij vernietigt het aambeeld van zijn stiefvader, diens enige bestaansreden. Hij trekt de wereld in en vermoordt er twee mannen: Fafner ,een ware kapitalist die met de door hem verkregen rijkdom niets doet, en Mime, de gehate ersatzvader. Siegfried kan enkel zichzelf zijn door anderen te doden. In dit verhaal zag ik een parallel naar de vele jonge mannen die over de hele Westerse wereld verspreid bloedbaden aanrichten op hun scholen. Bekend zijn de jongens op de Columbine High School maar natuurlijk ook Seung Hui van Virginia Tech. In Vlaanderen hadden we Hans Van Temsche die uit onvrede en als wraak een jonge vrouw van niet Vlaamse afkomst en het blanke kindje van wie ze babysitter was, doodde. Zomaar. Zinloos geweld noemen we dat, maar telkens weer blijkt dat het geweld voor de dader wel degelijk zin heeft. Meestal plegen deze daders zelfmoord en laten een testament na in de vorm van een brief waarin blijkt dat deze jonge mannen zich alleen voelen, in de steek gelaten en beslissen om zich te wreken op wie hen dit heeft aangedaan. "Ich will Rache!" schreef de jonge moordenaar die in het Duitse Emsdetten een aantal leraars en medestudenten doodde. "Het enige wat ik intensief op school geleerd heb, is dat ik een verliezer ben...Jullie zijn deze slachtpartij begonnen, niet ik. Mijn handelingen zijn een resultaat van jullie wereld, een wereld die mij niet laat zijn wie ik ben. Jullie hebben me uitgelachen, hetzelfde doe ik nu met jullie, ik heb alleen een ander soort humor...Ik ben weg", het zijn de gruwelijk kille woorden van een 18-jarige jonge man. Siegfried voelt hetzelfde en doet hetzelfde. Hij wreekt zich op Mime, zijn stiefvader, de man die hem dit heeft aangedaan. Het libretto liegt er niet om: "Jij leerde mij veel, Mime, maar wat jij mij het liefst geleerd had, lukt nooit: hoe ik jou moet verdragen! Zet je me drank en voedsel voor, dan voedt je mijn weerzin alleen." We besloten om Seung Hui, de Virginia Tech moordenaar op het affiche te zetten. Een voorbereiding van een opera duurt jaren, de premières liggen lang op voorhand vast en dus ook het concept van Siegfried, ingegeven door de talrijke voorbeelden van jonge moordenaars uit Amerika en elders die door het veelvuldig spelen van videogames fictie en realiteit door elkaar halen, zich verkleden in gevechtskleding als uit de fantasiewereld van de Ninja's en vervolgens hun haat omzetten in moord alsof er bonuspunten te winnen zijn met elk slachtoffer. Het toeval wil dat het proces Van Temsche van start ging tijdens de repetities van Siegfried en de affiches een paar dagen na afloop van het proces op straat hingen. Het affiche toonde een door Seung-Hui zelfgemaakte foto waarbij hij de loop van een geweer op de camera richt; een hard, confronterend beeld passend bij een opera met een hard, confronterend verhaal.


Vervolgens gebeuren twee dingen: Het Laatste Nieuws (de Telegraaf van Vlaanderen) publiceert een bijna paginagroot artikel waarin de advocaat van één van de slachtoffers verkondigt dat het affiche smakeloos is. Tegelijk verklaart de minister van Cultuur Bert Anciaux dat hij dit beschouwt als artistieke vrijheid en hij van een regisseur als van Hove verwacht dat hij opera's maakt over hete hangijzers.


In het zog van Het Laatste Nieuws ontstond er een maalstroom van publicaties van de publieke omroep tot de kleinste stadskrant. Het toonaangevende dagblad De Morgen wijdde er zelfs een redactioneel commentaar aan. Ik werd geïnterviewd en ter verantwoording geroepen. Maar ik zag ook hoe een ploeg van het VTM-journaal op straat mensen die aan het affiche achteloos voorbijliepen, moest tegenhouden om hun reactie te peilen. De journalist van Het Laatste Nieuws was erin geslaagd een schandaalsfeer te creëren waarop vervolgens door alle media gretig werd ingepikt. Een voorbeeld van hoe nieuws gemaakt wordt. Vanaf deze dag kijk ik anders aan tegen het acht uur journaal. Maar veel belangrijker voor mijn verhaal hier was dat een opera plots in het midden van de belangstelling stond. Men kon niet begrijpen dat een componist van de 19de eeuw een profetische opera had geschreven over maatschappelijke misstanden in het begin van de 21ste eeuw. Het belang van kunst was voor iedereen een dag lang duidelijk, het werd zelfs nieuws. Een voorbeeld van de relevantie van kunst maar ook van de tijdloosheid van tijdloze kunstwerken.
Voor het Holland Festival 2007 maakte ik met Toneelgroep Amsterdam "Romeinse Tragedies" naar drie stukken van William Shakespeare, Coriolanus, Julius Caesar en Antonius en Cleopatra. Deze op zich minder bekende weinig gespeelde stukken bracht ik samen omdat ze gaan over politiek, politici en politieke mechanismen. Bij de voorbereiding stootte ik op de geschriften van Hannah Arendt waarin ze stelt: ‘(Politiek is) de voor elk mens beslissende mogelijkheid zich sprekend en handelend in de wereld te begeven en een nieuw begin te maken' en verder : ‘Wie enkel de waarheid wil zeggen, staat buiten het politieke veld, politiek is het voor een bepaalde zaak opkomen.' Dit staat totaal in tegenstelling tot de waarheid die absoluut is. De waarheid is totaal apolitiek. Politiek houdt zich bezig met de maakbare wereld. Waarheid en politiek zijn aparte werelden. De politiek bestaat dankzij consensus, terwijl aan de waarheid niet getornd kan worden. Politiek kan enkel bestaan in de overtuiging dat de mens kan veranderen. Politiek kan dat alleen maar als ze tegelijk haar grenzen aanvaardt. De waarheid is door mensen niet te veranderen. Omdat de politiek en de waarheid per definitie op gespannen voet staan, proberen politici veiligheden in te bouwen via grondwetten, verklaringen van de rechten van de mens, het opdelen van de macht. De politiek krijgt zijn legitimering door het representeren van de mening van een zo groot mogelijke groep mensen. Een mening is geen axioma. Er is overleg nodig om tot een gezamenlijk standpunt te komen. Mensen zijn in staat altijd opnieuw te beginnen, gaan niet gebukt onder een noodlot. Vrij handelen is handelen in de openbaarheid, en dat is per definitie het terrein van de politiek. Het geloof in een maakbare samenleving is de oorsprong van de politiek. Politiek is mensenwerk, het werk van mensen die geloven dat ze hun eigen lot in handen hebben. Politiek ontstaat wanneer meerdere mensen via praten, overleg en evaluaties proberen greep te krijgen op een probleem en vervolgens sturing te geven aan de loop der dingen. Het is een netwerk van meningen, het laat zien hoe via consensus veranderingsprocessen worden ingezet en hoe veranderlijk, flexibel maar ook hoe beïnvloedbaar mensen zijn. Eigen aan de politiek is dat elke consensus steeds weer onder druk komt te staan, gezamenlijk genomen besluiten worden telkens weer ter discussie gesteld, bekritiseerd en teruggedraaid. Nogmaals politiek is mensenwerk.


Hiermee kom ik tot mijn stelling dat de kunst en de samenleving even wezenlijk verbonden zijn als de politiek en de samenleving. Beide hebben hun heel eigen dynamiek, doel en middelen. Als het zo is dat de politiek een waarheid maakt door overleg en tolerantie van andermans ideeën dan houdt de kunst zich precies met die waarheid bezig maar dan niet op een wetenschappelijk niveau maar wel op een poëtisch niveau. De kunst is van wezenlijk belang voor de maatschappij. Kunst zorgt ervoor dat we onze diepste angsten, frustraties en verlangens kunnen beleven in musea, concertgebouwen, theaters en bioscopen. Vergelijk het met dromen; ikzelf heb hoogtevrees en steevast eindigen mijn dromen op het moment dat ik dreig van een brug of een rots te vallen. Het is een manier om deze angst te bedwingen en leefbaar te houden. Dromen houden ons in leven, zoals ook de kunst de samenleving in leven houdt. De kunst als zuiveringsstation van onze samenleving. In onze theaters kunnen we ongestraft gadeslaan hoe Macbeth een bloedbad aanricht om zijn macht te consolideren, hoe Medea uit redeloze wraak haar kinderen doodt. In het theater beleven we hoe Romeo en Julia zoveel van mekaar houden dat ze zich als lemmingen de dood in storten. Wij gaan naar onze theaters om te beleven waarvoor we in ons dagelijkse leven angst hebben of waarnaar we intens verlangen. Dat is de scheidslijn tussen politiek en kunst. De politiek moet zich bezig houden met de orde in de samenleving, de kunst met de chaos. Het zijn de grensconflicten die de rol van de kunst maar ook die van de politiek de laatste jaren vertroebelen. Politici aan de rechtse of de linkse kant van het spectrum knagen aan de scheidslijn tussen chaos en orde. Politiek houdt zich vandaag vaak bezig met de gevoelens van de onderbuik, gevoelens van onrust, frustratie over de aanwezigheid van teveel vreemdelingen, gevoelens van vervreemding in een geglobaliseerde wereld. Ik heb het aan den lijve gevoeld toen een aantal jaren geleden in Antwerpen de burgers van de ene op de andere dag vuilnis moest sorteren. Van de een op de andere dag, althans zo voelde ik dat, want de gemeente had het nieuwe systeem niet zorgvuldig uitgelegd. Het Vlaams Blok sprong daar meteen op en nagelde de gemeenteraad aan de schandpaal. Even was mijn onderbuikgevoel aan de haal gegaan met mijn verstand en ik begreep plots waarom 1/3de van de Antwerpenaren op een extreem rechtse partij stemden: zij begrepen mijn problemen tenminste. Want dat is wat extreme partijen altijd doen, inspelen op problemen die je dagelijks voelt en waarvoor je je niet gehoord waant. Ze onderkennen de realiteit van de angst. Het probleem ontstaat wanneer ze een realiteit van bedreigingen van buitenaf construeren om deze angst te bezweren, ze geven je het gevoel dat de strijd tegen de multiculturele samenleving, tegen de migratie, tegen de globalisering te winnen is.


Het is de kracht en opdracht van de kunstenaar aan de achterkant van de dingen te gaan kijken. Harold Pinter zei hierover het volgende bij de aanvaarding van de Nobelprijs in 2005: "Als we in de spiegel kijken, denken we dat het beeld voor onze ogen accuraat is. Maar beweeg een millimeter en het beeld verandert. We kijken eigenlijk naar een nooit stoppende variatie van reflecties. Maar soms moet een schrijver die spiegel aan stukken slaan, omdat de waarheid ons van de andere kant van de spiegel aankijkt. Ik geloof dat de echte waarheid vertellen over onze levens en onze samenleving een cruciale taak is die elke burger op zich zou moeten nemen. Het is zelfs verplicht.

Als die vastberadenheid niet vervat zit in onze politieke visie dan schiet er niet veel hoop meer over om te herstellen van wat we bijna kwijt zijn: onze menselijke waardigheid." Ik lees in Pinters woorden een missie voor alle kunstenaars en voor de kunst in het algemeen, achter de dingen te kijken, achter de spiegel te kijken of zelfs de spiegel aan stukken slaan. Is dat niet wat we van de kunst verwachten in onze samenleving. Het is een groot misverstand de kunst maatschappelijk in te zetten, kunst als maatschappelijk werk. In Nederland is er al geruime tijd een hang naar verambtelijking van de kunst. Niet voor niets heet het desbetreffende ministerie dan ook Ministerie van Cultuur, niet van Kunst. Dat zet de deur al jaren open voor allerlei maatschappelijke opdrachten die de relevantie van de kunst moeten legitimeren. In het begin van de jaren 90 moest dat door goed ondernemerschap, later door het aanspreken van nieuwe doelgroepen, dan weer was educatie speerpunt van het cultuurbeleid. Ik wil niet verkeerd begrepen worden: ik vind dat de kunsten, en laat mij vanuit mijn vakgebied hier voornamelijk over podiumkunsten spreken, wel degelijk een grote professionaliseringsslag te maken hebben. Wel degelijk ondersteun ik het grote belang van kwaliteitsvolle educatieve projecten, vanzelfsprekend wil elke theatermaker voor volle zalen spelen. Maar een teken des tijds is dat door het accent telkens weer op dit soort speerpunten te leggen de legitimiteit van de kunst altijd weer ter discussie staat want de kunst op zichzelf blijkt geen voldoende maatschappelijke relevantie te hebben. In Nederland wordt kunst tot een instrument herleidt, in een kooi gestopt, het wild dier wordt getemd.

Ik geloof in kunst die ons een blik achter de dingen gunt, subversief is. Het is zoals de "grizzly man" Timothy Treadwell, de amateur beerexpert en natuurbeschermer die na dertien zomers in harmonie met beren samenleefde door een beer gedood en opgegeten wordt. De natuur is onverschillig, niet menselijk. Zo ook heeft de kunst zijn eigen aard, volgt zijn eigen wetten, als een niet te temmen wild dier. Hoe vaak relativeren we de aanval van een dier als een toeval, een ongeval. Denken we aan de krokodillenjager Steven Irwin die door een giftige pijlstaartrog gedood werd en aan Siegfried en Roy die in Las Vegas met witte tijgers samenleven alsof het huisdieren zijn. Een van hun wilde tijgers viel Roy aan, zonder mededogen. Zo is het ook met kunst, kunst die er toe doet is wild als een tijger, een beer of een pijlstaartrog.
In Nederland bestaat er een hardnekkige tendens kunst tot een instrument voor het verbeteren van de samenleving te maken of wordt verwacht dat kunst een morele uitspraak doet over goed en kwaad.

Het is belangrijk voor de politiek, voor de samenleving te beseffen dat het niet de essentiële rol van kunst is om te achterhalen voor wie je moet stemmen, tot een inzicht te komen in het Midden Oosten conflict of de moord op Van Gogh te bediscussiëren. Daarvoor zijn andere media zoals kranten, tijdschriften en televisie meer toereikend. Ik ben niet geïnteresseerd in de morele opvattingen van kunstenaars. In een museum, schouwburg of bioscoop wil ik ondergedompeld worden in chaos. Ik wil verward worden, bang zijn, hoop hebben. Kunst kan verrassen, gevaarlijk zijn mits het vrijplaats is. De kunstenaar durft los te staan van de realiteit, brengt ons in vervoering en schokt door een kijk in onze zwarte ziel te geven. Kunst is tijdloos, mag en moet zelfs buiten de tijd durven staan. Enerzijds bepleit ik de absolute autonomie. Anderzijds besef ik dat in een samenleving waar vele smaakmakers betwisten of er wel kan samengeleefd worden het theater en andere kunstvormen een wezenlijke rol kunnen spelen. Kunst moet gaan over de grote thema's van vandaag, over identiteit, globalisering, migratie en multiculturaliteit. Het kan de perfecte missing link zijn waardoor de kunst onbedoeld maatschappelijke doelen dient. De grote thema's van vandaag die moeten te zien zijn op onze podia door een blik achter de spiegel te gunnen, niet door simpelweg in die spiegel te kijken.

Ivo van Hove is directeur van Toneelgroep Amsterdam 

Amsterdams bestuur is laf

dinsdag 29 januari 2008 11:54
Vorige week zijn uitlatingen van de Amsterdamse commissaris Peter Slort in het nieuws gekomen. Veilig in Washington, tijdens een conferentie over de radicale islam, durft hij, nu bijna 4 jaar na dato, te vertellen wat in een besloten gesprek met de imams van de El Tawheed moskee in Amsterdam is besproken. 'Uiteindelijk is ons ideaal een islamitische maatschappij, ook in Nederland', zeiden de imams. Groot, opzienbarend nieuws, zou je zeggen. Ik hoop dat Slort ook gezegd heeft dat al bekend was dat de El Tawheed-moskee gesponsord werd door een Saoedische sjeik, van wie bekend is dat hij tot de Moslim Broederschap behoort en dat die sjeik zelfs direct contact heeft gehad met Bin Laden. Dat die sjeik deel heeft uitgemaakt van het bestuur van die moskee. Dat er meldingen waren dat er regelmatig geld uit Frankrijk werd overgebracht. Niet via de bank, maar persoonlijk. Dat er rond 2003 een container vol boeken uit Egypte is gearriveerd. Een schenking van de betreffende sjeik, waarbij zich ook boeken bevonden die opriepen tot geweld tegen en discriminatie van Joden en homo's.

De belangrijkste vraag is wat Slort met deze wetenschap heeft gedaan. Ik kan u dat haarfijn vertellen, want ik was op dat moment buurtregisseur van de buurt waar de El Tawheed-moskee zich bevindt en ik was bij het gesprek waaraan Slort refereerde. Slort heeft met deze wetenschap niets gedaan. Sterker nog, hij heeft verzuimd nog veel meer te vertellen.

Als buurtregisseur had ik bijna wekelijks contact met het bestuur, de woordvoerder en de imams van de moskee. Tijdens mijn contacten en ook tijdens het gesprek met onder anderen Slort bleek duidelijk dat de heren van de moskee zich intellectueel verheven voelden boven ongelovigen (mensen die niet in Allah geloven). Zij vinden dan ook dat liegen tegen ongelovigen geen zonde is. Dit principe hanteren zij veelvuldig richting buurt, politie en bestuur. Het stadsdeel is in die periode tientallen keren met loze beloften in het riet gestuurd. Problemen rondom de brandveiligheid, niet voldoen aan brandweer- en verbouwingseisen, niet opruimen van rommel achter de moskee, het illegaal gebruiken van een achteringang specifiek voor vrouwen, illegaal gebruik van een gedeelte als kinderopvangplaats, illegaal mensen laten overnachten in de moskee enzovoort.

De buurt en het stadsdeel klaagden steen en been, maar het was beleid van de slechtste burgemeester van Nederland, Cohen, om samen met de politie de gemoederen te sussen en de moskee alle ruimte te geven. Politiemensen en bestuurders als Slort en Cohen zijn te bang om de problemen daadwerkelijk aan te pakken.

Een ander voorbeeld speelde zich af in het wijkteamgebied van politiebureau August Allebéplein. In januari 2006 achtervolgde een motorrijder van dat wijkteam een Marokkaan op een gestolen bromfiets. De Marokkaanse dief vloog uit de bocht en verongelukte. Vervolgens ontstonden er rellen onder Marokkaanse jongens. Zij beschuldigden de politie ervan dat die Marokkaanse dief was verongelukt, omdat de politie hem aan het opjagen was. Omgekeerde wereld natuurlijk. Maar wat deed de heldhaftige politiechef Slort? Hij liet door de toenmalige wijkteamchef een mail sturen naar alle politiemensen in het district, dat het niet meer geoorloofd was in uniform in die buurt te surveilleren, omdat dit door Marokkaanse jongens als provocatie opgevat kon worden en rellen kon veroorzaken.

Een regelrechte no go area dus. Toen dit in de media bekend werd, probeerde Slort zich te verontschuldigen door te zeggen dat er wel politie in burger surveilleerde. Een buitengewoon slap excuus, want de gewone Nederlandse burger in die buurt ziet ineens geen politie in uniform meer rondlopen. De wijkteamchef die de mail had verstuurd, heeft overigens ooit verklaard dat hij het niet eens was met de inhoud van de betreffende mail. Hij moest die van Slort verzenden.

Ik kan mij ook nog een sessie herinneren met een groot aantal buurtbewoners in het gebouw van het stadsdeel Oud-West, waarbij Slort, Cohen en Aboutaleb aanwezig waren. Hierbij bleek dat El Tawheed op haar site een aantal buitengewoon anti-Joodse, racistische teksten had staan. Aboutaleb moest toen bijna op zijn knieën om de imams van de moskee te vragen deze teksten van de site af te halen. Dit waren zij echter niet van plan. Ik heb mij op dat moment werkelijk diep geschaamd dat ik in politie-uniform hoorde bij dergelijke laffe bestuurders. Het gehele bestuur en alle imams van de El Tawheed-moskee hadden natuurlijk meteen aangehouden moeten worden wegens discriminatie. Hun paspoorten hadden ingenomen en zijzelf hadden het land uitgezet moeten worden. Maar nee, vier jaar later zitten we met dezelfde problemen en is er totaal niets veranderd. In de periode van de Deense cartoonrellen werd op een zaterdag een betoging gehouden op de Dam. Onder de betogers zaten veel Marokkaanse veelplegers. Dit voorspelde natuurlijk niet veel goeds. Het duurde niet lang of een groep van bijna honderd Marokkaanse jongens rende over de Nieuwendijk, winkels plunderend en ruiten ingooiend. Aan het einde van de Nieuwendijk draaide deze groep zich gewoon leuk weer om en deden het richting de Dam nog eens dunnetjes over. Ik heb samen met een aantal politiemensen aanhoudingen verricht en daarbij kwamen wij en ook andere politiemensen behoorlijk in het nauw. Tot mijn stomme verbazing werd de ME niet ingezet. Ik snapte er niets van, want ik wist dat zij aanwezig waren.

Een paar dagen later hoorde ik dat de ME met busjes op het Rokin (op 250 meter afstand) stond te wachten, maar niet mocht optreden. Onze heldhaftige burgemeester wilde de ME niet inzetten, omdat daarmee de politie direct tegen dat Marokkaanse straattuig zou komen te staan. Ik ben de politiek ingegaan om de burgers te verlossen van dergelijke laffe bestuurders en laffe politiechefs. Er is een generatie, ook binnen de politie, die wel moed bezit. Het wordt tijd dat zij de kans krijgen te laten zien dat het beter kan, ondanks het slechte salaris.

Hero Brinkman
is Tweede Kamerlid voor de PVV.
Kranten trappen met open ogen in Wilders' uitgekiende publiciteits-strategie en wakkeren zo de angst en de polarisatie alleen maar aan, luidt het herhaalde, ernstige verwijt aan de media. Volkskrant-redacteur Ron Meerhof neemt de handschoen op.

De media hebben zich door Geert Wilders in de houdgreep laten nemen, trappen met open ogen in zijn geniale mediabeleid, hypen tot het uiterste alles wat hij meldt - om te scoren of meer kranten te verkopen - en verzaken hun plicht als waakhond van de democratie.

Het is zomaar wat kritiek over de omgang van de media met de leider van de Partij voor de Vrijheid van de afgelopen maanden. Die kritiek is afkomstig van lezers, maar ook bijvoorbeeld van mediawetenschappers in de Volkskrant, of iemand als Jean-Yves Camus in PM-magazine, het blad van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Om met de deur in huis te vallen: ik vrees dat we eerder te weinig hebben geschreven over Geert Wilders dan te veel. De parlementair redacteuren letten goed op hem en toch is de importantie van enkele van de onderwerpen die hij het afgelopen jaar aansneed, aanvankelijk onderschat.

Maar van een geniaal mediabeleid van enig PVV'er is, iedere dag weer, helemaal niets te merken geweest en met de verkoop van kranten houden parlementair journalisten zich niet bezig.

Eerst de kritiek maar eens nader bekijken. Camus gaat het verst, dus die is vanuit polemisch oogpunt het aantrekkelijkst. Deze Franse politicoloog wordt in PM opgevoerd als ‘een van de belangrijkste experts op het terrein van extreem-rechts in Europa'. Hij schreef onder meer een rapport voor de Raad van Europa over racisme, antisemitisme en xenofobie. De media, zegt Camus, zijn onvoldoende doordrongen van hun rol als waakhond van de democratie. Zo zouden zij kritisch moeten reageren op politici die de fundamenten van die democratie bedreigen. Camus adstrueert niet hoe Wilders dat laatste dan wel zou doen, maar vervolgt: ‘Mijn indruk is dat de Nederlandse media die rol onvoldoende vervullen. Ze zijn te passief.'

Camus verbaast zich erover dat Wilders, ‘de meest extreem-rechtse politicus van Europa', uitgeroepen kon worden tot beste politicus, zoals eind 2007 gebeurde. Elders in Europa is dat ‘vrijwel ondenkbaar', zegt hij. ‘Als zoiets zou gebeuren in Frankrijk met bijvoorbeeld Le Pen, zouden de media het resultaat van dit onderzoek geheim proberen te houden ofwel voorzien van zeer ernstige kritiek. Het zou on-ge-kend nieuws zijn dat als een weerzinwekkende aardschok zou worden ervaren.'

Het resultaat van een opiniepeiling geheim houden? Dat zou pas on-ge-kend nieuws zijn. Althans, in Nederland anno 2008. Munitie voor kritiek op de media wordt onder meer geleverd door De Nederlandse Nieuwsmonitor, een project van het Persinstituut. ‘Onderzoek van De Nederlandse Nieuwsmonitor laat zien dat elke keer wanneer Wilders een boude uitspraak doet, er bovengemiddeld vaak aandacht aan wordt besteed', heette het in een Volkskrant-artikel van afgelopen december over ‘mediahypes' rond Wilders.

Dat onderzoek leverde bijvoorbeeld op dat de affaire over dubbele paspoorten tot ruim vierhonderd artikelen in de vijf landelijke dagbladen had geleid. Maar wat zegt dat? Afgezet waartegen is dat ‘bovengemiddeld'? En wie bepaalt nou dat die uitspraak van Wilders ‘boud' was? Wie de media van al te grote gretigheid wil betichten, moet er de affaire over de dubbele nationaliteiten maar eens op naslaan.

Na de eerste, overwegend geserreerde en feitelijke berichten volgde vooral een golf van negatieve waardeoordelen. Het duurde meer dan drie weken voor de werkelijke portée van de kwestie aan het licht kwam: Waar de wetgever bedoeld had een dubbele nationaliteit in uitzonderingsgevallen toe te staan, was sluipenderwijs een praktijk ontstaan waarin vier op de vijf migranten zijn oude nationaliteit behield.

Daar zaten wel degelijk nadelen aan en méér partijen bleken het er moeilijk mee te hebben. De VVD schoof op richting Wilders, de SP bekende ermee te worstelen, net als de PvdA. Wilders had een gedrocht van een uitvoeringspraktijk bij de staart. Koran In augustus kreeg de Volkskrant van verschillende kanten forse kritiek op het besluit de krant te openen met het nieuws dat Wilders de Koran wilde verbieden.

Persoonlijk vind ik dat een juiste keuze. Toch speelde de kritiek hierop mogelijk mee in de verslaggeving over twee recentere affaires. Toen Wilders begin oktober begon te fulmineren over de Antillen, hebben de meeste kranten dat genegeerd. Ook de Volkskrant. Jammer, want drie maanden later, na de uitspraken van Hero Brinkman, kan niemand er meer omheen: er is iets fundamenteel veranderd in het denken over de overzeese gebiedsdelen. Zie het artikel van Meindert Fennema (Forumpagina, 21 januari), die overtuigend betoogde dat voor een fors deel van het electoraat het schuldgevoel over het koloniale verleden geen valide argument meer is in de discussie over de omgang met de Antillen.

Dat is wat Wilders haarfijn heeft aangevoeld en uitgevent. Daarmee had hij de vinger gelegd op een nieuwe politieke realiteit die de gevestigde politiek niet zag of wilde zien. Een razend interessant thema. Het onderzoek daarnaar had drie maanden eerder kunnen beginnen. Maar dan hadden Wilders' uithalen serieuzer genomen moeten worden.

Nog sterker geldt dit voor Wilders' kritiek op de kerstrede van koningin Beatrix. Het leek wel of hij naar PvdA-minister Vogelaar had zitten luisteren, klaagde Wilders, overigens nadat anderen (Trouw, De Telegraaf) hem om een reactie vroegen. ‘Allemaal multiculti-geneuzel.' Hij voegde eraan toe dat Beatrix wat hem betreft ‘als een haas' uit de regering moest en alleen nog maar een ceremoniële functie mocht bekleden. De Volkskrant heeft er keurig en terughoudend over bericht.

Dat had achteraf best wat meer mogen zijn. Eind september nog was Wilders zo voorzichtig over de speech van prinses Máxima namens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), toen ze zei: ‘De Nederlander bestaat niet.' Het was ‘politiek correcte prietpraat', reageerde hij. Maar over het koningshuis in zijn algemeenheid had hij verder niets te melden.

Het was een rustige reactie, voor Wilders' doen. Luid en duidelijk klonk het klassieke dilemma erdoorheen dat wel vaker speelt bij prominenten van rechtse signatuur: ze verdenken de Oranjes van linksige sympathieën, maar zijn voorzichtig met kritiek omdat hun achterban het koningshuis goed gezind is. De Telegraaf, altijd zeer kritisch over de multiculturele samenleving, koos de volgende dag in dat dilemma nog vóór het koningshuis en publiceerde een blij verhaal. De kritiek haalde de krant pas de dagen daarna, toen eerst de lezers en daarna de Oranjeverenigingen in het geweer kwamen.

Ook voor Wilders stond eind september het klassieke taboe nog recht overeind. Maar eind december was hij dus om. De eerste reactie van journalisten was: ach, Wilders weer. Vervolgens werd geturfd of andere partijen hem steunden in zijn kritiek. Nee dus. Gingen ze hem helpen om een spoeddebat af te dwingen? Ook niet. Zaak gesloten.

Maar een dag of tien na Beatrix' toespraak maakte opiniepeiler Maurice de Hond bekend dat meer dan de helft van de Nederlanders het met Wilders eens was: Beatrix moet zich voortaan maar beperken tot het doorknippen van linten. Dat is een naoorlogs unicum. Wilders had de temperatuur weer goed aangevoeld. De man die sinds 2004 door al zijn bewaking nagenoeg afgesloten leeft van de buitenwereld, heeft onmiskenbaar een antenne voor wat zich daar afspeelt.

Dat is nu zo vaak gebeurd dat de conclusie onontkoombaar is: Wilders is een goed politicus. Althans: in de betekenis van een politicus als volksvertegenwoordiger. Hij weet of voelt wat er leeft in het land danwel zijn achterban. Dat verwoordt hij. Dat dat herrie geeft, is niet per se negatief. Dat gebeurt ook met een fluitketel als het water het kookpunt bereikt. Dat die stoom kan ontsnappen, voorkomt wel dat de ketel uit elkaar spat. Wilders heeft zijn achterban gevonden, getuige zijn negen zetels in het parlement.

De vraag is nu of hij wel voldoende weerwerk krijgt. Want de Tweede Kamer vormt weliswaar een veel betere afspiegeling van de samenleving dan tien jaar geleden, het is bepaald nog niet ideaal. Zelfs de dieren hebben inmiddels in het parlement een stem, in de Partij voor de Dieren.

Maar intussen worden grote groepen mensen nog steeds niet gehoord. Als grote tegenspelers van Geert Wilders presenteren zich momenteel vooral Alexander Pechtold van D66 en Tofik Dibi van GroenLinks. De liberalere, vrijgevochten moslims zitten bij hen wel goed.

Maar wie vertegenwoordigt nou die paar honderdduizend conservatieve moslims die bijvoorbeeld bedenkingen koesteren jegens seksuele vrijheden, of uitingen van het christelijk karakter van het hedendaagse Nederland? Hoe divers die groep ook is, hun aantal gedeeld door de kiesdrempel laat in theorie ruimte voor zeker vier zetels of partijen. Er moet toch iemand zijn die tenminste een deel van hen een stem kan geven? Ook zo iemand zou ik graag bellen voor zijn reactie op ontwikkelingen. Ook dat geluid hoort in het parlement en in de krant. Maar de politicus als volksvertegenwoordiger en vertolker van gevoelens en gedachten, dat is niet de meetlat waarlangs politici in Nederland gewoonlijk worden gelegd. Ze worden doorgaans beoordeeld op plannen, wetsontwerpen, moties.
 
De meest gehoorde reactie op voorstellen, plannen en tirades van Wilders is dan ook: maar dit kan helemaal niet! Deze of gene wet staat in de weg, of er komt nooit een Kamermeerderheid voor. En dan is het allemaal onzin, volgens de Haagse mores. Voor de media is dan het devies: negeren maar, dan wel de boel door een deskundige laten afschieten.

Maar Wilders speelt niet volgens die spelregels. Hij heeft geen bestuurlijk einddoel voor ogen en hengelt niet naar waardering van collega's in de Kamer. Hoe meer hij wordt aangevallen, hoe populairder hij wordt. Als de constatering is dat zijn boodschap vaak verrassend goed in elkaar zit, blijft nog steeds de vraag hoe hij hem precies over het voetlicht krijgt.

De verhalen daarover nemen langzamerhand mythische proporties aan. Wilders zou een uniek begrip van de werking van media hebben. Hij bespeelt ze virtuoos, als we de mediawetenschappers mogen geloven.
 
In de praktijk bestaat Wilders' geheim er vooral uit dat hij journalisten meestal terugbelt als ze wat willen weten en dan in begrijpelijke taal zijn commentaar geeft. Of hij stuurt een opiniestuk naar een krant, die dat dan meestal wel plaatst - omdat dat artikel begrijpelijk is en ergens over gaat. Weinig bijzonder, allemaal.
 
Hooguit is bijzonder wat Wilders allemaal níet doet: verschijnen in Buitenhof, NOVA et cetera. Professioneel Al met al is zijn pr-beleid een stuk minder professioneel geregeld dan bij andere partijen. Die hebben, afhankelijk van hun grootte, een voorlichtingsafdeling tot een man of tien. Die sturen persberichten, bellen journalisten om hen te interesseren voor het interessante verhaal van Kamerlid zus of zo, lekken eens wat of vertellen deze of gene roddel over een andere partij.

Doet de PVV niet. Wilders doet het allemaal zelf. Hij kiest zijn momenten goed; bij voorkeur in het reces, als de meeste anderen op vakantie zijn, lanceert hij zijn plannetjes. Net als bijvoorbeeld VVD-leider Rutte in het afgelopen zomerreces en CDA'er Atsma in alle recessen sinds mensenheugenis. Die wurggreep van Wilders, daarmee moet toch vooral de voortdurende berichtenstroom worden bedoeld sinds zijn plan voor een Koranfilm bekend werd.

Het zou zo knap zijn dat hij al zo lang in het middelpunt van de belangstelling staat met een film die er nog niet eens is. Maar op 28 november, de dag dat dat nieuws door De Telegraaf naar buiten werd gebracht, zag Wilders er in een gesprek op zijn kamer helemaal niet uit alsof hij de regie zo vast in handen had. Hij baalde enorm. Justitie had dat nieuws gelekt, verzekerde hij, zéér tegen zijn zin. Hij was bezorgd over zijn veiligheid. Hij had het pas veel later bekend willen maken, op een moment dat hij toch al van plan was een paar weken naar het buitenland te gaan.

Wellicht is alle reuring van de afgelopen weken helemaal geen vooropgezet plan van Wilders geweest, maar is ook hij overvallen door de heftigheid van de reacties. Een voorzichtige aanwijzing hiervoor is misschien wel wat er afgelopen dinsdag gebeurde in de wandelgangen van de Tweede Kamer. In reactie op alle ophef over zijn komende Koranfilm riep Wilders zowaar op tot kalmte. Hij vond de media-aandacht voor de film en zijn persoon zwaar overdreven. Menig mediacriticus zal het voor het eerst met hem eens zijn geweest.

Ron Meerhof is redacteur van de Volkskrant op de Haagse redactie.
Profielfoto Forumredactie

Forumredactie

Woonplaats: Amsterdam
De forumredactie plaatst hier regelmatig een opiniestuk dat ook in de krant is verschenen.
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Links

Groepen

Favorieten van Forumredactie

Laatste reacties

persona

Stop alsjeblieft met de ontwikkelingshulp
Ronny Schuur: En luister eens naar het 'gelul' over voetbal op TV …

persona

Stop alsjeblieft met de ontwikkelingshulp
Ronny Schuur: Wat is er mis met de wereld als we heel …

persona

Stop alsjeblieft met de ontwikkelingshulp
Ronny Schuur: In Zuid Afrika vindt op dit moment het WK Voetbal …

persona

Stop alsjeblieft met de ontwikkelingshulp
john: ontwikkelingshulp is in tegenstelling van wat beweerd wordt geen gigantische …

persona

Nederland moet homovriendelijker worden
Bob: Boris van der Ham c.s. zullen pas tevreden zijn als …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Forumredactie, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2008
2007

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •