
Der
Spiegel had gisteren een interessant artikel met de titel
Wenn Töten einfach zum Job gehört over het gebruik, en
dan vooral het doden, van proefdieren in neurobiologisch
onderzoek en hoe (jonge) onderzoekers daar tegenover
staan.
Het artikel begint met een
redelijk accurate beschrijving (achtung Deutsch) van het
doden van een muis door middel van het zogenaamde
‘strekken’ (officieel heet dat cervical
dislocation, zie ook hier
over verschillende methoden om proefdieren te doden). De
beschrijving is evt. wat verwarrend omdat er sprake is van een
keukenmes. Alleen wordt het mes niet gebruikt om mee te snijden,
maar om achter in de nek van het dier te zetten, waarna het dier
gestrekt wordt en de nek breekt. Bij deze methode sta je heel
dicht bij het dier en doodt je het, als het ware, bijna met je
blote handen.
De bewuste onderzoeker, waarvan de
echte naam niet wordt gegeven moet zijn dieren zo doden omdat hij
wil voorkomen dat het dier vlak voor het doodgaan veel stress
krijgt. Dat zou zijn onderzoek naar stamcellen uit de hersenen
nadelig beïnvloeden. Bij andere methoden (gas, onthoofding,
overdosis verdoving) is het risico op een stress reactie veel
groter.
De onderzoeker heeft problemen met dit deel van zijn onderzoek. Het staat hem tegen. Er wordt zelfs gezegd dat hij er nachtmerries van had en dat ook ervaren proefdieronderzoekers steeds weer een heuvel over moeten, of zoals het artikel zegt:
...die Tötungshemmung sei doch da, und da müsse man immer wieder drüber.
Dat laatste kan ik beamen, maar ik heb er niet zoveel last van als de onderzoeker uit het artikel. Het is op zich alleen maar goed dat er blijkbaar iets in je een barriere oplegt en dat je niet zomaar er op los gaat. Maar uiteindelijk hoort het doden van het proefdier erbij en dat moet op de meest humane en efficiente manier te gebeuren.
Wie dieronderzoek doet moet bereid zijn om zelf zijn dieren te doden wanneer het onderzoek dat vraagt. Dat laatste is echter niet altijd mogelijk. Ook ik help tegenwoordig ook af en toe andere onderzoekers bij het doden van dieren om hersenmateriaal te verzamelen. Dit is om de praktische reden dat alleen onderzoekers die een proefdiercursus hebben doorlopen (en dat diploma hebben) dieren mogen hanteren en doden. Mensen die alleen cellen of weefsel gebruiken hebben steeds vaker niet zo’n diploma.
En die trillende handen heb ik, vooral na afloop, ook. Het is namelijk inderdaad stress, maar dat heeft bij mij vooral te maken met het feit dat ik het niet verkeerd wil doen en kost wat kost wil voorkomen dat het dier pijn leidt.
Gisteravond zat ik naar de verschillend journaals, NOVA en Knevel en Van den Brink (wat een crime is dat trouwens) te kijken en zo de perikelen bij het CDA te volgen.

Tegen middernacht, in het laatste journaal van gisteren, werd er verteld dat het wel eens een latertje zou kunnen worden.
Ik zeg tegen mevrouw Agricola:
Ze leren het nooit. Nu gaan ze weer midden in de nacht een
beslissing nemen en dat komt meestal niet goed. Mevrouw
Agricola zei nog: Daar moet je eens iets over schrijven.
Nou had ik dat
een paar maanden geleden al gedaan, kort nadat het laatste
kabinet Balkenende midden in de nacht was gevallen.
Met de steun van peer reviewed slaap onderzoek kon ik aangeven dat het beter was om over dit soort beslissingen een nachtje te slapen.
Ik had echter niet het idee dat
dit enige uitwerking zou hebben.
Wie schetst mijn verbazing als nog geen twee minuten later het beeld totaal verandert. Klink en Verhagen komen naar buiten en hebben besloten dat het goed is om nog een nacht erover te slapen.
Zouden de heren politici dan toch mijn blog hebben gelezen?
Het CDA wordt in ieder geval verstandig.
Dit was de titel van een astronomie
boek dat ik in mijn tienerjaren veel gebruikt heb. Boeken zijn
uit. Tegenwoordig staat alles online,
In een artikel in Science werd afgelopen vrijdag reclame gemaakt voor een website waar de Sloan Digital Sky Survey (SDSS) zijn hele dataset beschikbaar heeft gesteld voor het publiek. De SDSS is voor astronomie wat het Human Genome Project is voor het genoom van de mens. Sinds 1991 zijn ze bij SDSS bezig om het universum in kaart te brengen.
Het is niet alleen een zeer mooie site, maar je kunt er ook verdomd interessante dingen doen.
SkyServer tools allow students, teachers, and the public to view astronomy data. SkyServer projects allow learners to use these data to recreate famous discoveries in modern astronomy, such as detecting the expansion of the universe [heb ik naar gekeken en werkt inderdaad, TA]. Other interfaces, such as Google Sky and World Wide Telescope, permit the public to view SDSS data in relation to other astronomical data sets. Galaxy Zoo allows online volunteers to contribute to the advancement of science. Together, these sites are tapping into the hunger and enthusiasm of members of the general public to engage with scientific research, and are helping to make science more democratic.
Go and explore, zou ik zeggen.
Zoals jullie weten heb ik de afgelopen drie (!) jaar, samen met een collega uit Bazel, een hoofdstuk geschreven voor Principles and Practice of Sleep Medicine, het tekstboek over slaap. Eind vorig jaar hebben wij de proefdrukken gekregen en goedgekeurd en sindsdien eigenlijk niets meer gehoord. En als je niets meer hoord dan duiken er geruchten op.
Bij het afscheidscollege van mijn promotor, afgelopen mei, was ook mijn vroegere begeleidster uit Zurich (CH). Ook zij heeft een hoofdstuk in dit boek. Zij vroeg of ik al proefdrukken had gehad, want zij had nog niets gekregen. Iets wat ik zeer vreemd vond omdat ik er vanuit ging dat het boek allang in de drukpers lag.
Dit laatste idee werd bevestigd in juli tijdens het congres in Amsterdam. Hier liep ik een andere collega tegen het lijf die een hoofdstuk in het boek heeft. Hij was in de maand daarvoor op een congres in de VS geweest en had daar in een standje van de uitgever het boek zien liggen. Hij had er zelfs in gebladerd, op zoek naar zijn hoofdstuk, maar (op de 1 of ander manier) was het boek hem voordat hij het hoofdstuk vond weer uit zijn handen getrokken. Maar hij verzekerde mij dat hij het had zien liggen en dat het al gedrukt was.
Aangezien mij een exemplaar was beloofd zat ik dus met smart te wachten en ging ik er eigenlijk vanuit dat ergens in mijn vakantie dat boek dan wel opgestuurd zou worden.
Ik was dus zeer verbaasd toen ik vorige week een email van mijn collega uit Bazel kreeg
Dear Tomaso
here the proof for PPSM. I hope to send you something (new review) end of the week....
best X
Het is dus nog niet uit! En we krijgen nog een keer proefdrukken om door te akkeren op zoek naar … ja wat eigenlijk. Dit hadden we al een keer gedaan. Zeer vervelend.
Googlen wil nog wel eens helpen (zeg ik ook tegen mijn studenten: Google it!). En jawel!
Zo gaat her er uit zien en op 7 september a.s. is het eindelijk zover.
Unintelligent design (17): Dagdieren met nachtogen
wetenschap, evolutie, religie
In tegenstelling tot wat er in vroeger tijden (bijvoorbeeld in de tijd van Darwin) is gezegd is het oog van zoogdieren een voorbeeld van slecht ontwerp in de natuur. Daarom is het ook 1 van de organen die regelmatig terugkomen in de serie Unintelligent design (bijvoorbeeld hier, hier en hier).
In verband met mijn eigen onderzoek en onderwijs houdt ik de literatuur over ogen zo goed mogelijk in de gaten en deze maand struikelde ik over een artikel in het tijdschrift Brain, Behavior and Evolution met de titel The nocturnal bottleneck and the evolution of mammalian vision. De auteurs Christopher Heesy en Margeret Hall laten hierin zien dat het oog van vele dagactieve zoogdieren verschillende eigenschappen hebben die aanpassingen zijn aan een omgeving met weinig licht, typisch voor nachtactieve dieren.
Een beetje vreemd wanneer je er vanuit gaat dat deze zoogdieren zijn onworpen door een intelligente ontwerper (overigens, niet vreemd wanneer het een prutser was). Wanneer je uitgaat van de evolutietheorie is dit echter wel te verklaren.
Uit de samenvatting van het artikel.
Multiple features of extant mammal sensory systems, such as evolutionary modifications to the light-regulated circadian system, photoreceptor complement, and retinal morphology, support this nocturnal hypothesis for mammalian evolution. Here, we synthesize data on eye shape and orbit orientation in mammals as these data compare to other amniotes.
Ze vergelijken dus verschillende eigenschappen van de ogen van zoogdieren met die van reptielen en vogels. En dan met nachtactieve en dagactieve vogels.
Based on our analyses, we propose that extant mammals retain a scotopic eye design as well as expanded binocular zones as a result of their nocturnal origin.
In principe bevestigt dit onderzoek het idee dat zoogdieren in een ver verleden tijdens hun evolutie een lange periode hebben doorgebracht met uitsluitend nachtactiviteit en rust overdag. Dit omdat de (tijd)niche van dagactiviteit bezet werd gehouden door de dinosaurussen. Het verdwijnen van de dinosaurussen 65 miljoen jaar geleden gaf ruimte voor de zoogdieren om ook dagactief te worden. Tussen toen en nu hebben verschillende zoogdiersoorten zich hieraan aangepast, maar in bepaalde eigenschappen is deze nocturnal (=nachtactieve) bottleneck van 65 miljoen jaar geleden nog steeds te achterhalen.
Alleen de dagactieve primaten (en wij dus) zijn een tikje anders. Daar lijken de ogen op die van dagactieve vogels:
Only anthropoid primates notably differ from general mammalian patterns, and possibly have evolved an eye shape more typical of the ancestral amniote condition.
Dit laatste kan te maken hebben met het feit dat wij veel meer gebruik maken van lichtinformatie (en de andere zintuigen minder goed ontwikkeld zijn) om ons te orienteren dan andere zoogdieren.
Op de site van het komende
congres in Lissabon kun je nu al het programma zien en de
titels van de abstracts (dit zijn een soort samenvattingen van
wat ze presenteren) die de verschillende deelnemers hebben
ingeleverd. Er zit ook een zoekfunctie bij, maar daar is iets
vreemds mee aan de hand.
Je kunt zoeken op onderwerp, maar ook op naam. Wanneer ik op mijn eigen naam zoek vindt ik, logisch, de titels van mijn eigen twee abstracts. Maar er doken nog twee abstracts op die ik niet had geschreven.
De eerste heeft de titel Torpor-like state induced by the inhibition of the rostral ventromedial medulla in the rat.
De ander Modulation of the dynamics of sleep pressure markers by time-of-day and light in mice.
Torpor is een conditie die optreedt bij winterslapers wanneer de lichaamstemperatuur afkoelt onder, pak hem beet, 32ºC. In een ver verleden heb ik onderzoek gedaan naar de invloed van torpor op de daarna volgende slaap.
Ik vermoed dat beide abstracts mij bij naam noemen (wat in abstracts niet zo heel erg vaak gebeurt), maar aangezien ik alleen de titel kan zien kom ik er nu niet achter of dat positief of negatief is.
Spannend is het wel.
Na twee internationale
congressen in Nederland (Amsterdam
en Leiden) is het
volgende congres dat van de European Sleep Research Society in
Lissabon. En ik neem aan dat ik me wel ga vermaken, maar ook
zeer vermoeid terug ga komen. Hier de hoogtepunten:
Het begint op 14 september met een openingsreceptie om half zeven ’s avonds. De jongelui (studenten, promovendi en postdocs) hebben dan al een dag met teachingsessies (over klinische en fundamentele slaap zaken) achter de rug. De volgende dag is ’s ochtends de opening met meteen daarna het Young scientist symposium waar jonge, veelbelovende onderzoekers zijn uitgenodigd in hun eigen symposium (ik stond daar zelf in 1996). Dit, naast de 3 keynote lectures de enige sessie die geen concurrentie heeft van andere parallell lopende sessies, dus iedereen die kan is daar aanwezig.
De nieuwe Editor in Chief van het Journal of Sleep Research heeft besloten dat wij, de editors van het tijdschrift, op 16 september om 7 uur ’s ochtends bij elkaar komen om de toestand van het tijdschrift te bespreken. Dat is vroeg. Ik moet nog vragen of er ontbijt geserveerd wordt.
Op de 17e is om 11 uur ’s ochtends mijn symposium en dan die avond het Banquette. Deze volgorde is beter dan wat me 4 jaar geleden gebeurde. Toen moest ik om half negen een symposium openen op de avond na het Banquette. Ik heb voor de grap geteld...er zaten wel 20 mensen in de zaal.
De 18e, als laatste spreekster, geeft mijn voormalig begeleidster uit Zurich de keynote lecture. Het heeft de titel My life in animal sleep research. Dit klinkt alsof ze binnenkort afscheid gaat nemen, Wat goed mogelijk is want ze zit op bijna een jaar voor haar verplichte pensioen. Ben benieuwd wat ze gaat vertellen.
Daana nog de sluitingsceremonie en dan rechtstreeks naar het vliegveld. Dan ben ik die zelfde dag om 20 over 11 ’s avonds weer op Schiphol.
Af en toe kom je van die dingen
tegen die je echt niet voor je wilt houden...
In Juni verscheen in het tijdschrift Frontiers in Neurology een opinie artikel van Pandi-Perumal (ja, deze man heeft een wikipedia pagina) en collega’s met de titel Great challenges to sleep medicine: Problems and paradigms. Ik zal jullie niet vervelen met de inhoud van het artikel en wat de auteurs denken wat de uitdagingen, problemen en paradigma’s in de slaapkliniek zijn, ik wil alleen even wijzen op een zinnetje dat het belang van mijn onderzoek onderstreept.
Om het onderwerp in te leiden wordt er eerst een overzicht gegeven van de stand van zaken wat betreft de kennis (en onkunde) in verband met slaap. Alinea nummer drie begint met:
As we know, sleep is a complex behavior which continues to be an evolutionary puzzle. Every animal adequately studied to date engages in some form of sleep or sleeplike behavior (Lima et al, 2005; Siegel 2005, 2008; Cirelli and Tononi 2008). Moreover, [en nu komt het] sleep is an essential part of our daily rhythm (Agricola et al 2003), although the purpose it serves is one of the unresolved problems in modern biology.
Nee, ik verzin dit niet. Dat we weten dat slaap een essentieel onderdeel is van ons dagelijkse ritme is, volgens deze auteurs, ontdekt door mij! Moi!!
Voor 2003 had niemand enig idee.
Het overviel mensen. Plotseling vielen ze in slaap en niemand
wist waarom en kon redelijk voorspellen wanneer. Sinds 2003,
nadat ik, Tomaso Agricola, zijn inzichten publiceerde is het
duidelijk: Het is een essentieel onderdeel van ons dagelijkse
ritme.
De workshop
is voorbij en ik heb mijn plicht gedaan. Toen de workshop werd
aangekondigd en ik het programma bekeek dacht ik dat voornamelijk
de onderwerpen op donderdag en vrijdag interessant voor mij
zouden zijn. Op die dagen ging het over het verband slaap en
dag-nacht ritmiek en dat is het onderwerp waar ik mij in mijn
onderzoek voornamelijk mee bezig houdt. Ik meldde mij aan met het
idee om allen de donderdag en vrijdag te gaan en lekker anoniem
te luisteren naar de intelligente verhalen van anderen over dit
onderwerp.
De organisatoren dachten daar anders over. Toen ik mij had aangemeld kreeg ik al gauw de ‘opdracht’ om op de vrijdag een commentaar sessie te organiseren over de slaap en ritmiek verhalen van de vorige dag. Dat is andere koek. Niet meer anoniem binnensluipen, maar actief meedoen. Alleen op donderdag en vrijdag gaan was geen optie meer. Gelukkig was de workshop interessanter dan ik van te voren had gedacht, dus het was geen straf.
Maar de slaap sessie was wel even slikken. De helft van de sprekers heeft het woord slaap niet in de mond genomen en de andere helft op zo’n manier dat ik dacht dat het wellicht beter was om meteen te vertrekken. Russel Foster, een oogspecialist en circadiane ritmen onderzoeker, stelde een methode voor om met video opnamen slaap-waak patronen te bepalen om op die manier sneller slaaponderzoek te kunnen doen. Hij wilde met behulp van video beelden bepalen of dieren slapen of niet. Het deed mij een beetje denken aan een andere chronobioloog, Fred Turek, die 15 jaar geleden (mijn God ik wordt oud!) met een zelfde oproep kwam om ‘high-throughput screening’ van slaap te gaan doen. Foster eindigde (provocerend, tongue in cheek) met de vraag What has EEG really taught us about sleep mechanisms in rodents.........? Nou dan vraag je je echt even af wat je in dit gezelschap te zoeken hebt.
De volgende dag mocht ik mijn zegje doen, en heb ik hierop gereageerd door het publiek te laten zien dat zonder electroencephalogram (EEG) je geen uitspraak kunt doen over de kwaliteit (diepte) van de slaap en zo een hoop informatie mist. Dat je zonder EEG zelfs de indruk zou kunnen krijgen dat een rat 6 uur wakker houden weinig invloed heeft op het dier (Terwijl het EEG duidelijk verandert).
Hierna ben ik doorgegaan met het eigenlijke onderwerp waarover ik wilde praten, nl de relatie tussen slaap en de interne circadiane klok, wat gek genoeg niet aan bod was gekomen.
Een aantal mensen vertelde mij achteraf dat ik het harder of scherper had kunnen zeggen. Dat had gekund en was waarschijnlijk leuk geweest voor de toeschouwers (ha, eindelijk een openlijk gevecht!), maar daarvoor was ik niet naar de workshop gekomen.
Deze hele week zit ik in een workshop in het Lorentz Centrum in Leiden. Ik ben dus in de buurt, maar meteen ook de hele week afwezig.
De workshop heeft de titel
Assembling a Multi-cellular circadian pacemaker en
behandelt de verschillende aspecten van cellulaire samenwerking
binnen een biologische klok. Er zal worden gesproken over genen,
eiwitten en receptoren, de neuroanatomie en het modelleren van de
klok (of pacemaker). Aan het eind (donderdag en vrijdag) komen de
functionele aspecten aan bod (de timing van slaap, het volgen van
dag-nacht veranderingen, seizoensaanpassingen) en daar mag ik mij
vooral tegenaan bemoeien.
Er is door de organisatoren een groep mensen uitgezocht die aan dit onderwerp werken in verschillende diersoorten en/of met verschillende technieken. Bij de diersoorten ligt de nadruk op de fruitvlieg en knaagdieren. Een multidisciplinaire benadering dus. De helft van de deelnemers zijn voor mij oude bekenden, de andere helft (en dat zijn vooral de fruitvliegmensen) zijn voor mij nieuw. Uiteraard zitten er ook een aantal sociale verplichtingen buiten de werkuren aan vast en al met al zal het een drukke week worden.
Dit betekent dat er deze week verder niet geblogged zal worden. Ik ben er wel, maar ik ben er ook niet.
Naast het testen van oude en nieuwe slaappillen en –drankjes wordt er in het klinische slaaponderzoek ook gekeken naar de mogelijkheden om op een niet-farmacologische manier de slaap te beinvloeden en evt. te verbeteren.
Deze week, bij het doorakkeren van de nieuwste literatuur, viel mijn oog op een artikel met de titel Use of Ball Blanket in attention-deficit/hyperactivity disorder sleeping problems. Het is gepubliceerd door Allan Hvolby en Niels Bilenberg in het tijdschrift Nordic Journal of Psychiatry. Met behulp van actigrafie met actometers hebben Hvolby en Bilenberg onderzocht of de slaap van ADHD kinderen verbetert wanneer ze een hoeslaken gebruiken waarin niet een normaal dekbed zit, maar een dekbed gevuld met kunststof ballen.
Uit het onderzoek bleek dat de kinderen sneller in slaap vielen, minder vaak wakker werden en meer sliepen dan onder normale omstandigheden. Ook leek het alsof de kinderen minder last hadden van ADHD. Dat laatste kan het gevolg zijn van een betere concentratie na een beter nachtrust (maar dat is mijn mening).
Ik had tot nu toe nog nooit van de
hoeslakens gehoord, maar na een korte zoektocht heb ik ze
hier
gevonden. Of het toeval is dat het bedrijf en de onderzoekers
beide uit Denemarken komen weet ik niet (ik kan niet bij het hele
artikel en kan dus de acknowledgement niet lezen), maar
het maakt mij wel wat achterdochtig.
Neemt niet weg dat, wanneer de slaap (en dan vooral het gebrek aan slaap) werkelijk een probleem worden het wellicht een poging waard is.
Op deze site wordt (in het Engels, maar daarom niet minder waar) een illustratie gegeven van het perspectief van een jonge Dr. die net zijn proefschrift heeft afgerond.
Het advies aan het eind is niet zo gek, maar, zoals Einstein al zei:
"If we knew what it was we were doing, it would
not be called research, would it?"
Hier bij philosphersnet (tenminste, ik denk dat het zo heet) kom je, na een serie filosofische vragen over God en de wereld, er achter hoe consistent jouw wereldbeeld in elkaar zit.
Het was even spannend,
maar ik heb het gered en ben nu de trotse drager van de
The Philosphers Magazine medal of honer (ik lijk zelfs
een beetje op het mannetje in de tekening, hoewel ik bij het
nadenken in het openbaar tegenwoordig een overhemd draag).
Toch een kwestie van consequent blijven.
In de september uitgave van het
Journal of Sleep Research (JSR; September? Nu al? Ja, nu
al, in september komen ook nog de congresproceedings van
het ESRS
congres uit in JSR) geeft de nieuwe editor in chief,
Derk-Jan Dijk een overzicht van alle artikelen die in die uitgave
verschijnen. Of het bewust is of niet, maar hij maakt op deze
manier gebruik van een truc om de impact factor van het
tijdschrift op te krikken waar zijn
voorganger vorig jaar al op wees.
Dijk besluit zijn overzicht met de woorden:
These papers show the great variety in sleep research and also that progress is sometimes achieved by revisiting problems that we thought were resolved, only to find a very different answer.
Stond er nog iets in wat hier op het blog interessant kan zijn? Ik denk het wel.
Hoe vaak heb ik hier niet
gezegd dat ‘men’ denkt (en ik dus ook) dat wij (de
mensen) minder slaap krijgen dan een vorige generatie. Onder de
titel Thirty-six-year secular trends in sleep duration and
sleep satisfaction, and associations with mental stress and
socioeconomic factors – results of the Population Study of
Women in Gothenburg, Sweden (ja, het is een lange titel)
presenteert Andisheh Rowshan Ravan met collega’s uit het
lab van Cecilia Bjorkelund een overzicht van de slaapduur van
vrouwen in 1968-69, 1980-81 en 2004-05 in twee verschillende
leeftijdsgroepen (38 en 50 jaar oud, groepsgroottes per jaar en
leeftijd van 122 tot 398 vrouwen).
Hieruit blijkt dat de 38 jarigen van nu inderdaad minder slaap krijgen (7.08 uur) dan de 38 jarigen uit 1968 (7.32 uur), maar dat dit verschil nog geen 15 minuten is. De 50 jarigen slapen nu zelfs even lang als 40 jaar geleden (7.00 en 7.02 uur). Een bevinding die past binnen de (non)trend die het Sociaal en Cultureel Planbureau vindt.
Opmerkelijk aan deze studie is dat in beide groepen slaap problemen (naar eigen zeggen) wel toenamen van 17-21% in 1968 tot 31-41% nu. De auteurs denken dat dit zou kunnen komen door increased participation in working life [by women] and at the same time still taking major responsibilities for family and household work. In the Population Study of Women, working outside the home in these age groups increased from 55% in 1968 to 90% in 2004.
De auteurs concluderen dan ook:
Short sleep duration and perceived sleep problems are both symptoms and causal factors of ill health. Changes in societal and work-related matters that improve women's socioeconomic and family situations could be expected to be very health promotive for middle-aged women. As there was no apparent association between alcohol consumption and sleeping problems or regular leisure time physical activity, improvements on society level rather than on the individual level could be expected to be more efficient in improving women's sleep.
Tijd dat de mannen wat minder gaan
werken en meer in het huishouden gaan doen, maar dat zal wel weer
niet mogen vanwege stagnatie van de economische groei. Het
alternatief is om een werker/ster en een caterer te nemen en je
kind na het doorknippen van de navelstreng in een creche te doen.

En wat voor werk!
Hier wordt op Spitsbergen (deze Noren noemen het om politieke [waarschijnlijk, zie ook hier] redenen Svalbard) een ichtyosaurus fossiel opgegraven en we kunnen allemaal meekijken via 4 webcams. De laatste keer dat ik keek hadden ze last van slecht weer (en kou), maar misschien is het nu beter.
Deze week komt er ook een verslaggever bij die, als het goed is, af en toe een bericht naar de site stuurt zodat we eventueel ook kunnen lezen en begrijpen waar de groep mee bezig is.
Daarnaast veel informatie over de
mensen die het werk doen, wat voor werk ze doen en eerder
opgravingen van deze groep.
Overigens, dit is geen picknick. Lees voor de
grap de antwoorden van Tommy
Wensås (property
manager) eens door.
Hot news gisteren. Naomi
Campbell was in Nederland om te getuigen in de zaak tegen Charles
Taylor en zijn bloeddiamanten. En ja,
ze had diamanten gekregen, maar of ze van Taylor afkomstig
waren is niet duidelijk (merk op dat de link van de VK gisteren
wel sprak over bloeddiamanten, maar de titel van het artikel
niet!).
Pas gisteren begreep ik dat de zaak in Nederland werd gevoerd en dat daarom Campbell deze week elke dag in de krant stond.
Maar erg informatief was het
allemaal niet. In plaats van uitgebreid te vertellen over de
getuigenis van Campbell (zoals de Spiegel
dat op hetzelfde tijdstip gisteren wel kon, lees vooral ook dat
stuk, zeer veel interessanter omdat het een inkijkje geeft in de
macht van de angst van Taylor) kwam de Volkskrant niet verder dan
een zeer summiere en blijkbaar onvolledige samenvatting om
vervolgens over te gaan op de zgn. sterallures van Campbell (wat
ik meer iets vind voor de Telegraaf).
Notabene de opmerkelijkste passage in het bericht van de Volkskrant (en andere Nederlandse kranten) was de volgende:
Campbell wilde niet in Nederland komen getuigen en kwam pas opdagen nadat de rechters haar hadden gedagvaard. Hollis had geen gelegenheid van tevoren met haar te spreken. De hoofdaanklaagster [Hollis dus] kon dus niet op de vraag van de rechters antwoorden of Campbell de eed zou afleggen op de Bijbel of de Koran.
Wat weer een heel andere beerput open trekt.
Het kwam blijkbaar bij niemand in de rechtbank op dat Campbell de eed op geen van beide zou willen afleggen. Dat iemand een ander geloof dan de twee mainstream geloven aanhangt kon men zich blijkbaar niet voorstellen. Laat staan dat Campbell atheist zou kunnen zijn.
Om de rechtbank niet in
verlegenheid te brengen koos ze voor de Bijbel. 
Struinend door de (Volks)kranten die tijdens de vakantie werden bezorgd las ik de column van Bas Haring van 3 juli. Na wat geschrijf over CO2 wil hij luchtig eindigen (het is de laatste column voor de zomervakantie) door twee vragen te stellen over voetbal. De tweede gaat over hem onbekende voetbalbegrippen zoals ‘de ruit’, ‘doordekken’, en ‘inschuivende linies’, maar daar wil ik het niet over hebben.
De eerste vraag is wel leuk:
…heeft u de wave gezien tijdens Nederland-Slowakije? En heeft u ook gezien dat ie de ‘verkeerde’ kant op draaide? Ik weet niet beter dan dat de wave tegen de klok indraait, maar afgelopen maandag draaide hij met de klok mee. Waarom?
Aangezien het WK zich op het zuidelijk halfrond van onze aardkloot afspeelt moest ik meteen denken aan de wet van Buys Ballot over de richting van de wind en de plaats van het hogedrukgebied:
Staande met de rug naar de wind, bevindt het lagedrukgebied zich op het noordelijk halfrond links van de waarnemer en het hogedrukgebied rechts van hem
Op het zuidelijk halfrond is dit precies andersom. Dit komt weer door wat men het corioliseffect noemt.
Het corioliseffect is de verklaring voor de afbuiging van de baan van een voorwerp dat beweegt binnen een roterend systeem. Het is vooral duidelijk bij de beweging van de wolkenmassa's rond een lagedrukgebied, die niet recht naar het centrum van dit lagedrukgebied stromen maar er omheen beginnen te cirkelen, op het noordelijk halfrond tegen de wijzers van de klok in, op het zuidelijk halfrond met de wijzers van de klok mee.
Precies zoals de wave in het stadion.
Dit groepsgedrag van mensen is
blijkbaar gevoelig voor de draaiing van de aarde.
Uiteraard moet er nog verder
onderzoek worden gedaan en meerdere waves bekeken worden, maar ik
denk dat we hier op een vruchtbaar spoor zitten. 
Naar aanleiding van een (ouder) artikel in de volkskrant over de invloed van Darwin op beeldend kunstenaars (het raakvlak kunst wetenschap vindt ik zeer interessant) hier een voorbeeld waarbij (schilder)kunst blijkbaar werd geïnspireerd door de nieuwe wetenschappelijke inzichten in de geschiedenis van de mens.
Het is het schilderij Anthropoiden-Kampf um ein Weibchen van Frantisek Kupka uit 1902. Het is blijkbaar een minder bekend of minder belangrijk werk van Kupka, maar dat mag de pret niet drukken.
Of de mensachtigen natuurgetrouw zijn weergegeven laat ik in het midden. Wat mij vooral trof waren de bloemetjes in de handen van het vrouwtje.
Ondanks dat ik al bijna 20 jaar in het vak zit had ik nog nooit van het woord gehoord, totdat ik afgelopen weekend een 1 pagina artikel in de Spiegel van 28 juni las (waar overigens ook een interessant interview in stond met Craig Venter) over een gaapcongres, n.l. het officiële woord voor gaapkunde.
Chasmologie.
Een korte google ronde leert mij dat het woord in 2004 is bedacht door Wolter Seuntjes, een onderzoeker die gepromoveerd is op een proefschrift met de titel On Yawning, or The Hidden Sexuality of the Human Yawn en dat het woord is afgeleid van het oud-griekse Chasme, of het Engelse chasm (wat dan weer van het oud-grieks is afgeleid neem ik aan). Chasm betekent afgrond en het is welbekend dat afgronden (spreekwoordelijk) je vooral staan aan te gapen.
De meeste dieren met een bek en (n.b.!) een wervelkolom gapen, maar de functie van dit gedrag is volkomen onbekend.
Zelf heb ik jaren geleden geprobeerd een lijstje met diersoorten aan te leggen die ik heb zien gapen (om een soort fylogenetisch overzicht te krijgen), maar na een tijdje bleek dat ik te weinig verschillende diersoorten tegenkom om hier daadwerkelijk iets mee te kunnen doen.
Ik kan hier wel vermelden dat ik naast de obligate huis- en gebruiksdieren (mensen, honden, katten, ratten, koeien, paarden en konijnen etc…) ook een nandoe heb zien gapen. En dat was nog wel de Rhea pennata, (vroeger Rhea darwinii), de soort nandoe die wordt gevonden in het zuidelijkste deel van Argentinië en het eerst wetenschappelijk werd beschreven door Charles Darwin.
In een artikel met de titel Scaling of sensorimotor control in terrestrial mammals in de Proceedings of the Royal Society B (sommige tijdschriften zijn in hun geschiedenis gesplitst in een A en B variant, met ieder zijn eigen variatie op hetzelfde thema) laten Heather More en collega’s uit het lab van Max Donelan zien dat een actiepotentiaal over de axon van een zenuw ongeveer even snel gaat bij een spitsmuis als bij een olifant.
Het artikel is voor mij
interessant omdat de auteurs niet alleen naar de spitsmuis en de
olifant hebben gekeken, maar ook uit de literatuur gegevens
hebben verzameld van verschillende knaagdieren, katten, honden,
schapen, varkens en paarden. En elke keer komen ze op ongeveer
dezelfde waarde uit (het neemt toe met een exponent 0.04 op het
gewicht, wat vrijwel niets is) en dit zetten ze uit in een mooie
grafiek met voorbeelden hoe je dit meet bij een spitsmuis en een
olifant (zie afbeelding).
Dit geeft mij de gelegenheid om mijn studenten van het practicum , die dit experiment ook moeten ondergaan (dit kan namelijk zonder invasieve methode en relatief pijnloos worden gemeten) te laten zien dat dit geen spielerei is maar dat hier wel degelijk serieus fundamenteel (en diagnostisch, afwijkingen zeggen iets over de kwaliteit van de overdracht van signalen in een axon) onderzoek mee kan worden gedaan.
En heeft deze vondst volgens de auteurs ook nog praktische betekenis? Waarschijnlijk wel. Aangezien een olifant 100 keer (?) groter is dan een spitsmuis zal het op een zelfde prikkel (bijvoorbeeld pijn in de voetzool) relatief traag reageren.
Large animals may cope with these relatively long delays by simply moving slowly, explaining at least in part the low maximum speeds of large mammals and providing further evidence for the idea that dinosaurs could not be both massive and agile.
Wie veel met kleine knaagdieren te maken heeft weet dat deze dieren soms verbazingwekkend snel kunnen zijn, en het kan zijn dat een groter dieren daarom relatief traag zijn en daarom grote dinosauriers ook…, hoewel, denk eens aan een paard. Dit lijkt me iets te ver gaan.
De eindconclusie...
As delays increase in larger animals, they may increasingly depend upon sensorimotor prediction to maintain sensorimotor performance.
...is het misschien waard om
verder te onderzoeken.

Net als de
rest van het leven blijft dit een experiment. Volgens mij heeft men
in het algemeen geen idee wat een wetenschapper de hele dag doet en
wat hem bezig houdt. Dit leek mij een mogelijkheid om daar wat aan
te doen. Mijn doel is elke werkdag een schrijfsel te produceren
over wetenschap en het wetenschappelijke bedrijf (want het is
uiteindelijk ook een bedrijf). Soms zullen dit commentaren of zijn
op artikelen die in wetenschappelijke tijdschriften verschijnen,
dan weer zullen het persoonlijke verhalen of reflecties zijn
al-dan-niet naar aanleiding van wetenschappelijke artikelen. Alles
afhankelijk van de waan of rust van de dag. In mijn dromen zijn
wetenschappers de tovenaars van deze tijd. Tovenaars die in staat
zijn om problemen op te lossen, danwel voort te brengen,
afhankelijk of het goede of slechte tovenaars zijn. In de praktijk
valt dat vaak tegen en komen bevlogen ideeen krakend tot stilstand
door de dagelijkse beslommeringen. Het oorspronkelijke doel was de
stukjes zo kort te houden dat het bij wijze van spreken 10 tellen
zou duren om er 1 te lezen. Vandaar Tomaso's tien tellen. Hier heb
ik hopeloos gefaald. De meeste stukjes zijn langer, maar naar mijn
idee nog steeds redelijk overzichtelijk.





