Weeklog: Hanco Kolk

De fotograaf heette Najib en was een aardige jongen die helemaal
vanuit de andere kant van het land was gekomen. Dat was iets dat ik
al een beetje merkwaardig vond omdat de meeste kranten
vluggertjesfotografen sturen die binnenstappen, klikken en weer
naar buiten stormen, mij achterlatend als een uitgewoonde
stoephoer. Maar Najib was anders. Hij had werkelijk alle tijd, we
dronken gezellig wat in de tuin en praatten over van alles terwijl
de camera netjes ingepakt in de gang was blijven staan. De camera,
waarvan ik de hele tijd wist dat hij op een zeker moment uitgepakt
zou worden en op me zou worden gericht. Ik ben niet zo dol op
foto’s waarop ik er als mezelf op moet staan. In een ander
leven, vijftien jaar geleden, speelde ik samen met Peter de Wit de
hoofdrol in een fotostrip, maar daarbij moest ik enkel rare
gezichten trekken en idioot doen. Daar heb ik geen enkel probleem
mee. Ik laat zonder morren mijn broek zakken en sta in mijn blote
kont voor de lens als ik denk dat het een lachwekkend effect
oplevert. Dan ben ik enkel het vehikel voor een grap, en hoe
stommer ik er op sta hoe beter. Op één van onze mooiste
foto’s uit die strip zit Peter op handen en knieën met een
strooien hoela-rokje aan, een antieke soldatenhelm op het hoofd en
een vrij groot zadel op de rug. Op dat zadel heb ik plaatsgenomen
met een rendierengewei op het hoofd, uitgedost in een lederen slip
en rijlaarzen, met een drietand in de hand als een veldheer
uitkijkend over de verten. We waren erg content met die foto, en ik
zie hem nog steeds graag. Maar vandaag moest ik dus als mezelf op
de foto. Behalve dan dat ik elke dag nog benieuwd ben wie of wat ik
eigenlijk ben, vind ik het een gruwelijke marteling om als Hanco
Kolk te poseren. Ik kan niet anders dan doen alsof ik iemand ben
die doet alsof hij mij is. Ik staar in het bolle glaasje van de
lens en er gaat van alles door mijn hoofd. Wie ben ik en wie wil ik
dat de kijker denkt dat ik ben. Er is een groot en verwarrend
existentialistisch conflict gaande in mijn hoofd terwijl ik zo
ontspannen mogelijk mezelf sta uit te hangen. Maar goed, morgen zal
er ongetwijfeld een prachtig portret van me boven deze regels
prijken want Najib is een leuke jongen en een prima fotograaf die
me ongetwijfeld een schitterende identiteit heeft aangemeten. Ik
ben ontzettend benieuwd wie ik zaterdag ben. Het sprookje is af,
trouwens. En ik leef nog lang en gelukkig.
Mooie dag vandaag, en een prima humeurtje! “Hé”, zeg ik
tegen mijn vriend Willem Hoeffnagel, “je hebt daar een cd van
Costello met “I want You” er op, die heb ik nog niet,
mag ik hem even lenen?” Mijn vriend is een vriend dus ik mag
hem best wel even lenen; ik had het nummer al jaren niet meer
gehoord dus op de terugweg naar huis schuif ik de cd in de speler
van de auto en daar begint het. Bij het wegrijden is het nog een
ongevaarlijk melodietje, dat was ik vergeten, een soort slaapliedje
bijna waarin hij zegt hoeveel hij van haar houdt. Ik fluit een
beetje mee, zonnetje in mijn gezicht en leun achterover. Dan draai
ik de Laan van Presikhaaf op en de “twanggg” van de
gitaar gaat er doorheen. O ja shit, die gitaar. De tekst wordt
schrijnender met de constant herhaalde woorden “I Want
You” er tussendoor. Langzaam verschuift hij het accent van
“I want YOU” via “I WANT you” naar “I
want you”; de geliefde wordt onbelangrijker en maakt plaats
voor de blinde begeerte, de liefde verdwijnt en de egoistische
frustratie begint. Wachtend voor de stoplichten voel ik mijn keel
dichttrekken bij “it’s the thought of him undressing
you or you undressing”, gatverdamme, we gaan toch niet
janken, Kolk? Wat een klootzak is die Costello. Het licht springt
op groen en je krijgt die kutsolo van twee noten en dan begint het
pas goed. Hij gaat maar door, lang voorbij de knock-out blijft hij
op me inbeuken met die drie woorden, ik rij onder het viaduct door
en Velp in, en ik zit luidop te vloeken en de tranen beginnen te
stromen en nog houdt hij niet op, ik wou dat het afgelopen was maar
tegelijkertijd niet omdat de stilte na het lied nog veel
afschuwelijker is dus ik zet hem op repeat en daar begint hij weer,
en ik rij het spoor over en hoop dat de stoplichten zometeen op
groen staan want ik zie er ontredderd uit. In de spiegel zie ik dat
mijn ogen rood opgezwollen zijn en het snot loopt uit mijn neus,
maar gelukkig staan de stoplichten op groen en ik draai de
Hoofdstraat op en denk dat iedereen me nastaart en misschien is dat
ook wel zo maar dat is nu niet belangrijk, nog drie stoplichten en
ik ben thuis en zet de auto op de oprit maar ik kan niet uitstappen
want Costello is nog niet klaar. To do-lijst voor morgen: cd
terugbrengen en niet meer luisteren, heel hard Arctic Monkeys
draaien, sprookje afmaken.
Vandaag is dinsdag: deadline-dag. Om twaalf uur stipt moeten zes
afleveringen van S1ngle naar de inkleurster gemaild worden. Als ik
kalm en structureel werk kan ik de deadline makkelijk halen. Maar
daar is niks aan. Dus ga ik eerst op het trapje voor de tuindeuren
uitgebreid bellen met Renske de Greef, lekker in het zonnetje met
een kopje koffie er bij. Daarna nog even een ontspannen telefoontje
naar uitgeverij de Harmonie om het over de release-party van
Meccano:De Ruwe Gids te hebben. Die is dan wel pas in september,
maar goed. Nog een koffie? Welja. Ik heb alle tijd, totdat ik op de
klok kijk. Dan blijk ik ineens nog maar anderhalf uur te hebben om
zes stroken te inkten en slaat de vertrouwde, witte dinsdagpaniek
zijn koude deken om me heen. Luid jammerend zodat al mijn
huisgenoten het vooral kunnen horen storm ik mijn atelier in en nog
voor ik zit ben ik al als een maniak aan het schetsen. Ik kan roken
tijdens het inkten door mijn hoofd licht naar opzij te draaien en
één oog half dicht te knijpen. Dat scheelt alweer een minuut of
zeven pauze. Ik heb namelijk ooit gemeten hoe lang het roken van
een sigaret duurt, maar ik verdenk de tabaksindustrie er de laatste
jaren van dat ze sneller brandende tabak gebruiken want een sigaret
is tegenwoordig op voordat je het weet, wat op een dag als vandaag
natuurlijk wel weer een uitkomst is ping! mailtje van de galerie
uit Gent over een expositie in juli. Ik rammel een antwoordje in
elkaar pringg! mijn agent vraagt waar de stroken blijven, en
terwijl ik een paleis van een smoes in elkaar aan het metselen ben
prriieeet! de vormgever van De Ruwe Gids op mijn mobiel; morgen
moeten de eerste zeven pagina’s drukklaar zijn dus er moet
vergaderd worden. Of misschien was het de vormgever helemaal niet
die ik aan de telefoon had, naja goed, in elk geval weet iémand nu
hoe die pagina’s er uit moeten zien. Ik schiet op mijn
ergonomische bureaustoel met wapperende haren door het atelier,
richting tekentafel om de laatste drie stroken af te maken. Wie
weet kan ik mezelf er in de toekomst in trainen om koffie tijdens
het tekenen via een alternatieve lichaamsopening naar binnen te
krijgen, want een koffiepauze vreet tijd en pringg! Terwijl de
lijnen nog nasmeulen leg ik mijn dampende penseel op het papier en
rochel mijn naam in de hoorn, waarop een montere stem aan de andere
kant van de lijn mij meneer van der Kolk noemt en me een hele goeie
morgen wenst. “Een hele goeie morgen”; de aanvalskreet
van een telemarketeer. Ik kwak de hoorn erop en zet de laatste
inktlijn – exact een uur over deadline maar niet heus, want
mijn agent heeft de inkleurster al ingeseind. Grommend en hijgend
mail ik de afleveringen door. Lekker dagje. Zo heb ze het liefst.
To do-lijst voor morgen: verbeteringen aanbrengen in de goeie
versie van het sprookje dat ik voor het boek van collega Kim
Duchateau aan het schrijven ben. En nog wat, maar dat ben ik
vergeten.
Vanuit mijn atelier kijk ik uit op een stil dorpsstraatje. Veel
voorbijgangers zijn er niet gedurende de dag, maar elk uur wandelen
er schoolklassen voorbij, van de basisschool om de hoek naar de
gymzaal die een eindje verderop ligt. Een populair liedje dat
tijdens het wandelen uit de keeltjes klinkt gaat zo:
‘Wij-pro-tes-tééren! Juffrouw-uit-de-klééren’. Het is
eigenlijk meer een yell op marstempo, een mantra dat triomfantelijk
eindeloos herhaald wordt. Ik hoor het al zwakjes klinken als ze het
schoolplein verlaten, langzaam aanzwellend naarmate de kleine horde
nadert, en dan op volle sterkte langs mijn raam. Ik kan het niet
helpen; door de dwingende toon van de kinderen kijk ik
onwillekeurig even naar de juffrouw die boven de deinende hoofdjes
uitsteekt, en ik besluit om me maar niet bij de protestactie aan te
sluiten. Ik keer me decent om naar de computer om mijn gloednieuwe
website te voeden -ja, ik zal het adres even noemen:
www.meccanoonline.com, gewijd aan mijn albumserie Meccano, waarvan
het laatste deel in september zal verschijnen – en dat voeden
valt nog niet mee. Een website blijkt een echte fijnproever, een
gourmet die alleen de juiste extensies en formaten accepteert en
als ik hem iets anders voorzet blieft hij het niet. Hij is
tenslotte niet zomaar een website, maar volgens een nerdforum is
het zelfs the Freaky Site van de Week, en die forummers hebben er
kijk op lijkt me zo. Heel soms moppert hij een beetje na.
“Het bestand is geupload maar is wel erg zwaar!” staat
er dan klaaglijk, compleet met verwijtend uitroepteken. Wij
protesteren. Even raak ik chagerijnig; verwend nest, mompel ik
terwijl ik mijn keyboard ongeduldig gesel. Maar dan krijg ik ineens
een visioen van Bretonse ganzen, waar het eten met een trechter bij
naar binnen wordt gepropt, en ik voel me een ondeelbaar ogenblik
diep schuldig dat ik een Freaky Site van de Week zomaar aan het
force-feeden ben. To do-lijst voor morgen: de dagstrip S1ngle in
inkt zetten, wat tekeningen voor een klant maken, en de
aanvaardbare versie van het sprookje dat ik voor het boek van
collega Kim Duchateau aan het schrijven ben omzetten in een goede
versie. Nu eerst even naar boven, want daar ligt mijn juffrouw uit
de kleren.
Zondagnacht –
Ik typ deze regel met mijn neus, gebogen over het keyboard terwijl mijn handen slap naar beneden bungelen. Hallo, lezer.
De ruggewervels zijn op het moment het hoogste gedeelte van mijn lijf; mijn hoofd is ergens ter hoogte van mijn navel te vinden. Mijn lichaam voelt als een probleemwijk vol hangjongeren.
Als het morgen weer helemaal in elkaar is gezet, noemt dit lichaam zich Hanco Kolk en de rechterhand van dat lijf kan mooie tekeningen maken. Is mij verteld vandaag.
Ik had mijn atelier open gesteld voor fans, die daar gretig gebruik van maakten. En zo heb ik vandaag over uitgaves van mij gehoord waar ik niets meer vanaf wist, ik heb mensen ontmoet die alles wat ik ooit heb getekend kennen en me er oneindig veel meer over kunnen vertellen dan ik hen. Het leek wel alsof ik de onwetende hoofdgast van een informatiemiddag over mezelf was. Wist u bij voorbeeld dat ik in het najaar van 1986 een boekje in uiterst kleine oplage heb getekend? Ik niet, en ik ben nog steeds benieuwd waar dat boekje over gaat. Zo zijn er heel bizarre gesprekken gevoerd vandaag, met aan de ene kant iemand die alles over een onbekend verleden van me wist en aan de andere kant, met de verwaten uitdrukking, iemand die een vaag vermoeden heeft over de toekomst.
Een gemiste kans. Als je mensen ontmoet die zó veel over je weten zullen die waarschijnlijk ook wel helder uitsluitsel kunnen geven over belangrijke levensvragen zoals waar het allemaal naar toe moet met mij en of het ooit goed komt. Maar geen vraag schoot me te binnen.
To do-lijst voor morgen: mezelf volledig herassembleren, enige uren lang mijn potlood voortduwen en eindelijk een aanvaardbare versie maken van het sprookje dat ik voor het boek van collega Kim Duchateau aan het schrijven ben. Eitje.
Nu erst evven mij neeus tussn de toetsn uikrijgen en dn
Ik typ deze regel met mijn neus, gebogen over het keyboard terwijl mijn handen slap naar beneden bungelen. Hallo, lezer.
De ruggewervels zijn op het moment het hoogste gedeelte van mijn lijf; mijn hoofd is ergens ter hoogte van mijn navel te vinden. Mijn lichaam voelt als een probleemwijk vol hangjongeren.
Als het morgen weer helemaal in elkaar is gezet, noemt dit lichaam zich Hanco Kolk en de rechterhand van dat lijf kan mooie tekeningen maken. Is mij verteld vandaag.
Ik had mijn atelier open gesteld voor fans, die daar gretig gebruik van maakten. En zo heb ik vandaag over uitgaves van mij gehoord waar ik niets meer vanaf wist, ik heb mensen ontmoet die alles wat ik ooit heb getekend kennen en me er oneindig veel meer over kunnen vertellen dan ik hen. Het leek wel alsof ik de onwetende hoofdgast van een informatiemiddag over mezelf was. Wist u bij voorbeeld dat ik in het najaar van 1986 een boekje in uiterst kleine oplage heb getekend? Ik niet, en ik ben nog steeds benieuwd waar dat boekje over gaat. Zo zijn er heel bizarre gesprekken gevoerd vandaag, met aan de ene kant iemand die alles over een onbekend verleden van me wist en aan de andere kant, met de verwaten uitdrukking, iemand die een vaag vermoeden heeft over de toekomst.
Een gemiste kans. Als je mensen ontmoet die zó veel over je weten zullen die waarschijnlijk ook wel helder uitsluitsel kunnen geven over belangrijke levensvragen zoals waar het allemaal naar toe moet met mij en of het ooit goed komt. Maar geen vraag schoot me te binnen.
To do-lijst voor morgen: mezelf volledig herassembleren, enige uren lang mijn potlood voortduwen en eindelijk een aanvaardbare versie maken van het sprookje dat ik voor het boek van collega Kim Duchateau aan het schrijven ben. Eitje.
Nu erst evven mij neeus tussn de toetsn uikrijgen en dn

