Hier en nergens
Over plek, beeld en woord


foto- rommert boonstra 2009
te zien op de tentoonstelling APOCALYPSO
fotogalerie rotterdam
conradstraat 20, rotterdam
www.fotoacademie.nl

foto- rommert boonstra 2009
te zien op de tentoonstelling APOCALYPSO
fotogalerie rotterdam
conradstraat 20, rotterdam
www.fotoacademie.nl

foto- rommert boonstra 2009
te zien op de tentoonstelling APOCALYPSO
fotogalerie rotterdam
conradstraat 20, rotterdam
www.fotoacademie.nl

Als je affiches van zelfmoord terroristen, of althans foto’s daarvan, aan het Stedelijk Museum in Amsterdam verkoopt, aan wie maak je het honorarium dan over?
Het is maar een vraag.
Een andere vraag is- Wat worden we geacht te voelen als we naar zo’n foto kijken? In een museum voor moderne kunst gaat het hoe dan ook over moderne kunst. Ook als je zegt dat het geen kunst is wat je ophangt.
Duchamp zette een pisbak in het museum. Daar is indertijd de nodige opwinding door ontstaan. Een aantal kijkers vonden het een bevrijding. Terwijl ze een pisbak nooit eerder als een bevrijding hadden ervaren, behalve als ze erg nodig moesten pissen. Anderen vonden het een provocatie. Terwijl ze nooit eerder door een pisbak waren geprovoceerd.
De discussie gaat dan over de vraag waar iets thuis hoort, waar het op zijn plaats is. En niet over het ding zelf. Dat is een soort ontregeling van de vraag die volgens mij in de beeldende kunst centraal zou moeten staan- Wat is de artistieke waarde van datgene wat getoond wordt? Kan het op eigen benen staan? Zal het zijn weg vinden door de tijd? Heeft het iets universeels?
Als je dingen wilt ontregelen is dat makkelijk genoeg. Een beetje zand in de raderen kan een hoop opzien baren. Maar opzien en kwaliteit zijn niet hetzelfde.
Niets is meer heilig. Maar dat wisten we toch allang? Ik heb op internet, ons aller voedstermoeder, nog even bij suicide bombers gekeken. Ze vertonen zich al op carnavals en feestjes, dus je kunt wel zeggen dat ze intussen salonfähig zijn geworden.
Natuurlijk kon ik het niet laten om nog een plaatje te maken. De meneer links onder in beeld probeert op de kermis zijn eigen foto te schieten.
Bij de volgende aankoopronde van het Stedelijk Museum zullen we zien of dat gelukt is.
zie ook mijn vorige blog.
OPEN BRIEF AAN DE HEER GIJS VAN TUYL.
Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam.
Zeer geachte heer van Tuyl,
Als ik op Google naar het Stedelijk Museum Amsterdam zoek verneem ik met genoegen dat het museum over een omvangrijke, wereldberoemde collectie beschikt.
Dat geloof ik graag.
Alleen met de fotografie wil het maar niet lukken. Bij de laatste aankoopronde is de naam Stedelijk Museum weer danig in diskrediet geraakt door de aankoop van min of meer toevallige kiekjes die geen kunst willen zijn. Vooral dat geen kunst willen zijn schijnt in dit geval als buitengewoon kunstzinnig te worden beschouwd.
Koopt u ook doeken die geen schilderijen willen zijn en constructies die zich niet als sculptuur willen aandienen?
Ik ken een ontwerper van theedoeken, die wijd en zijd wordt geprezen. Ook behoort tot mijn kennissenkring een zeer bekwame betonvlechter. Beiden zijn niet ongenegen tegen een passende beloning enig werk aan het Stedelijk Museum te leveren. Zou u eens bij de betreffende curatoren willen informeren? Deze twee heren zijn eerlijke, hardwerkende, godvrezende lieden. Wilt u dat er alstublieft bij zeggen?
Maar goed. De fotografie.Altijd goed voor een lach en een traan. Iedereen kan het. En laten we vooral niet zo arrogant zijn om te denken dat het ene plaatje beter is dan het andere. Dat zou hoogmoedig zijn. Zijn het niet juist de armen van geest die het aardrijk zullen beërven? En is het dan niet juist de plicht van een toonaangevend instituut als het Stedelijk Museum om die armen dan ook alvast binnen te halen? Is iedereen in zijn hart niet gewoon kunstenaar?
Wat me nog wel dwars zit is de jury. Was die wel toevallig genoeg? En wilden de leden niet stiekem zelf voor artiest spelen? Hebben ze wel onder ede verklaard dat ze geen kunstzinnige bedoelingen hadden? Ik heb geen enkel bezwaar tegen de verspilling van gemeenschapsgelden, maar dan moet je het wel eerlijk doen en met open kaart.
Altijd die fotografie. Wellicht is het u, door alle hang naar eenvoud op uw fotografie afdeling ontgaan dat er ook foto’s bestaan die zich er niet voor schamen dat ze kunst zijn. Mag ik u attenderen op mensen als Jasper de Beijer, Melanie Bonajo, Martijn Doolaard, Henk Elenga, Ruud van Empel, Winfred Evers, Astrid Hermes, Hendrik Kerstens, Micha Klein, Paul Overdijk, Wouter van Riessen, Schilte&Portielje, Tjarda Sixma, Jean-Marc Spaans en Oscar Voch? Ik noem er maar een paar.
Ze staan allemaal in het boek Beyond Photography, dat onlangs werd uitgegeven door Voetnoot. En ze staan allemaal niet of nauwelijks in de Nieuwe geschiedenis van de fotografie in Nederland, dankzij uw conservator fotografie.
Zou het overdreven zijn om te zeggen dat het laatst genoemde boek de geschiedenis domweg vervalst? Dat er binnen de Nederlandse fotografiewereld een ongeremde hartstocht bestaat voor het amateuristische en het realistische en een vage minachting voor alles wat met kunst te maken heeft?
Graag zou ik wat meer van u horen over de positie die het Stedelijk Museum inneemt ten opzichte van de fotografie en met name de fotografie van de verbeelding.
Eén van uw illustere voorgangers, Edy de Wilde, riep met enige regelmaat dat het in de kunst alleen om de kwaliteit gaat. Zou u hem dat na durven roepen? Of is uw stelling dat gebrek aan kwaliteit juist een kwaliteit is?
Ik teken met de meeste hoogachting en hoop op een spoedig antwoord-
Rommert Boonstra
voor meer informatie over de aanleiding van deze brief zie-
http://www.stedelijkindestad.nl/projects/kunstaankopen_fotografie/posts/aankopen_off_the_record_bekend_
Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam.
Zeer geachte heer van Tuyl,
Als ik op Google naar het Stedelijk Museum Amsterdam zoek verneem ik met genoegen dat het museum over een omvangrijke, wereldberoemde collectie beschikt.
Dat geloof ik graag.
Alleen met de fotografie wil het maar niet lukken. Bij de laatste aankoopronde is de naam Stedelijk Museum weer danig in diskrediet geraakt door de aankoop van min of meer toevallige kiekjes die geen kunst willen zijn. Vooral dat geen kunst willen zijn schijnt in dit geval als buitengewoon kunstzinnig te worden beschouwd.
Koopt u ook doeken die geen schilderijen willen zijn en constructies die zich niet als sculptuur willen aandienen?
Ik ken een ontwerper van theedoeken, die wijd en zijd wordt geprezen. Ook behoort tot mijn kennissenkring een zeer bekwame betonvlechter. Beiden zijn niet ongenegen tegen een passende beloning enig werk aan het Stedelijk Museum te leveren. Zou u eens bij de betreffende curatoren willen informeren? Deze twee heren zijn eerlijke, hardwerkende, godvrezende lieden. Wilt u dat er alstublieft bij zeggen?
Maar goed. De fotografie.Altijd goed voor een lach en een traan. Iedereen kan het. En laten we vooral niet zo arrogant zijn om te denken dat het ene plaatje beter is dan het andere. Dat zou hoogmoedig zijn. Zijn het niet juist de armen van geest die het aardrijk zullen beërven? En is het dan niet juist de plicht van een toonaangevend instituut als het Stedelijk Museum om die armen dan ook alvast binnen te halen? Is iedereen in zijn hart niet gewoon kunstenaar?
Wat me nog wel dwars zit is de jury. Was die wel toevallig genoeg? En wilden de leden niet stiekem zelf voor artiest spelen? Hebben ze wel onder ede verklaard dat ze geen kunstzinnige bedoelingen hadden? Ik heb geen enkel bezwaar tegen de verspilling van gemeenschapsgelden, maar dan moet je het wel eerlijk doen en met open kaart.
Altijd die fotografie. Wellicht is het u, door alle hang naar eenvoud op uw fotografie afdeling ontgaan dat er ook foto’s bestaan die zich er niet voor schamen dat ze kunst zijn. Mag ik u attenderen op mensen als Jasper de Beijer, Melanie Bonajo, Martijn Doolaard, Henk Elenga, Ruud van Empel, Winfred Evers, Astrid Hermes, Hendrik Kerstens, Micha Klein, Paul Overdijk, Wouter van Riessen, Schilte&Portielje, Tjarda Sixma, Jean-Marc Spaans en Oscar Voch? Ik noem er maar een paar.
Ze staan allemaal in het boek Beyond Photography, dat onlangs werd uitgegeven door Voetnoot. En ze staan allemaal niet of nauwelijks in de Nieuwe geschiedenis van de fotografie in Nederland, dankzij uw conservator fotografie.
Zou het overdreven zijn om te zeggen dat het laatst genoemde boek de geschiedenis domweg vervalst? Dat er binnen de Nederlandse fotografiewereld een ongeremde hartstocht bestaat voor het amateuristische en het realistische en een vage minachting voor alles wat met kunst te maken heeft?
Graag zou ik wat meer van u horen over de positie die het Stedelijk Museum inneemt ten opzichte van de fotografie en met name de fotografie van de verbeelding.
Eén van uw illustere voorgangers, Edy de Wilde, riep met enige regelmaat dat het in de kunst alleen om de kwaliteit gaat. Zou u hem dat na durven roepen? Of is uw stelling dat gebrek aan kwaliteit juist een kwaliteit is?
Ik teken met de meeste hoogachting en hoop op een spoedig antwoord-
Rommert Boonstra
voor meer informatie over de aanleiding van deze brief zie-
http://www.stedelijkindestad.nl/projects/kunstaankopen_fotografie/posts/aankopen_off_the_record_bekend_

Zondag 1 februari om 15 uur wordt mijn tentoonstelling in het CBK te Rotterdam feestelijk gesloten met een feestje voor de fotografie van de verbeelding. Iedereen is welkom.
Er worden drie boeken gepresenteerd, waaronder het vuistdikke Beyond Photography van uitgeverij Voetnoot.
Hans Walgenbach, directeur van het Historisch Museum Rotterdam zal iets zeggen en daarna is het tijd voor de muziek, die ten gehore wordt gebracht door de weerbarstige kunstenaar Henk Tas, die er tevens een geheim leven als dj op na houdt.
foto- Rommert Boonstra

Johannes Calvijn over de Joden- de allerheftigste vijanden van Christus zelf.
Over heksen- ..dan beveelt hij dat zij gestenigd zullen worden.
Over zijn criticus Michael Servet- Wanneer hij hier komt, als mijn gezag ook maar iets waard is, zal ik niet toestaan dat hij levend vertrekt.
Maar dat is nog niet het ergste aan Calvijn.
Het ergste is dat hij geprobeerd heeft mijn jeugd te vergallen
De slepende manier waarop de psalmen werden gezongen stond in helder contrast met de dynamische wijze waarop dood en verderf over je werden uitgestort.
Overal loerde de zonde.
Het uitbundigste wat je op zondag mocht doen was een spelletje mens-erger-je-niet, alhoewel daar ook nog wel wenkbrauwen over werden gefronst.
Van tolerantie had men nog nooit gehoord.
De Paapse Mis was een vervloekte afgoderij.
En de Gereformeerden Onderhoudende Artikel 31 waren nog erger.
De wereld was benauwend klein. Overal stonk het naar angst. De mens was in zonde ontvangen en geboren en daarnaast ook nog geneigd tot alle kwaad.
Gelukkig scoor ik nog maar 22% op de Calvinisme schaal in Trouw (zie trouw.nl/calvijn). Het commentaar luidt dat ik veel te veel van het leven wil genieten. En daar heeft God het volgens mij ook precies voor bedoeld.
Die Calvijn zal nog lelijk op zijn neus kijken.

Elke dag een nieuw avontuur. Vroeger liep ik veel. Zwervend door bossen en velden kwamen ideeën ongevraagd bij me binnen. Ze werden geduldig genoteerd. Tegenwoordig dwaal ik voornamelijk rond op de kronkelige landweg die internet heet. Wikimedia Commons is wat mij betreft de belangrijkste uitvinding van na de boekdrukkunst. De kosmos wordt geheel gratis thuis bezorgd. Onbekommerd pak ik het ene na het andere beeld uit.
Het world wide web is een fascinerende wereld waarin begrippen als afstand, plek, tijd en lichamelijkheid niet of nauwelijks meer bestaan. Wat een overweldigende rijkdom. Alles, maar dan ook werkelijk alles, is binnen handbereik. Hoe vind je je weg door deze overdaad? Ik doe dat zoals ik altijd alles gedaan heb- door mijn gevoel te volgen, zonder dat ik dat gevoel aan mezelf probeer uit te leggen. Opeens heb je, als vanzelf, een aantal beelden te pakken die voor elkaar geschapen lijken te zijn. Ze hebben geduldig op me liggen wachten. Na wat geschuif en gedoe voltrekt zich een wonder- er ontstaat betekenis. Eén bijna goddelijk moment lang openbaart het bestaan zich zoals het in wezen is, of zoals het in wezen zou moeten zijn.
Maar dan moet je weer verder. Op zoek naar de volgende foto. Op weg naar een nieuw avontuur.
voor meer nieuw werk zie
http://www.photoq.nl/articles/columns/oog-in-oog/
http://flickr.com/photos/26095961@N08/

Een beeld uit mijn tentoonstelling Apocalypso.
Tot en met 1 februari in het CBK Rotterdam

The Rise of Common Standards, 2004-2005. Pieter Laurens Mol.
Woensdag 10 december werd in Foam het eerste exemplaar van het boek Beyond Photography door Rommert Boonstra uitgereikt aan Frits Gierstberg.
In het boek, dat een initiatief is van Ruud van Empel en Uitgeverij Voetnoot worden 42 kunstenaars/fotografen uit Nederland en België ten tonele gevoerd die de camera gebruiken om de verbeelding zichtbaar te maken.
In Beyond Photography zijn essays opgenomen van Maartje van den Heuvel, Lotte Menkman, Eric Min en Rommert Boonstra.
Rommert Boonstra zei het volgende-
Nederland is een lief land. Ik constateer dat met voldoening. De bestuurders zijn kleurloos en betrouwbaar. Daar ben ik trots op. Alles kabbelt rustig voort. En dat is zeer geruststellend.
De keerzijde van de medaille is dat er zelden iets hemelbestormends gebeurt. De handen uit de mouwen steken wordt aangemoedigd, maar het bestormen van de hemel gaat veel te ver. Als we gewoon doen, doen we al gek genoeg luidt de algemene opinie.
In het dagelijkse leven vind ik dat een gezond standpunt, maar in de kunst is het dodelijk. Kunst moet naar mijn bescheiden mening levendig, speels, theatraal, visionair en fantasievol zijn. Kunst moet het hoofd op hol brengen. Kunst moet de sleur in passie veranderen en de wereld in een vreemde gloed zetten.
Maar kom daar maar eens om in een land waar stromingen als de Romantiek en het Surrealisme slechts slappe aftreksels waren van wat er in Duitsland of Frankrijk gebeurde.
Toch sloeg op fotografiegebied in de loop jaren zeventig de vlam flink in de pan. Er ontstond een nieuw soort beelden, die speciaal voor de camera in elkaar waren gezet. Geënsceneerde fotografie. De fotograaf als speelfilmproducent, al waren het dan speelfilms van slechts één beeld.
Vooral in de jaren tachtig ging de ontwikkeling razend snel. De fotografie van de verbeelding, waarin ook de computer al snel een rol begon te spelen, trok wereldwijd de aandacht.
Maar ergens in de jaren negentig werd het weer stil. De kunstcommissies waar Nederland zo rijk aan is, trokken zich geschrokken terug onder de grijze deken waar ze even onder vandaan waren gekomen en zagen alleen nog zin en betekenis in documentair werk, liefst met een sociologische, historische of conceptuele inslag.
Die stilte betekende natuurlijk niet dat de ontwikkeling zich niet voortzette, maar wel dat hij min of meer ondergronds ging. Kunst wordt gemaakt door kunstenaars, niet door commissies en een beetje kunstenaar is gelukkig eigenwijs genoeg om gewoon zijn eigen gang te gaan, ook als het even niet meezit. Ook als het oog van de kunstcommissies niet met welgevallen op hem rust.
In dit werkelijk schitterende boek, met de titel Beyond Photography, wordt in één klap duidelijk hoe rijk Nederland inmiddels is aan hemelbestormende fotografie. We nemen een unieke positie in binnen Europa. Zo kan Nederland toch weer een beetje gidsland zijn. Na dit boek kan niemand kan meer zeggen dat hij het niet geweten heeft.
Verschillende kunstenaars die er in staan hebben meer succes in het buitenland dan in Nederland zelf. Dat zal er ongetwijfeld toe leiden dat het in wezen nog altijd zo preutse en protestantse vaderland op een gegeven moment niet meer om hen heen kan.
Te lang is de fotografie van de verbeelding weg gezet door een soort politiek correcte elite die elk gevoel voor kitsch aanziet en die zou willen dat het schone en het sublieme meer naar spruitjes ruiken.
Met groot genoegen overhandig ik het eerste exemplaar aan Frits Giersberg, die zowel hooggeleerd is als conservator van het Nederlands Fotomuseum en wens zowel hem als de fotografie van de verbeelding een lang en opwindend leven toe.

In het boek -Eerst de waarheid, dan de schoonheid- zegt de dichter Ilja Leonard Pfeijffer over het maken van poëzie- Je moet bij elkaar brengen wat nog nooit iemand eerder bij elkaar heeft gezien. Je moet creatief assembleren. Je moet op een synthetische manier denken en een geheel creëren van de meest onvermoede losse onderdelen-.
Dat is een zeer nauwkeurige beschrijving van wat ik zelf in de fotografie probeer te doen.
-Poëzie is geen analyse, maar het scheppen van mogelijkheden, het creëren van de suggestie van een vermoeden, het openleggen van een landschap waarin je kunt verdwalen- vervolgt hij.
Iedereen gebruikt taal. De accountant. De voetballer. De regeringsleider. Taal is van iedereen. Wat kan de dichter dan nog toevoegen? Niets, volgens Pfeiffer. Maar dat is nu juist het mooie.
-... door zo ontzettend niets toe te voegen aan onze dagelijkse verwarring, door zo glorieus nutteloos te zijn, is de poëzie op haar nuttigst en waarst-.
Glorieuze nutteloosheid. Misschien gaat het daar wel om in het bestaan.
Eerst de waarheid, dan de schoonheid.
Redactie André Kluckhuhn en Toef Jaeger.
Uitgeverij Bert Bakker
Lezing Rommer Boonstra over het creatieve proces-
Donderdag 20 november, 19.30 uur in het CBK Drenthe te Assen.
Vrij entree.

Men zegt dat we allemaal dood gaan. Of het waar is heb ik nog niet kunnen constateren. Ik ben er nog steeds, hoewel ik niet weet wat -Ik ben- precies betekent. Maar dat niet weten schijnt juist een zeer belangrijk onderdeel van -ik ben- te zijn.
Onderzoek heeft weer eens iets uitgewezen: Nederlanders praten niet over de dood. Twee derde van de Nederlanders heeft het eigen verscheiden nog nooit met dierbaren besproken. Dat hebben ze verteld aan enquêteurs die ze totaal niet dierbaar waren. Dus dat doen ze dan weer wel.
Voorts is gebleken dat nog geen veertig procent van onze landgenoten ter aarde wil worden besteld. Ze bestellen liever een crematie (43%). Blijft over meer dan 17%. Wellicht dat dat deel van de natie liever rechtstreeks ten hemel vaart, maar daar gaan we op Maria Hemelvaart pas weer over denken. Bovendien gaat dat zomaar niet. De balottage commissie is onmenselijk streng.
-Tegen alle andere dingen kan men zich beveiligen; maar voor de dood wonen wij mensen allen in een stad zonder vestingmuren- zei Epicurus. Hij wist niet dat in Nederland bijna alle vestingmuren jaren geleden al zijn gesloopt. Daar staat tegenover dat er veel ziekenhuizen zijn gebouwd. Men probeert er met succes het leven te verlengen, want het schijnt nooit lang genoeg te kunnen zijn.
Chuang Tzu zei daarover- Misschien verbazen de doden zich er wel over dat ze ooit zo aan het leven waren gehecht-.
foto- rommert boonstra

ik heb altijd vermoed dat het leven een vreemde zaak is. en regelmatig neemt het leven de moeite om dat vermoeden te bevestigen. er zou een ambtenaar voor vreemde zaken uitgevonden moeten worden, die sturing geeft. maar wie moet die ambtenaar sturen?
de werkelijkheid is drijfzand. gelukkig hebben de dromen een fundament.
de dichter miroslav holub heeft gezegd
-en groter is de leegte waar de mens is geweest dan waar hij nooit is geweest. de ruimte tussen de sterren is niet leeg, maar er is geen verschrikkelijker leegte dan een vervallen woning-
ik droom van de ruimte tussen de sterren.
foto- rommert boonstra

ik kan het niet laten om ze te maken.
alsof er niks beters te doen is.
de wereld van de ondergang redden.
zoeken naar de steen der wijzen.
de rekeningen betalen die onrustig
in hun enveloppen liggen te ritselen.
de afwas doen.
ik kan het met de beste wil van
de wereld niet laten om ze te maken.
en als ik ze gemaakt heb
wil ik ze nog laten zien ook.
het toppunt van ijdelheid natuurlijk.
gelukkig heeft de prediker al gezegd dat
alles ijdelheid is. zie prediker 1 vers 1.
daar maak ik uit op dat niets laten zien
ook onder het kopje ijdelheid valt.
bovendien heeft mattheus ons er op
gewezen dat men zijn kaars niet
onder de koornmaat moet zetten,
want zij moet schijnen op allen
die in het huis zijn.
zie mattheus 5 vers 15.
nu maar hopen dat iedereen in het huis is
in dah house.
rommert boonstra
www.rommertboonstra.nl
www.photoq.nl/articles/columns/oog-in-oog/
flickr.com/photos/26095961@N08/

Elke keer als de zon opkomt zakt de Dow-Jones dieper weg. Terwijl boven de sloten de laatste slierten mist zich uit de voeten maken verdampen de tegoeden.
Spaarders worden niet meer gespaard. Bank directeuren zijn opeens directeur van iets wat alleen nog op papier bestaat. Ze vouwen vliegtuigjes van waardeloos geworden biljetten van twee miljoen reichsmark om op die manier toch nog een poosje in de lucht te blijven.
Het echte geld bevindt zich al niet meer op aarde. Het zit eigenlijk alleen nog tussen de oren.
En we hadden het kunnen zien aankomen toen het chocoladegeld begon te smelten. Droste heeft herhaaldelijk gewaarschuwd.
Het wachten is nu alleen nog op de wederopstanding van Wagner, die als geen ander chocola wist te maken van ondergang en verderf. Zijn nieuwe Nibelungen-Saga zal natuurlijk spelen op IJsland. Het personeel van Landesbanki functioneert als koor. Wat grappig dat het zo ontzettend vals zingt.
En gelukkig dat er nog wat Rheingold over was om deze onderneming te financieren.
In de daverende slotfinale worden dode bankdirecteuren in brandende vikingschepen de zee in geduwd en zakt IJsland weg in de golven.
Pas als het water het juichende publiek tot aan de lippen staat merkt het dat het zelf onderdeel is van deze show. Maar dan is het te laat.
Tekst en foto- Rommert Boonstra.

HEIDI HEIDEGGER
Heidi was een weeskind dat in
Achtien tachtig door Johanna Spyri
Werd verzonnen en dat bij haar
Eveneens verzonnen opa hoog
In de niet verzonnen Alpen woonde.
Heidegger was een filosoof die negen
Jaar later zich zelf begon te bedenken
En die ook op eenzame hoogtes leefde
In de Japanse televisieserie over Heidi
Met de titel Arupusu no Shoujo Haiji
Die ooit door de Avro werd uitgezonden
Mocht Lo van Hensbergen
De stem van opa Berg doen
Maar de echte opa Berg
Was Heidegger in zijn hut
Op de Todtnauberg in het Zwarte Woud
Waar hij zijn zwarte gedachtes koesterde
Over het zijn en over de tijd
Als Heidi en Heidegger waren getrouwd
(Een negen jaar oudere vrouw moet kunnen)
Hadden ze wellicht een dochtertje gekregen
Dat dan Heidi Heidegger had kunnen heten.
Maar het mocht niet zo zijn.
foto-rommert boonstra
tekst-rommert boonstra

HITLER’S FIRST PHOTOGRAPH
And who's this little fellow in his itty-bitty robe?
That's tiny baby Adolf, the Hittler's little boy!
Will he grow up to be an LL.D.?
Or a tenor in Vienna's Opera House?
Whose teensy hand is this, whose little ear and eye and nose?
Whose tummy full of milk, we just don't know:
printer's, doctor's, merchant's, priest's?
Where will those tootsy-wootsies finally wander?
To garden, to school, to an office, to a bride,
maybe to the Burgermeister's daughter?
Precious little angel, mommy's sunshine, honeybun,
while he was being born a year ago,
there was no death of signs on the earth and in the sky:
spring sun, geraniums in windows,
the organ-grinder's music in the yard,
a lucky fortune wrapped in rosy paper,
then just before the labor his mother's fateful dream:
a dove seen in dream means joyful news,
if it is caught, a long-awaited guest will come.
Knock knock, who's there, it's Adolf's heartchen knocking.
A little pacifier, diaper, rattle, bib,
our bouncing boy, thank God and knock on wood, is well,
looks just like his folks, like a kitten in a basket,
like the tots in every other family album.
Shush, let's not start crying, sugar,
the camera will click from under that black hood.
The Klinger Atelier, Grabenstrasse, Braunau,
and Braunau is small but worthy town,
honest businesses, obliging neighbors,
smell of yeast dough, of gray soap.
No one hears howling dogs, or fate's footsteps.
A history teacher loosens his collar
and yawns over homework.
Gedicht- Wislawa Szymborska
Vertaling- Stanislaw Baranczak en Clare Cavanagh
Foto- Rommert Boonstra

Nooit geweten dat de oude Cranach, mijn favoriete schilder van het moment, een vriend van Luther was. Wat zagen die op het oog zo wellustige kunstenaar en die vurige Protestant in elkaar? Alweer een raadsel erbij.
Dat is geen probleem want er past een oneindig aantal raadsels in mijn hoofd. Hoe meer verwondering hoe beter. Wat dat betreft leven we in gouden tijden, want in deze doelgerichte maatschappij barsten er uit elke oplossing talloze nieuwe raadsels tevoorschijn.
In de middeleeuwen was het leven redelijk overzichtelijk. God was het middelpunt van het heelal, hij had de mens geschapen naar zijn beeld en de zon draaide om de aarde. Nu kunnen we weliswaar kiezen uit één en dertig soorten waspoeder maar we zijn wel in een uithoek van het universum beland.
Tot overmaat van geluk is er nu ook nog de deeltjesversneller. In een 27 kilometer lange buis onder de grond in de buurt va Geneve (waar Calvijn getoefd heeft) laat men met bijna de snelheid van het licht deeltjes op elkaar botsen. Dat is pas filosoferen met de hamer (zie Nietzsche). Men hoopt daarmee het antwoord te vinden op een aantal vragen, zonder er ook maar enig idee van te hebben tot wat voor vragen die antwoorden zullen leiden.
Wie zich door die buis wil verplaatsen kan dat overigens het beste op de fiets doen. Wat is nu mooier, de deeltjesversneller of de meisjes van Cranach? Mijn diplomatieke antwoord is dat ze elkaar heel voordelig laten uitkomen. In ieder geval is het zeker dat er een tipje van een sluier wordt opgelicht.
Maar wat zal er achter vandaan komen?
foto: Rommert Boonstra

Met grote trots presenteer ik u alsnog de microkosmos.
Onder Saturnus treft men de schemerlamp. De huiselijkheid en het universum betrappen elkaar. En ik denk wel dat dat tot wederzijds genoegen is.
De wereldbol is tegelijkertijd de oogbol, zodat men als het ware twee voor de prijs van één krijgt.
Zo, nu weet iedereen waar hij staat in het universum.
Onze enige zorg is dat we voldoende air miles achter de hand houden om af en toe eens te kunnen ontsnappen, wat overigens steeds moeilijker wordt, omdat het heelal maar blijft uitdijen.
Op de volgende Prinsjesdag zullen maatregelen worden aangekondigd. Dat kondig ik nu alvast aan.
foto- rommert boonstra


Ik heb
ontelbare wezentjes uit de gootsteen gered. Wat nog fladderde of
krabbelde kreeg een stukje papier, dat ik haastig uit de krant of
uit mijn notitieboekje had gescheurd, aangereikt om op te klimmen.
Op die stukjes krant stonden sombere verhalen over de Franse
economie en botsingen in tunnels, maar daar trokken de wezentjes
zich niets van aan. Ze waren geheel verzonken in zelfzuchtige
gedachtes over het vege lijf. Als ze uiteindelijk op het papier
geklauterd waren bracht ik ze in plechtige processie naar buiten en
zette ze neer op een zonnig plekje tussen de salie. Daar namen ze
de benen of de vleugels, voor zover die nog functioneerden. Soms
wil ik nieuwe delen van de wereld ontdekken maar bij mijn
reddingspogingen word ik me hevig bewust van het feit dat ik nog
niets van mijn eigen deeltje van de wereld weet. Wie zijn deze
dieren? Wat denken ze? Waarom zie ik ze pas als ze in de goot
terecht gekomen zijn?
Als de ideeën
niet vanzelf bij me komen help ik ze een handje door het atelier op
te ruimen. Peinzend herschik ik wat verroeste spijkers, een paar
verloren veren, een stuk of vijf kapotte borden (waar ik ooit nog
eens teksten op wil schrijven), een plastic paard en enkele half
vergane rabarberbladeren. Al die dingen hebben hun geschiedenis. Al
die geschiedenissen zou ik kunnen noteren op grote vellen papier.
En al die vellen papier zou ik aan de wanden van het atelier kunnen
hangen. Dingen die woorden veroorzaken en woorden die dingen
weerspiegelen. Mijn atelier is een spiegelpaleis. De wereld is een
spiegelpaleis. Mijn blik valt op een ingelijst fotootje, dat op
mijn werktafel staat. Die foto is een afspiegeling van de oude
meneer Meunier, mijn voormalige buurman, die thans woonachtig is op
het kerkhof. Hij zit, zoals altijd, op het bankje voor zijn huis.
Maar vandaag is er iets bijzonders aan de hand. Hij is midden in
een lichtvlek gaan zitten. Dat komt, ontdek ik vele verbaasde
secondes later, doordat er een gat in de achterwand van de lijst
zit, waardoor de zon regelrecht op een deel van het fotopapier
schijnt. Niet dat het wonder daar kleiner van wordt.
Ik schrijf om
het woord te nemen. Ik schrijf omdat het woord mij schrijft. Ik
schrijf zodat het woord mij kan verhoren verwoorden en wederhoren
Ik schrijf omdat ik mij niet hoor. Ik schrijf om on- voor eindig te
zetten. Ik schrijf tegen krimp en rompslomp. Ik schrijf tegen de
chaos. Een omschrijving ben ik, een verschrijving, Verslingerd aan
de eindeloze kringloop van de taal, Alles omvattend ben ik en
nergens voor nodig, Een haas die het letterpad gekozen heeft, Een
bijvoegsel bij de stilte, Een voorwoord bij de leegte.
Er zijn
zinnen die je leven kunnen veranderen. In Herfsttij der
Middeleeuwen schrijft Huizinga over de mysticus Heinrich Suso (en
ik vertaal het nu even uit het Engels) –Aan tafel snijdt Suso
zijn appel in vier partjes: drie partjes eet hij in naam van de
heilige Drie-eenheid, het vierde eet hij in nagedachtenis aan de
liefde waarmee de Hemelse Moeder het kindeke Jezus een appeltje te
eten gaf-. Wat prachtig, als je met zulke eenvoudige handelingen
zoveel betekenis aan je bestaan kunt geven. De mystiek van de
getallen, die de mystiek van de dingen wordt. Huizinga doet een
beetje schamper over Suso. De afstand van het sublieme naar het
ridicule is erg kort, zegt hij. Ik voel me altijd uitstekend waar
de afstand tussen het sublieme en het ridicule kort is. 1 is de ene
God. 2 het Oude en het Nieuwe Testament. 3 de heilige
Drievuldigheid 4 de vier evangelisten. 5 de vijf wonden van
Christus 6 de zes werken van barmhartigheid En dan komt zeven. Het
heilige getal bij uitstek. Vandaag voel ik me noch subliem noch
ridicuul. En ook niets er tussen in. Op zulke dagen is het goed om
een cake te bakken. 3 eieren 20 centiliter room 45 minuten 150
graden Er is weer heel wat om over na te denken. In een missaal,
dat mijn vrouw onlangs van een rommelmarkt heeft meegenomen zoek ik
nog snel even op hoe je een ei kunt zegenen. Ook handig is de
zegening –ad omnia- waar je alles mee kunt zegenen waar geen
speciale zegening voor is.
Altijd
hetzelfde liedje. Ergens in augustus begint het gevoel me te
bekruipen dat er een tijdperk voorbij is. De velden zijn
grotendeels leeg gehaald en omgeploegd. De bramen zijn rijp, dus
daar kun je ook niet meer naar uitzien. De pruimen liggen in het
gras te rotten. Vooral in juni lijkt het leven eindeloos. De dagen
worden steeds langer. De hele zomer komt er nog aan. Maar ergens in
augustus breekt er iets. Veel dingen maken van dat moment gebruik
om kapot te gaan. De achteruitkijkspiegel is van de auto geknapt.
Om me te vertellen dat ik beter vooruit kan kijken? De deur van de
keuken klemt. Om mijn beklemming te accentueren? Zelfs als ik de
kraan krachtig dicht draai blijft hij lopen. Of moet ik daar juist
een goed teken in zien? Een aansporing om altijd maar door te gaan?
Vanmorgen werkte mijn computer niet naar behoren. Ik keek er
eerlijk gezegd niet van op. Hij weigerde zeer beslist om mijn
foto’s en teksten op het internet te publiceren. Een weinig
subtiele hint om mijn gedachten maar voor mezelf te houden? Er
begon zich zoveel wanhoop om me heen te verzamelen dat ik mij er op
mijn gemak in had kunnen wentelen. En dan was er ook nog ruimte
voor anderen over gebleven. Maar de redding was nabij. Ik zag met
verbazing toe hoe mijn hand zich, geheel uit zich zelf, naar de
restart toets bewoog. En na dat nieuwe begin was er geen vuiltje
meer aan de lucht. Was het hele leven maar zo makkelijk.
Waarom
probeert een appel dicht bij de boom te blijven? En waarom probeert
het pluisje van een paardebloem zo ver mogelijk weg te komen?
Waarom zijn er de ene keer zoveel gedachten en de andere keer zo
weinig? Het enige goeie antwoord is daarom. Een andere goeie vraag
is- Wat doe je met zo’n waarom dag? Ik ben om 7 uur opgestaan
om de zon op te laten. Ik heb pruimen gegeten en bramen. Zo van de
boom en de struik. Maar dan lijkt het opeens alsof de dag al
voorbij is. Wat doe je met de rest van een dag die al voorbij lijkt
te zijn? Toen ik zeventien jaar geleden mijn droomhuis in
Bourgondië voor de eerste keer zag voorzien van het bordje te koop
raakte ik ernstig van slag. Alles was goed. De ligging, de grootte,
het terrein. Ik zag dat het goed was. Maar het werd nog beter toen
ik, na een dwaaltocht door het huis, over de zolder dwaalde. Het
eerste wat er opkwam in mijn hoofd was de gedachte: Wat een
prachtige plek om te sterven. Het was geen treurige gedachte. Het
was een overmoedige gedachte. Ik denk dat ik de rest van deze dag
die al voorbij is maar op mijn zolder doorbreng. De zolder is een
omgekeerd schip, dat drijft op de wolken. Ook op dagen die al
voorbij zijn gaat de reis er gewoon verder.
In mijn
keuken bevindt zich een halve cirkel, afgesloten door een klep. Wie
die klep open doet staart, nadat zijn ogen gewend zijn aan het
duister, in een halve bol, die vroeger als broodoven dienst deed.
De meeste broodovens in de omgeving van Clamecy zien er uit als
kleine huisjes, die tegen het grote huis aan leunen. Maar mijn huis
leunt tegen de heuvel aan. En daarom heeft men mijn broodoven in de
heuvel uitgegraven. Ik voel me geprivilegieerd. De ruimte is groot
genoeg om in te liggen. Tot nu toe heb ik dat niet gedaan. Ik ben
wel eens op een hunebed gaan liggen. En ook wel eens op een
tumulus. Gewoon om uit te vinden hoe dat voelt. Maar uit mijn
broodoven zie je de hemel niet. Bij Valencia ben ik op mijn buik
door een grot geschuifeld die de ene kant van een bergwand met de
andere kant verbond. Het riviertje de Dommel gaat ergens in een
buis onder een kanaal door. Toen ik er, op mijn rug liggend in een
kano, doorheen probeerde te varen, kwam ik in het midden vast te
zitten. Ik was blij toen ik de hemel weer zag. Als het regent,
regent het na een poosje ook in de oven. Water wil met alle geweld
naar beneden. Op een dag deed ik de oven open en hij stond vol met
paddestoelen. Is dat niet wonderbaar? De aarde zit vol met water,
in deze kalkrijke streek. Vlakbij mijn huis is een bron. Ook is er
een ondergronds riviertje. Daarom doet de oven me ook wel eens
denken aan een bathyscaaf. Jacques Picard dook in 1960 in de
Marianentrog tot 10.911 meter met zo’n poëtisch gevaarte.
Binnenkort ga ik in de broodoven liggen, om dat record te
verbeteren. 10.911 meter is diep. Maar voor een gedachte is het
niet veel.
Op een
rommelmarkt (was het in Parigny-les-Roses?) heb ik, jaren geleden,
een typemachine gekocht. Niet om op te typen, maar om hem te
fotograferen. Als een veelzeggend symbool van een verdwijnende
tijd. (Natuurlijk was het niet in Parigny-les-Roses. Bij mijn weten
is dat zo’n beetje het enige dorp in de omgeving van Clamecy
waar nog nooit een rommelmarkt is geweest. Maar het is, poëtisch
gezien, zeker te rechtvaardigen om een typemachine op de kop te
tikken op een plek met een dergelijke naam.) De typmachine heeft
iets begrijpelijks. Je slaat een toets aan. Er wordt een armpje in
beweging gezet. Een letter tikt tegen een lint. En dat lint laat de
letter binnen op het papier. Vorm en functie zijn nog nauw aan
elkaar verwant bij deze letterpiano. Dat heeft iets
geruststellends. Maar het is ook knap onhandig. Eerst heeft hij een
poosje op mijn atelier gestaan. Met veel succes. De spinnen
borduurden hun webben tussen de letters. En ook het stof was
enthousiast. Daarna heb ik hem buiten gezet. Ik heb hem
gefotografeerd in de zon, in de regen, in de sneeuw. Daarna
verdween hij tussen steeds hoger wordend gras. Maar nu heb ik hem
teruggevonden. Als ik de typemachine optil maakte een ouderwets
grote slakkenfamilie zich langzaam uit de voeten, hoewel je dat bij
slakken eigenlijk niet kunt zeggen. Om toch iets te doen te hebben
begin ik steentjes op de toetsen te leggen. Alleen het woord eros
blijf over.
HET
DUIZENDJARIG RIJK -En ik zag een engel nederdalen uit den hemel met
den sleutel des afgronds en een grote keten in zijn hand; en hij
greep den draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en
hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in den afgrond en
sloot en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volkeren niet meer
zou verleiden, voordat de duizend jaren voleindigd waren- staat er
in Openbaringen 20 vers 1 tot 3. Sindsdien wachten we op het
Duizendjarige Rijk. Maar aan dat wachten is thans een einde
gekomen. Hedenmorgen heb ik ontdekt dat het Duizendjarige Rijk
allang bestaat. Het begint momenteel rond een uurtje of zeven, als
de zon over de bosrand komt. Puur geluk. Geen duivel te zien.
Vogels met veel noten op zang. Vreedzame gedachtes. Een paar uur
later is het hoogtepunt wel voorbij. De schaduwen worden korter. De
dauw is verdwenen. Een afgrond opent zich. Het lichte wordt zwaar.
De wereld is weer gewoon de wereld. Laten we aannemen dat het
Duizendjarig Rijk zich gemiddeld 3 uur per dag manifesteert, dan
kunnen we er acht duizend jaar over doen. Dat is mooi meegenomen.
Rest de vraag- Waarom ben ik jaren lang zo dom geweest om een gat
in de dag te slapen?
Soms gaat het
goed. De wereld is op orde. Alles loopt vanzelf. Ik schrijf een
paar zinnen in een notitieboekje van de firma Oxford, druk een paar
keer op de knop van mijn camera en heb het gevoel dat ik mijn
plicht jegens mijn medemens en het universum gedaan heb. Het
notitieboekje van Oxford (96 pages, 11x17 cm, petits carreaux)
glijdt moeiteloos in en uit mijn jaszak (nooit iets met een
spiraalband kopen), is verkrijgbaar in een prachtige kleur rood en
kost bijna niets. Ik heb ook wel eens een boekje van Moleskine
aangeschaft, dat minstens 10x zo duur is en 100x zo pretentieus.
Van Gogh, Picasso, Hemingway en Chatwin hebben een Moleskine op zak
gehad. Ik voelde me alleen maar geïntimideerd. En het ergste was-
ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om er blaadjes uit te
scheuren. Terwijl ik toch vaak behoefte heb aan losse blaadjes. Het
Oxford boekje wordt gewoon met een paar nietjes bij elkaar
gehouden. Net als mijn brein. De Moleskine is ingebonden. Maar wat
heb je als de prachtige rug na een paar weken los laat? Dan heb je
ergernis. Nooit meer Moleskine dus. Want op ergernis zit ik
absoluut niet te wachten. Tenzij ik er een aardig stukje over kan
schrijven, natuurlijk. Soms gaat het goed. Steeds vaker gaat het
goed. Het leven ziet er rooskleurig uit. Maar dat kan natuurlijk zo
weer veranderen.
De tijd
doden. Het klinkt als een ernstig misdrijf. Je tijd verdoen is ook
niet best. Maar de tijd is niet alleen lijdend voorwerp. Hij doet
graag iets terug. Hij heelt alle wonden, hij brengt raad, hij gaat
snel en hij is geld. Voor de eerste keer in mijn leven, althans in
het bewuste deel er van, kijk of luister ik al dagen niet meer naar
het nieuws. Misschien zijn inmiddels grote delen van de wereld
vergaan, zonder dat ik het gemerkt heb. Maar het geeft me veel tijd
om tijd te verdromen. Natuurlijk ben ik slechts een zeer
middelmatige dromer. Aardappels zijn er beter in. Stenen nog weer
veel beter. Maar die geven hun gedachten nooit prijs. . Ik droom
weer eens over brood. Levensverwachting- ongeveer een dag. Net als
bij de krant en de eendagsvlieg. Dan droom ik over mijn mobiele
telefoon, gewoon omdat hij vlak naast een oude plak brood ligt.
Beide hadden allang weggegooid moeten worden. Dat is de
overeenkomt. Verder vallen voornamelijk de tegenstellingen op.
Brood is mond. Telefoon is oor. Brood is organisch. Telefoon is
techniek. Brood is binnenkant. Telefoon is buitenkant. Brood is
introvert. Telefoon is extravert. Eigenlijk wel een leuk stel. Ik
besluit een trouwfoto te maken. Er is wintertijd, zomertijd,
Greenwich meantime, sluitingstijd en sluitertijd. De laatste
bedraagt 1/30ste seconde. Wat niet veel is voor een beeld dat heel
lang kan duren.
Soms weet je
niet wat je hoort. De eerste keer Hildegard von Bingen. De eerste
keer Spem in Alium van Thomas Tallis waarin veertig stemmen met
elkaar meedeinen en zich om elkaar heen winden. De eerste keer
Deploration sur le Mort d’Ockeghem van Josquin Desprez. Je
zou er bijna dood voor willen zijn. En nu klinkt er voortdurend een
Corsicaanse mis uit de zeventiende eeuw door mijn atelier, gezongen
onder leiding van Marcel Peres. Vooral als krachtig, mannelijk en
duister het Tantum Ergo Sacramentum wordt ingezet, lopen de
rillingen over mijn rug. Je zou er bijna katholiek voor worden.
Maar dan moeten ze toch eerst de paus en de dogma’s de kerk
uit zetten. Bij Geneve is onder de grond een cirkelvormige buis
gebouwd van zeven en twintig kilometer lengte, waarin deeltjes
worden versneld die men met bijna de snelheid van het licht tegen
elkaar op laat botsen. Men hoopt antwoord te krijgen op de volgende
vragen- Wat geeft de materie massa? Waar is de onzichtbare 96% van
het heelal van gemaakt? Waarom geeft de natuur de voorkeur aan
materie boven anti-materie? Het antwoord op de eerste vraag is
Bach. Op de tweede- van muziek En op de derde- omdat er anders geen
orkesten zouden zijn. Dat had iedereen allang kunnen weten.
Vlakbij mijn
huis ligt het Foret des Dames. In een elegante pose heeft het bos
zich op de heuvels neergevlijd. Zoals sommige dames buitengewoon
sierlijk op een sofa kunnen liggen. Er zijn tijden dat ik elke dag
in het Foret des Dames kom. Er zijn ook tijden dat ze me vergeet.
Maar dan beginnen we opeens weer aan elkaar te denken. Het is tijd
voor een rendez-vous. Ik loop tegen de heuvel op en kom eerst nog
langs het huis van meneer Legrange. Hij vraagt of ik even binnen
kom. Hij vertelt dat zijn hond onlangs in het bos is aangevallen
door een everzwijn. Daarna laat hij me op een gigantische
bandrecorder krakende opnames horen van Ravel, die nog uit de
schemerachtige tijd van voor de tweede wereldoorlog stammen. Dat is
een goede inleiding op het Foret des Dames. Als hij mij heeft laten
gaan dring ik schroomvallig het bos binnen. Over wat er dan gebeurt
kan ik kort zijn. Er is een explosie van licht en donker. Vurige
oranje slakken schuifelen over de vloer. Alles wordt overal en
nergens. Ik begrijp de zin van de wereld terwijl ik ook begrijp dat
de wereld zinloos is.
De bleek.
Alleen het woord al. In Bourgondie hebben we allerlei beslist
noodzakelijke dingen niet, zoals een televisie een afwasmachine of
een droogtrommel. Dat bespaart veel verloren tijd. Vooral de
televisie, dat opdringerige en lawaai producerende ding, heb ik
nooit gemist. Afwassen vind ik een mooie, meditatieve bezigheid,
dus dat kun je ook geen verloren tijd noemen. En een bleek,
tenslotte, haalt, in tegenstelling tot een droogtrommel, het wonder
dichterbij. De licht glooiende lakens zijn maanlandschappen, waarin
dieren zichtbaar worden die je in het gras niet of nauwelijks ziet.
Gisteren streek er op zo’n wit veld een Gehakkelde Aurelia
neer. In het Frans heeft men hem Robert le Diable genoemd, naar een
middeleeuwse roofridder. En dat gehakkelde doet natuurlijk aan de
Hakkelaar denken. Ik weet niet waar deze vlinder het allemaal aan
te danken heeft, want hij zag er kleurrijk en vreedzaam uit.
’s Winters vermomt hij zich als een dood blaadje en gaat
onopvallend tussen de dode blaadjes liggen. Een roofridder zie ik
dat niet doen. En de Hakkelaar ook niet. Vandaag werd het
maanlandschap langdurig in bezit genomen door een sprinkhaan, de
Chorthippus Parallelus, de in het Nederlands de onaangename naam
Krasser draagt. Dan word ik nog liever Robert le Diable genoemd.
Volute is in
de eerste plaats een mooi woord. In de tweede plaats is het een
slakkenhuisvormig sierelement, dat wordt gebruikt in andere mooie
woorden als consoles en kapitelen. Volute komt van het woord
voluta, want woorden komen altijd van andere woorden. Het
beginwoord is nog steeds niet gevonden. Was het kip of was het ei?
In het Nederlands nemen we, liever dan het woord voluta het woord
slak in de mond. In Frankrijk slikken ze die slak vervolgens ook
nog door, maar dan wel voorzien van een sausje. Noe het ook zij, er
zit een slak op mijn hand. Zijn slakkenhuisvormige sierelement
harmonieert uitstekend met de ellipsvormige sierelementen op mijn
vinger. Als je je een wilt voelen met de natuur kun je natuurlijk
een boom omhelzen. Maar het is veel makkelijker om een slakje op je
wijsvinger te zetten. Bovendien ziet het er minder idioot uit.
Licht. Daar
is het weer. Schoorvoetend eerst. Daarna met meer overtuiging. Maar
een spectaculaire zonsopgang zit er niet in. Daar zullen de wolken
wel voor zorgen. Log zeilen ze voorbij. Gewichtloos, maar
desondanks vastberaden. Zou er nieuws zijn? Zolang ik niet op
internet kijk of de radio aanzet is er geen nieuws. Het gras is
natter dan normaal. Dat is misschien nieuws. De pruimen worden
steeds groter. Daar zou ook een berichtje in kunnen zitten. Het is
tenslotte een universeel verschijnsel. Plotseling ontstaat er een
gat in de wolken. Zou dat opzet zijn? Of is er sprake van een
foutje in de regie? Een krachtige straal doorklieft het universum
en dringt diep door in mijn atelier. Ongelofelijk, dat het raam
niet in scherven uiteen spat. In een science fiction film volgt na
zo’n lichtbundel altijd een explosie, maar op het atelier
blijft het ongehoord stil. Wel ligt er opeens een lichtplas op de
vloer, die ik voorlopig maar laat liggen. Wat zal ik eens gaan
doen? Het is beslist nog te vroeg om al een daad te stellen.
Inspektie van
de terreinen en schuren. Ik voel me net een landjonker en dat voelt
niet onaardig. Jammer dat er geen bedienend personeel is. Heer
Bommel vroeg het zich ook al af- Waarom moet ik alles altijd alleen
doen? Als ik de deur van de grote schuur open doe zie ik een
vuurbok liggen, die daar gisteren nog niet lag. Maar ik ben eraan
gewend geraakt dat de dingen zich ’s nachts ongemerkt
verplaatsen. Aan zo’n vuurbok zit meestal een kop. En meestal
is zo’n kop niet iets om je lang mee bezig te houden. Maar
deze keer is het anders. Ik herken een meisje van vroeger. Ooit heb
ik een vriendin gehad die zo kon kijken. Een soort walkure. Ze
droeg weliswaar geen harnas en ze reed niet op de rug van een
hellehond, maar het scheelde niet veel. Onze verhouding was een
slagveld. Maar de bedscènes maakten weer veel goed. Helaas kwam er
een einde aan datgene waarvoor een liaison een veel te mooi woord
is, toen ze er vandoor ging met een bodybuilder. Om haar te pesten
zet ik een vrolijk aardbeitje op haar hoofd. Ze vertrekt geen
spier.
Op het
atelier ontmoeten dingen en gedachten elkaar. Als ik geluk heb gaan
ze er samen vandoor. In een foto of in een gedicht. Alles is me
dierbaar op het atelier. Herinneringen, spinnen, verroeste
spijkers, uit elkaar gevallen boeken, notities, resten van een
bouwdoos, een jeugdfoto, oude kranten. Alles is me even dierbaar.
In deze ruimte, onder de hanenbalken, zoek ik naar beelden en
woorden. Maar liever nog- naar de combinatie van beide. Zouden de
spinnen me kunnen helpen? Op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen
hangen spinnenwebben. Vanmorgen was een spin bezig een draad aan
mijn dagboek te hechten. Daaruit blijkt in ieder geval dat ze niet
bang zijn voor taal. Maar hoe krijg ik ze zover dat ze woorden voor
me weven?
In Clamecy
bevindt zich sedert een paar jaar een filiaal van de Aldi. En voor
de kassa staat onveranderlijk een lange rij hoogst amusante lieden.
Oude boeren die er uit zien alsof ze hun gezicht hebben omgeploegd.
Huisvrouwen met schorten en pantoffels (en Gode zij dank ook nog
andere kledingstukken). Te jonge moeders die zonder enige kans op
succes keihard schreeuwen tegen keihard schreeuwende kinderen.
Zigeuners die er uit zien alsof ze door de VVV zijn ingehuurd om
voor zigeuner te spelen. Fellini a la Francaise. Ik ga er onder
anderen naar toe voor de buitengewone pizza’s en om lucifers
aan te schaffen. De bedoeling van lucifers is dat ze ontbranden als
je ze langs de zijkant van het luciferdoosje strijkt, maar de
meeste lucifers in Frankrijk hebben schijt aan goede bedoelingen.
Vooral als het vochtig is. Franse lucifers hebben een pleuris hekel
aan vocht. Maar bij de Aldi vind je alumettes die door de firma
Zundholz International uit Tsjechië zijn geïmporteerd en daar weten
de matches nog van wanten. Het doosje zegt dat er 240 lucifers in
zitten. Maar ik kan dat noch ontkennen, noch bevestigen. Wel geef
ik eerlijk toe dat ik vanmorgen met een nogal bruusk gebaar alle
lucifers op tafel heb gedonderd, omdat ik een leeg doosje nodig had
om een sprinkhaan te redden. Het elegante dier voelde zich fataal
aangetrokken tot de verf die mijn vrouw artistiek op de keukenmuur
aanbracht. Na mijn gelukte reddingspoging poseerde hij als dank op
mijn hand. Hij was vrijwel niet weg te branden. Van mijn vrouw
moest ik naderhand alle lucifers in het doosje terug doen.
ik word
wakker doordat er een rupsje over mijn arm kruipt. jong leven.
helaas zit er wel meer jong leven in het huis. er is een ernstige
meneer op bezoek geweest die zegt dat ik aangevallen word door de
boktor, althans door de larven van dat dier. hij dreigt met totale
ineenstorting van mijn wereld als ik niet onmiddellijk zijn
kostbare hulp inroep. maar voorlopig heb ik andere dingen aan mijn
hoofd. ik probeer door te dringen in het schriftje met
handgeschreven gedichten dat ik op de markt in la charite heb
gekocht. dat valt niet mee. met de traagheid van een boktor die
zich door een balk beweegt graaf ik me een weg door het vrijwel
onleesbare schoonschrift. alleen de titels zijn tegelijkertijd
schoon en duidelijk.
De dichter
ging naar Bommel om de brug te zien. Ik ging naar Saulieu om te
kijken of er daar wat te zien was. Onderweg kwam ik langs de ruïne
van een benzinestation. Door het gedeeltelijk verdwenen asfalt
borrelden prachtige planten op. Door de totaal verdwenen ramen kwam
een idyllisch landschap binnen waarin als wielen de ronde balen
stro lagen die mijn vrouw koeiekussens pleegt te noemen. Een minuut
of tien stond ik daar en ik begreep dat het een vreemde dag zou
worden. In Saulieu kwamen we op het kerkhof van Saint Saturnin
terecht. Het was aan een tweede leven begonnen. Overal bloeide,
groeide en woekerde het mos. Van de grafstenen was nauwelijks meer
iets te zien. En van de mensen er onder natuurlijk helemaal niets
meer. Twaalf graven waren opgegeven, volgens een officiële
mededeling bij het hek van het kerkhof. Een graf blijkt dus ook
dood te kunnen gaan. Il n’y a plus rien zei de mededeling.
Ook waren er stenen boeken met stichtelijke teksten, een
verkeersbord dat tegen de kerkhofmuur aanhing en omhoog wees (alle
richtingen) alsmede een kruisbeeld dat met ijzerdraad bij elkaar
werd gehouden. Op een zerk stond een fotootje van een vrouw die me
aan mijn moeder deed denken. Even meende ik haar stem te horen.
Een dag die
niet wil deugen. Alles pakt verkeerd uit. Het weer is grijs. Ideeën
zijn in geen velden of wegen te bekennen, terwijl er toch genoeg
velden en wegen zijn. Wat te doen? Vroeger stortte ik me op
zo’n dag met overgave in een depressie, die behoorlijk lang
kon duren. Het voordeel van depressies is dat ze ongelofelijk
diepzinnig aanvoelen. Het nadeel is dat je er niets mee kunt.
Daarom knoei ik tegenwoordig gewoon door. Het voelt oppervlakkig,
maar het zet wel zoden aan de dijk. En zoden aan de dijk is toch
uiteindelijk wat iedereen wil? Kom, laat ik nog een paar
foto’s het heelal in slingeren. Wie weet waar ze terecht
komen.
Markt in La
Charite sur Loire. Wat wil ik mij later herinneren van deze dag?
Misschien is de met witte wolken behangen lucht die ik weerspiegeld
zie in de blauwe motorkap van een auto wel voldoende. Ik maak er
een paar foto’s van. Een oude man maakt zich los uit de
voorbij schuifelende menigte en begint me van advies te dienen. Ik
weet niet of het goed advies is, want hij heeft zijn kunstgebit
niet in. Dat gotische kerkje, dat omgebouwd is tot garage, wil ik
me ook wel herinneren. En het oorlogsmonument dat bestaat uit een
naakte Gallier met schaamlap en zwaard. Daar win je natuurlijk geen
oorlog mee. Even verderop ligt een blote barby-pop tegen een bloot
beertje. En ook zijn er ontzettend bloot uitziende worstjes, al dan
niet volgestopt met prikkelende ingrediënten. De dag dreigt
volstrekt onvergetelijk te worden. Maar het hoogtepunt moet nog
komen. Bij een boekenstalletje zie ik een prachtig ingebonden
aantekenboek liggen waarin iemand met zijn allermooiste zondagse
handschrift meer dan honderd pagina’s poezie heeft
gecopieerd. Paradis de la Femme het het eerste gedicht dat me onder
ogen komt, dus dat begint al goed.
De dingen
leiden hun eigen leven. Sleutels raken zoek en komen weer terug. In
de gootsteen ontmoeten een doperwtje en een theeblaadje elkaar voor
de eerste en enige keer in hun bestaan. De wekker staat op een boek
dat Nooit Meer Slapen heet. Ik noem dat poëzie. Jaren geleden
noemde iemand een kat Jerefias. Waarschijnlijk een verbastering van
Jeremia, schreef iemand mij jaren later. Ik noem dat poezie, een
kat noemen naar een zwaarmoedige profeet en dan zijn naam nog
verbasteren ook. Toevallig had ik net naar De Klaagliederen van
Jeremia geluisterd op de muziek van Thomas Tallis. Hij zitte
eenzaam en zwijge stil, Als Hij het hem heeft opgelegd. Hij drukke
zijn mond in het stof, Misschien is er hoop. Hij biede de wang aan
aan wie hem slaat, Hij worde verzadigd van smaad. Als dat geen
poezie is. En dan vraagt iemand anders me of ik iets met muziek
doe. Ik pak de cd van Tallis en fotografeer hem in de opgaande zon.
Ja, ik doe iets met muziek. En ja, de dingen leiden hun eigen
leven. En nogmaals ja, er is overal poezie.
Er komen
regelmatig teksten in mijn brein voorbij. Helaas zijn ze niet
allemaal even interessant. Soms krijg ik –Annie, hou jij mijn
tassie even vast- maar niet weg. En ook –Retteketet, naar
Beter Bed- kan zich zeer opdringerig gedragen. Een andere zin, die
me regelmatig opzoekt is van een heel ander kaliber –Of welk
mens onder u zal, als zijn zoon hem om een brood vraagt, hem een
steen geven?- Het staat, ik heb het even opgezocht, in Mattheus 7
vers 9. Aan deze laatste zin is het te danken dat brood en steen in
mijn gedachtewereld een poëtische relatie zijn aangegaan, wat
onherroepelijk tot dit beeld leidde. De vogels waren even
behoorlijk in de war maar hebben tenslotte resoluut voor het woord
steen gekozen.
Alweer
opstaan als de zon dat ook doet. Het lijkt wel of we het van elkaar
hebben afgekeken. Het gras heeft teveel dauw gedronken. Wolken
liggen met opgestoken zeilen op de wind te wachten. Intussen legt
de nieuwe dag hartstochtelijke beloftes af, die in de loop van
diezelfde dag zonder veel omhaal zullen worden terug genomen. Want
zo lopen de dingen. Misschien zou ik mezelf ook meer moeten
beloven, als dat toch geen schuld maakt. Intussen blijf ik
waakzaam. De camera in aanslag. Het notitieboekje al vast open. Een
dauwdruppel voelt zich aangetrokken tot het ruitjespapier en laat
zich vallen.
Op het
weggetje ligt, als gekalligrafeerd, de letter B. Er is definitief
een streep gezet onder dit kronkelige leven. Vreemd, zo’n
dier dat alleen maar uit een lijn bestaat. Een ingang en een
uitgang met een tussenvoegsel, dat je net zo goed weg kunt laten.
Maar dan laat je wel het hele dier weg. Een doorgangshuis is het,
geheel gelijkvloers en in de vorm van een tunnel. Net als de worm.
Maar die is nog fantasielozer. De wadworm bijvoorbeeld bestaat uit
ongeveer twee honderd identieke segmenten. Geen wonder dat we de
tuinslang niet tuinworm genoemd hebben, hoewel er in de doorsnee
tuin heel wat meer wormen dan slangen zijn te vinden.
De zon komt
op. Ik had er al op gerekend. Het donker trekt zich terug in
schaduwen die nu nog lang zijn, maar die steeds korter zullen
worden. Ook de dauw is bezig met een terugtrekkende beweging. Het
geglinster wordt domweg weggeschroeid. Op de helling aan de andere
kant van het dal staan de koeien in een onaards licht van het
slachthuis te dromen. Dichterbij onthullen dezelfde zonnestralen de
fragiele slachthuizen die in de volksmond spinnewebben worden
genoemd. Een bijna angstwekkend geluk maakt zich van mij meester.
Stel je voor dat bij het verdwijnen van de dauw de tijd ook af zal
druipen? Laat ik nog maar een foto maken. Tot nu toe heeft dat
geholpen.
De ene een
kweepeer. Een streelbaar harig huidje maar voor de rest zo hard als
steen. Is pas na langdurige verhoging van de temperatuur bereid
zich gewonnen te geven. Bij het andere peertje hoef je alleen maar
een knopje om te draaien en hij doet het. Men kan overwegen om bij
dit gebaar de woorden -Daar zij licht- uit te spreken, maar eerlijk
gezegd kan men dat net zo goed niet doen.
Die zon doet
maar. En dan al die kleurige grootspraak over ondergang. Zeker
vergeten dat het hier gaat om een minuscuul hemellichaam in een
verre uithoek van wat we het heelal plegen te noemen. Een acteur
zou weggehoond worden als hij zo overdreef.
Naast het
kerkhof stond een afvalbak. Daar lag dit hertje in, naast een
plastic grafkrans. Het heeft jaren ongebruikt op mijn atelier
gestaan. Maar vandaag zag het eindelijk kans om op een foto terecht
te komen. Boven op een stapeltje zelfhulpboeken. Het hertje en de
boeken- wat ziet het leven er onschuldig uit. Net alsof het niet
kan bijten.
Ik wandelde
met mijn oudste zoon op Terschelling. Kijk, daar staat de
Brandaris, zei ik. Wie is er nu zo gek om een vuurtoren naar een
pakje shag te noemen, zei hij. Op dezelfde manier is Chateaubriand
een biefstuk geworden. Het komt nooit meer goed tussen ons en de
woorden. Maar ik blijf het proberen. Op de heuvel heb ik jaren
geleden een typmachine neergezet. Gewoon om naar te kijken. Vandaag
fotografeer ik hem met mijn schaduw. Het zou kunnen dat deze foto
Op De Tast heet.
De kleur van
het koren. Tegelijk goud en grijs. En dan die blonde haartjes. Op
dezelfde manier als de aren chaotisch en ordelijk tegelijk. Het
woord idylle is hier op zijn plaats.
Vlak bij de
stoel waar ik op zit strijkt een fors uitgevallen sprinkhaan neer.
Nog voor ik hem goed heb kunnen bekijken komt er met veel geraas
een kip aanzetten, die het voorheen zo springerige beestje
routineus naar binnen werkt. Alleen een pootje blijft onbewegelijk
liggen. Leven en dood op de vierkante centimeter.


