
‘Bescheidenheid siert’ is een welbekende uitdrukking.
Ook in geschreven stukjes worden de sierlijke rondingen van
zelfrelativering en zelfspot hogelijk omarmd. Als een schrijver
zijn betoog eindigt door de schouders op te halen, zijn blik vol
twijfels naar de hemel wendt, een open punt onder aan het relaas
toevoegt, dan springen de papieren symbooltjes juichend op als
vrienden en vriendinnen.
Ook is het niet verstandig om je overtuiging op te dringen aan
anderen. De openheid van de schrijver moet uitnodigen tot
meedenken, tot het scheppen van een uitbouw van wat de schrijver
heeft laten liggen onder de woorden. Er valt ook weinig te
genieten als iemand aanbelt en meedeelt dat alles anders is, dat
je fout denkt en zegt dat hij de oplossing heeft voor problemen
waar je misschien nog nooit van gehoord hebt.
Praktische en interessante onderwerpen spreken duidelijke taal.
De schrijver houdt zich beter op een afstand van wazige en
subjectieve beschouwingen. Het is prettiger om te lezen dat de
tijdschaal van de aarde ongeveer 4,6 miljard jaar geleden is
begonnen en dat het volgens wetenschappers ongeveer 1 miljard
jaar duurde voordat de eerste simpele cellen ontstonden met de
kenmerken die we leven noemen, dan dat de Goden kosmonauten zijn
en achter de ontwikkelingen op deze aarde staan.
Een verstandige schrijver zoekt dus naar een tastbaar onderwerp,
schrijft vanuit een relativerende optiek en past stijlvormen toe
die prettig overkomen, zodat de lezer het niet moeilijk valt om
tot doorlezen te besluiten, of sterker nog, dat stoppen met lezen
pas ’s nachts rond tweeën in hem opkomt.
Maar ik denk dat ik niet verstandig ben. Ik heb me alweer
behoorlijk klem geschreven en moet mezelf opnieuw ontkennen. Dat
is mijn lot, want ik zie altijd waarheid in tegenstrijdige
standpunten. Natuurlijk siert bescheidenheid, ik walg er ook van
als iemand met zelftevredenheid zijn prestaties [veel] te vaak
opsomt. Ik vind het ook irritant als er iemand aan mijn deur komt
om mij mijn verdoemde situatie duidelijk te maken en te vertellen
dat er redding mogelijk is. En als iemand een overtuiging heeft
die indruist tegen mijn waarden en normen, slaan mijn gedachten
ook op hol en zoek ik naar tegenwerpingen en soms probeer ik
iemand zelfs op andere gedachten te brengen.
Ik word beheerst door idee-fixen en boekenwijsheid. Ik laat me
leiden door een mozaïek van waarden en normen, die ik al had voor
ik er erg in had. Gewoonten en onbewuste beweegredenen bepalen
voor het leeuwen deel wat ik doe. Tot voor kort had ik zelfs geen
notie wat ik wilde of zelfs wat wil inhoudt. Jaloers blikte ik om
me heen en zag tevreden en lachende collega’s en vrienden,
met een duidelijk doel en met een mooie zingeving. De manier
waarop ze staan voor hun belang en in staat zijn om idealen los
te laten, zodat andere prestaties kunnen ontwikkelen en groeien,
confronteert mij met mijn eigen ongerichte situatie. Van
lieverlee ben ik op zoek gegaan naar redenen waarom ik zoiets
ogenschijnlijk simpels als ‘weten wat je wilt’ niet
beheers.
Uiteraard heb ik wel antwoorden gevonden, maar iedereen vindt
zijn eigen antwoorden. Wat is het waard als een antwoord alleen
in je eigen straatje past? Mijn besluitenloosheid wordt er
slechts door aangewakkerd.
Ik ben gaan schrijven en heb de stap gewaagd om in plaats van
alleen voor mezelf ook voor [internet]publiek naar woorden te
zoeken. Maar ik vond dat ik wél overtuigd moest doen. Als je de
schouders ophaalt, nadat je uren lang een tekst hebt
samengesteld, dan ontkracht je elk afzonderlijk woord tot een
zwak geluidje, alsof het gekrast wordt door een keel die twee
dagen niets gedronken heeft. Maar nu vang ik ook irritaties op
over het stellige van de taal, het harde zwart-witte spel van
woorden op maagdelijke onbeschreven bladeren. Ja, is dan mijn
antwoord, dat is inherent aan de taal, maar dat schijnt als luie
gemakzucht van de schrijver over te komen.
En dan is het vreemd dat ik nu te boek sta alsof ik dingen zeker
weet, maar niets is minder waar. Althans, ik weet feiten van
dwalingen te scheiden, ik weet wanneer dingen gekleurd zijn door
persoonlijke belangen en verlangens, maar kom daarmee niet verder
dan ontkenningen van het weten, zoals ook in de filosofie van de
19e en 20e eeuw centraal stond. Zo heeft de angst mij in zijn
greep gekregen en ben ik bang geworden dat mijn nog
onderontwikkelde schrijversschap uitmondt in een negatief gezeur,
waar mensen niet op wachten. Ik gun iedereen plezier in het lezen
en mezelf ook het plezier van gelezen worden. Maar de impasse
tussen overtuigd schrijven en bescheiden originaliteit, waarover
ik me misschien voor niets zorgen maak, laat weinig mogelijkheden
open.
Zo voel ik me als iemand met een rol in het leven, die zoekt naar
een andere, een nieuwe rol en door onzichtbare machten geketend
blijft aan oude patronen. Duizend denkbeelden leveren geen enkele
krachtstoename op om oude kettingen te breken en een nieuwe
toekomst te ontginnen.
Ik zette in op kennis van de innerlijke mens, maar weet nu dat
dit weten zo persoonlijk is, dat er geen harde klinkers mee te
vinden zijn. De innerlijke mens is volgens mij niet in objectieve
kennis uit te drukken, zodat ik niet anders kan dan als een
overgevoelige wolf om me heen huilen. Als een eenzame zwerver kan
ik nu genieten van wat ik weet over mezelf en denken dat het de
enige weg naar echte kennis is. En dan is het onbescheiden van
mij om te stellen dat ik de enige weg genomen heb naar echte
kennis, maar even goed is het bescheiden van mij om toe te geven
dat ik alleen iets over mezelf weet.
Ik kan me misschien bekeren tot de wetenschappelijke methode. Ik las in een boek (1) dat je dan verplicht bent om alle denkbeelden te toetsen aan empirisch verkregen informatie en kennis. (Het wordt als een eigenschap van religies gezien dat er verplichtingen zijn. Wat dat betreft sluit de eis van de schrijvers van dat boek (1) naadloos aan op de religieuze betekenis van verplichtingen, ofwel overtuigingen waar men zich vrijwillig dan wel gedwongen aan moet houden). In datzelfde boek (1) staat geschreven dat het irrationeel is om in het bestaan van iets te geloven als daar geen empirische aanwijzingen voor zijn. De typering ‘irrationeel' werd voorgesteld, omdat de schrijvers het woord immoreel te zwaar op de hand vonden. Dus, irrationeel moet hier opgevat worden als een eufemisme voor immoreel.
In een ander boek (2) las ik dat het bewustzijn overgewaardeerd wordt. De meest belangrijke processen vinden onbewust plaats en het bewustzijn is meer op te vatten als een reporter die verslag doet van wat zich in het onderbewuste voordoet. Maar ik denk dat waar het bewustzijn verslag van doet voor een groot deel wordt beïnvloed door wat we toch eens in het bewustzijn hebben gehad. En wat in het bewustzijn komt of kan komen is onlosmakelijk verbonden met hoe de radertjes in het onderbewuste geconfigureerd zijn. Bovendien, na verloop van tijd zijn het steeds vaker dezelfde zaken die in het bewustzijn opborrelen, wat toch als een getuigenis opgevat kan worden dat wat er in het onderbewuste plaatsvindt ook enigszins stabiliseert.
Het boek (2) is een wetenschappelijk boek, dus gebaseerd op empirische gegevens. Wat uit het onderbewuste opborrelt en niet in overeenstemming is met empirische data, zal hoogstwaarschijnlijk als bijproduct worden afgevoerd. Dat ruimt lekker op. Het houdt de kennis zuiver en rationeel. (3)
Rationaliteit is trouwens ook een kenmerk van het bewustzijn. Tenzij het onderbewuste ruim baan krijgt, zodat alles wat opwelt als werkelijkheid opdoemt. (4) Bewustzijn, wetenschap en rationaliteit zijn dus eigenlijk op te vatten als de activiteiten die de irrationaliteit van het onbewuste (de immoraliteit van het onbewuste?) onschadelijk te maken.
Ik wilde eigenlijk een samenvatting schrijven van de serie ‘041 Zelfbevestiging of groeiend inzicht'. Maar de allerlaatste reactie onder ‘041 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 6' (5) benadrukte (volgens mij) de saaiheid van de haarkloverij over wat we kunnen kennen. Dergelijke vragen horen in theoretische verhandelingen thuis, niet op Internetsites waar mensen zich proberen te vermaken. Anderen benadrukken dat kennen en religie niets met elkaar te maken kunnen hebben, geheel in overeenstemming met boek (1). Ondertussen eigent de wetenschappelijke methode zich het recht toe om te bepalen of geloof rationeel of irrationeel is. Het boek (1) stelt zelfs dat de vraag of iets bestaat een wetenschappelijke vraag is. Gelukkig wordt in (1) wel toegegeven dat duidelijk moet worden gemaakt waarvan het bestaan of niet-bestaan bewezen moet worden.
Misschien is geloof een kracht die is op te vatten als een reactie van het onderbewuste om de harde greep van de rationaliteit te temperen om ruimte te creëren voor gevoelens, verlangens en beslissingen die beter passen bij de individuele werkelijkheid dan onpersoonlijke empirische data. Op grond van rationele overwegingen zouden mensen veel meer assertief zijn dan nu het geval is. In veel gevallen zouden we een rechtse directe krijgen als we op grond van rationele conclusies handelen. Zo kan geloof ook ruimte maken voor beleving die door de rationele mens als een beperking wordt opgevat. In de kunst en religie en in de beleving van een grote meerderheid van de mensen wordt dit niet-empirische element echter [nog steeds] omarmd als een noodzakelijk onderdeel van het leven.
Kreten als ‘pluk de dag' en ‘positief denken maakt je vrolijk' getuigen hiervan.
DW 5-1-09
(1) Wat een onzin! Wetenschap en het paranormale. Herman de Regt & Hans Dooremalen (Boom)
(2) Het slimme onbewuste. Denken met gevoel. Ap Dijksterhuis (Uitgeverij Bert Bakker)
(3) Even terzijde: we zien hier dat de wetenschappelijke methode zaken onder het tapijt veegt waar ze geen raad mee weet. Dat maakt het moeilijk voor mij en wellicht vele anderen om de wetenschappelijke methode volledig te aanvaarden.
(4) Denk aan mensen die stemmen horen of sterke fobische reacties hebben. Steeds vaker wordt geloof van welke aard ook als dergelijke irrationaliteit gezien.
(5) 041 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 6
Ons leven lijkt vastgeketend aan een fundamentele onzekerheid. Niets is wat het lijkt. Wat we ervaren is overduidelijk niet de werkelijkheid, maar hoogstens een afspiegeling van een beeld van de onderliggende realiteit. Het westers georiënteerde denken is de weg ingeslagen om alles wat met het subject te maken heeft te scheiden van toelaatbare kennis. De bevindingen in de deeltjesfysica tonen aan dat de scheiding tussen het subject en de wereld onmogelijk is, omdat wij als waarnemer de kwantumwereld beïnvloeden (lees nog eens het citaat van Ger Vertogen in deel 5). Welk effect dat heeft op de macrowereld en waar die effecten te bemerken zijn, is moeilijk in te schatten en is een bron voor speculaties.
René Descartes (1596-1650) stelde: "Ik denk, dus ik ben." We ervaren iets en dat kunnen we gebruiken. In feite doen we dat ook, al van jongst af aan. Als een kind met zijn hand een hete radiator aftast en zich pijn doet, zal hij iets geleerd hebben. Ervaringen kunnen leiden tot inzichten. Bij kinderen is vaak nog een pure vorm van denken waar te nemen, dat grotendeels op persoonlijke ervaring gebaseerd is en dat op leeftijd gekomen individuen zelden laten zien. Op een gegeven moment komt het denken te veel los van de ervaring. Dat is ook wat de maatschappij vraagt, maar voor de persoonlijke ontwikkeling is dat niet optimaal. Niet voor niets is iedereen bekend met het feit dat inzichten gebaseerd op persoonlijke ervaringen veel krachtiger zijn dan inzichten die slechts uit studieboeken zijn verkregen. Daarom worden beroepsuitoefenaars na hun studietijd vaak in bedrijven bijgespijkerd om het gebrek aan op persoonlijke ervaring gebaseerd praktisch inzicht op een hoger niveau te brengen.
Het uitgangspunt is duidelijk: de eigen ervaring. Maar hoe kunnen we verzekeren dat de ervaringen groeien tot bruikbare inzichten? Mij lijkt duidelijk dat de weg van scheiding tussen subject en object een doodlopend pad is. Subject en object zijn onlosmakelijk verbonden en misschien moeten we accepteren dat niet iedereen dezelfde waarnemingen kan doen en dus andere zienswijzen als hulpmiddel gebruikt kunnen worden om het eigen beeld van de werkelijkheid volledig te maken. Daartoe is het noodzakelijk een zelfde afstand te bewaren tot eigen denkbeelden als tot die van onze medemensen, met dien verstande dat de eigen denkbeelden wel belangrijker voor onszelf zijn, omdat ze laten zien wie en hoe we zijn. Eigen denken en voelen zijn de elementen waaraan we onszelf en de positie van waaruit we de werkelijkheid aanschouwen kunnen herkennen.
De middelen om zelfs enige reserves te hebben voor eigen standpunten zijn niet zo moeilijk in te zien. In deel 1 was al sprake van falsificatie. Falsificatie moet doordringen tot in de persoonlijke denksfeer. De behoefte om snel naar een conclusie toe te werken moet beperkt worden en de zekerheden die we menen te hebben kunnen beter betiteld worden als tussenstations in een oneindige groei van inzicht. Om met Bohm te spreken: geen enkel inzicht is de finale wijsheid. Inzicht lijkt bovendien leeftijdsgebonden. Wat we als kind nodig hebben om te kennen en weten, is in een later stadium van het leven niet meer nodig of als een bescheiden bouwsteen van een verder gegroeid inzicht aanwezig. Als de realisatie van de voorbijgaande aard van kennis, inzicht en overtuigingen goed beseft wordt, zal de dogmatiserende macht van kennis geen grip krijgen.
Ik realiseer me dat het bovenstaande een sterk contrast vormt met de eisen van de maatschappij en de wensen van het individu. Vandaag verdienen mensen respect en aanzien wanneer ze deskundig zijn en een stevige mening hebben en die goed kunnen uiten. Ook de noodzaak om het brood te verdienen en het verlangen van belang te zijn in de maatschappij en niet onder te doen voor de buurman of een bepaalde collega, zal weinig interesse opwekken om eigen belangen en standpunten te relativeren. Ik denk echter dat het noodzakelijk is voor persoonlijke gezondheid en harmonie om eigen overtuigingen met een korrel zout te nemen en eigen belangen te toetsen aan andere belangen. Een te egoïstische instelling zou wel eens zelfdestructief kunnen zijn.
Maar zelfs voor de hoogst haalbare objectiviteit van het denken en ervaren, zal de hierboven beschreven instelling wel eens van doorslaggevende betekenis kunnen zijn om te groeien in inzicht.
Waar een permanent groeiend inzicht toe leidt, daarover kunnen we alleen speculeren. Volgens de literatuur van de oudheid tot heden zijn er mensen geweest, die fenomenale vormen van inzicht verworven hebben. Of het allemaal slechts sagen en legenden zijn of heerlijke worst die kwaadwillende machthebbers de mensen voorhouden om de touwtjes in handen te kunnen houden, kunnen we misschien zien of zelfs ervaren als het inzicht verder gegroeid is.
DW 14-11-08 / 02-12-08
Eerdere afleveringen uit deze serie:
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 0
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 1
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 2
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 3
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 4
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 5
Stap voor stap verandert de persoonlijke denksfeer gedurende het ouder - en wijzerwordingsproces. Soms richting radicalere denkbeelden, soms naar meer omvattender principes. Op de een of andere manier lijken de verschillende denksferen elkaar op te roepen en in stand te houden. Volgens ons boerenverstand moet het zo zijn, dat het ene denkbeeld meer waar is dan de andere. Zolang iemand niet claimt de waarheid in pacht te hebben, accepteren mensen redelijk wat ‘zotte' gedachten. Vooral als de eigen belangen, vermeende of terechte, in het geding zijn, komen de twistpunten op tafel.
Een objectieve maatstaf lijkt niet te bestaan. Zelfs de absolute basis van de wetenschappen blijkt niet zo solide als ze lijkt. Ger Vertogen, emeritus hoogleraar natuurkunde, zegt: "Opmerkelijk is dat de moeder van de Verlichting, de natuurkunde, in de twintigste eeuw haar eigen kind ombrengt. Zij doet dat door de hand van de algemene relativiteitstheorie en de kwantumtheorie. Met de komst van deze beide theorieën wordt het ignorabimus van du Bois-Reymond wetenschappelijk onderbouwd. De pretenties van de Verlichtingsdenken blijken niet waar gemaakt te kunnen worden. Ronduit verbazingwekkend is echter dat het overgrote deel van de huidige natuurwetenschappers niet kan of wil inzien dat het mechanisch-deterministische wereldbeeld van de Verlichting sedertdien is achterhaald. Het gevolg is dan ook dat de verlichtingsideologie nog steeds volop floreert." (5)
Het is een probleem om een basis te vinden voor ware kennis. Het programma in de filosofie door de laatste grofweg drie en halve eeuwen heen was erop gericht om een basis te vinden.
Het lijkt soms een beetje vergezocht. In het dagelijkse leven kunnen we goed wegkomen met onze eigen ervaring. Sterker, eigen ervaringen zijn dieper verankerd in het geheugen en leiden tot sterkere overtuigingen dan studie.
Ervaringen lijken eigener te zijn dan studie. Goethe vond dat dingen die iemand niet begrijpt ook niet tot zijn bezit gerekend kunnen worden. Ik denk dat Goethe bedoelde dat iemand die zaken alleen uit studieboeken kent, een belangrijk stukje begrip ontbeerd en zich daarom geen eigenaar kan noemen van die bestudeerde zaken, hoe theoretisch kloppend zijn verhaal ook kan zijn. Eigen ervaring is een essentiële component in begrepen zaken.
Karl Popper geeft echter een motto aan zijn boek ‘Groei van Kennis' mee door Oscar Wilde te citeren: "Ervaring is de naam die iedereen aan zijn dwalingen geeft."
In dit verband is het interessant wat John Locke (1632-1704) eens heeft opgeschreven: "Want waar is de mens die beschikt over onbetwistbare bewijzen voor de waarheid waarvan hij overtuigd is, of van de onjuistheid van alles wat hij veroordeelt, of die kan zeggen dat hij al zijn opvattingen en die van de anderen grondig heeft onderzocht?" (6)
Hume kwam op grond van het streng doorgevoerde empirisme tot de conclusie dat ware kennis van de wereld onmogelijk is.
Een andere interessante kwestie is wat Rudolf Carnap heeft gezegd over causaliteit. Zijn conclusie is dat wij geen echte causale verbanden waarnemen. Om een causaal verband vast te stellen zou je van een verandering zowel de beginsituatie volledig moeten kennen als de eindsituatie. De oorzaak van een gevolg is een verandering van een ingewikkelde evenwichtssituatie tussen allerlei grootheden, die onmogelijk allemaal te overzien zijn. Het gevolg is uiteraard ook een resultante van een al even ingewikkelde evenwichtssituatie, waarin ook nog andere veranderende grootheden een rol kunnen spelen als die grootheid of grootheden die we kennen. Carnap vindt dan ook dat we een causaal verband slechts bij benadering kunnen vaststellen.
Rudolf Carnap zei verder dat als we echt in staat zouden zijn causale verbanden vast te stellen dat we de toekomst zouden kunnen voorspellen. Dat doet ons denken aan het deterministische universum waar veel denkers van uitgingen naar aanleiding van de wetten van Newton waaruit de beweging van hemellichamen voor de toekomst en naar het verleden afgeleid konden worden, zodat het leek alsof alles voor bepaald was. Maar de kwantumtheorie heeft geleerd dat de beschrijving van de natuur een statistische kwestie is, zodat er geen zekerheid omtrent de toekomst is en zelfs dat wij mede bepalen wat die toekomst kan zijn.
In dit verband schiet mij een opmerking te binnen van de mystieke wijsgeer G. I. Gurdjieff. Hij heeft gezegd dat om de toekomst te kennen eerst het heden in al zijn facetten gekend moet worden. Het verschil tussen Gurdjieff en Carnap lijkt alleen maar te zijn dat Gurdjieff schijnt gedacht te hebben dat het in principe mogelijk is om de toekomst te voorspellen en dat Carnap [evenals alle zichzelf respecterende denkers van vandaag] dat voor onmogelijk houden. Het feit dat niemand de toekomst kan voorspellen stelt Carnap [tot dusver] in het gelijk.
Karl Popper heeft zich ook over het probleem van objectieve kennis gebogen en maakt onderscheid tussen drie werelden: de materiële wereld, de wereld van de bewustzijnstoestanden en de wereld van concepten, opvattingen, ideeën en abstracties (7). Ze zijn alle drie even reëel, maar moeten goed gescheiden worden om geen verwarring te krijgen in onze kennis. Popper gaat dus uit, naar wetenschappelijke maatstaven, dat er een strikte scheiding moet zijn tussen subjectieve denkbeelden en wetenschappelijke abstracties.
Wat kunnen we er van maken? Metafysica is onzin (Carnap), wetenschap gaat over abstracties (Bohm), concepten, ideeën en abstracties moeten gescheiden blijven van de bewustzijnstoestanden (Popper) en objectieve kennis is onmogelijk (Hume).
DW 14-11-08 / 02-12-08
(5) Uit: Rede uitgesproken op 22 december 2004 ter gelegenheid van het emeritaat van Prof. Dr. Vertogen
Het ignorabimus van du Bois-Reymond, "Dat weten wij niet, wij zullen het niet weten", ignoramus, ignorabimus
(6) Geciteerd uit ‘Geschiedenis van de westerse filosofie', Bertrand Russell
(7) Geciteerd uit ‘ 25 Eeuwen filosofie', Jan Bor, Sytske Teppema
Eerdere afleveringen uit deze serie:
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 0
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 1
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 2
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 3
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 4
De hang aan eigen overtuiging is best te begrijpen, want geen mens is van steen. Als het besef volledig zou doordringen hoe onzeker en voorlopig kennis is, zou de angst en totale chaos losbarsten. Er wordt wel beweerd dat religie nog bestaat omdat het de van nature onzekere mens enige basis verschaft om zijn leven op te baseren. Daarnaast is in het dagelijkse leven weinig te merken van die voorlopigheid van kennis en overtuigingen. Een boer baseert zijn werkmethoden op eeuwenoude principes en die zullen slechts langzaam veranderen onder invloed van nieuwe inzichten. Het beeld dat dagelijks ontstaat van de werkelijkheid, lijkt ook slechts weinig te veranderen. Elke dag brengen mensen wapenen tegen elkaar in stelling, elke dag worden mensen ontslagen en elke dag vinden mensen de bewijzen om in hun overtuiging te volharden. Wie is zo vrij in denken, dat werkelijk elk dogmatisch element verbannen is?
Het zijn gevaarlijke opmerkingen: "Het is toch logisch, het is zo duidelijk als wat, dat je het niet ziet!"
Zelfs in de natuurwetenschappen zijn voorbeelden aan te halen van de dogmatiserende invloed van zekerheden. De beroemdste is wellicht de afzwering van het concept van de ether door Einstein (4), hetgeen alles te maken had met een afzwering van de wetten van de klassieke mechanica, waar zelfs wij nog steeds in onze allerdaagse ervaring door misleid worden.
Ik denk wel eens dat wij als mensen de wereld ervaren zoals we ervaren, omdat we naast onze zintuiglijke gewaarwordingen een geest hebben die de gewaarwordingen omzet in waarnemingen en ervaring. Om het menszijn te begrijpen, moeten we dus van de ervaring uitgaan en niet van de kennis die de natuurwetenschappen ons leren. De kennis van de natuurwetenschappen is goed voor de technische toepassing, voor de medische verzorging, voor de berekeningen in productieprocessen en researchprogramma's. Maar om het menszijn te begrijpen, weegt de persoonlijke ervaring zwaarder. Door de persoonlijke ervaring zijn we in staat anderen te leren kennen, misschien niet volledig zoals ze zijn, maar beter dan de vaststelling dat we opgebouwd zijn uit moleculen en cellen en organen.
Eigen ervaring is niet automatisch steekhoudend. Dat is het probleem van de subjectiviteit. Hoewel iemand er overtuigd van kan zijn dat de bijbel aantoont dat het wetenschappelijke wereldbeeld niet klopt, omdat hij geloofservaringen heeft, kan hij niet om de metingen van de wetenschap heen. Deels is wetenschap ontstaan om juist van de misleiding van eigen ervaringen af te komen. Er zijn echter duidelijk grenzen aan de wetenschap, evenals dat de persoonlijke ervaring niet volledig weggecijferd hoeft of zelfs niet moet worden.
De persoonlijke ervaring leert ons wie we zijn. Iemand die religies als het kwaad van de wereld ziet, heeft geen affiniteit met religie. Dat betekent niet dat religies het kwaad van de wereld zijn, hoewel de desbetreffende persoon telkens bevestigingen vindt dat hij gelijk heeft, vooral ook vanwege dogmatiserende kracht van zijn overtuiging. Iemand die de wereld in fragmenten wil ontrafelen, zal bewijzen vinden dat het juist is om de wereld te verklaren volgens het zich ontvouwende model, maar dat toont niet aan dat het de enige waarheid zal opleveren.
De kracht van dogmatiserende kennis wordt steeds weer onderschat. Iemand die de overtuiging van anderen betwist zou zelf het slachtoffer kunnen zijn van eenzijdigheid. In plaats van dat mensen naar elkaar luisteren met de intentie om erachter te komen hoe de wereld door anderen ervaren kan worden, wordt het verschil met het eigen beeld onderstreept en als onjuist betiteld. Op zich is het logisch dat deze houding tot conflictsituaties leidt. De erkenning dat niet iedereen volledig kan krijgen wat hij als juist ziet, zou toch langzaam moeten kunnen doordringen. Maar als de intentie is om te luisteren naar wat anderen ervaren en waarvan ze overtuigd zijn, wordt het enerzijds eenvoudiger om gemeenschappelijke belangen te zien en anderzijds wordt het makkelijker voor mensen om de eigen overtuiging te toetsen zonder dat ze daarbij meteen de ervaring krijgen van een ijskoude douche.
DW 14-11-08 / 02-12-08
(4) Toen het experiment van Michelson-Morley aantoonde dat de beweging van de waarnemer geen invloed heeft op de uitkomst van metingen aan de lichtsnelheid, was dat een donderslag bij heldere hemel. De wetten van de klassieke mechanica, waarbij snelheden bij elkaar opgeteld moeten worden om tot ‘absolute' snelheidsmetingen te komen (die waarnemers ten opzichte van elkaar hebben), gingen blijkbaar niet op voor licht. Het experiment van Michelson-Morley werd uitgevoerd om de ether aan te tonen. De ether werd verondersteld, omdat licht als een golfverschijnsel toch ergens doorheen moest golven (de frequentie van licht verandert wel). In eerste instantie werd de ether nog niet afgezworen en de constantheid van de lichtsnelheid werd als een probleem gezien. De wetten van de klassieke mechanica moesten immers gelden, volgens de vaststaande kennis. Dit probleem werd verklaard door de etherwind, die de ruimte samendrukt waardoor het licht minder of meer afstand hoeft af te leggen om de waarnemer te bereiken, afhankelijk van of de waarnemer met de ether mee of er tegenin draait.
Einstein draaide het om en stelde dat de lichtsnelheid constant is. Hij ging uit van de meetgegevens, ondanks dat die curieus leken. De verdere tegen de ervaring indruisende implicaties van die stelling resulteerde in de speciale en algemene relativiteitstheorie, die ons menselijk voorstellingsvermogen nog steeds tarten.
Eerdere afleveringen uit deze serie:
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 0
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 1
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 2
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 3
In paragraaf 4 van ‘0236 Exacte wetenschap?' (3) stelde ik vast "dat wetenschap een fragmentarische op menselijke toepassingen gerichte manier van schouwen in de werkelijkheid is en dat die te beperkt is om antwoorden te vinden betreffende de oorsprong van alles." Misschien is de vraag naar de oorsprong van alles zelfs een te traditionele vraag die verhindert om de heelheid van de werkelijkheid te begrijpen.
Botsende realiteiten, persoonlijke opvattingen van individuen die niet met elkaar te rijmen zijn, vragen om een verklaring. David Bohm (1917-1992) omschrijft in het eerste hoofdstuk van ‘Heelheid en de impliciete orde' dat dit een gevolg is van de manier waarop we geneigd zijn na te denken. Bohm : "De kunst, de wetenschap, de technologie en eigenlijk bijna alle bezigheden van de mens zijn verdeeld in specialismen, die volgens de huidige opvattingen essentieel van elkaar verschillen" Bohm geeft aan dat er weliswaar interdisciplinaire vakken ontwikkeld zijn uit onvrede over de gespecialiseerde kenniscultuur, maar dat hierdoor slechts nieuwe en meer specialismen in het leven worden geroepen. Verder geeft hij aan dat door de manier van denken de maatschappij als geheel is verdeeld in afzonderlijke landen en verschillende godsdienstige, politieke, economische en raciale groepen. Daarover meer in deel 4.
Volgens Bohm wordt vergeten dat de werkelijkheid verdelen in bevatbare stukjes een vereenvoudiging van de werkelijkheid is. Bohm: "Het verdelingsproces is een manier om over dingen te denken, die vooral geschikt en nuttig is voor technische en praktische bezigheden." Bohm's vrees was dat wanneer deze manier van denken wordt toegepast op de ideeën van de mens en de hele wereld waarin hij leeft, de verdeling niet alleen bruikbaar is maar zelfs als werkelijkheid wordt gezien. Dit laatste wordt bewezen door de overtuiging dat theorieën van wetenschappelijke of persoonlijke aard, als kennis worden gezien die waarheid bevatten over de werkelijkheid. Als we de vaststelling van al die specialismen even terughalen, dan zegt Bohm daarover dat het manieren zijn om naar dezelfde werkelijkheid te kijken die verschillende aanzichten van hetzelfde openbaren. Maar als de overtuiging blijft overheersen dat de werkelijkheid uit stukjes bestaat die niet samen te voegen zijn, zal de onderliggende structuur onzichtbaar blijven.
Als voorbeeld noemt Bohm de opvatting dat de hele werkelijkheid is opgebouwd uit ‘atomaire bouwstenen'. De kwantumtheorie heeft aangetoond dat deze benadering onhoudbaar is. Dat was niet de eerste keer dat een oude theorie door een nieuwe vervangen werd (denk aan Newton en Einstein). Bohm zegt dan ook: "We mogen nooit vergeten dat onze theorieën geen ‘beschrijvingen' zijn van de ‘werkelijkheid zoals die is', maar voortdurend veranderende inzichten, die een verwijzing kunnen zijn naar een impliciete werkelijkheid die niet in haar totaliteit beschreven of verklaard kan worden."
Het bovenstaande klinkt natuurlijk erg theoretisch. In de volgende paragraaf zal ik proberen aan te geven hoe het fragmentarisch en dogmatiserend denken zich manifesteert in alledaagse omstandigheden.
DW 14-11-08 / 02-12-08
(3) 0236 Exacte wetenschap? 4 Een fragmentarische of hele werkelijkheid?
Eerdere afleveringen uit deze serie:
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 0
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 1
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 2
Ik denk dat het gros van de mensen nog steeds van het dogmatiserende kennisbeeld uitgaat. Ze zoeken geen falsificatie maar bevestiging. Een voorbeeld dat je vaak tegenkomt van falsificatie is de hypothese: alle zwanen zijn wit. Het is een flauw voorbeeld, maar de strekking is dat slechts één zwarte zwaan waargenomen hoeft te worden om de hypothese te ontwrichten.
Vergelijk dat nu eens met willekeurig welke veroordeling die in menselijke denkbeelden de kop opsteken. Een actueel voorbeeld is het integratievraagstuk, waar sommigen durven te beweren dat Moslims niet integreren. Ik zie dat als één van de beste illustraties dat mensen hun eigen ervaringen als dogmatische waarheden zien. Het kost de meeste mensen te veel moeite hun eigen ervaringen los te koppelen van waarheidsbesef. Velen hebben de mond vol met de slogan ‘DE waarheid bestaat niet' en formuleren ‘hypothesen' waar ze in principe zelf meteen bij kunnen bedenken dat ze onzinniger zijn dan metafysica (Rudolf Carnap voorbijgestreefd noemen we dat).
Iemand beweerde: "Het verschil tussen wetenschap en geloof is volgens mij tamelijk duidelijk: gelovigen vragen op een gegeven moment niet verder, die accepteren " het mysterie" en verbergen hun onwetendheid achter god. Wetenschappers blijven doorvragen, ook als het moeilijk wordt." Dit soort uitlatingen worden regelmatig gebruikt.
Het zijn twee generaliserende stellingen die meteen door de mand vallen. Er hoeft maar één gelovige gevonden te worden die geen genoegen neemt met halve antwoorden om de onzinnigheid van de bewering, dat gelovigen op een gegeven moment niet meer verder vragen, aan te tonen. En er hoeft maar één wetenschapper gevonden te worden, die zo verknocht is aan zijn denkbeelden, dat hij niet verder vraagt.
In discussies gaat het vaak om de ‘strijd om het gelijk'. Iemand die gelijk krijgt, vindt bevestiging. Misschien is de zoektocht naar gelijk de verkeerde motivering om discussies te voeren. Het gelijk is de dogmatische strop die de vrijheid van denken bedreigt. Gelijk is bovendien kwetsbaar en weinig begerenswaardig, want er hoeft maar één geldend tegenargument of voorbeeld gevonden te worden dat het gelijk ongedaan maakt. De vermeende bezitter van het gelijk is vaak nog kwetsbaarder dan de hypothesen of de theorieën die hij aangehangt. Als iemand, die net zijn gezicht verloren heeft, verdwijnt de net nog trotse bezitter van een volledige theorie van het toneel, nagekeken door anderen die de illusie nog een tijdje vast proberen te houden.
De controverse tussen darwinisten en creationisten is voor een belangrijk deel te wijten aan de zoektocht naar bewijzen voor eigen opvattingen en daarmee ook een mooie illustratie. Soms is het amusant om de controverses te volgen, maar alleen als je in staat bent de trieste manier waarop de opponenten zich afsluiten van tegenargumenten met enige luchtigheid te bekijken.
Beter is het om te zoeken naar argumenten om je eigen denkbeelden te falsificeren. Misschien is dat de discussie-inzet van de toekomst, maar nu is het daar nog steeds te vroeg voor. Wellicht is daar een moderne verlichting voor nodig.
De dogmatiserende tendens van kennis is niet het enige probleem. In de volgende paragraaf wil ik ingaan op de fragmenterende invloed van de huidige manier van denken. Daarbij zijn de ideeën van David Bohm van belang om over na te denken.
DW 14-11-08 / 02-12-08
Eerdere afleveringen van deze serie:
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 0
0241 Zelfbevestiging of groeiend inzicht 1
Ik moet beginnen met een ietwat saaie beschouwing. Nu weet ik dat mijn beschouwingen altijd ietwat saai zijn en bovendien weinig goedkeuring wegdragen. Toch moeten we even door de zure appel heen bijten.
Zo'n zes tot zeven jaar geleden was ik trots op wat ik uit de pen had laten vloeien. De verwoorde inzichten spraken tot mijn eigen verbeelding. Ondertussen ben ik vervallen tot het scepticisme van David Hume (1711-1776). Hij beweerde dat alles waar je in gelooft, betwijfeld moet worden (1). Op zich heb ik steeds gezegd dat ik twijfel. Twijfel en geloof gaan perfect samen, hoewel empiristen, rationalisten en positivisten dat ontkennen. Geloof heeft volgens deze groepen alles te maken met metafysica, waarvan Rudolf Carnap (1891-1970) heeft gezegd dat metafysica onzinnig is (2). Deze gedachte is nooit meer uit het vizier van het ‘goede' denken verdwenen ofschoon het wetenschappelijke bedrijf tegenwoordig toch heel anders te werk gaat.
Want inmiddels is het falsificisme in het denken centraal komen te staan. In het begin van de vorige eeuw was het logisch positivisme nog populair, dat een combinatie was van empirisch vastgestelde feiten en logische redenering. Centraal stond dat eenmaal vastgestelde denkbeelden en theorieën geverifieerd moesten worden. Het logisch positivisme zocht naar bevestiging.
Karl Popper (1902-1994) was het niet eens met deze werkwijze. Hij vond dat op deze manier wetenschappelijk dogmatisme in de kaart werd gespeeld. Hij stelde dat hypothesen en theorieën gefalsificeerd moesten [kunnen] worden. De uitdaging van de wetenschapper is om hypothesen te formuleren die concreet genoeg zijn om onderzocht te worden. En als hypothesen standhouden, kan er vanuit gegaan worden dat er een redelijke kans bestaat dat de opstellers van de ideeën het bij het rechte eind hebben. Een belangrijke consequentie van deze werkwijze is dat nooit met zekerheid is te stellen dat theorieën de waarheid bevatten. Dat werd altijd wel beseft, theorieën werden als de best mogelijke omschrijvingen gezien van de werkelijkheid, maar dan wel als de definitieve.
Misschien ook ingegeven door de geschiedenis van de wetenschap, waar die definitieve omschrijvingen van de werkelijkheid toch werden ontmaskerd als niet of niet helemaal juist, kwam Popper wellicht op het idee van de falsificerende werkwijze. Vanaf toen, en dat is eigenlijk nog steeds het geval, is kennis voorlopig en op zijn hoogst waarschijnlijk ofwel aannemelijk.
Dit staat natuurlijk in schril contrast met het denken van de oudheid, de middeleeuwen en zelfs het denken ten tijde van de verlichting. Tijdens de verlichting was de invloed van de kerk nog groot en zeker het denken nog niet bevrijd. De verlichting had het eerst invloed op de dagelijkse vrijheidsbeleving zonder dat er diepzinnige gedachten en ideeën bij werden gehaald. Het lijkt zelfs een beetje ver gezocht om de voorlopigheid van kennis te omarmen waar het de dagelijkse beleving van mensen betreft. De techniek is gebaseerd op toepasbare wetenschap, dus wat is er voorlopig aan de theorieën waarop de techniek gebaseerd is? Een mooi voorbeeld is echter de zwaartekrachtswet van Newton, die goed gebruikt kan worden om alledaagse verschijnselen te bestuderen, maar die Einstein heeft gepreciseerd om ook minder in het oog springende waarnemingen te kunnen verklaren. Andere voorbeelden zijn natuurlijk de ontmaskerde denkbeelden zoals die door de vroege kerk werden uitgedragen, zoals dat de aarde het middelpunt van het universum zou zijn of de zon om de aarde zou draaien. Het is goed te beseffen dat dergelijke denkbeelden vroeger gewoon als de waarheid werden beschouwd, net als vandaag algemeen wordt gedacht dat de verschijnselen zoals we die gewaarworden met onze zintuigen gegeven zijn.
DW 14-11-08 / 02-12-08
(1) David Hume kwam tot de volgende conclusie: "Deze sceptische twijfel, zowel ten aanzien van de rede als van de zintuigen, is een ziekte, die nooit geheel kan worden genezen, maar ons telkens weer zal overvallen, ook al verdrijven we haar steeds weer en lijken wij er soms zelfs geheel vrij van te zijn. Slechts zorgeloosheid en onverschilligheid kunnen enige verlichting brengen. Daarom reken ik daar volkomen op; en ik ben er zeker van dat de lezer, hoe hij er op dit ogenblik ook over moge denken, een uur later overtuigd zal zijn zowel van een zich buiten hem bevindende wereld als van een innerlijke."
(Geciteerd uit ‘Geschiedenis van de westerse filosofie', Bertrand Russell)
(2) Rudolf Carnap noemde de logische analyse van begrippen, zinnen, bewijzen en theorieën wetenschapslogica. "Wat dan nog overblijft zijn problemen van het soort zoals metafysici plegen te stellen, bij voorbeeld: wat is de oergrond van de wereld? Wat is het wezen van niets? Waarom is er überhaupt iets en veeleer niets? Maar dat zijn schijnproblemen zonder enig wetenschappelijk gehalte."
(Geciteerd uit ‘ 25 Eeuwen filosofie', Jan Bor, Sytske Teppema)
Is het niet opvallend dat mensen die zich het meest ergeren aan de afwezigheid van harmonie tussen mensen, bijvoorbeeld tussen gelovigen en seculieren of tussen atheïsten en christenen, de grootste veroorzakers zijn van de disharmonie die ze zo verafschuwen? In een hoogst oprecht [anti]gebed of een verzuchting wordt op emotionele wijze de eigen opinie opgeworpen, het liefst zo scherp mogelijk en op een eenzijdige manier, om het verschil in denken te onderstrepen of zelfs het andere denken te veroordelen.
Toch is het zelden niet problematisch, om niet bij uitzondering te zeggen dat het nooit mogelijk is, dat het eigen denken, de eigen opvattingen, opinies en zelfs oprechtste gevoelens als betere manier van denken of zelfs de waarheid te gebruiken is.
Een groep beklaagt zich over de aanmatiging van de andere groep, de andere groep veroordeelt het zelfvertrouwen van de eerste groep. Tot in het oneindige. En misschien willen ze oprecht de harmonie uitroepen of bereiken, desnoods met een tot de puntjes uitgewerkte manier van aanpak, maar hoe harder de harmonie gezocht wordt, hoe verder ze verwijderd lijkt te raken. Soms gaat het een tijdje goed, totdat de binnengehouden spanningen escaleren en de harmonie weer verder verwijderd is dan ooit. Het lijkt warempel wel op de pogingen van mensen die zich te dik vinden en na een dieet nog dikker zijn dan daarvoor.
Ik denk dat de oorzaak gezocht moet worden in de overtuiging, die de mens aangeboren lijkt, dat op een gegeven moment de juiste manier van denken wel gevonden is. Iemand die een doorwrochte analyse heeft gemaakt van een probleem, zal niet meer zo snel toegeven dat een andere geanalyseerde uitkomst ook wel eens waar kan zijn. Iemand die teleurstelling op teleurstelling heeft gehad in zijn politieke overtuiging, zal niet meer zo snel terugkeren tot die overtuiging als hij op andere gedachten is gekomen. Zo zijn er veel voorbeelden te noemen. Daarnaast zijn er ook altijd elementen aan te wijzen, die de harmonie actief tegenwerken, zoals een te grote nadruk op eigen belang of puur egoïsme.
Of harmonie tussen grote groepen mensen en volken bereikbaar is, weet ik niet. Ik denk dat harmonie vooral een innerlijke beleving kan zijn. Maar zelfs innerlijk is de harmonie vaak ver te zoeken. En als individuen innerlijk geen harmonie ervaren, hoe veel verder is de harmonie tussen mensen en volken dan verwijderd.
In deze serie (0242 Zelfbevestiging of groeiend inzicht) probeer ik te analyseren hoe het komt dat mensen, ondanks dat ze weten dat verschillen van opvatting mogelijk zijn, toch er van uitgaan zelf de betere opinies te hebben, terwijl andersdenkenden volgens hen niet alleen onjuist denken, maar bovendien een bedreiging vormen voor hun waarden, normen en manier van leven.
Het blijkt niet een kwestie te zijn van ‘eigenbelang eerst' of onwil. Maar door het zoeken naar bevestiging van het denken en de gemaakte conclusies ontstaat een steeds sterkere overtuiging, waardoor het steeds moeilijker wordt de geldigheid van andere conclusies en manieren van denken in te zien. Dit fenomeen zal vooral in deel 2 uitgelicht worden. In deel 3 probeer ik te laten zien dat de disharmonie tussen verschillende manieren van denken veroorzaakt wordt doordat niet wordt ingezien dat de verschillende opinies, theorieën en wereldconcepten slechts benaderingen zijn van dezelfde werkelijkheid waaraan een keuze vooraf gaat. In deel 4 wordt verklaard waarom disharmonie automatisch ontstaat en het bereiken van harmonie een bijzondere inspanning vereist. In deel 5 wordt aandacht geschonken aan enkele opvattingen betreffende het vinden van fundamenten voor het denken. In deel 6 probeer ik aan te geven welke methode kan leiden tot een groei van inzicht en betere verstandhouding met andersdenkenden.
De delen van deze serie zijn:
0 Inleiding: De eigen waarheid
1 Van overtuiging naar scepticisme naar falsificatie
2 Dogmatiserende kennis
3 Kennis: fragmenten van een heelheid
4 Overtuiging: dom of te begrijpen?
5 Basis voor het denken
6 Eigen inzicht weegt het zwaarst
Ik hoop op vruchtbare en opbouwende discussies, waarbij nieuwsgierigheid naar andere standpunten de drijvende kracht is.
DW 14-11-08 / 02-12-08
Het is te begrijpen dat de zin om meningen te uiten verdwijnt. In het verleden heb ik wel eens gezinspeeld op de verloedering van vrijheid van meningsuiting door gebruikmaking van ongereguleerde vrijheid, maar ik heb begrepen dat er dan een probleem ontstaat met de vaststelling van de grenzen van het toelaatbare. Aan de andere kant is het waar te nemen dat er vrijwillig afstand wordt gedaan van de vrijheid van meningsuiting door gebruik te maken van zelfcensuur en verbanningen. Ik wil nog wel eens benadrukken dat eigen standpunten gewoon opinies zijn en nauwelijks waardevoller zijn dan wat iemand anders denkt. Helaas zullen we met deze constatering ver verwijderd blijven van een vrijwillige verbetering van het waarden en normen stelsel dat gehanteerd wordt in polemische discussiestukjes en de reacties die worden opgeroepen. Laten we elkaar niets wijs maken en gerust bedenken dat iedereen voor zich moet uitmaken hoe hij bekend wil staan: als een etter, een betweter, een luisteraar of een ruimtegever. De stand van zaken, van nu en van eeuwen onmin tussen verschillende denkpartijen, geven ook weinig aanleiding om in de toekomst een verbetering te verwachten.
Voor de etters en betweters [en anderen die zich aangesproken voelen] kan het volgende nog gezegd worden. Hoe logisch het iemand ook lijkt dat wat een ander denkt voor meer dan 99% uit lariekoek bestaat, dan blijft de mogelijkheid bestaan dat de ander gelijk heeft of [gegronde] redenen heeft om anders te denken. Zelfs als je duizend vrienden hebt die hetzelfde denken als jij, kan de mening van een kleine minderheid of een individu steekhoudend zijn of minstens een aanwijzing bevatten over de situatie waarin iemand verkeerd. Het enige juiste is om de uiting van een standpunt aan te moedigen en zelf te gebruiken als materiaal om eigen visies mee te vervolmaken. Bij de constatering van denkfouten, kan de ander er op een nette manier op gewezen worden. En als de ander ernstig over de scheef is gegaan en zelf beledigend is geworden, dan leidt een nette terechtwijzing niet tot de uit de hand lopende kettingreactie die een met gelijke munt terugbetaling veroorzaakt.
Voor mij is het een bewijs van onvermogen als iemand met duizend bewijzen komt om aan te tonen hoe belachelijk het is dat iemand nog gelooft in God of Sinterklaas. Maar voordat ik de fout bega om zijn standpunt ook met de grond gelijk te maken, probeer ik te achterhalen waar zijn standpunt vandaan komt. Meestal heeft de felheid waarmee hij zijn zienswijze op het bord slingert van deze of gene godsdienstige weinig te maken met de inhoud van de woorden die de gelovige gebruikte in een reactie of stukje, maar met de achtergrond van de duizend bewijzen bezitter. En dit is maar 1 voorbeeld, want er zijn legio onverenigbare standpunten en zienswijzen waaruit iedereen zelf voorbeelden kan putten.
Op een scheurkalender staat: "Een conflict is een botsing tussen twee werkelijkheden." G. I. Gurdjieff, de mystieke wijsgeer uit , heeft gezegd dat mensen er duizend en één verschillende opvattingen op na houden over de wereld, maar dat ze de algemene idee missen om in te zien vanuit welk standpunt mensen de wereld willen beschouwen (3). Je kunt het mensen haast niet verwijten dat ze een bepaald standpunt hebben, maar misschien kun je mensen wel verwijten dat ze geen moeite doen om andere standpunten te leren begrijpen.
Mijn komende zeven blogs gaan over ‘Zelfbevestiging' en ‘groei van inzicht'.
DW 3-12-08
(1) Bron van onzin en geweld (Zoë van Zaal)
(2) Teveel om naar te verwijzen.
(3) Op zoek naar het wonderbaarlijke. P. D. Ouspensky.
Mensen nemen graag aan dat ze actief moeten zijn om iets te bereiken. Kinderen houden ze voor dat leren belangrijk is. Zelf werken ze kei hard om die fraaie toekomst veilig te stellen.
Garanties bestaan niet. Voordat u uw toekomst bereikt hebt, kan het hart door een aanval kapot gaan. Maar ook, vandaag is de toekomst van het verleden. Is wat u vandaag bent, wat u tien, twintig of dertig jaar geleden droomde of waar u [eens] vol enthousiasme op aanstuurde? Als niet, waarom zou er over twintig jaar wel iets van terechtgekomen zijn?
Met deze overweging op zak zou u de moed in de schoenen kunnen zakken (althans mij wel). Uit angst [en gemak] kunt u besluiten alle dromen als zelfbedrog te beschouwen. U kunt een realist proberen te worden. U kunt alle enthousiasme en spontaniteit opgeven en uw gedrag en denken overgeven aan berekening en zekerheid.
Een klein meisje vroeg: "Papa, in een droomhuis kun je toch mooi dromen?" Vader's eerste reactie was, dat je óver dat huis droomt en als je erin woont, dat het niet meer een droomhuis is.
Zo blijkt dat we zelfs in dromen zoeken naar groei. Daarom denk ik dat het heden zelden als het gewenste resultaat van gisteren wordt ervaren.
Het streven naar groei is misschien een biologische drijfveer, onontkoombaar voor alles dat leeft. Daarom achtervolgt het ons tot in de dromen. En daarmee slaat de droom zichzelf kapot.
Tijd duurt zo lang. Als vol verse moed een nieuwe bezigheid opgepakt wordt, met de gedachte er iets moois van te maken, komt er ineens toch de klad in. Vaak keren dezelfde fouten terug, die in het ‘vorige leven' werden gemaakt. De zin verdwijnt, de tegenslag wordt teveel, sleur maakt alles onverschillig. "Leve de toekomst, maar niet heus", zouden we kunnen denken.
Met welke middelen zou de positieve zin vastgehouden kunnen worden?
Verwachtingen realistisch houden, gaat ten koste van onbevangenheid (soms verward met naïviteit). Als men zich volledig stort op tastbare zaken, wordt de deur dichtgeknald voor onverwachte invloeden. Woorden als mysterie en verborgenheden verliezen hun betekenis. Dit is de ‘zekere' weg naar een ‘kenbare' toekomst, zonder kleur en zonder zin.
Ik heb gedacht over een echte remedie tegen de sleur. Conclusie: we moeten nieuwsgierig blijven, vragen blijven stellen als een naïef kind.
Waarom gaat de maan met ons mee als we in de auto rijden?
Waar was ik toen ik nog niet geboren was?
Waar ben je als je dood bent?
Verwondering en nieuwsgierigheid houden het gemoed open en levendig. Wellicht garandeert dit een minder gewisse toekomst, omdat ze echt verandert na elk gevonden antwoord, maar er blijft iets te dromen over.
Verstoft is dan al elke vorm
Veranderd in een koele bries
Verwaaid in een loeiende storm
Adem van tijd, vergeten vlies
Scheiding van onze herinneringen te
Ervaren, een deken, er onder niets meer
Te weten, tijd ervaren we omdat we
Vergeten, dat we weer zoeken elke keer
Naar de aanraking, een hand, een woord
Betekenis bewogen door zich zelf
Er al was voordat het werd gedacht
Er nog is als de wind het verstoord
Heeft verplaatst naar een ondergronds gewelf
Waar niemand betekenis verwacht
Willem Houtgraaf, 1-12-03
De individuele waarheid is echter onmiskenbaar subjectief. De hemel kan nog zo blauw zijn, de bloemen nog zo kleurrijk, maar als je depressief bent is vrijwel alles grijs of zwart. Het ergste van het geval: soms geloven anderen er geen biet van. Depressieve mensen worden niet zelden als aanstellers gezien.
Verliefde mensen daarentegen zien overal kleur. Nog lang nadat een nuchtere vriend inzag dat het niets kan worden, loopt een verliefde met blindheid geslagen rond.
Iedereen heeft een gemiddelde gemoedstoestand, waarbij zijn opinies en inzichten zich vormen. David Hume (26 april 1711 - 25 augustus 1776) kwam zelfs tot de sceptische conclusie dat we zo erg in onszelf gevangen zijn, dat ware kennis van de wereld onmogelijk is.
Gelukkig denken we daar tegenwoordig anders over, maar de greep van onze persoonlijke beleving blijft voor iedereen van fundamenteel belang. Het zou onverstandig zijn onze subjectieve beleving te veronachtzamen.
In de alledaagse omgang met mensen spelen diepe subjectieve gevoelens al een rol. De collega's waar de haren van overeind gaan staan, de onrechtvaardige uitspraken en roddels over anderen als ze er niet bij aanwezig zijn, de manier waarop en de overtuiging waarmee het werk wordt uitgevoerd en zelfs de positie die geambieerd wordt, allemaal voorbeelden waarbij onze subjectiviteit een rol speelt. Als we deze zaken objectief willen benaderen, moeten we onze rechtopstaande haren negeren, roddels tegenspreken, het werk neutraal benaderen en zoeken waar onze talenten werkelijk liggen.
Wetenschap probeert objectieve informatie te verzamelen over de werkelijkheid. Daartoe heeft ze zich toegelegd op het verrichten van metingen. Metingen kunnen geïnterpreteerd worden, ze worden ook steeds nauwkeuriger, maar blijven zintuiglijk verkregen feiten. De complicerende factor dat de meting de werkelijkheid verandert, komt daar nog bij. In de ervaringswereld komt dat tot uitdrukking doordat de subjectieve beleving verandert, want de subjectieve beleving maakt onderdeel uit van de werkelijkheid.
Hoe krijgt de objectieve wetenschap vat op subjectieve onderdelen van de werkelijkheid? Ik spreek over subjectieve onderdelen, maar dat is een zeer te kort schietende omschrijving voor de bewustzijnstoestanden van mensen.
In mijn ogen krijgt ze er helemaal geen vat op. Daarom wordt subjectiviteit als niet-wetenschappelijk afgedaan. Vijf miljard meningen kunnen geen wetenschappelijke waarde hebben, want wetenschap moet gelden ongeacht die meningen. Er zou dus een wetenschap van de meningen moeten komen. Is het subjectieve een cocktail van hormonen en biochemische stofjes, waarbij de werking en efficiency van de hardware, de hersenen en het lichaam, bepalen hoe onze innerlijke ‘kleur' er uit ziet? De nature en nurture discussie geeft echter aan dat omgevingsfactoren niet los staan van de innerlijke ‘kleur' van individuen. Om wetenschap te bedrijven moet de innerlijke ‘kleur' weggecijferd worden. Daarom is het ook mogelijk voor de niets ontziende wetenschappers om elke persoonlijke emotie als illusie te bestempelen. Er wordt niet ontkend dat iemand die of deze emotie heeft, maar ze zeggen wel dat die emotie slechts een bepaalde staat van de hardware en de software is, kortom zonder objectieve waarde is.
Veel mensen hebben moeite met deze bestempeling van de wetenschap, want ze worden elke dag weer wakker in hun innerlijk. Op zich is het nog prettiger om de vaststelling van Hume te aanvaarden dan de conclusie van de hedendaagse wetenschap. Maar, wordt terecht opgemerkt, de conclusie die het prettigst voelt is niet automatisch meer waar dan de gevolgtrekking die moeilijk te accepteren is.
Ik ben een mooi stukje uit het boek ‘Heelheid en de impliciete orde' tegengekomen dat een begin van een antwoord kan zijn. Bohm zegt dat onze ervaringen met de natuur lijken op onze ervaringen met andere mensen. Als we bijvoorbeeld iemand benaderen met de aanname dat hij een vijand is, zal hij zich als een vijand gedragen. Als de natuur met de aanname wordt benaderd dat ze geestloos is en puur met materialistische theorieën is te verklaren, dan zal dat bevestigd worden. Theoretische inzichten blijven volgens Bohm binnen bepaalde grenzen omdat de idee bestaat dat theorieën ware kennis bevatten en dus nooit hoeven te veranderen. Dit is de dogmatiserende tendens van wetenschappelijke kennis die zoekt naar bevestiging. (2)
Theorieën blijken geen kennis te zijn van hoe de wereld werkelijk is, maar manieren om de wereld te bekijken, die dus het gevolg zijn van keuzen vooraf. Een keuze om de subjectieve beleving van de wereld te integreren in de theorieën, zou wellicht een vollediger beeld geven en kunnen verklaren waarom tegenstellingen beide als waar worden ervaren.
Volgens mij bestaat er disciplines die zich met de subjectieve beleving van individuen bezighoudt: de kunst en de bespiegeling van de filosofie. Velen zullen kunst en zelfs de filosofie geen wetenschappelijke disciplines noemen, maar wellicht is dat meer een kwestie van definitie en keuze vooraf dan werkelijk. Toch is de echo van Wittgenstein's uitspraak hoorbaar: "Wij voelen dat zelfs als alle mogelijke wetenschappelijke vragen beantwoord zijn, onze levensproblemen nog helemaal niet zijn aangeroerd." (3)
DW 02-7-08 & 24-11-08
(1) Heelheid en de impliciete orde. David Bohm
(2) In een volgend stukje met de titel ‘0242 Waardeloze gedachten' kom ik op David Bohm en zijn denkbeelden terug.
(3) Ludwig Wittgenstein. Tractatus Logicus Philosoficus, stelling 6.52.
In het vormenbos beleefde ik een avontuur
wonderlijk en schoon, van hoogte vol betekenis.
Er verscheen een geest, met glans versierd en goede lach.
Hij begon te spreken, vroeg: "wat doet u nu nog hier?"
Eerst geschrokken gaf ik schuchter antwoord op zijn vraag:
"Ik verdwaalde, ben nu hier alsof het zo moest zijn."
"Ja, ja, zo spreken mensen die het niet meer weten
en dan komen ze naar ons toe, zogenaamd verdwaald.
Luister, heb gewoon vertrouwen, weeg alle woorden,
wees oprecht en altijd trouw aan wat u zeker weet.
Draag uw eigen zinnen in uw hart voordat u spreekt.
Koester mooie vondsten zonder u te haasten, tijd
geeft gestaag, het grote mensenwerk vereist geduld
Maak u weinig dwaze zorgen om waardering, want
u verrekent zich en zoekt de zonde van de tijd.
Rijkdom wordt gegeven. Onder ons gezegd: 't is ook
pijnlijk voor uzelf, de tekens der bewondering
zijn niet te doorgronden. Maar geniet van élk geluid"
"Nu herken ik u, de laatste keer bemoedigde
u me ook al, vol vertrouwen ging ik toen terug."
"Terug? U bent sindsdien niet weggeweest. Door dit bos
dwaalde u als ontevreden ego, onterecht
overtuigd van eigen kunnen, wijzend, wetend, maar
snel vergat u wat ik u geraden had te doen.
Eigenwijsheid is bedwelmend en een moordend spoor."
"Ik begrijp het. Weet u hoe ik dit niet meer vergeet?"
"Juist. U was vergeten dat verandering vanzelf
niet bestaat, gesprekjes met een wijze geest doen niets.
Tijd en twijfel zijn de beste vormen van de raad
duizendvoudig in het leven vindbaar, op de grond
in de lucht en overal. U leert het ooit te zien."
Willem Houtgraaf, 11-2-05 t/m 11-03-05
Hetzelfde geldt voor je geloofsopvattingen.
Zo simpel is het echter niet. Tegenover geloof staat ongeloof, zou je zeggen. De ‘ongelovige staat' schijnt iets met wetenschap en kennis te maken te hebben. Zo beschuldigen ongelovigen de gelovigen ervan zich op een oud boek te baseren en sprookjes te geloven, omdat hun kennis en wetenschap geen aanwijzingen bevatten dat het oude boek waarheid bevat. Stemmen uit de lucht en brandende braambossen zijn nog nooit waargenomen.
Daarmee zijn de gelovigen afgescheept, denken de feitenliefhebbers! Ze kunnen vertrekken. Maar ze vertrekken niet, ze komen terug. De gelovigen zeggen: "Het is een feit dat wetenschap niet alles weet. De ongelovigen houden zich voor de gek als ze denken vrij te zijn van hersenspinsels. De eerste gewaarwordingen blijken al te leiden tot zelfverlakkerij, laat staan als er de interpretatie bijkomt."
"De verdienste van de wetenschap is dat we de schepper niet meer nodig hebben als verklaring," zeggen de ongelovigen. De gelovigen zeggen daarop: "Toeval is geen betere verklaring dan een schepper. Misschien dat ‘schepper' een verouderd woord is en dat we moeten spreken over ‘ontwerper'. Maar om het toeval in het zadel te houden, om het mogelijk te maken dat toeval heeft geleid tot deze mooie wereld, zijn de wildste fantasieverhalen bedacht, waar je als ongelovige niet zonder schaamrood op de kaken van uit mag gaan."
De in de verklaring gelovigen stellen echter dat toeval een alledaags fenomeen is, dat geen verklaring behoeft. Want hoe ziet het uit? De kleine stapjes van verandering die de werkelijkheid zo complex gemaakt hebben zoals we nu waarnemen, zijn zó klein dat er eigenlijk geen sprake is van verandering. Er is een evenwichtssituatie van processen, niets meer en niets minder. Langzaam verandert die evenwichtssituatie door de wetten van de natuur, zoals afkoeling en gravitatiekrachten. De overgang van materie naar leven, in woorden een hele stap, was in werkelijkheid een onzichtbare verandering. Het verschil tussen weekdieren en gewervelde dieren was onzichtbaar toen de bewuste voorouders genetisch uit elkaar begonnen te groeien. Lange tijd en onzichtbare veranderingen is alles wat nodig is om de complexiteit van het leven op aarde te begrijpen.
De gelovigen hebben echter nog een houvast. Het begin van tijd en ruimte, dat tegenwoordig wordt verklaard met de oerknaltheorie, kan toch niet toevallig zijn. Was er niets dat iets is geworden? Of was er iets dat niet waar te nemen is, omdat het buiten tijd en ruimte ligt, buiten de waarnemingshorizon? Zoveel begrip heeft wetenschap en rede nog niet, dat daar antwoorden voor zijn.
De gelovigen hebben de worstelingen van het weten in de smiezen. Ze komen op televisie om te vertellen dat Darwinisme lariekoek is. Ze bouwen een model van de ark van Noach en stellen onomwonden dat zelfs de dinosauriërs door de echte ark gered zijn. In het Darwin jaar zullen folders verspreid worden met de vraag: wat gelooft u?
Ik vraag me af of alle gelovigen daar onverdeeld gelukkig mee zijn. Maar de houding om geloof in een belachelijk daglicht te zetten met verwijzingen naar fabeltjes en legenden zal ook niet de goedkeuring van alle wetenschappers wegdragen.
Ik heb eens de volgende regels van P.D. Ouspensky gelezen: Een Godsdienst die in strijd is met de wetenschap of een wetenschap die in tegenspraak is met de Godsdienst zijn beide even verkeerd (1). Hij schreef dat op in 1922, sindsdien heeft de wetenschap nog een flinke ontwikkeling doorgemaakt. Zou hij deze stelling nog onverminderd hebben volgehouden?
In elk geval is het voor mij de houding, waarbij ik zowel wetenschap als religie serieus kan blijven nemen. Bij religie is erkenning het zwaartepunt, bij wetenschap is kennis het belangrijkste. Voor beide is begrip noodzakelijk.
30-6 & 24-11 2008
(1) Tertium organum, P.D. Ouspensky. Servire 1e druk, P200
Heinz R. Pagels in ‘Volmaakte symmetrie' (1985)
Anti-kennis
Het al is niet symmetrisch
we zijn verbroken toestand.
Wind en adem zijn
gevolg van onvolmaaktheid
Geloof is niet symmetrisch
als kennis genegeerd wordt.
Feiten spreken hard
de goden zwijgen harder
Maar symmetrie is samen.
De liefde kan niet zonder
haar betekenis
een anti-kus moet zoenen
Verstand verdwijnt in leegte.
Getallen en formules
moeten troostrijk zijn
als engelen zijn verdwenen
Willem Houtgraaf, mei '07
In discussies over de fundamenten van het denken, schijnen opvattingen scherp begrensd te zijn. Niet wat de opponent zegt is van belang, maar in welk hokje hij al gesitueerd is blijkt doorslaggevend.
En wie ben ik dat ik dit zeg? Een Christelijke wetenschapsontkenner? Een onwetende erkenningzoeker? Een onzekere stellingnemer? Een vastbesloten hokjesgeest?
Hoe je tegen de waarheid aankijkt lijkt weldegelijk van belang. Niet zo zeer om je gelijk te krijgen. Gelijk is wat je zelf denkt dat zo is. Gelijk is dus een illusie of alleen van belang voor jezelf (1). Maar het waarheidsbeeld is van belang voor hoeveel ruimte je in staat bent om anderen te geven te geloven wat ze denken. Ruimdenkendheid is dus geen daad van [het] denken, maar een houding naar anderen toe.
Nu zijn de rapen gaar. Want andersdenkenden beïnvloeden wel in welke mate jouw belangen in de democratie behartigd kunnen worden. Ruimdenkendheid verdwijnt vaak als flink gerijpte kaas op de tong. In een democratie lijkt ruimdenkendheid een slechte eigenschap te zijn. Soms moet je zelfs tegen beter weten in pal staan voor je belangen, net als budgetverantwoordelijken die nog snel wat spullen kopen die ze niet echt nodig hebben om volgend jaar weer hetzelfde budget te mogen op maken.
Ik denk dat hier de botsing van wereldbeelden haar oorsprong vindt. Moslims mogen denken en geloven wat ze willen, als ze de vrijheden en de boterham van Christenen, atheïsten of thuislanders maar niet negatief beïnvloeden. En dat is onmogelijk.
Al die fundamentele principiële discussies, over wetenschappelijke feiten, christelijke waarden en normen, eerlijke menselijke bedoelingen, zijn ofwel gedoemd te mislukken of een schijnvertoning, zeker als er gezegd wordt dat het om waarheidsvinding gaat.
En.... hier is het ook dat velen hun gelijk verkwanselen!
DW 10-11-08
(1) Wat iemand vindt, is informatie die voor jou een andere betekenis heeft dan voor hem. Dat is anders dan wetenschap, waar het informatie betreft die ongeacht persoonlijke meningen hetzelfde betekent, en wel voor iedereen.
Denkwater: "Jij kunt niet lezen. Duidelijker kan ik niet zijn. Jij probeert alleen zand in de ogen te strooien door net te doen alsof ik niet duidelijk ben. Goethe heeft eens gezegd: "Wie een schrijver duister noemt, moet eerst eens nagaan of het in hemzelf wel licht is - in de schemering kan zelfs het duidelijkste schrift onleesbaar worden."
A: "Kom niet met Goethe of andere beroemdheden aanzetten. Wat voegt deze klassieke uitspraak überhaupt toe? Wie kan nagaan bij anderen hoe helder het in hun kop is.
Denkwater: "Zie je, doe je het weer. Ik kan ook weglaten dat Goethe het gezegd heeft. Ik vraag het mij namelijk al sinds tijden af, hoe het mogelijk is dat anderen simpel taalgebruik niet kunnen begrijpen. Ja, ik weet het wel, ze staan op hun standpunt en lopen er niet omheen, ze staan als aan de grond genageld. Deze immobiliteit van de gedachten werpt schaduwen in het hoofd, zeker in dat van jou.
A: "Houden we het wel netjes!? Dus jij bent een toonbeeld van licht en helderheid? Waaruit zou moeten blijken dat jij ‘mobiele gedachten' hebt?
Denkwater: "Uit het feit dat ik mijn eigen spelonk verlaten heb. Ik redeneer niet vanuit mij eigen achtergrond, maar begeef me op het terrein van mijn opponent(en). Ik durf me tenminste kwetsbaar op te stellen. Dat zou jij ook moeten doen, want geen enkel standpunt is onaantastbaar. Als je onaantastbaarheid veinst door onkwetsbaar in je eigen ford te blijven, laat je zien dat je gedachten inderdaad immobiel zijn.
A: "Laat me niet lachen, jij uit je vesting. Je schimpt op atheïsten, je hebt geen goed woord over voor empirische materialisten of hoe je ze ook noemt (dan zus en dan weer zo en wij maar raden of je het over dezelfde mensen hebt) en laatst verheerlijkte je eigen standpunten die, als je een beetje met de tijd meegaat, onhoudbaar zijn.
Denkwater: "Ik geef toe dat ik definities ruim gebruik, maar alleen omdat ze minder zeggen dan ze suggereren. Dat ik uit mijn vesting kom is al aan de punten te herkennen waar ik aandacht aan besteed, dat ik überhaupt probeer te discussiëren over de materialistische overtuiging terwijl ik die helemaal niet aanhang. Ik zoek mijn tegenstanders op op hun eigen terrein.
A: "Dat zegt niets. Je kunt in een pantservoertuig voorzichtig een beetje rondrijden en links en rechts wat schade proberen toe te brengen, dan ben je ook op het terrein van je opponent(en).
Denkwater: "Voorlopig ga ik nog niet onbeschermd naar het vijandelijke kamp. Zolang je op de man speelt denk ik maar dat je niet eens wilt praten."
A: "Weer leg je de verantwoording bij mij neer. Alsof je een haar beter bent.
................ tot in het oneindige..............
DW 29-02-08
De waarheid gaat verloren in de namen. Namen werken beeldvorming in de hand.
De waarheid gaat verloren in de roep om aandacht. Stevige oordelen lokken reacties uit.
Het is hinderlijk, zo niet misleidend, om in twee woorden te zeggen waar minimaal een hele zin voor nodig is. Wie is die kut Marokkaan? Wie is die blinde gelovige? Wie is die respectloze Nederlander, wie die immorele wetenschapper?
Is de waarheid niet confronterend genoeg?
Iedereen streeft naar harmonie, als de eigen condities ervoor door anderen aanvaard worden. Het streven is identiek, de mening over de beste uitvoering is de bottleneck waardoor de harmonie niet doorbreekt.
Zo gek is dat niet: de praktijk situatie is een uitvloeisel van wat mensen innerlijk zijn. Bij wie is het harmonieus van binnen? Innerlijk lijden mensen al aan verkeerde beeldvorming. Welke invloed dat heeft op de maatschappij laat zich niet moeilijk raden.
De halve wereld is gewonnen, als iedereen zich realiseert dat hij een beeld ziet en niet de waarheid.
DW 19-03 / 20-06 08
De eerste die ik wil noemen is van peter louter / 07-11-2008 13:30: "Denkwater, je vecht hier een verloren strijd. Er zijn voldoende argumenten om andere zienswijzen in stand te houden zonder van de wetenschap en wetenschappers een karikatuur te maken."
Ik ben het met hem eens, maar het is duidelijk dat het argument waar het om gaat niet geaccepteerd wordt. Wetenschap zoals in de praktijk bedreven geeft niet dat onpartijdige fundament dat geldig is voor iedereen. Daarvoor zijn er te veel levensbeschouwelijke factoren en vooronderstellingen in het wetenschappelijk bedrijf.
Ik denk niet dat ik een karikatuur maak van wetenschappers en wetenschap. Ik probeer het gevaar te duiden dat kleeft aan de wetenschappelijke betovering. Wetenschap zou wel eens in dezelfde fout kunnen vervallen als religie door niet met beide benen op de grond te blijven staan. Is het daarentegen niet juist een gevolg van hen die zich op wetenschap zeggen te baseren als ze hun verregaande conclusies presenteren dat er een karikatuur ontstaat?
Meneer Opinie zegt bijvoorbeeld (07-11-2008 15:01): "De wetenschap is niet goed genoeg want denkwater vindt het vervelend om zichzelf te zien als een verzameling deeltjes en dus moet er meer zijn." Meneer Opinie realiseert zich blijkbaar niet dat de materialistische visie van vooronderstellingen uitgaat. Ondertussen zijn de op deze visie getrokken conclusies alweer een tijdje onderweg en leidt het tot naturalistische beschouwingswijzen die mogelijk niet correct zijn. De tijd zal het leren.
Ondertussen zijn er duidelijk verschillen aan te geven tussen een verzameling elementaire deeltjes die in een steen zitten en een verzameling elementaire deeltjes die in levende cellen zitten.
Rolf van der Marck zegt (06-11-2008 15:50): "Een leven zonder god is de beste status die je in dit leven kunt bereiken. Je bent dan niet meer afhankelijk van al die mensen die het zo goed weten."
Dit is wel illustratief. De afhankelijkheid van mensen die het zo goed weten wordt juist groter, omdat de kennis moeilijker te bevatten is. De mogelijkheid om op slinkse wijze de massa te beïnvloeden nemen toe. Onderdrukking en geweld zijn zichtbaar, maar mensen misleiden wordt vaak pas achteraf geconstateerd en de geleden schade kan dan vaak niet meer worden teruggedraaid. Verkeerde ideeën kunnen zo massaal om zich heen grijpen als gevolg van propaganda en reclame, dat niemand meer weet wie aansprakelijk is voor de negatieve gevolgen. Ineens is het werkelijk zo dat iedereen verantwoordelijk is. Maar alleen de ‘happy few' hebben de kennis en macht werkelijk oplossingen te bieden. Dus andermaal de afhankelijkheid van mensen die het goed weten.
Meneer Opinie (07-11-2008 08:13): "Wetenschappers zeggen niet dat wat niet meetbaar is niet bestaat, ze zeggen dat wat niet meetbaar is, niet te meten is, en dat beweringen over het onmeetbare dus oncontroleerbaar zijn."
Dit houdt ook in dat een hoop hypothetische beweringen in de prullenbak kunnen. In ‘0236 Exacte wetenschap?' is dit onderwerp voldoende aan bod gekomen.
Meneer Opinie (07-11-2008 08:13) : "Heeft de wetenschap religie nodig? Nee, ik denk het niet. Er zijn dingen die je weet en er zijn zaken die je niet weet. Je onwetendheid verbergen achter een geloof in een bovennatuurlijke macht helpt je niet om onbekende zaken te onderzoeken. De wetenschap heeft de religie nodig zoals het een blok aan haar been nodig heeft."
In mijn betoog heb ik geprobeerd te laten zien dat wetenschap en religie verschillende benaderingen zijn om dezelfde werkelijkheid te benaderen. De wetenschap ontrafelt, religie benadert de werkelijkheid als een geheel. De nadruk die gelegd wordt op het bovennatuurlijke is niet nodig. Bovendien is het woord bovennatuurlijk alleen een woord om het verschil aan te geven tussen de menselijke manier van kijken en de daarvan losgemaakte manier: het verschil tussen wetenschap en religie dus. Het is niet moeilijk in te zien dat de ontrafelende benadering tot andere inzichten en toepassingen leidt dan een holistische benadering.
Peter louter reageerde met (10-11-2008 12:21): "Toch probeer je het primaat van religie over wetenschap weer te bewijzen door er van uit te gaan dat religie superieure kennis heeft. Religie en wetenschap lijden onder hetzelfde euvel. Ze kunnen niet verder kijken dan wat de stand van zaken op het terrein van kennis vandaag toelaat. Begrijpen is zéér tijdgebonden."
Ik heb getracht dat te ontkrachten met het volgende: "Richard Dawkins geeft een mooie vergelijking in zijn boek met het verhaal van onze voorouders. Hij geeft het verschil aan tussen micro en macro evolutie. Als je de macro-evolutie wilt verklaren door alleen naar de micro-evolutie te kijken zul je niet de patronen ontwaren die van belang zijn. Andersom geldt natuurlijk ook. Het is een kwestie van schaal.
Zo zie ik wetenschap en religie ook.
Begrijpen is subjectief.
Tot slot wil John Locke noemen, die als de grondlegger van de liberalistische filosofie wordt genoemd (Russell). In Russell's geschiedenis van de filosofie wordt een prachtig citaat aangehaald (het langste citaat uit het hoofdstuk dat aan de kennistheorie van Locke is gewijd) die te lang is om hier volledig weer te geven. In het kort komt het erop neer, dat verschillen van mening steeds blijven bestaan, maar dat die niet zouden moeten leiden tot onverdraagzaamheid. Als je iemand wil overtuigen van je standpunt en je hebt iemand tegenover je die zelf nadenkt, dan moet hij de tijd en gelegenheid krijgen om de standpunten van de opponent te wegen en te onderzoeken. En als je iemand tegenover je hebt die gewend is zaken op gezag aan te nemen, zullen je argumenten nauwelijks een voedingsbodem vinden. Maar het is altijd goed je te realiseren dat niemand zijn argumenten en conclusies volledig doordacht zal hebben, want het geheel kunnen we niet overzien. (1)
DW 13-11-08
(1) Deze weergave is deels ook interpretatie. Het hoofdstuk en boek van het originele (Russell's) citaat heb ik aangegeven. Ik neem aan dat Russell Locke juist geciteerd heeft.



