economie voor jou
de achterkant van de financieel-economische actualiteit

Rolf Schöndorff
Steeds vaker melden de media over rellen in arme landen waar voedseltekorten bestaan. Er zijn intussen al tientallen slachtoffers gevallen. Op Haïti, in Egypte en in een aantal Afrikaanse landen. En het ziet er niet naar uit dat het daarbij zal blijven. Miljarden arme mensen hadden al de grootste moeite om hun dagelijkse maaltijd bij elkaar te schrapen. En nu rijzen de prijzen van basisvoedsel als rijst, graan, tarwe en maïs de pan uit. Agflatie heet het: agrarische inflatie. De gemiddelde wereldprijs van voedsel is in de laatste negen maanden met 45 procent gestegen. Geschat wordt dat zeker 30 tot 40 landen met steeds grotere sociale onrust te maken krijgen.
Hieronder een stukje over het beruchte aardappeloproer in de Jordaan toen er in 1917 een tekort was aan ons basisvoedsel, de aardappel.
Als oorzaken van de nu bestaande tekorten worden genoemd:

Het uitbreiden van het aanbod zal voor zover het mogelijk is de nodige maanden kosten. Het beperken van de vraag moet zich erop richten dat men ophoudt met biobrandstof te winnen uit voedingsmiddelen. Voedselhulp op grote schaal en subsidies aan de arme gezinnen die geen eten meer kunnen betalen ligt voor de hand. China heeft genoeg middelen om in de eigen regio bij te springen. Het zou mooi zijn als het zijn deviezenreserves ook aan zou spreken om in bijvoorbeeld Afrika de hongerigen te subsidiëren.
Biobrandstof, goed idee of weg ermee? Economie voor jou 10 maart 2008
Nadere info: nieuwsthema voedselprijzen nrch
Discussie over aanpak
Armoede loopt op door duur voedsel, 11 april 2008
Schaarste drijft prijs van rijst op, 20 juli 2007

Steeds vaker melden de media over rellen in arme landen waar voedseltekorten bestaan. Er zijn intussen al tientallen slachtoffers gevallen. Op Haïti, in Egypte en in een aantal Afrikaanse landen. En het ziet er niet naar uit dat het daarbij zal blijven. Miljarden arme mensen hadden al de grootste moeite om hun dagelijkse maaltijd bij elkaar te schrapen. En nu rijzen de prijzen van basisvoedsel als rijst, graan, tarwe en maïs de pan uit. Agflatie heet het: agrarische inflatie. De gemiddelde wereldprijs van voedsel is in de laatste negen maanden met 45 procent gestegen. Geschat wordt dat zeker 30 tot 40 landen met steeds grotere sociale onrust te maken krijgen.
Hieronder een stukje over het beruchte aardappeloproer in de Jordaan toen er in 1917 een tekort was aan ons basisvoedsel, de aardappel.
Als oorzaken van de nu bestaande tekorten worden genoemd:
- -De hoge olieprijs, die op zijn beurt weer een gevolg is van grote extra vraag uit sterk groeiende economieën als China en India; deze hoge olieprijs maakt het transport van voedsel duurder en stimuleert bovendien het gebruik van alternatieve brandstoffen zoals biobrandstof;
- -Het gebruik van granen en maïs voor biobrandstoffen, een rampzalige ontwikkeling. Biobrandstoffen zouden alleen uit afval moeten worden gemaakt, zoals men in Brazilië het afval van de suikerproductie gebruikt. Maar Brazilië produceert ook extra soja voor biobrandstof, wat ten koste gaat van de Amazonewouden.
- -In snel rijker wordende landen als China en India stijgt de vraag naar voedsel, vooral naar vlees wat veel extra graan kost;
- -Een belangrijke voedselproducent als Australië kampt met grote droogtes;
- -Voedselproducenten houden hun aanbod vast omdat ze weten volgende week meer te kunnen ontvangen;
- -En dan zijn er nog de echte speculanten die op papier grote hoeveelheden inkopen om die over enige tijd tegen hogere prijzen te verkopen; alleen al door hun inkoop dragen ze bij aan de prijsstijgingen.

Het uitbreiden van het aanbod zal voor zover het mogelijk is de nodige maanden kosten. Het beperken van de vraag moet zich erop richten dat men ophoudt met biobrandstof te winnen uit voedingsmiddelen. Voedselhulp op grote schaal en subsidies aan de arme gezinnen die geen eten meer kunnen betalen ligt voor de hand. China heeft genoeg middelen om in de eigen regio bij te springen. Het zou mooi zijn als het zijn deviezenreserves ook aan zou spreken om in bijvoorbeeld Afrika de hongerigen te subsidiëren.
Biobrandstof, goed idee of weg ermee? Economie voor jou 10 maart 2008
Nadere info: nieuwsthema voedselprijzen nrch
Discussie over aanpak
Armoede loopt op door duur voedsel, 11 april 2008
Schaarste drijft prijs van rijst op, 20 juli 2007
|

Rolf Schöndorff
Jarenlang hebben we nauwelijks iets over inflatie gehoord. Het monster leek getemd. Maar de laatste weken is het bijna elke dag raak. Geen wonder. Er zijn twee oorzaken aan te geven: de wereldwijde stijging van grondstoffenprijzen die doorwerkt in de verkoopprijzen van eindproducten. Dat is de zogeheten kosteninflatie, prijsstijgingen vanuit de aanbodkant. En ook aan de vraagkant is het mis. Vooral de Amerikaanse centrale bank, de Fed, heeft niet alleen de rente een aantal keren agressief verlaagd, maar ook bakken met geld in het systeem gepompt om te voorkomen dat banken in liquiditeitsproblemen raken en moeten sluiten. Toch zijn er een paar intussen omgevallen. Als je de geldhoeveelheid zo snel opblaast (inflare = opblazen) dat de goederenhoeveelheid het niet of nauwelijks bij kan benen, zijn prijsstijgingen het resultaat. Langs twee wegen wordt dus de inflatie versterkt.
Intussen heeft de kredietcrisis het consumentenvertrouwen in de VS ernstig geschokt. Dit uit zich in afremmende groei van de bestedingen wat weer leidt tot een lagere groei van de economie. Er wordt nu openlijk gesproken van een recessie in de VS. Die is er als twee kwartalen achter elkaar de economie krimpt. Een combinatie van een stagnerende economie en inflatie levert het akelige verschijnsel op dat we stagflatie noemen. Stagflatie is een economische ziekte die moeilijk te genezen is. Om de stagnatie tegen te gaan zou de centrale bank de economie moeten stimuleren met renteverlaging. Maar dat wapen heeft de Fed de laatste tijd al teveel gebruikt.

Het is geen wonder dat Europa van de teruggang in de VS een klap meekrijgt. De VS importeert minder, er gaan bijvoorbeeld minder Amerikanen in Europa op vakantie. Niet alleen omdat geschokte consumenten minder kopen, ook omdat de dollar omlaag glijdt doordat het slecht gaat met de VS. Tussen haakjes: die goedkopere dollar is een steun voor de Amerikaanse export en daar ligt dan een kiem voor herstel. Herstel van de VS-export is voor Europa nadelig waar het met de VS concurreert zoals in Azië.
Ook in Frankfurt heeft men het moeilijk. De Europese centrale bank heeft als enige doelstelling het bewaken van de prijsstabiliteit. Stijgt het algemeen prijspeil meer dan 2% per jaar dan hoort de ECB een verkrappend beleid te voeren door de rente te verhogen. De prijzen stijgen intussen met 3,5%, maar de bank durft de rente niet te verhogen omdat zij de Amerikaanse recessie op ons af ziet komen. En omdat er ook in Europa banken in problemen zijn door de kredietcrisis.
Kortom, geen prettige vooruitzichten. Waarbij nog komt dat hier en daar het gevreesde haasje-over van prijzen en lonen ook in Europa op gang begint te komen. Werknemers die door de prijsstijgingen hun koopkracht zien teruglopen, gaan loonsverhogingen vragen die ten minste de inflatie compenseren. Voor zover deze verhogingen kunnen worden doorberekend in de prijzen van de eindproducten, komt de loon-prijsspiraal op gang. Kunnen ze niet worden doorberekend dan komen de winsten in de knel en lopen de investeringen van ondernemingen terug. Het is kommer en kwel. En dit allemaal omdat financiële koorddansers teveel risico's hebben genomen met als doel hun bonussen flink op te krikken.

link naar persbericht Jaarverslag DNB
Wrang, Economie voor jou, 21 januari 2008
ECB kan inflatie bijna niet aanpakken, 1 april 2008
Nout Wellink, President DNB

Jan Pleus
Goud heeft in onze maatschappij een magische betekenis. Een goed hart is van goud. Een beetje manager neemt afscheid met een gouden handdruk. En een gouden plak is het hoogst denkbare in de sport. Al moeten we ervoor naar Beijing. Maar jarenlang was goud bij beleggers uit de gratie. Nu is het gele metaal weer helemaal terug. Zoals de grafiek laat zien is de goudprijs vooral de afgelopen twee jaar explosief gestegen. De oude recordprijs van $ 850 per troy ounce (31,1 gram) die in 1980 werd geboekt is intussen ruimschoots overtroffen. In maart van dit jaar piekte het goud zelfs een paar keer boven de $ 1000. Voor die explosieve prijsstijging bestaan verschillende oorzaken.

Vooral in de Verenigde Staten is er een groeiende angst voor inflatie. Inflatie die vooral wordt veroorzaakt door stijgende grondstofprijzen (olie!). En beleggers hebben de indruk dat zij van de Federal Reserve Bank, de Amerikaanse centrale bank, in dit opzicht weinig goeds kunnen verwachten. De Fed lijkt zich meer zorgen te maken over de stagnerende Amerikaanse economie en de kredietcrisis dan over de oplopende inflatie. Al een aantal keren verlaagde de Bank de rente. En pompte zij miljarden in het systeem om wankele banken overeind te houden. Iets wat je nu juist niet moet dan als je de inflatie wilt afremmen. Risicomijdende beleggers gaan in zulke tijden op zoek naar een veilige haven. Zij beleggen in goud. Weliswaar levert zo'n belegging geen rente of dividend op, maar je kunt je er ook geen buil aan vallen... Dat laatste is overigens een misverstand. Wie bijvoorbeeld in 1980 zijn spaargeld zou hebben gestoken in goud ($ 850), zou daarmee hele slechte zaken hebben gedaan. In de jaren daarna kelderde de goudprijs tot iets meer dan $ 300. En ook bij het hoge prijsniveau van vandaag zou deze belegger nog steeds diep in de rode cijfers zitten. Rekening houdend met de inflatie tussen 1980 en nu, zou de goudprijs ruim $ 2000 per ounce moeten zijn. De goudprijs heeft de geldontwaarding dus bij lange na niet bijgehouden. Dan is er de mix van de Amerikaanse recessie, de vertrouwenscrisis in het financiële systeem, de lage rente, de kwakkelende aandelenmarkten en de zwakke dollar. Onzekerheid troef, niet alleen in de Verenigde Staten. Allemaal factoren die -net als de oplopende inflatie- de belegger doen uitwijken naar goud. Verder speelt de opkomst van een nieuwe groep kopers op deze markt, de zogenoemde exchange-traded funds (ETF's). Deze fondsen stellen kleine beleggers in staat op een gemakkelijke manier in goud te beleggen. Ook dat heeft de vraag naar goud gestimuleerd. Naar schatting hebben de ETF's bij elkaar zo'n 915 ton goud in portefeuille. Dat is meer dan de totale goudvoorraad van de Europese Centrale Bank.

Rolf Schöndorff
Een paar dagen terug kwam een van de grootste Amerikaanse zakenbanken zo in de problemen dat hij op verzoek van de centrale bank (de Fed) door een collegabank moest worden gered. Zou het met het verdampen van een kanjerbank als Bear Stearns zijn afgelopen? Reken er maar niet op.
Hoe werkt zo'n kredietcrisis? Stel je een bank voor met de volgende balans op een bepaald moment.
|
activa |
|
passiva |
|
|
kasgeld |
150 |
eigen vermogen |
400 |
|
waardepapieren |
650 |
vreemd vermogen |
|
|
|
|
kort |
200 |
|
|
|
lang |
200 |
|
totaal |
800 |
totaal |
800 |
De bank is behoorlijk solvabel: tegenover het van derden geleende vermogen (200 + 200) - het vreemd vermogen - staat precies evenveel eigen vermogen. Wie een vordering heeft op de bank, zoals bijvoorbeeld de klanten die er een rekening aanhouden, hoeft niet bang te zijn dat hij zijn geld niet terugziet. Wel kan er een liquiditeitsprobleem optreden als alle klanten tegelijk het geld van hun rekening komen halen. Dan staat er tegenover 200 kort vreemd vermogen maar 150 kasgeld. Maar daarvoor is geen enkele aanleiding zolang het vertrouwen bestaat dat de bank solvabel is. Zonodig kan de bank immers extra kasgeld aantrekken door te lenen van andere banken, waarbij de waardepapieren als zekerheid kunnen worden gebruikt.
Geen vuiltje aan de lucht totdat blijkt dat zich onder de waardepapieren stukken bevinden die niet betrouwbaar zijn. Bijvoorbeeld omdat er teveel hypotheken zijn gegeven aan mensen die hun verplichtingen niet kunnen nakomen. Financiële wizz-kids hebben producten bedacht met een zo aantrekkelijk rendement dat ze als warme broodjes over de toonbank gaan. Die producten zijn vaak zo ingewikkeld dat alleen echte ingewijden begrijpen hoe ze in elkaar zitten. Dezer dagen nog hoorden we de afscheid nemende bovenbaas van Aegon vertellen dat hij geen idee had hoe zo'n product werkt. Voor deze heer Shepherd was dit een signaal er niet mee in zee te gaan. Veel andere bankiers waren minder voorzichtig.
Stel dat er voor 300 moet worden afgeschreven op ‘voze' waardepapieren. Deze staan daarna voor 350 op de balans. De afschrijving is een verlies dat het eigen vermogen terugbrengt tot 400 - 300 = 100. Met als gevolg dat de solvabiliteit van 400/400 terugloopt naar 100/400. De verschaffers van vreemd vermogen beginnen zich nu achter de oren te krabben. Wil je bij deze bank nog wel klant zijn? Het vertrouwen valt weg. Het ergste wat een bank kan overkomen. Want daarna loopt het automatisch mis. Omdat sommige klanten weglopen, verdwijnt ook het vertrouwen bij andere klanten. Waardoor de liquiditeit van de bank weer verder vermindert. Enzovoort, de sneeuwbal gaat rollen. Een groot pensioenfonds dat onze bank een langlopende lening heeft verstrekt, vertrouwt het niet meer. Er is nu wel 300 afgeboekt, maar is dat genoeg? Zit er misschien nog meer rottigheid tussen die waardepapieren? Houd de bank informatie achter? Het pensioenfonds vraagt zijn lening terug. Om die te kunnen terugbetalen moet de bank ergens nieuw krediet zien te krijgen. Maar wie wil dat geven? Andere banken? Beleggingsfondsen? Het vertrouwen is over een breed front weggevallen. De centrale bank springt bij door het verstrekken van extra kredieten tegen een lagere rente. Maar er zijn grenzen. De centrale bank heeft als dilemma dat zij moet voorkomen dat het hele banksysteem in elkaar klapt. Aan de andere kant kun je banken die te grote risico's hebben genomen, niet blijven redden. Dat is een premie op roekeloos gedrag, moral hazard in het financieel jargon
De kettingreactie, het domino-effect stopt pas als alle lijken uit alle kasten zijn gevallen. Met andere woorden als de situatie zo transparant is geworden dat kredietverschaffers weer van elkaar op aan kunnen. Tot het zo ver is, kunnen we wachten is op de volgende bank...
Rolf
Schöndorff

Wat te denken van Cuba, nu el lider maximo Fidel Castro (81)
het presidentschap aan zijn broer Raúl (76) heeft overgedragen? Toen hij in 1959 aan de macht kwam regeerden in de VS Dwight Eisenhower, in het VK Harrold Macmillan en in de Sovjetunie Nikita Chroestjov.
De meeste commentaren zeggen dat we wel enige verandering mogen verwachten, maar niet veel en niet snel. Broer Raúl heeft een aantal liberaliseringen aangekondigd van de vastgelopen commando-economie, maar we moeten niet vergeten dat Fidel nog altijd secretaris van de Communistische Partij is. En de Partij bepaalt wat er wel en niet gebeurt.
Momenteel kun je Cuba een duale economie noemen. Aan de ene kant het autoritaire plansysteem volgens voormalig Sovjetmodel. Aan de andere kant zijn er sectoren, zoals het toerisme en wat daarmee samenhangt, die kapitalistische eilandjes vormen binnen dat plansysteem. Ook is er wat meer vrijheid gegeven aan mensen om kleine en middelgrote bedrijfjes zelfstandig te runnen. En jawel, sinds kort mogen ze zomaar een computer en een dvd-speler kopen. Het bestaan van die geliberaliseerde sectoren heeft twee effecten. Aan de ene kant zijn het proeftuinen van hoe het zou kunnen zijn als in de economie meer marktwerking wordt toegelaten. Aan de andere wordt de ongelijkheid van inkomens nog eens versterkt. Wie in een hotel volgens westers model werkt, kan in een dag aan fooien ontvangen wat een werknemer in het plansysteem in een maand verdient.
Eigenlijk is er nog een derde economie: de informele. De economie die zich onttrekt aan de officiële cijfers, maar die juist in arme landen als Cuba van grote betekenis is. Vooral in dat land, waar veel niet mag en er een grote kloof bestaat tussen officiële en niet officiële prijzen en koersen bloeit de informele handel.
Ja maar, hoor je vaak, Castro heeft toch maar mooi voor gratis gezondheidszorg en gratis onderwijs gezorgd. Dat is op zichzelf juist, maar de kwaliteit van beide is erbarmelijk. Toen de voormalige Sovjetunie, die Cuba hielp het hoofd boven water te houden, uit elkaar viel, was al snel het geld op. Tussen 1989 en 1993 kromp de economie met 35%. Tussen 1993 en 1996 is met een aantal liberaliseringen geëxperimenteerd. De laatste tijd steunt Hugo Chavez (Venezuela) de Cubaanse economie en ook China is actief. Cuba levert Venezuela 20.000 artsen, sporttrainers en veiligheidsmensen waarvoor Chavez betaalt met 92.000 vaten olie per dag en andere hulp ter waarde van 1,5 miljard dollar in 2007.
Verwacht wordt dat de Cubaanse economie zich zal gaan ontwikkelen naar Chinees model: ongebreideld kapitalisme maar dan wel met de Communistische Partij aan het roer.
Van nogal wat kanten wordt gepleit voor het opheffen van het handelsembargo dat de Verenigde Staten al in 1962 (Kennedy) heeft opgelegd. De VS heeft er politiek belang bij Cuba's ontwikkeling zoveel mogelijk af te knijpen. Een sterk communistisch land zo dicht bij huis brengt de veiligheid in gevaar. Aan de andere kant blokkeert het embargo de ontwikkeling van de economie en daarmee het stijgen van de levensstandaard en het toestromen van directe investeringen van het westen. Voor de miljoenen Cubanen die zich in een uitzichtloze toestand moeten proberen staande te houden mogen we hopen dat het allemaal niet te lang duurt voordat de economie tot bloei komt.

Wat te denken van Cuba, nu el lider maximo Fidel Castro (81)
het presidentschap aan zijn broer Raúl (76) heeft overgedragen? Toen hij in 1959 aan de macht kwam regeerden in de VS Dwight Eisenhower, in het VK Harrold Macmillan en in de Sovjetunie Nikita Chroestjov.
De meeste commentaren zeggen dat we wel enige verandering mogen verwachten, maar niet veel en niet snel. Broer Raúl heeft een aantal liberaliseringen aangekondigd van de vastgelopen commando-economie, maar we moeten niet vergeten dat Fidel nog altijd secretaris van de Communistische Partij is. En de Partij bepaalt wat er wel en niet gebeurt.
Momenteel kun je Cuba een duale economie noemen. Aan de ene kant het autoritaire plansysteem volgens voormalig Sovjetmodel. Aan de andere kant zijn er sectoren, zoals het toerisme en wat daarmee samenhangt, die kapitalistische eilandjes vormen binnen dat plansysteem. Ook is er wat meer vrijheid gegeven aan mensen om kleine en middelgrote bedrijfjes zelfstandig te runnen. En jawel, sinds kort mogen ze zomaar een computer en een dvd-speler kopen. Het bestaan van die geliberaliseerde sectoren heeft twee effecten. Aan de ene kant zijn het proeftuinen van hoe het zou kunnen zijn als in de economie meer marktwerking wordt toegelaten. Aan de andere wordt de ongelijkheid van inkomens nog eens versterkt. Wie in een hotel volgens westers model werkt, kan in een dag aan fooien ontvangen wat een werknemer in het plansysteem in een maand verdient.
Eigenlijk is er nog een derde economie: de informele. De economie die zich onttrekt aan de officiële cijfers, maar die juist in arme landen als Cuba van grote betekenis is. Vooral in dat land, waar veel niet mag en er een grote kloof bestaat tussen officiële en niet officiële prijzen en koersen bloeit de informele handel.
Ja maar, hoor je vaak, Castro heeft toch maar mooi voor gratis gezondheidszorg en gratis onderwijs gezorgd. Dat is op zichzelf juist, maar de kwaliteit van beide is erbarmelijk. Toen de voormalige Sovjetunie, die Cuba hielp het hoofd boven water te houden, uit elkaar viel, was al snel het geld op. Tussen 1989 en 1993 kromp de economie met 35%. Tussen 1993 en 1996 is met een aantal liberaliseringen geëxperimenteerd. De laatste tijd steunt Hugo Chavez (Venezuela) de Cubaanse economie en ook China is actief. Cuba levert Venezuela 20.000 artsen, sporttrainers en veiligheidsmensen waarvoor Chavez betaalt met 92.000 vaten olie per dag en andere hulp ter waarde van 1,5 miljard dollar in 2007.
Verwacht wordt dat de Cubaanse economie zich zal gaan ontwikkelen naar Chinees model: ongebreideld kapitalisme maar dan wel met de Communistische Partij aan het roer.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
Van nogal wat kanten wordt gepleit voor het opheffen van het handelsembargo dat de Verenigde Staten al in 1962 (Kennedy) heeft opgelegd. De VS heeft er politiek belang bij Cuba's ontwikkeling zoveel mogelijk af te knijpen. Een sterk communistisch land zo dicht bij huis brengt de veiligheid in gevaar. Aan de andere kant blokkeert het embargo de ontwikkeling van de economie en daarmee het stijgen van de levensstandaard en het toestromen van directe investeringen van het westen. Voor de miljoenen Cubanen die zich in een uitzichtloze toestand moeten proberen staande te houden mogen we hopen dat het allemaal niet te lang duurt voordat de economie tot bloei komt.
Jan Pleus

Biobrandstof is schoner in het gebruik dan benzine of diesel. Je krijgt er minder uitstoot van broeikasgas (CO2) door. Dus, stop biobenzine in je tank en je kunt met een min of meer gerust geweten achter het stuur blijven zitten... Daarom besloot de Europese Unie (EU) vorig jaar dat in 2020 10 procent van alle verbruikte transportbrandstof ‘groen' moest zijn. De biobrandstof zou dan aan de pomp gemengd worden aangeboden met fossiele benzine of diesel. Prima idee, leek het. Maar al gauw kwam de kritiek los.
Eind vorig jaar wees de internationale ontwikkelingsorganisatie Oxfam (waarvan ook onze Novib deel uitmaakt) op de kwalijke gevolgen die het EU-plan zou hebben voor ontwikkelingslanden. Biobrandstof wordt gewonnen uit gewassen als suikerriet (ethanol), soja, palmnoten, koolzaad en maïs (olie). De helft van de daarvoor benodigde landbouwgrond zal in Europa worden gevonden. De andere helft in landen als India, Brazilië, Zuidelijk Afrika en Indonesië. Volgens Oxfam zal de komende twintig jaar alles bij elkaar voor die toepassing een gebied worden vrijgemaakt dat tien keer zo groot is als Frankrijk. Tussen haakjes: niet alleen om in de Europese behoefte te voorzien. Die productie uitbreiding leidt tot ontbossing op grote schaal. De oorspronkelijke bewoners, waaronder de kleine boeren, worden verdreven van hun land. Volgens een schatting van de Verenigde Naties zou het daarbij gaan om 60 miljoen mensen. Daar komt nog bij dat de grotere productie van energiegewassen gaat ten koste van de voedselproductie. Met als gevolg flink hogere voedselprijzen op de wereldmarkt. Volgens Oxfam heeft de EU alleen gekeken naar de gunstige effecten van de biobrandstof voor het milieu en zijn de negatieve gevolgen over het hoofd gezien. Een beetje bedremmeld gaf de verantwoordelijke eurocommissaris Stavros Dimas (milieuzaken) daarop toe dat de milieudoelstelling niet ten koste mag gaan van de bevolking in de Derde Wereld.

En onlangs bleek zelfs de positieve invloed van biobrandstof op het milieu een fabeltje te zijn. Vorige maand publiceerde het Amerikaanse weekblad Science op zijn website een rapport van twee onderzoeksgroepen hierover. Uit het rapport blijkt dat grootschalige toepassing van biobrandstof het broeikaseffect niet vermindert, maar juist ernstig zal vergroten. Bij de ontginning van natuurgebieden, zoals tropisch regenwoud en savannen komt veel meer CO2 vrij, dan wordt bespaard door de toepassing van biobrandstof. In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij palm- en sojaolie, duurt het meer dan 300 jaar voordat het positieve milieueffect de overhand krijgt. Geen goed idee, dus...

Biobrandstof is schoner in het gebruik dan benzine of diesel. Je krijgt er minder uitstoot van broeikasgas (CO2) door. Dus, stop biobenzine in je tank en je kunt met een min of meer gerust geweten achter het stuur blijven zitten... Daarom besloot de Europese Unie (EU) vorig jaar dat in 2020 10 procent van alle verbruikte transportbrandstof ‘groen' moest zijn. De biobrandstof zou dan aan de pomp gemengd worden aangeboden met fossiele benzine of diesel. Prima idee, leek het. Maar al gauw kwam de kritiek los.
Eind vorig jaar wees de internationale ontwikkelingsorganisatie Oxfam (waarvan ook onze Novib deel uitmaakt) op de kwalijke gevolgen die het EU-plan zou hebben voor ontwikkelingslanden. Biobrandstof wordt gewonnen uit gewassen als suikerriet (ethanol), soja, palmnoten, koolzaad en maïs (olie). De helft van de daarvoor benodigde landbouwgrond zal in Europa worden gevonden. De andere helft in landen als India, Brazilië, Zuidelijk Afrika en Indonesië. Volgens Oxfam zal de komende twintig jaar alles bij elkaar voor die toepassing een gebied worden vrijgemaakt dat tien keer zo groot is als Frankrijk. Tussen haakjes: niet alleen om in de Europese behoefte te voorzien. Die productie uitbreiding leidt tot ontbossing op grote schaal. De oorspronkelijke bewoners, waaronder de kleine boeren, worden verdreven van hun land. Volgens een schatting van de Verenigde Naties zou het daarbij gaan om 60 miljoen mensen. Daar komt nog bij dat de grotere productie van energiegewassen gaat ten koste van de voedselproductie. Met als gevolg flink hogere voedselprijzen op de wereldmarkt. Volgens Oxfam heeft de EU alleen gekeken naar de gunstige effecten van de biobrandstof voor het milieu en zijn de negatieve gevolgen over het hoofd gezien. Een beetje bedremmeld gaf de verantwoordelijke eurocommissaris Stavros Dimas (milieuzaken) daarop toe dat de milieudoelstelling niet ten koste mag gaan van de bevolking in de Derde Wereld.

En onlangs bleek zelfs de positieve invloed van biobrandstof op het milieu een fabeltje te zijn. Vorige maand publiceerde het Amerikaanse weekblad Science op zijn website een rapport van twee onderzoeksgroepen hierover. Uit het rapport blijkt dat grootschalige toepassing van biobrandstof het broeikaseffect niet vermindert, maar juist ernstig zal vergroten. Bij de ontginning van natuurgebieden, zoals tropisch regenwoud en savannen komt veel meer CO2 vrij, dan wordt bespaard door de toepassing van biobrandstof. In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij palm- en sojaolie, duurt het meer dan 300 jaar voordat het positieve milieueffect de overhand krijgt. Geen goed idee, dus...
Rolf SchöndorffReclame is uit onze samenleving niet weg te denken. Soms geestig, af en toe spitsvondig, soms zelfs mooi. De branche biedt werkgelegenheid en inkomens aan tienduizenden mensen. En waarschijnlijk stimuleert zij hier en daar de verkopen, wat weer bijdraagt tot de productiegroei, wat goed is voor werkgelegenheid en inkomens in andere delen van de economie. Maar er is ook ergernis. Beperken we ons tot de tv-reclame, dan is er niet alleen de voortdurende ergernis aan het feit dat de reclameboodschappen op ongepaste ogenblikken een goed programma onderbreken, maar vooral ook dat ze op een hoger geluidsvolume de kijker/luisteraar bespringen. Dit ondanks herhaalde beloften hier iets aan te doen. En dan de timing van met name onsmakelijke reclame. Niet toevallig is de maaltijd prime-time.
Of je nu om 12, 1 of 2 uur of om 6, 7, of 8 uur aan tafel zit, er fietsen altijd wel een paar onsmakelijke reclameboodschappen over het scherm. Vroeger werd je getracteerd op de vleugeltjes van Allways maandverband en inlegkruisjes, tegenwoordig krijgt het darmkanaal en wat daarna komt volle aandacht. Wat je al niet tot je moet nemen om de spijsvertering te bevorderen. In veertien dagen een betere stoelgang met Activia huppeldepup. En dan vervolgens de Harpic toiletverfrisser, liefst met de plepot met vieze wanden op het scherm. Of wat te denken van die met bruine brokken verstopte gehoorgang, allemaal vol in beeld? Alsof dit niet genoeg is, wordt tegenwoordig te pas en te onpas onze aandacht gericht op de Sanibrouyeur. Een mooi woord voor poepvermaler, die het mogelijk maakt overal waar een waterleiding ligt je behoeften te doen. Zouden wij de reclameverdelers op de tv mogen vragen de inhoud wat aan de eettijden aan te passen? Er is een voor de hand liggende remedie: zet dat ding af als je eet. Ja dat zou inderdaad het beste zijn, maar je wil toch ook graag het nieuws horen, de beurs volgen of de wereld door zien draaien bij de onvolprezen Matthijs van Nieuwkerk.
Nog beter zou het zijn als de publieke omroep helemaal stopte met reclame op tv. Als we er van uit gaan dat een publieke omroep gewenst is en positieve effecten heeft op de samenleving, dan mag deze best aanspraak maken op een subsidie uit de algemene middelen. Reclameopbrengsten zijn dan niet nodig. Desnoods worden de riante salarissen van presentatoren wat aangepast. De kwaliteit kan omhoog omdat het niveau niet meer hoeft te zijn afgestemd op de (wan)smaak van de modale kijker.
Het consumentenprogramma Radar publiceert een top-10 van de meest irritante reclame en eenzelfde soort lijstje van de meest ergerlijke BN-er in een reclamespot. Als tegenhanger van de Gouden Leeuw reiken zij jaarlijks de Loden Leeuw uit. Het wachten is op een top-10 van de meest onsmakelijke reclame.
Jan Pleus

Foto: Jan Pleus
Boterbergen, melkplassen... Wie kent ze nog? Ruim twintig jaar geleden waren ze een heel gewoon verschijnsel in het Europese agrarische landschap. De zuiveloverschotten waren een gevolg van het verkwistende Europese landbouwbeleid. De Europese Unie (toen nog: Europese Gemeenschap) beschermde zijn melkveehouders met een minimumprijs. Een minimumprijs die hoger was dan de wereldmarktprijs. Wie zijn melk niet tegen tenminste die prijs kon verkopen, kon bij de Europese interventiebureaus aankloppen. Die waren bereid de melkoverschotten tegen de garantieprijs op te kopen. Om ze vervolgens in de vorm van boter of melkpoeder op te slaan. Voor de boeren waren de garantieprijzen een prikkel om hun productie nog verder op te voeren. Afzetproblemen waren er immers niet. Dwaasheid ten top!
Het gevolg was dat de overschotten hand over hand groeiden. Om daaraan een halt toe te roepen, werden in 1984 de melkquota ingesteld. Boeren mochten per jaar niet meer produceren dan het aan hen toegewezen maximum. Wie daar overheen ging kon op een boete rekenen, de superheffing. De maatregel had succes. De melkproductie werd teruggeschroefd en de Europese zuiveloverschotten verdwenen. De marktsituatie ziet er tegenwoordig heel anders uit. In de afgelopen twintig jaar is de wereldconsumptie van zuivel in vooral in de vorm van kaas, yoghurt en toetjes toegenomen. Sneller dan de zuivelproductie. Met als gevolg tekorten en fors gestegen zuivelprijzen. Dan zullen ze die melkquota intussen wel hebben afgeschaft, zou je zo zeggen. Of ten minste flink verruimd.
Maar zo werkt dat niet in Europa. Vorig jaar april stelde de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, voor de quota met een zuinige 2% op te hogen. Maar dat voorstel werd geblokkeerd door Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Finland. Duitsland bijvoorbeeld, wil verhinderen dat boeren in Sleeswijk Holstein hun melkproductie kunnen uitbreiden ten koste van de vaak kleine minder efficiënte bedrijven in Beieren. Frankrijk streeft naar spreiding van de melkproductie over het hele land. Het loslaten van de quota zou ertoe leiden dat de melkproductie zich vooral naar Normandië en Bretagne zou verplaatsen. De quota waren oorspronkelijk bedoeld om de overproductie van melk aan te pakken. Maar verschillende landen misbruiken ze tegenwoordig voor andere doeleinden. Een kortzichtige politiek waarvan niet alleen de Europese consument via hogere prijzen het slachtoffer is. Veel Nederlandse, Deense en Poolse boeren zouden maar wat graag voorzien in de gestegen zuivelvraag. Maar dat mogen ze niet. Intussen zien onze concurrenten op wereldmarkt, zoals de Verenigde Staten en Argentinië, hun kans schoon.

Foto: Jan Pleus
Boterbergen, melkplassen... Wie kent ze nog? Ruim twintig jaar geleden waren ze een heel gewoon verschijnsel in het Europese agrarische landschap. De zuiveloverschotten waren een gevolg van het verkwistende Europese landbouwbeleid. De Europese Unie (toen nog: Europese Gemeenschap) beschermde zijn melkveehouders met een minimumprijs. Een minimumprijs die hoger was dan de wereldmarktprijs. Wie zijn melk niet tegen tenminste die prijs kon verkopen, kon bij de Europese interventiebureaus aankloppen. Die waren bereid de melkoverschotten tegen de garantieprijs op te kopen. Om ze vervolgens in de vorm van boter of melkpoeder op te slaan. Voor de boeren waren de garantieprijzen een prikkel om hun productie nog verder op te voeren. Afzetproblemen waren er immers niet. Dwaasheid ten top!
Het gevolg was dat de overschotten hand over hand groeiden. Om daaraan een halt toe te roepen, werden in 1984 de melkquota ingesteld. Boeren mochten per jaar niet meer produceren dan het aan hen toegewezen maximum. Wie daar overheen ging kon op een boete rekenen, de superheffing. De maatregel had succes. De melkproductie werd teruggeschroefd en de Europese zuiveloverschotten verdwenen. De marktsituatie ziet er tegenwoordig heel anders uit. In de afgelopen twintig jaar is de wereldconsumptie van zuivel in vooral in de vorm van kaas, yoghurt en toetjes toegenomen. Sneller dan de zuivelproductie. Met als gevolg tekorten en fors gestegen zuivelprijzen. Dan zullen ze die melkquota intussen wel hebben afgeschaft, zou je zo zeggen. Of ten minste flink verruimd.
Maar zo werkt dat niet in Europa. Vorig jaar april stelde de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, voor de quota met een zuinige 2% op te hogen. Maar dat voorstel werd geblokkeerd door Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Finland. Duitsland bijvoorbeeld, wil verhinderen dat boeren in Sleeswijk Holstein hun melkproductie kunnen uitbreiden ten koste van de vaak kleine minder efficiënte bedrijven in Beieren. Frankrijk streeft naar spreiding van de melkproductie over het hele land. Het loslaten van de quota zou ertoe leiden dat de melkproductie zich vooral naar Normandië en Bretagne zou verplaatsen. De quota waren oorspronkelijk bedoeld om de overproductie van melk aan te pakken. Maar verschillende landen misbruiken ze tegenwoordig voor andere doeleinden. Een kortzichtige politiek waarvan niet alleen de Europese consument via hogere prijzen het slachtoffer is. Veel Nederlandse, Deense en Poolse boeren zouden maar wat graag voorzien in de gestegen zuivelvraag. Maar dat mogen ze niet. Intussen zien onze concurrenten op wereldmarkt, zoals de Verenigde Staten en Argentinië, hun kans schoon.


Rolf Schöndorff
De onderlinge afstemming van miljoenen dagelijkse beslissingen over produceren en consumeren in een economie wordt geregeld door een mengsel van vrije markt en overheidsingrijpen. In het ene land heeft de overheid de overhand, in het andere de markt. Frankrijk heeft een sterk gereguleerde economie. Niet voor niets spreekt men naar Jean-Baptiste Colbert (1619-1683), minister van Financiën van Lodewijk IV, van Colbertisme als de staat zich indringend met de economie bemoeit. Overigens zijn ook de jasjes die beide heren op de foto dragen naar hem genoemd.
De Franse overheid heeft veel vingers in de pap. Het bankwezen is vanouds nauw vervlochten met de ondernemingen. De ‘énarques', de stuk voor stuk briljante mannen (en een enkele vrouw) die zijn afgestudeerd aan de ‘Ecoles Nationales d'Aministration (ENA), zijn met evenveel gemak minister als bovenbaas van een groot bedrijf. En hun moeiteloos springen van overheidsbaan naar de particuliere sector en weer terug bevestigt nog eens de innige vervlechting van beide.
Al tientallen jaren verschijnen er in Frankrijk af een toe lijvige rapporten waarin onder andere gepleit wordt voor meer marktwerking. En met die rapporten gebeurt meestal niets of weinig. President Nicolas Sarkozy heeft vorig jaar augustus een commissie aan het werk gezet onder leiding van de topeconoom Jacques Attali. Deze was ooit adviseur van de socialistische president François Mitterand. Sarkozy zou aan Attali hebben beloofd dat hij alles zou overnemen waarmee de commissie naar buiten zou komen.
Eind januari verscheen ‘300 décisions pour changer la France'. De conclusie was helder: de Franse economie stagneert en loopt achter in een wereld die de krachtigste groeigolf aller tijden doormaakt. Alleen ingrijpende liberalisering kan de zaak vlot trekken. Het rapport pleit onder meer voor het opengooien van afgeschermde beroepen zoals apotheker en taxichauffeur, het afschaffen van de wet die het supermarkten verbiedt beneden de kostprijs te verkopen, het oprichten van tien superuniversiteiten (is al beleid), de afschaffing van de departementen, het inrichten van tien nieuwe ecologische steden en het lesgeven in economie op de basisschool. Fransen moeten vooral leren dat de toekomstige banen niet bij de overheid liggen en dat ondernemingen het zonder subsidies moeten kunnen doen.
Met dit plan, dat volgens Attali in zijn geheel (niet à la carte) moet worden overgenomen, kan de groei een punt hoger worden, gaat de werkloosheid van 8% naar 5%, daalt het aantal armen van 7 naar 3 miljoen en loopt de staatsschuld terug van 64% naar 55% van het bbp. Sarkozy staat achter het rapport, maar het afschaffen van de departementen en het dereguleren van de apothekers gaat hem te ver.
In Frankrijk is men benieuwd of de voortvarende Sarkozy de voorgestelde maatregelen echt gaat doorvoeren of dat het rapport als het zoveelste in de bureauladen verdwijnt.
Jan Pleus

Vanaf 2011 gaat het vrachtverkeer betalen per gereden kilometer. Een jaar later moeten de eigenaren van personenauto's eraan geloven. Dan gaan ook zij de kilometerheffing betalen. Tenminste, dat was de bedoeling van de minister van Verkeer en Waterstaat, Camiel Eurlings. Maar binnen het kabinet kan men het niet eens worden over het voorstel. Alsof het al niet lang genoeg heeft geduurd: uitstel dreigt. De kilometerheffing moet een belangrijk middel worden in de strijd tegen de files. Vracht- en personenauto's krijgen een kastje ingebouwd dat hun weggebruik registreert. De hoogte van de heffing hangt er van af waar en wanneer je op de weg zit. Als je je bijvoorbeeld in de Randstad waagt in de ochtend- of de avondspits betaal je daarvoor de (hoge) rekening. Daarnaast wordt het tarief nog bepaald door de milieuonvriendelijkheid van het voertuig. De bestuurder van een benzineslurpende Chrysler TrailBlazer wordt zwaarder aangeslagen dan degene die in een bescheiden Honda Civic rondtoert.
Tegelijkertijd met het invoeren van de kilometerheffing moeten de motorrijtuigenbelasting en de BPM-belasting (‘belasting op personenauto's en motorrijwielen', die je bij aankoop betaalt) worden afgeschaft. Niet het bezit, maar het gebruik van de auto moet worden belast. Dat doe je door de kosten van het autorijden zoveel mogelijk afhankelijk te maken van het aantal gereden kilometers. Hierdoor krijgt de automobilist een prikkel om minder te rijden. Alleen in de spits als het echt niet anders kan. En wat minder milieuverpestende kilometers.
Maar de regeringscoalitie is verdeeld over het voorstel. De PvdA en de ChristenUnie willen dat de BPM voor een deel blijft bestaan om de aankoop van zware en milieuvervuilende auto's af te remmen. Minster van Financiën Wouter Bos gaat zelfs nog verder. De BPM-belasting levert de schatkist jaarlijks zo'n 7 miljard euro op. Ongeveer de helft daarvan wordt besteed aan investeringen in de infrastructuur (wegen, bruggen enzovoort). In de plannen van Eurlings moet de volledige opbrengst van de kilometerheffing voor dat doel worden gebruikt. Bos voorziet dat met het schrappen van de BPM een miljardengat wordt geslagen in de rijksbegroting. Onaanvaardbaar, vindt hij. Het CDA, tenslotte, wil alleen akkoord gaan als de BPM helemaal verdwijnt. Kortom: uitstel.
De bezwaren tegen het afschaffen van de BPM lijken mij onjuist. Voor het aanpakken van milieuvervuilende auto's, zoals PvdA en ChristenUnie willen, hebben we geen BPM nodig. Dat kan ook door het kilometertarief ervoor op te schroeven. En ook het argument van Bos met betrekking tot het begrotingstekort klopt niet. Het voorstel van Eurlings zou zo kunnen worden aangepast dat een deel van de kilometerheffing ten goede blijft komen aan de algemene middelen van het Rijk. Mocht men toch van mening zijn dat er meer geld noodzakelijk is voor verbetering van de infrastructuur, ook dan hoeft het overheidstekort niet toe te nemen. Het kabinet kan de middelen ervoor vinden door op andere zaken te bezuinigen. Gewoon een kwestie van prioriteiten stellen dus.
Nike Europees Hoofdkwartier, Hilversum, 1999
Rolf Schöndorff
Hoe erg belast jouw levensstijl het milieu? Sinds Al Gore het milieu/klimaatvraagstuk op indringende manier heeft neergezet kun je bijna niemand meer tegenkomen zonder dat naar je kooldioxide footprint wordt geïnformeerd. Het is mooi dat dit ernstige probleem nu de broodnodige aandacht krijgt. Maar er wordt wel eens vergeten dat ene Eckart Wintzen, baas van BSO later samen met Philips in BSO/Origin, al in 1990 zijn eerste milieuverslag publiceerde. Daarin werd aangegeven hoe het bedrijf het milieu belastte door z'n gebruik van materialen, de reizen van het personeel etc. Intussen zijn bepaalde ondernemingen op grond van de Wet milieubeheer verplicht een duurzaamheidverslag te publiceren. Sommige andere doen het vrijwillig. Kortom de belangstelling voor milieu, klimaat en duurzaamheid is niet nieuw. Wel is het verheugend dat door zichtbare klimaatveranderingen en de bijpassende rampen en door de impact van Al Gore het publiek over een breed front wakker is geworden.
Dit neemt niet weg dat het radicaal anders moet volgens de auteurs van Cradle to Cradle, Remaking the Way We Make Things 2002, William McDonough en Michael Braungart. Streven naar minder afval is achterhaald. Daarmee blijft de mensheid zijn omgeving nog altijd opzadelen met enorme hoeveelheden rotzooi. Een systeem van productie dat wortelt in de Industriële Revolutie. We moeten onze producten zo gaan ontwerpen dat er bruikbaar of helemaal geen afval overblijft. Wat er overblijft bij de productie en na het verbruik zou of voedsel moeten zijn voor de biosfeer of een grondstof voor nieuwe producten.
McDonough en Braungart geven een beeldend voorbeeld. De totale biomassa van de wel achtduizend soorten mieren op aarde is vele malen groter dan die van de hele mensheid. Toch beschadigen zij met z'n allen de ecosystemen niet. Al miljoenen jaren zijn ze actief op een manier die de bodem juist verbetert, planten en dieren voedt. De mens heeft in een eeuw industrieel bezig zijn ongeveer elk ecosysteem op aarde schade toegebracht. Wij kunnen van mieren heel wat leren. Ondernemingen als Ford, Nike (zie hun Europees hoofdkwartier in Hilversum) en Volkswagen hebben de handschoen opgepakt. De gemeente Venlo wil zich met de Floriade in 2012 als katalysator op de kaart zetten als eerste C2C (cradletocradle)-regio in de wereld. Een werkend voorbeeld is er al: tuinder Joep Raemakers heeft een kas, zeven voetbalvelden groot, die per saldo energie oplevert. Hij slaat 's zomers warmte uit de kas op in het grondwater. 's Winters wordt dat water gebruikt om de kas te verwarmen. De rest wordt verkocht aan een dichtbij liggend zorgcentrum. En Raemakers is niet de enige die het licht gezien heeft. De Nederlandse tuinderij is beroemd om zijn innovatief vermogen. Zou het toch nog goed komen met het milieu?
Artikelen, links
Afval bestaat straks niet meer, 31 december 2007
Afval is voedsel, VPRO documentaire
Ken Shulman, Think Green, aug/sept 2001 op http://www.metropolismag.com/html/content_0801/mcd/index.html
Ford River Rouge Complex: http://www.mcdonoughpartners.com/projects/fordrouge/default.asp?projID=fordrouge
Jan Pleus

Op 28 januari kondigt George Bush in zijn state of the union- vergelijkbaar met onze Troonrede- een pakket maatregelen aan om te voorkomen dat de Amerikaanse economie verder in de versukkeling raakt. Gezinnen krijgen-afhankelijk van het aantal kinderen- een bedrag van maximaal $ 1.200 op hun rekening gestort. En ook het bedrijfsleven kan op een aantal douceurtjes rekenen. Al met al gaat het om een bedrag van ruim 145 miljard dollar, ofwel 1% van het Amerikaanse bruto binnenlands product. De bedoeling is dat gezinnen en bedrijven dat geld zo snel mogelijk besteden, waardoor de economie een ‘shot in the arm' krijgt, zoals de Amerikaanse president het zelf uitdrukte. Een stevige bestedingsimpuls die moet verhinderen dat de Verenigde Staten in een recessie belanden.
Met deze aanpak grijpt Bush terug op het gedachtegoed van de Britse econoom John Maynard Keynes (1883-1946). Keynes beredeneerde dat een economie zich niet vanzelf herstelt als hij in het slop raakt. Zowel consumenten als producenten houden in zo'n situatie de hand op de knip. De overheid zal dan met een bestedingsstimulerende politiek de productie weer op gang moeten brengen. De overheid moet een anticyclisch begrotingsbeleid voeren.
In de praktijk bleek de keynesiaanse aanpak niet altijd goed te werken. Het voornaamste bezwaar was dat zo'n bestedingsimpuls nogal eens te laat kwam. Nadat de overheid had vastgesteld dat er zo'n impuls moest komen, ging er geruime tijd voorbij voor de overheidsmaatregelen effect hadden. Intussen bleek de economie op eigen kracht al uit het dal te zijn gekrabbeld. Het overheidsbeleid versterkte die opgaande conjunctuur. Het anticyclisch bedoelde beleid werkte daarom eerder procyclisch. De conjunctuurbewegingen werden er juist heftiger door. Aanbodeconomen (ook wel: neoklassieken) en monetaristen hebben kritiek op de centrale rol die Keynes de overheid gaf. Zij hebben een groot vertrouwen in de evenwichtsherstellende werking van het marktmechanisme. Het ingrijpen van de overheid wordt door hen niet gezien als een mogelijke oplossing van het probleem, maar juist als het probleem zelf. Zij pleiten er dan ook voor dat markten zo soepel mogelijk hun werk kunnen doen. In de westerse industrielanden is het overheidsbeleid al zo'n jaar of veertig hierop gebaseerd. Ook in Nederland.
Dat Bush nu op de proppen komt met een ouderwetse keynesiaanse aanpak, wijst niet op een nieuw opgebloeid economisch inzicht. Het is een kwestie van politiek opportunisme. Hij beseft heel goed dat de wankele Amerikaanse economie een van de grootste zorgen is van de doorsnee Amerikaan. Met de verkiezingen op komst wil hij zijn economische daadkracht tonen. Dat het effect op den duur wel eens negatief zou kunnen uitpakken -denk aan toenemende inflatie en oplopende begrotingstekorten- neemt hij daarbij voor lief.

Op 28 januari kondigt George Bush in zijn state of the union- vergelijkbaar met onze Troonrede- een pakket maatregelen aan om te voorkomen dat de Amerikaanse economie verder in de versukkeling raakt. Gezinnen krijgen-afhankelijk van het aantal kinderen- een bedrag van maximaal $ 1.200 op hun rekening gestort. En ook het bedrijfsleven kan op een aantal douceurtjes rekenen. Al met al gaat het om een bedrag van ruim 145 miljard dollar, ofwel 1% van het Amerikaanse bruto binnenlands product. De bedoeling is dat gezinnen en bedrijven dat geld zo snel mogelijk besteden, waardoor de economie een ‘shot in the arm' krijgt, zoals de Amerikaanse president het zelf uitdrukte. Een stevige bestedingsimpuls die moet verhinderen dat de Verenigde Staten in een recessie belanden.
Met deze aanpak grijpt Bush terug op het gedachtegoed van de Britse econoom John Maynard Keynes (1883-1946). Keynes beredeneerde dat een economie zich niet vanzelf herstelt als hij in het slop raakt. Zowel consumenten als producenten houden in zo'n situatie de hand op de knip. De overheid zal dan met een bestedingsstimulerende politiek de productie weer op gang moeten brengen. De overheid moet een anticyclisch begrotingsbeleid voeren.
In de praktijk bleek de keynesiaanse aanpak niet altijd goed te werken. Het voornaamste bezwaar was dat zo'n bestedingsimpuls nogal eens te laat kwam. Nadat de overheid had vastgesteld dat er zo'n impuls moest komen, ging er geruime tijd voorbij voor de overheidsmaatregelen effect hadden. Intussen bleek de economie op eigen kracht al uit het dal te zijn gekrabbeld. Het overheidsbeleid versterkte die opgaande conjunctuur. Het anticyclisch bedoelde beleid werkte daarom eerder procyclisch. De conjunctuurbewegingen werden er juist heftiger door. Aanbodeconomen (ook wel: neoklassieken) en monetaristen hebben kritiek op de centrale rol die Keynes de overheid gaf. Zij hebben een groot vertrouwen in de evenwichtsherstellende werking van het marktmechanisme. Het ingrijpen van de overheid wordt door hen niet gezien als een mogelijke oplossing van het probleem, maar juist als het probleem zelf. Zij pleiten er dan ook voor dat markten zo soepel mogelijk hun werk kunnen doen. In de westerse industrielanden is het overheidsbeleid al zo'n jaar of veertig hierop gebaseerd. Ook in Nederland.
Dat Bush nu op de proppen komt met een ouderwetse keynesiaanse aanpak, wijst niet op een nieuw opgebloeid economisch inzicht. Het is een kwestie van politiek opportunisme. Hij beseft heel goed dat de wankele Amerikaanse economie een van de grootste zorgen is van de doorsnee Amerikaan. Met de verkiezingen op komst wil hij zijn economische daadkracht tonen. Dat het effect op den duur wel eens negatief zou kunnen uitpakken -denk aan toenemende inflatie en oplopende begrotingstekorten- neemt hij daarbij voor lief.
Rolf Schöndorff
Tot voor kort zagen we op RTL-7
advertenties die ons verlokten te beleggen in Half november is aangifte gedaan van beleggingsfraude. Op 22 januari deed de fiscale opsporingsdienst FIOD/ECD een inval. Helaas, tot op heden 24 januari 2008, ziet deze waakzame belegger ook onder het kopje Waarschuwingen bij de AFM niets over Palm Invest. Dit terwijl deze belegging de laatste maanden toch ruimschoots in opspraak is gekomen.
Wat niet minder verbaast is het feit dat tot voor kort, terwijl de media al wekenlang gonsden van de geruchten, RTL-7 door bleef gaan met het vertonen van de reclamespots voor dit project. Zijn de Chinese Walls tussen redactie en advertentieafdeling daar zo hoog dat men reclame kan blijven maken voor een onderneming waarvan de betrouwbaarheid over een breed front in twijfel wordt getrokken?
Artikelen
ABN Amro dumpt Palm Invest, 8 december 2007
Aangifte tegen belegger Palm Invest, 17 november 2007
Rolf Schöndorff
In Amerika geven gezinnen en bedrijven al jaren lang meer uit da
n ze verdienen. En de
overheid
doet hetzelfde: de uitgaven zijn groter dan de
ontvangsten, niet in de laatste plaats door dollarslurpende
operaties in Irak en Afghanistan. Wie meer uitgeeft dan er
binnenkomt, moet lenen, anders is het al snel einde oefening. In
het geval van de VS kwam het krediet van twee kanten. Vanuit het
buitenland waren China en Japan bereid de VS op grote schaal
krediet te geven. Zo werd Amerika de grootste debiteur in de wereld
en China de grootste crediteur.
In het binnenland stimuleerde de toenmalige baas van het centralebanken systeem, de Fed, Alan Greenspan, de particuliere banken grote hoeveelheden krediet te verstrekken. Hij verlaagde een groot aantal keren de rente om te voorkomen dat er een tekort aan financieringsmiddelen was waardoor de economie zou opdrogen. Die grote bel goedkoop krediet is onder meer de basis voor de hypotheekcrisis die op het ogenblik in de VS slachtoffers maakt. Banken verkochten vaak op agressieve manier hypotheken aan gezinnen die de betaalcapaciteit van die gezinnen ver te boven gingen. Op een gegeven moment konden ze niet aan hun verplichtingen voldoen en begon het kaartenhuis in te storten. Huizen moesten gedwongen worden verkocht, wat de huizenmarkt een knauw gaf. Banken kwamen in de problemen omdat ze veel slechte leningen hadden uitstaan. Ze wisten van elkaar niet tot hoever ze in het moeras zaten en het onderling vertrouwen viel weg. Hierdoor wilden banken elkaar geen kredieten meer geven, in normale tijden de gewoonste zaak van de wereld. De centrale bank moest met tientallen miljarden bijspringen om tijdelijke liquiditeitsproblemen van banken te overbruggen. Tot dusver is het met kunst- en vliegwerk gelukt de banken overeind te houden. Dat wil zeggen dat ze tot dusver klanten die om geld vragen kunnen uitbetalen.
Stapje voor stapje wordt intussen helderder hoe bepaalde banken er voor staan. Grote banken als Citigroup en Merrill Lynch hebben tientallen miljarden dollars moeten afboeken op slechte leningen. Het wrange is, dat ze nu in het Midden Oosten en Azië met de pet moeten rond gaan om liquiditeiten bij elkaar te halen. Op 15 januari hebben Singapore, Koeweit en Zuid-Korea aan Citigroup en Merrill Lynch voor 21 miljard dollar krediet verstrekt. So what? kun je zeggen, de financiële markten doen het dus goed. Het geld stroomt van landen die er voldoende van hebben naar landen die tekort komen. Correct, maar op de achtergrond spelen geopolitieke zorgen. Het westen was juist bezig zich wat de energievoorziening betreft minder afhankelijk te maken van China, Rusland en de Arabische staten. En nu hebben deze de VS in de krediettang. Het is nog maar kort geleden dat Amerikaanse politici protesteerden toen Arabieren Amerikaanse havens wilden opkopen en Chinezen Amerikaanse oliemaatschappijen.
In Amerika geven gezinnen en bedrijven al jaren lang meer uit da
n ze verdienen. En de
overheidIn het binnenland stimuleerde de toenmalige baas van het centralebanken systeem, de Fed, Alan Greenspan, de particuliere banken grote hoeveelheden krediet te verstrekken. Hij verlaagde een groot aantal keren de rente om te voorkomen dat er een tekort aan financieringsmiddelen was waardoor de economie zou opdrogen. Die grote bel goedkoop krediet is onder meer de basis voor de hypotheekcrisis die op het ogenblik in de VS slachtoffers maakt. Banken verkochten vaak op agressieve manier hypotheken aan gezinnen die de betaalcapaciteit van die gezinnen ver te boven gingen. Op een gegeven moment konden ze niet aan hun verplichtingen voldoen en begon het kaartenhuis in te storten. Huizen moesten gedwongen worden verkocht, wat de huizenmarkt een knauw gaf. Banken kwamen in de problemen omdat ze veel slechte leningen hadden uitstaan. Ze wisten van elkaar niet tot hoever ze in het moeras zaten en het onderling vertrouwen viel weg. Hierdoor wilden banken elkaar geen kredieten meer geven, in normale tijden de gewoonste zaak van de wereld. De centrale bank moest met tientallen miljarden bijspringen om tijdelijke liquiditeitsproblemen van banken te overbruggen. Tot dusver is het met kunst- en vliegwerk gelukt de banken overeind te houden. Dat wil zeggen dat ze tot dusver klanten die om geld vragen kunnen uitbetalen.
Stapje voor stapje wordt intussen helderder hoe bepaalde banken er voor staan. Grote banken als Citigroup en Merrill Lynch hebben tientallen miljarden dollars moeten afboeken op slechte leningen. Het wrange is, dat ze nu in het Midden Oosten en Azië met de pet moeten rond gaan om liquiditeiten bij elkaar te halen. Op 15 januari hebben Singapore, Koeweit en Zuid-Korea aan Citigroup en Merrill Lynch voor 21 miljard dollar krediet verstrekt. So what? kun je zeggen, de financiële markten doen het dus goed. Het geld stroomt van landen die er voldoende van hebben naar landen die tekort komen. Correct, maar op de achtergrond spelen geopolitieke zorgen. Het westen was juist bezig zich wat de energievoorziening betreft minder afhankelijk te maken van China, Rusland en de Arabische staten. En nu hebben deze de VS in de krediettang. Het is nog maar kort geleden dat Amerikaanse politici protesteerden toen Arabieren Amerikaanse havens wilden opkopen en Chinezen Amerikaanse oliemaatschappijen.
Jan Pleus

Hoe krijg je ouders zo ver dat ze hun kind op tijd van de crèche halen? Een vergadering die wat uitloopt. Nog even snel een paar noodzakelijke boodschappen doen. Onverwacht sukkelen in de file. Sorry dat ik een beetje aan de late kant ben... Makkelijk gezegd. Maar de mensen van de kinderopvang zijn die smoesjes spuugzat. Er gaat geen dag voorbij of ze moeten (onbetaald) blijven doorwerken tot de laatste pa of ma zich heeft gemeld. Dat moet maar eens afgelopen zijn, hebben zij bedacht. Wie niet horen wil, die moet maar voelen. Daarom hebben directies van crèches en peuterspeelzalen onlangs besloten geldstraffen te gaan uitdelen. Veel kinderdagverblijven presenteren sinds kort de te laat komende ouders de rekening daarvoor. De gebruikelijke boete is 25 euro per keer. Dat zal ze afleren.
Economen zijn in het algemeen wel te porren voor dit soort oplossingen. Geef mensen een financiële prikkel en ze passen hun gedrag aan. Onze economie is ervan vergeven. Subsidies om scholieren naar het hoger onderwijs te lokken. Of om forensen ertoe te bewegen de auto te laten staan en voor het openbaar vervoer te kiezen. Kostprijsverhogende belastingen om onze drink- en rookgewoonten te veranderen. Maar in de praktijk blijken die prikkels vaak toch niet zo goed te werken.

Toen ik het verhaal over de crèches hoorde, moest ik denken aan een erg aardig boekje dat ik zo'n anderhalf jaar geleden las: Freakonomics van Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Levitt en Dubner behandelen tal van prikkelende onderwerpen. Ik noem er enkele. Waarom blijven de meeste drugdealers bij hun ouders wonen? Leidt een meer liberale abortuswetgeving op den duur tot lagere misdaadcijfers? Waarom zakt de waarde van een auto zo enorm zodra hij uit de showroom van de dealer is? En waarom boetes ervoor zorgen dat meer ouders zich te laat bij de kinderopvang melden.
Een peuterspeelzaal in Haifa (Israel) voerde op advies van twee economen een boetesysteem in om ouders te bewegen hun kroost op tijd af te halen. Maar, wat bleek? Het aantal ouders dat te laat kwam daalde niet. Het steeg juist. Voordat de boetes golden, hadden ouders een morele prikkel om niet te laat te komen. Je voelt je toch een beetje ongemakkelijk als je voor de zoveelste keer... Die morele prikkel was nu vervangen door een financiële. Maar voor veel ouders bleek de boete een prikkel ze zijn om het juist minder nauw te nemen met de afhaaltijd. De boete werd door hen gezien als een vergoeding voor de veroorzaakte overlast. Ze kochten er hun schuldgevoel mee af. De Nederlandse kinderopvang kan hieruit een les trekken. Als 25 euro per overtreding niet blijkt te werken, maak er dan 50 euro van. Of laat ‘veelplegers' een steeds hogere boete betalen.

Hoe krijg je ouders zo ver dat ze hun kind op tijd van de crèche halen? Een vergadering die wat uitloopt. Nog even snel een paar noodzakelijke boodschappen doen. Onverwacht sukkelen in de file. Sorry dat ik een beetje aan de late kant ben... Makkelijk gezegd. Maar de mensen van de kinderopvang zijn die smoesjes spuugzat. Er gaat geen dag voorbij of ze moeten (onbetaald) blijven doorwerken tot de laatste pa of ma zich heeft gemeld. Dat moet maar eens afgelopen zijn, hebben zij bedacht. Wie niet horen wil, die moet maar voelen. Daarom hebben directies van crèches en peuterspeelzalen onlangs besloten geldstraffen te gaan uitdelen. Veel kinderdagverblijven presenteren sinds kort de te laat komende ouders de rekening daarvoor. De gebruikelijke boete is 25 euro per keer. Dat zal ze afleren.
Economen zijn in het algemeen wel te porren voor dit soort oplossingen. Geef mensen een financiële prikkel en ze passen hun gedrag aan. Onze economie is ervan vergeven. Subsidies om scholieren naar het hoger onderwijs te lokken. Of om forensen ertoe te bewegen de auto te laten staan en voor het openbaar vervoer te kiezen. Kostprijsverhogende belastingen om onze drink- en rookgewoonten te veranderen. Maar in de praktijk blijken die prikkels vaak toch niet zo goed te werken.

Toen ik het verhaal over de crèches hoorde, moest ik denken aan een erg aardig boekje dat ik zo'n anderhalf jaar geleden las: Freakonomics van Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Levitt en Dubner behandelen tal van prikkelende onderwerpen. Ik noem er enkele. Waarom blijven de meeste drugdealers bij hun ouders wonen? Leidt een meer liberale abortuswetgeving op den duur tot lagere misdaadcijfers? Waarom zakt de waarde van een auto zo enorm zodra hij uit de showroom van de dealer is? En waarom boetes ervoor zorgen dat meer ouders zich te laat bij de kinderopvang melden.
Een peuterspeelzaal in Haifa (Israel) voerde op advies van twee economen een boetesysteem in om ouders te bewegen hun kroost op tijd af te halen. Maar, wat bleek? Het aantal ouders dat te laat kwam daalde niet. Het steeg juist. Voordat de boetes golden, hadden ouders een morele prikkel om niet te laat te komen. Je voelt je toch een beetje ongemakkelijk als je voor de zoveelste keer... Die morele prikkel was nu vervangen door een financiële. Maar voor veel ouders bleek de boete een prikkel ze zijn om het juist minder nauw te nemen met de afhaaltijd. De boete werd door hen gezien als een vergoeding voor de veroorzaakte overlast. Ze kochten er hun schuldgevoel mee af. De Nederlandse kinderopvang kan hieruit een les trekken. Als 25 euro per overtreding niet blijkt te werken, maak er dan 50 euro van. Of laat ‘veelplegers' een steeds hogere boete betalen.
Rolf Schöndorff
Wie ook maar een beetje belangstelling heeft voor de geschiedenis van Europa, kijkt tegenwoordig zondagavond naar ‘In Europa'. Op Nederland 2 zendt de VPRO de tv bewerking van de gelijknamige dikke pil van Geert Mak uit. De afleveringen over de jaren 1915 tot en met 1917 betrekken ons bij dieptepunten in de verwoestende eerste wereldoorlog (1914-1918). ‘La grande guerre' zoals de Fransen hem noemen. Indrukwekkend. Vooral ook doordat Mak het persoonlijk leed, de ‘petite histoire' van het oorlogsgeweld zo indringend laat zien. Vaak verteld door intussen al heel oude zonen en dochters van de strijders van toen. Zoals we weten hebben de Duitsers het niet bij die ene oorlog gelaten en hebben ze rond 1940 een tweede wereldoorlog ontketend. Volgens nogal wat deskundigen werd de basis daarvoor al gelegd bij de vrede van Versailles (1918), toen Duitsland zulke zware herstelbetalingen kreeg opgelegd dat daaruit weinig goeds kon voorkomen. De beroemde econoom John Maynard Keynes (1883-1946), destijds werkzaam bij het Britse ministerie van Financiën, waarschuwde in zijn ‘The Economic Consequences of the Peace'(1919) voor een nieuwe oorlog waarbij '14-'18 zou verbleken. Zijn voorspelling is helaas uitgekomen.
Intussen is 1945 meer dan zestig jaar geleden. Wie na 1945 is geboren, kent het verschijnsel oorlog alleen uit de verte. Behalve de jongens en meisjes die als militair zijn uitgezonden en hun familie. Deze langdurige periode zonder oorlogsgeweld hebben we te danken aan een slim idee van de Fransman Jean Monet (1888-1979). Monet stelde in 1950 voor aan de minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman (1886-1963) om de zware industrieën (kolen en staal) van Duitsland en Frankrijk zo met elkaar te vervlechten dat geen van beide nog een kanon kon gieten zonder dat de ander het zou merken. Op 18 april 1951 werd het Verdrag van Parijs getekend tussen België, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland en West- Duitsland. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) die hierbij opgericht werd kwam tot stand op 23 juli 1952. In 1957 werd deze uitgebreid tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG), wat later de Europese Unie (EU) zou worden.
Europa is dus niet zo maar een plannetje van een aantal landen om de onderlinge handel te bevorderen. Europa is ontstaan uit de bittere noodzaak om conflicten tussen Duitsland en Frankrijk uit de wereld te helpen. Het is verre van perfect, vooral het democratisch gehalte laat te wensen over. Er is veel verspilling en het landbouwbeleid is hoewel het is verbeterd, dankzij het mondiale tekort aan landbouwproducten, nog steeds een blamage. Maar het heeft ons behalve rijkdom ook vrede gegeven. Ook daarom is voor alle Eurocritici, -sceptici en -mopperaars ‘In Europa' verplichte kost.
Bekijk ook:
http://geschiedenis.vpro.nl/gids
http://weblogs.vpro.nl/ineuropa
http://weblogs.vpro.nl/ineuropa/category/geert-mak-podcast

Wie ook maar een beetje belangstelling heeft voor de geschiedenis van Europa, kijkt tegenwoordig zondagavond naar ‘In Europa'. Op Nederland 2 zendt de VPRO de tv bewerking van de gelijknamige dikke pil van Geert Mak uit. De afleveringen over de jaren 1915 tot en met 1917 betrekken ons bij dieptepunten in de verwoestende eerste wereldoorlog (1914-1918). ‘La grande guerre' zoals de Fransen hem noemen. Indrukwekkend. Vooral ook doordat Mak het persoonlijk leed, de ‘petite histoire' van het oorlogsgeweld zo indringend laat zien. Vaak verteld door intussen al heel oude zonen en dochters van de strijders van toen. Zoals we weten hebben de Duitsers het niet bij die ene oorlog gelaten en hebben ze rond 1940 een tweede wereldoorlog ontketend. Volgens nogal wat deskundigen werd de basis daarvoor al gelegd bij de vrede van Versailles (1918), toen Duitsland zulke zware herstelbetalingen kreeg opgelegd dat daaruit weinig goeds kon voorkomen. De beroemde econoom John Maynard Keynes (1883-1946), destijds werkzaam bij het Britse ministerie van Financiën, waarschuwde in zijn ‘The Economic Consequences of the Peace'(1919) voor een nieuwe oorlog waarbij '14-'18 zou verbleken. Zijn voorspelling is helaas uitgekomen.
Intussen is 1945 meer dan zestig jaar geleden. Wie na 1945 is geboren, kent het verschijnsel oorlog alleen uit de verte. Behalve de jongens en meisjes die als militair zijn uitgezonden en hun familie. Deze langdurige periode zonder oorlogsgeweld hebben we te danken aan een slim idee van de Fransman Jean Monet (1888-1979). Monet stelde in 1950 voor aan de minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman (1886-1963) om de zware industrieën (kolen en staal) van Duitsland en Frankrijk zo met elkaar te vervlechten dat geen van beide nog een kanon kon gieten zonder dat de ander het zou merken. Op 18 april 1951 werd het Verdrag van Parijs getekend tussen België, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland en West- Duitsland. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) die hierbij opgericht werd kwam tot stand op 23 juli 1952. In 1957 werd deze uitgebreid tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG), wat later de Europese Unie (EU) zou worden.
Europa is dus niet zo maar een plannetje van een aantal landen om de onderlinge handel te bevorderen. Europa is ontstaan uit de bittere noodzaak om conflicten tussen Duitsland en Frankrijk uit de wereld te helpen. Het is verre van perfect, vooral het democratisch gehalte laat te wensen over. Er is veel verspilling en het landbouwbeleid is hoewel het is verbeterd, dankzij het mondiale tekort aan landbouwproducten, nog steeds een blamage. Maar het heeft ons behalve rijkdom ook vrede gegeven. Ook daarom is voor alle Eurocritici, -sceptici en -mopperaars ‘In Europa' verplichte kost.
Bekijk ook:
http://geschiedenis.vpro.nl/gids
http://weblogs.vpro.nl/ineuropa
http://weblogs.vpro.nl/ineuropa/category/geert-mak-podcast

Jan Pleus
Het gaat nog steeds goed met de Nederlandse conjunctuur. Dat blijkt uit de Conjunctuurklok die op de site van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kan worden bekeken.
|
|
- 1 de werkelijke waarde is beter dan de trend en hij verbetert verder (het vlak rechtsboven);
- 2 de werkelijke waarde is beter dan de trend, maar hij verslechtert (linksboven);
- 3 de werkelijke waarde is slechter dan de trend en hij verslechtert nog verder (linksonder) en
- 4 de werkelijke waarde is slechter dan de trend, maar hij verbetert (rechtsonder)

Figuur 1 De conjunctuurklok op 21 december 2007 (bron: CBS)

Figuur 2 De conjunctuurklok op 21 november 2007 (Bron: CBS)
In een periode van hoogconjunctuur zitten bijna alle de indicatoren boven hun trendwaarde en laten ze een steeds zonniger beeld zien. We zitten dan dus rechtsboven op de wijzerplaat. Maar vroeg of laat komt de klad erin. De conjunctuur slaat om. We schuiven door naar linksboven. De klok draait dus counterclockwise. Echt vervelend wordt het in de neergang of in het ergst geval zelfs de recessie (linksonder). Rechtsonder breekt de conjuncturele lente weer aan. Met het bekijken van zo'n momentopname schiet je overigens weinig op. Om zicht te krijgen op de ontwikkeling van de conjunctuur, moet je de informatie van nu vergelijken met die van een eerdere periode. Dat kan met deze klok. Je kunt het geheel laten bewegen voor een zelf te kiezen periode. Zelfs het tempo van de beweging kun je zelf instellen (zie de gebruiksaanwijzing hieronder). Figuur 1 laat zien dat alle indicatoren op 21 december bovengemiddeld presteren. Maar vijf van de 15 zitten al in het vlak linksboven. In vergelijking met de vorige maand (figuur 2) zijn er een paar verschuivingen. Positief is dat de rente nu weer rechtsboven in de wijzerplaat zit (een rentedaling). Maar negatief is dat de orderportefeuille van bedrijven is opgeschoven naar linksboven. Een andere opvallende verandering is de verminderde groei van de industriële productie. Al met al lijkt het erop de 2008 een minder uitbundige conjunctuur zal kennen dan de twee jaren die achter ons liggen.
Hoe bereik ik de conjunctuurklok op de CBS-site: Ga met internet explorer (jammer genoeg werkt de klok nog steeds niet met de veel gebruikte internetbrowser Firefox) naar: http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/dossiers/conjunctuur/publicaties/conjunctuurbericht/klok/ck-homepage.htm (het kan zijn dat je eerst nog de svg viewer moet downloaden) Klik in de grafiek met de rechtermuisknop en kies view svg, dan verschijnt hij groot en manipuleerbaar
Rolf Schöndorff


Bernanke (Fed) ......................................Trichet (ECB)
Van alle kanten klinken de waarschuwingen dat het de komende periode minder gaat. De groei van inkomen en productie daalt. En als het echt tegen zit komen we in een recessie terecht. Dat is allemaal de schuld van de Amerikaanse kredietcrisis. Daar hebben hypotheekbanken een deel van hun klanten meer krediet gegeven dan deze konden dragen, de subprime kredieten. Mensen met relatieve lage inkomens werden gelokt grote schulden aan te gaan. Toen later die hypotheekrentes verhoogd werden kwamen ze in de problemen. Bovendien hadden de hypotheekbanken het verstrekte krediet weer geleend bij collega's, enzovoort. Zo ontstond een riskant bouwwerk. Als daarbij een van de kredietgevers in de problemen komt, omdat klanten niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen, ontstaat al snel een kettingreactie van formaat. Banken geven elkaar geen krediet meer - wat in normale omstandigheden de gewoonste zaak van de wereld is - omdat ze elkaar niet meer vertrouwen. De Amerikaanse centrale bank, de Fed, heeft al een paar keer moeten bijspringen en miljarden geleend aan banken die in de knel kwamen. Na een tijdje besmette de kredietziekte ook de rest van de wereld . De financiële markten zijn nauw met elkaar verbonden. Het laatste nieuws is dat de Europese Centrale Bank (ECB) de banken onbeperkt krediet verleent voor een aantal weken. Het moet begin januari weer worden terugbetaald. Er is voor 350 miljard gebruik van gemaakt. Een niet eerder vertoonde transfusie, waar voor een ongekend bedrag gebruik van is gemaakt. Dit laat zien hoe ernstig de crisis is.
De vraag is nu of en hoe de financiële crisis doorwerkt in de reële economie, waar het gaat om productie, consumptie, investeren, werk en werkloosheid. Sleutelwoord is ook hier ‘vertrouwen'. Als mensen de aflossing en rente over hun hypotheek niet kunnen betalen, wordt hun huis verkocht. Dit vrij plotselinge aanbod op de woningmarkt laat daar de prijzen zakken. Mensen zien de waarde van hun bezit, hun vermogen, teruglopen. Men voelt zich armer wat minder besteden tot gevolg heeft. Bovendien is onzeker hoever de kredietcrisis om zich heen zal grijpen. En ook dat beschadigt hun koopbereidheid. Het consumentenvertrouwen zakt in. Het feit dat de Fed onlangs de rente verlaagde om krediet goedkoper te maken en daarmee de economie te stimuleren heeft een onbedoeld bijeffect. Mensen gaan denken dat het wel flink mis moet zijn als de Fed de rente verlaagt in een periode dat een verhoging meer voor de hand ligt. Voor de inzakkende dollar zou immers een verhoging beter zijn. Een extra tik voor het vertrouwen. Daar komt dan de recente enorme geldinjectie van de ECB bij. Goed voor de liquiditeit, niet voor het vertrouwen.
Op de effectenbeurzen dalen de koersen, omdat de beurs onheil verwacht. Ook daardoor wordt aan het vermogen geknaagd. Mensen worden voorzichtiger met inkopen, producenten gaan minder produceren, de winsten komen onder druk, er wordt minder geïnvesteerd, er vallen ontslagen, de werkloosheid loopt op. En als dit een tijdje doorzet, zitten we in een recessie. Zoals in de afgelopen jaren de stijgende beurskoersen en huizenprijzen de bestedingen stimuleerden, zo zien we nu het omgekeerde gebeuren.
De diepte van de terugval, de ernst en de duur van de recessie hangen af van de bekwaamheid waarmee centrale banken en regeringen reageren. De miljarden die nu in het systeem worden gepompt lossen de acute crisis op, maar leggen tegelijk de basis voor een flinke inflatie in de nabije toekomst. Een economie sturen is een buitengewoon lastig vak.
Artikelen
Optimisme over 2008 ondanks, kredietcrisis, 23 december 2007
Goldman Sachs verdient miljarden aan kredietcrisis, 14 december 2007
Wellink: tweede crisisgolf lijkt erger, 14 december 2007
Centrale banken in actie tegen crisis, 13 december 2007
Bankenactie is een angstsignaal, 13 december 2007


Bernanke (Fed) ......................................Trichet (ECB)
Van alle kanten klinken de waarschuwingen dat het de komende periode minder gaat. De groei van inkomen en productie daalt. En als het echt tegen zit komen we in een recessie terecht. Dat is allemaal de schuld van de Amerikaanse kredietcrisis. Daar hebben hypotheekbanken een deel van hun klanten meer krediet gegeven dan deze konden dragen, de subprime kredieten. Mensen met relatieve lage inkomens werden gelokt grote schulden aan te gaan. Toen later die hypotheekrentes verhoogd werden kwamen ze in de problemen. Bovendien hadden de hypotheekbanken het verstrekte krediet weer geleend bij collega's, enzovoort. Zo ontstond een riskant bouwwerk. Als daarbij een van de kredietgevers in de problemen komt, omdat klanten niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen, ontstaat al snel een kettingreactie van formaat. Banken geven elkaar geen krediet meer - wat in normale omstandigheden de gewoonste zaak van de wereld is - omdat ze elkaar niet meer vertrouwen. De Amerikaanse centrale bank, de Fed, heeft al een paar keer moeten bijspringen en miljarden geleend aan banken die in de knel kwamen. Na een tijdje besmette de kredietziekte ook de rest van de wereld . De financiële markten zijn nauw met elkaar verbonden. Het laatste nieuws is dat de Europese Centrale Bank (ECB) de banken onbeperkt krediet verleent voor een aantal weken. Het moet begin januari weer worden terugbetaald. Er is voor 350 miljard gebruik van gemaakt. Een niet eerder vertoonde transfusie, waar voor een ongekend bedrag gebruik van is gemaakt. Dit laat zien hoe ernstig de crisis is.
De vraag is nu of en hoe de financiële crisis doorwerkt in de reële economie, waar het gaat om productie, consumptie, investeren, werk en werkloosheid. Sleutelwoord is ook hier ‘vertrouwen'. Als mensen de aflossing en rente over hun hypotheek niet kunnen betalen, wordt hun huis verkocht. Dit vrij plotselinge aanbod op de woningmarkt laat daar de prijzen zakken. Mensen zien de waarde van hun bezit, hun vermogen, teruglopen. Men voelt zich armer wat minder besteden tot gevolg heeft. Bovendien is onzeker hoever de kredietcrisis om zich heen zal grijpen. En ook dat beschadigt hun koopbereidheid. Het consumentenvertrouwen zakt in. Het feit dat de Fed onlangs de rente verlaagde om krediet goedkoper te maken en daarmee de economie te stimuleren heeft een onbedoeld bijeffect. Mensen gaan denken dat het wel flink mis moet zijn als de Fed de rente verlaagt in een periode dat een verhoging meer voor de hand ligt. Voor de inzakkende dollar zou immers een verhoging beter zijn. Een extra tik voor het vertrouwen. Daar komt dan de recente enorme geldinjectie van de ECB bij. Goed voor de liquiditeit, niet voor het vertrouwen.
Op de effectenbeurzen dalen de koersen, omdat de beurs onheil verwacht. Ook daardoor wordt aan het vermogen geknaagd. Mensen worden voorzichtiger met inkopen, producenten gaan minder produceren, de winsten komen onder druk, er wordt minder geïnvesteerd, er vallen ontslagen, de werkloosheid loopt op. En als dit een tijdje doorzet, zitten we in een recessie. Zoals in de afgelopen jaren de stijgende beurskoersen en huizenprijzen de bestedingen stimuleerden, zo zien we nu het omgekeerde gebeuren.
De diepte van de terugval, de ernst en de duur van de recessie hangen af van de bekwaamheid waarmee centrale banken en regeringen reageren. De miljarden die nu in het systeem worden gepompt lossen de acute crisis op, maar leggen tegelijk de basis voor een flinke inflatie in de nabije toekomst. Een economie sturen is een buitengewoon lastig vak.
Artikelen
Optimisme over 2008 ondanks, kredietcrisis, 23 december 2007
Goldman Sachs verdient miljarden aan kredietcrisis, 14 december 2007
Wellink: tweede crisisgolf lijkt erger, 14 december 2007
Centrale banken in actie tegen crisis, 13 december 2007
Bankenactie is een angstsignaal, 13 december 2007
Jan Pleus

Op het laatste nippertje is het dan toch gelukt. Lange tijd zag het er donker uit voor de klimaattop op Bali. Vooral de delegatie van de Verenigde Staten was fel tegen een akkoord dat het land zou verplichten concrete maatregelen te nemen om het broeikaseffect te beperken. Maar uiteindelijk zetten ook zij afgelopen zaterdag hun handtekening. De principeovereenkomst moet uiterlijk in 2009 leiden tot een verdrag met wereldwijde bindende afspraken over de uitstoot van broeikasgassen (CO2) en ontbossing. En ontwikkelingslanden moeten worden geholpen bij het krijgen van milieuvriendelijke technologieën en bij het bestrijden van de gevolgen van klimaatverandering. De nieuwe milieuovereenkomst moet het verdrag van Kyoto dat in 2012 afloopt vervangen. Daarbij is het van belang dat de grootste vervuilers, China en de Verenigde Staten, die ‘Kyoto'niet ondertekenden dit keer wel meedoen.
Milieuonderhandelingen blijken altijd uiterst moeizaam te verlopen. De conferentie op Bali was daarop geen uitzondering. Hiervoor zijn twee verklaringen te geven. In de eerste plaats is er de hardnekkige schijntegenstelling tussen economie en milieu. Milieumaatregelen kunnen de groei van de productie tegengaan en daarmee de welvaart aantasten, redeneren veel politici. En dat willen zij en hun kiezers niet! Dus gaan ze dwarsliggen bij milieuonderhandelingen. Die redenering klopt niet. Welvaart is de mate waarin het ons lukt de schaarste te verminderen. Daarbij gaat het om veel meer dan alleen een goedgevulde portemonnee. Het gaat om alle behoeften die met schaarse middelen (arbeid, kapitaalgoederen en natuur) kunnen worden bevredigd. Daarbij hoort zeker ook de behoefte aan een prettig en gezond milieu. Per saldo zou het dus best eens zo kunnen zijn dat een tikje minder groei van het bruto binnenlands product de welvaart juist groter maakt.
In de tweede plaats hebben we bij milieumaatregelen te maken met het freerider- of meeliftgedrag. Als een land zich buiten een milieuverdrag weet te houden hoeft het geen kosten te maken om bijvoorbeeld de uitstoot van kooldioxide te beperken. Maar als de andere landen dat wel doen, ontstaat er op wereldschaal een positief milieueffect. Een positief effect waarvan niemand kan worden uitgesloten.Daarvan profiteert ook het land dat niet meedoet aan de overeenkomst, de freerider.
De slottekst waarover men het in Bali eens is geworden is onder Amerikaanse druk een stuk minder ambitieus geworden. Zo worden er geen percentages genoemd waarmee landen hun CO2 -uitstoot moeten verminderen. Toch denk ik dat we er al met al blij mee moeten zijn. Volgend jaar krijgt het Witte Huis een nieuwe bewoner. Hopelijk kunnen er over twee jaar in Kopenhagen betere zaken worden gedaan met de Verenigde Staten.
Rolf Schöndorff
Een economie is een buitengewoon complex geheel. Hoe organiseer je de productie op zo'n manier dat de consumenten kunnen kopen wat ze hebben willen. Het juiste product op het juiste tijdstip en de juiste plaats voor een redelijke prijs. Concreet: wat moet er allemaal gebeuren om dat pak
halfvolle melk elke dag opnieuw in de schappen van
de supermarkt te krijgen? Je kunt proberen een overheid elke stap
in de productie precies te laten plannen.
De mislukking van die aanpak is de voornaamste reden waarom de
Sovjet-Unie uit elkaar is gevallen. Op Cuba proberen ze het nog
steeds en in China doen ze alsof. Het andere uiterste is om de
miljoenen handelingen van producenten en consumenten op elkaar af
te laten stemmen door de vrije
markt. Consumenten vragen een bepaald product en producenten
proberen aan die vraag te voldoen. Is er een tekort doordat
consumenten meer vragen dan er wordt aangeboden, dan stijgt de
prijs. Voor producenten een signaal om de productie uit te breiden.
De prijs is een erg goed communicatiemiddel. Deze twee uitersten,
staatsplanning en de vrije markt, zien we in de werkelijkheid van
alle dag naast elkaar bestaan. Veel van de politieke discussie gaat
over meer of minder markt en meer of minder
overheidsbemoeienis.
In Nederland zijn consumenten en producenten in eerste aanleg vrij in hun beslissingen. Maar er is een forse overheid die met allerlei regels die beslissingsvrijheid inperkt. Bovendien proberen ondernemingen voortdurend meer macht naar zich toe te trekken, waardoor de consumentensoevereiniteit in het gedrang komt.Tegen het einde van de vorige eeuw vond een meerderheid dat de collectieve sector te groot gegroeid was en dat hij zich teveel bemoeide met van alles en nog wat. We sloegen aan het privatiseren, verzelfstandigen en dereguleren om de marktsector de nodige ruimte te geven. De overheid trad terug op allerlei gebieden. Sindsdien rijden de treinen niet meer op tijd, is het een zootje in de telecommunicatie sector en zijn de kwaliteit van zorg en onderwijs achteruit gehold. Door de privatisering zijn er honderden zelfstandige bestuursorganen (zbo's) ontstaan die door niemand ter verantwoording geroepen kunnen worden. Ze vallen vooral op door de gigantische salarissen die de bestuurders zichzelf toekennen.
De vrije markt presteert geweldig omdat prijzen de afstemming op elkaar van vraag en aanbod tot stand brengen. Maar een beetje econoom weet ook dat de markt het laat afweten op allerlei punten. Een paar decennia al te enthousiast ‘marktdenken' heeft het delicate evenwicht tussen vrije markt en overheidsingrijpen verstoord. Er is op nogal wat punten behoefte aan een overheid die de feilen van de markt corrigeert en zijn greep op de economie versterkt. In dit licht is het besluit van onze socialistische minister van Financiën, Wouter Bos, om het staatsbelang in een dertigtal bedrijven te handhaven, een stap die we moeten toejuichen.
artikel
Geen privatisering staatsbedrijf meer, de Volkskrant 8 december 2008
Een economie is een buitengewoon complex geheel. Hoe organiseer je de productie op zo'n manier dat de consumenten kunnen kopen wat ze hebben willen. Het juiste product op het juiste tijdstip en de juiste plaats voor een redelijke prijs. Concreet: wat moet er allemaal gebeuren om dat pak
halfvolle melk elke dag opnieuw in de schappen van
de supermarkt te krijgen? Je kunt proberen een overheid elke stap
in de productie precies te laten plannen.
De mislukking van die aanpak is de voornaamste reden waarom de
Sovjet-Unie uit elkaar is gevallen. Op Cuba proberen ze het nog
steeds en in China doen ze alsof. Het andere uiterste is om de
miljoenen handelingen van producenten en consumenten op elkaar af
te laten stemmen door de vrije
markt. Consumenten vragen een bepaald product en producenten
proberen aan die vraag te voldoen. Is er een tekort doordat
consumenten meer vragen dan er wordt aangeboden, dan stijgt de
prijs. Voor producenten een signaal om de productie uit te breiden.
De prijs is een erg goed communicatiemiddel. Deze twee uitersten,
staatsplanning en de vrije markt, zien we in de werkelijkheid van
alle dag naast elkaar bestaan. Veel van de politieke discussie gaat
over meer of minder markt en meer of minder
overheidsbemoeienis.In Nederland zijn consumenten en producenten in eerste aanleg vrij in hun beslissingen. Maar er is een forse overheid die met allerlei regels die beslissingsvrijheid inperkt. Bovendien proberen ondernemingen voortdurend meer macht naar zich toe te trekken, waardoor de consumentensoevereiniteit in het gedrang komt.Tegen het einde van de vorige eeuw vond een meerderheid dat de collectieve sector te groot gegroeid was en dat hij zich teveel bemoeide met van alles en nog wat. We sloegen aan het privatiseren, verzelfstandigen en dereguleren om de marktsector de nodige ruimte te geven. De overheid trad terug op allerlei gebieden. Sindsdien rijden de treinen niet meer op tijd, is het een zootje in de telecommunicatie sector en zijn de kwaliteit van zorg en onderwijs achteruit gehold. Door de privatisering zijn er honderden zelfstandige bestuursorganen (zbo's) ontstaan die door niemand ter verantwoording geroepen kunnen worden. Ze vallen vooral op door de gigantische salarissen die de bestuurders zichzelf toekennen.
De vrije markt presteert geweldig omdat prijzen de afstemming op elkaar van vraag en aanbod tot stand brengen. Maar een beetje econoom weet ook dat de markt het laat afweten op allerlei punten. Een paar decennia al te enthousiast ‘marktdenken' heeft het delicate evenwicht tussen vrije markt en overheidsingrijpen verstoord. Er is op nogal wat punten behoefte aan een overheid die de feilen van de markt corrigeert en zijn greep op de economie versterkt. In dit licht is het besluit van onze socialistische minister van Financiën, Wouter Bos, om het staatsbelang in een dertigtal bedrijven te handhaven, een stap die we moeten toejuichen.
artikel
Geen privatisering staatsbedrijf meer, de Volkskrant 8 december 2008


