
Mijn eerste #IFFR en #IDFA
iffr filmfestival rotterdam,idfa,film,documentaire docu
Ik weet niet precies waarom het opeens zo is gekomen, maar de
laatste tijd doe ik veel dingen voor het eerst. Waarschijnlijk is
er iets in gang gezet, dat ik na zo veel rouw de neiging krijg om
vooral te leven. Zoiets zal het zijn.
Zo ging ik voor het eerst naar het IDFA. Eigenlijk wou ik er al jaren
heen, maar het beperkte zich tot lezen in de krant dat het alweer
voorbij was.
Het werd memorabel. En niet alleen om dat er een meisje naast me
zat dat de hele tijd “fuck, fuck, fuck” zei als
commentaar op de documentaires die we geserveerd kregen. Ik heb
mijn ogen uitgekeken. Ik ben gefascineerd geraakt door al
dat hippe volk dat er komt en ik moet nog wel eens denken aan de
jongen die op een tafel stond en bewegwijzeringen omriep. We
kwamen er snel achter, dat je op je plek kwam door precies het
tegenovergestelde te doen van wat hij zei.
Ik zag vier prachtige documentaires, die me nu al weken
bijblijven. Zo was er een korte film die onder andere over
de Ernest Hemingway -lookalike wedstrijd
ging. En een film over een winkelcentrum in China waar nooit iemand
kwam. En eentje over Berlusconi’s
invloed op de media. Het meeste indruk maakt de film over
Birmese vluchtelingen die naar Engeland
verhuisden en gevolgd werden tijdens hun nieuwe leven.
Gesterkt door deze ervaring, ging ik gisteren voor het eerst naar
het filmfestival in Rotterdam, het IFFR. Ik ging met een
kennis van een kennis, iemand die ik nauwelijks kende, dat was
dus ook best spannend. Maar, ik besloot dat ik het gewoon ging
doen. We gingen 29 korte films zien, er zou er heus wel eentje
tussen zitten die de reis naar Rotterdam waard was. Dus, zelfs
als de kennis van de kennis zich tot een ongezellige heks zou
ontpoppen, zou de dag waarschijnlijk heel leuk worden. Niet te
veel verwachten, dan valt alles mee.
En dat deed het.
De kennis van een kennis bleek een heel aardig iemand, een fijne
gesprekspartner en ze had hetzelfde gevoel voor humor. Zo kwam
het dat we schaterlachten toen we beseften dat we al 5 minuten
naar flikkerende beelden van bomen aan het kijken
waren.
De film Garud was schitterend, beelden van het leven in een
arm flatgebouw in India. Kamer voor kamer keken we in, als
voyeurs. We werden ook meegevoerd naar de Noordpool en naar een trieste disco in
Oostenrijk waar een fabrieksarbeidster danste met een
elvis-imitator. Natuurlijk zagen we ook dingen die ons niet
konden bekoren. Veel te artistiekerig, naar mijn smaak, was een
film waarin acteurs een dialoog oefenden,
afgewisseld met beelden van een leeg gay palace. Maar och. Ik zag
ook prachtige animaties, zoals Saison Mutante. Het mooiste was nog wel “dreams from the woods”, een heel
simpel filmpje over een vogeltje in het bos, dat me weer liet
zien hoe weinig er nodig is voor een goed verhaal.
Of dingen af en toe voor het eerst doen een must is, weet ik
niet. Maar, misschien is het goed om jezelf van tijd tot tijd in
nieuwe situaties te brengen. Dan blijf je leren durven. Durven is
wel hard nodig in het leven. Misschien kun je je zelf daar een
beetje in trainen, door af en toe iets te wagen. En als je je er
niet in kunt trainen, dan heb je het in ieder geval leuk gehad in
de tussentijd. Ook mooi.
Lievelings
polaroid,anniemg,annie m.g schmidt,biografie,annejet van der zijl,serie,
" Het valt me tegen" zei Hetty Blok deze week in De Wereld Draait
Door, toen haar gevraagd werd naar haar mening over de serie
AnnieMG, die op het moment elke zondag wordt uitgezonden. Ze vond
verder, dat er te weinig in gelachen werd. Ik vroeg me af, of ze
het misschien niet zo'n goede serie vond omdat ze er totaal niet
in voorkomt. Het zou kunnen. Annie heeft voor mij een soort
magie. Ik vind de serie mooi. Het boek, die biografie door
Annejet van der Zijl, is ontzettend goed. Het staat nooit in mijn
kast omdat ik het telkens herlees. Het ligt dus altijd naast mijn
bed. Wat vindt u van de serie Annie MG? En wat vond u van het
boek?
Deze uil staat op een bekend cafe in mijn stad. Als je van buiten
naar binnen kijkt, dan lijkt hij zich een beetje te schamen voor
de taferelen die achter het raam gebeuren. Als je binnen bent en
naar buiten kijkt, dan lijkt het net of hij sip is omdat hij niet
mag binnenkomen en delen in de feestvreugde. En zo blijft hij
altijd in een soort vagevuur tussen binnen en buiten. Ik snap wel
dat hij zielig kijkt, eigenlijk.
Of ziet u het heel anders?
Polaroid-billen
polaroid,billen,kont,design,meubel,meubels,stoel,hogeschool,
In de jaren tachtig al, was ik dol op onze polaroidcamera. Niet
alleen omdat ik dol was op het direct-klaar-principe, maar
ook omdat het een mooi idee is om de werkelijkheid eventjes in te
kaderen. Polaroids zij simpel en mooi.
In augustus vorig jaar herontdekte ik de polaroid. Het gebeurt
niet meer via een grote camera die vreemde geluiden maakt, maar
via de Iphone. Weer even een stukje wereld in het mooie
witte kadertje. En af en toe deel ik er eentje met u, plus mijn
mijmeringen erbij.
Hierbij de eerste, een stoel die ik tegen kwam op een Hogeschool. Op deze stoelen zitten studenten met docenten te overleggen, of komen werkgroepjes samen.
Wat vindt u ... leuk of walgelijk?
Romeo en Julius
homosexualiteit,homo, homodiscriminatie, geloof, religie, bijbel, begrafenis
Gisteravond sprak ik boer Kees in het kroegje aan de overkant. Nu
is het kroegje aan de overkant een kroegje voor mannen die op
mannen vallen. En voor vrouwen die op vrouwen vallen. En voor ons
dus, want wij zijn als buren altijd welkom, ondanks dat we hetero
zijn.
"Ben je al benaderd voor boer zoekt man?" vroeg ik hem. Hij
vertelde dat dit inderdaad het geval was, maar dat hij toch maar
had besloten het niet te doen. Vanwege de kerk. "Vanwege de
kerk?" vroeg ik verbaasd. Welzeker.
In het kleine dorp waar boer Kees woont, is homoseksualiteit een
enorm taboe.
Toen Kees naast zijn geliefde achter de kist van zijn onverwacht
gestorven vader had gelopen, kwam de dominee de volgende
dag zeggen dat Kees zich maar beter kon uitschrijven. Dit
gebeurde in 2007.
Ongelovig staarde ik hem aan. Het moeten verbergen van je voorkeur, lijkt me iets van dertig jaar geleden of nog langer.
Mijn moeder viel op vrouwen. Ze was lesbisch, zoals dat heet. Dat
ik dat nu zomaar kan opschrijven, is eigenlijk een wonder. Zij
heeft dat nooit zo open kunnen doen in ieder geval, ze heeft het
haar hele leven verborgen gehouden. Haar ouders wisten het niet,
officieel. En ook op haar werk werd er niet over gesproken. Het
kon niet zijn.
Zij hoopte altijd dat het anders zou worden, dat er een
maatschappij zou ontstaan waarin alle liefdes zouden mogen.
Ze zong vaak "sorry dat ik besta":
" Er moest toch een liedje zijn,
Al was 't alleen maar een refrein,
Al waren 't maar vijf regeltjes,
over Romeo en Julius
Maar daar zijn we nog niet aan toe -
Taboe, Taboe -
Geen aria's, nooit aria's
Voor de paria's
Maar over veertig jaar, wie weet,
Staan er liedjes in de hitparade,
Niet alleen maar over hij en zij,
Maar ook over hij en hij,
Liedjes over hem en hem,
Zonder aarzeling of rem
Dan zingt iedere romanticus
Heel gewoon, zo is het dus
Romeo en Julius "
"Ze zeggen dat ik me tegenover God zal moeten verantwoorden" zei
boer Kees
" Dat denk ik niet," zei ik "volgens mij is God nog altijd
liefde. Kijk maar naar de brieven van Johannes. Die dominee zich
straks moeten verantwoorden, niet jij" Geen idee waarom ik het
zei, zo Bijbels ben ik niet, waarom het in me opkwam weet ik
niet, maar het leek het enige juiste om te zeggen.
Aan het eind van de avond, zag ik boer Kees glimlachend de nacht in verdwijnen, innig gearmd met een mooie Indische jongen.
Een meisje
verontrusting, verliesverwerking, overlijden, dood, wees, studentenleven, rouw
In de verte zie ik haar fietsen, een meisje dat ik ken van mijn
studie. Ze is nog niet binnen gehoorsafstand. Zwaaien dus. Net
als ik mijn hand wil opsteken om naar haar te zwaaien, bevriest
mijn arm in mijn jaszak. Ik zie namelijk dat ze mij ziet, maar
snel haar hoofd omdraait. In een seconde of twee is het gebeurd.
Ze kiest ervoor om mij niet te zien.
Het is al vaker gebeurd. Dit is waar mensen me voor gewaarschuwd
hadden, besef ik. Ik wilde het niet geloven, dat mensen je echt
uit de weg gaan als je net iemand verloren hebt. Maar het lijkt
zo te zijn.
Het is voor meisjes als de fietsende dame onverteerbaar dat haar
moeder en haar vader er op een dag niet meer zullen zijn. Ergens
in haar achterhoofd weet ze wel dat het zo is, dat het ooit
gebeurt. Maar, ze worden honderddrie, houdt ze zichzelf voor.
Deze ouders zullen hun dochter zien afstuderen, trouwen, baren,
haar kinderen zien opgroeien en dan, als het echt niet meer
anders kan, als hun kleinkinderen ver in de twintig zijn, zullen
haar ouders pas hun ogen sluiten. Met dat idee leeft ze.
Maar ja, dan ziet ze mij,
vertegenwoordiger van de club van weesmeisjes, het levende bewijs
dat het leven anders kan zijn. Onoverkomelijk is de neiging van
de mens om datgene wat ons verontrust te negeren.
Verontrusting staat het leven in de weg, zeker het leven van een
carrièrebouwende, feestende studente.
Van alle zaken die ons kunnen verontrusten, verontrust de dood
ons nog het meest. En daar loop ik dan plots, als
vertegenwoordiger van de dood. Nou ja, als vertegenwoordiger van
het feit dat je ouders zullen sterven dan toch. Ik heb niet de
hele dood in mijn portefeuille.
Ik verwijt het haar eigenlijk niet, dat ze haar hoofd omdraait.
Een jaar of twee geleden, was ik zo’n fietsende dame die
het zich kon permitteren om de vreselijke dingen uit te bannen.
Leven is uitbundig en luidruchtig feesten om de stille stem van
de dood niet te hoeven horen.
Maar helaas, ik
ben dat meisje niet meer. Ik hoop voor haar dat ze het nog lang
mag blijven.
Maandag had ik een gesprek met mijn baas. Ik zag ertegen op, dus
ik zuchtte een beetje op de werkplek. Een collega probeerde me
erboven op te helpen. “De truc is,” zo zei ze
“om gered te worden”. “Gered te worden?”
zei ik. Ik trok mijn wenkbrauwen op. “Die mannen zijn
onzeker, door de emancipatie” wist mijn collega “we
moeten ze weer de ridder op het witte paard laten
voelen”.
Toen ik door de lange gangen naar het kantoor van mijn baas liep,
echooden haar woorden in mijn hoofd. Ik moest een
beetje grinniken. Mijn baas was – zelfs met de beste wil
van de wereld- niet voor te stellen in een harnas. Of op een wit
paard.
Maar een beetje gelijk had mijn collega natuurlijk wel. Ik
bedoel: mensen willen niet het gevoel hebben dat je het zelf
allemaal wel zonder ze kunt. Iedereen wil nodig zijn, iedereen
wil het idee dat men op je zit te wachten.
Ik vind dat nog wel eens lastig, mijn kwetsbare kant laten zien.
Zelfs toen ik helemaal niet goed in mijn vel zat, liep ik als
Kenau Simons Hasselaar door de gangen. Kwetsbaar zijn is
moeilijk, maar misschien wel eens goed. Dat moest ik maar in
m’n achterhoofd houden, tijdens het gesprek met de
baas.
Een uur later kwam ik terug in onze kamer. “Hoe ging
het?” vroeg mijn collega gretig.
“ Ik denk dat het wel goed ging” zei ik “dank
voor je advies”. “Mannen willen redden, neem dat van
mij aan” zei ze “give them back their
balls!”
Ik zal eens kijken of dat in mijn taakomschrijving staat...
Toen ik net te horen had gekregen dat mijn moeder spoedig dood
zou gaan,kreeg ik een lieve kaart van een vriendin. Ze had ook
het gedicht “eb” van Vasalis erbij
gedaan.
Het eindigt met de zin “Er is geen tijd. Of is er niets dan
tijd?”. Een zin die mij altijd al aan het denken zette,
maar nu helemaal, zeker omdat je de woorden op zoveel manieren
kunt opvatten. Ik heb veel gemijmerd. We hadden geen tijd meer
samen, maar wel heel veel tijd om op terug te kijken. Tijd
bestaat eigenlijk niet, maar is toch het enige wat we hebben. We
hebben nu zo weinig tijd, maar wel de eeuwigheid.
“Nog vijf weken en dan gaan we op vakantie, lief”
zegt F. om me moed in te spreken. Het valt me niet altijd
mee om de dagen door te komen. Ik pak mijn agenda
erbij.“Nee, hoor … over zes weken gaan we” zeg
ik. “Oh ja, nou zes weken is toch ook niet veel?”. F
is zo vrolijk dat hij aan een kwispelende labrador doet
denken.
Natuurlijk wil ik geen roet in het eten gooien, maar ik vind zes
weken een eeuw. Er kan zoveel veranderen in zes weken. Ik bedoel
:zes weken geleden wisten we nog niet eens dat mijn moeder ziek
was, nu worden de bloemen op haar graf al bruiner.
Ik moet nog 125 tentamens nakijken, die nu nog niet eens zijn
geschreven. Ik moet naar de notaris. Nog 39 nachten slapen. Er
komen 66 werkstukken aan. Ik moet naar de bank. Vijf weekenden. 3
weken lesgeven.
Aftellen mag dan verleidelijk zijn, het lijkt me beter om de tijd
maar gewoon per dag te laten komen en intussen te doen wat ik
moet doen. Ik kijk uit naar het kleine huisje in Frankrijk dat op
ons wacht. Ik sla me door die weken heen, dat weet ik wel. Ze
zullen sneller gaan dan ik nu denk, heus.
Maar er is geen tijd en eigenlijk is er niets dan tijd.
Dit stukje schreef ik op 2 juni 2009
Toen ik hoorde dat mijn moeder zou overlijden, dacht ik dat ik de
enige was die ooit een dierbare verliest. Wanneer je iets heftigs
meemaakt denk je nu eenmaal dat je het centrum van het universum
bent. Zoals een puber denkt dat hij de enige is die puistjes
heeft. Of zoals een zesjarige even de sensatie heeft, dat hij de
enige is die alles lezen kan.
Dat ik niet de enige was die rouwde, bleek -natuurlijk- al heel
vlot. Eigenlijk is de dood het gewoonste wat er is.
Iedereen doet het.
Alleen al in Nederland sterven jaarlijks 130.000 mensen. Dat zijn
er dus 400 per dag. Als je ervan uit gaat dat
zo’n overledene ongeveer vier dierbare naasten heeft, zijn
er dus zo’n 600.000 mensen per jaar in Nederland die
hetzelfde meemaken als ik.
Ik ben dus verre van de enige.
En als de cijfers me niet zouden overtuigen, dan zouden de mensen
in mijn omgeving dat wel doen. Iedereen heeft wel eens iemand
verloren. En nu ik als rouwende in het wild rondloop, komen alle
verhalen naar me toe.
Het gesprek volgt altijd een zelfde stramien. Ik merk dat ik een
soort publieksversie van mama’s sterven ontwikkeld heb, ik
kan nu vertellen hoe het was, de waarheid recht doen en toch
zonder trillende stem of tranen vertellen. Na mijn relaas volgt
dan de overledene van mijn gesprekspartner.
Je zou het irritant kunnen vinden, of op zijn minst irrelevant.
Maar, zo werkt het niet. Als we samen praten over onze doden, dan
is het net of het allemaal iets minder zinloos wordt. Merken dat
je niet alleen bent is louterend. Je hoort bij een clubje. Het is
niet waar dat gedeelde smart halve smart is, maar het haalt even
de scherpe randen van je smart, denk ik
Mijn postvak leegmaken, dat leek me het vervelendst. Studenten zouden dingen ingeleverd hebben en ik zou weer worden meegesleurd in een maalstroom. Het moment van onderdompeling, dat leek me het moeilijkst. Niet het ondergedompeld zijn.
Ik was gisteren voor het eerst sinds een maand weer op
m’n werk. Ik zag ertegen op en tegelijkertijd wilde ik
niets liever. Als ik een ding ontdekt heb tijdens het sterven en
rouwen, dan is het wel dat ik van leven houd. Of, specifieker,
dat ik van mijn leven houd. Ik wilde dan ook niets liever
dan weer werken. Natuurlijk wist ik dat niets zou zijn zoals het
was, maar ik had behoefte aan wat reuring om me heen. Ik snakte
naar stromen.
Anderzijds wist ik niet goed, hoe ik me
houden zo. Ik ben een dame die zich schrap kan zetten, heus wel,
maar ik had nog geen idee hoe ik me in de buitenwereld zou
houden.
En ja hoor, daar waren de werkstukken. Oh God. Ik probeerde rust te houden en mijn ademhaling niet met me op de loop te laten gaan. Stap voor stap. De twee kleine enveloppen bovenin zou ik als eerste openen.
Daar lag een kaart van J, het neefje van een vriendin. Hij heeft
een vrolijk gezicht en ik word altijd een beetje blij als ik hem
zie. Hij studeert aan de Hogeschool waar ik werk. En ik zie hem
elke dag, hoewel ik hem geen lesgeef of zelfs maar iets van doen
heb met de studie die hij doet. Vreemd eigenlijk, op de
Hogeschool waar ik werk zitten maarliefst 6000 studenten.
Hij schreef dat ik hem altijd mocht bellen of opzoeken, als ik
behoefte mocht hebben aan een broodje, koffie, een terrasje, een
gesprek of een slechte grap.
Of de maalstroom ooit koffie toelaat, weet ik nog niet. Ik hoop
het wel. Maar, daar gaat het eigenlijk niet eens om. Het
gaat erom, dat het kan. Hij herinnerde me aan goedertierenheid en
dat was het duwtje in de rug dat ik nodig had. Want, door deze
kleine handreiking, van iemand die ik nota bene amper ken, werd
mijn hart zo verwarmd dat ik de dag aan kon.
Dankewel J.
Van de meeste situaties of momenten kun je wel inschatten dat ze
pijnlijk kunnen gaan zijn. Voor het eerst weer over de
drempel stappen in mama's huis lijkt me moeilijk, net zoals het
bezoeken van haar graf.
Gelukkig kun je voorbeschouwen, de bui zien hangen en je alvast
indekken. Daardoor wordt het niet minder pijnlijk, maar wel
minder onverwacht. Je neemt de struikrover wat wind uit de zeilen, zeg
maar.
Nee, gevaarlijker zijn de momenten waarop je je niet had
voorbereid, momenten die je klaarblijkelijk verkeerd had
ingeschat. Plotse pijn is nu eenmaal veel zwaarder dan pijn waar
je je op voorbereidt.
Al tijdens mama's ziekbed dacht ik aan een weekendje bij de
ouders van meneer F. Heerlijk leek het me, eten op het terras en
lekker praten en thee drinken. Ik zag er naar uit me onder te
dompelen in alle verhalen en de geborgenheid. Ook F's zus en haar
vriend zouden komen. Het zou perfect zijn, zoveel was
zeker.
Maar, daar was opeens het grote besef dat F een thuis heeft. Hij
kan verhalen vertellen en advies vragen over alles. Elke futileit
kan hij kwijt. Hij kan kind zijn, ookal is hij bijna 32. Voor mij
is dat nu gedaan, ik ben geen kind meer. Nooit.
Natuurlijk wist ik al dat hij nog wel een ouderlijk huis heeft en
ik niet, maar opeens raakte het mij als een enorm klap tussen de
ogen.
Gelukkig realiseerde ik me, dat je zelf een nieuw thuis kunt
maken. En dat ik ondanks alles rijk ben. Zoveel mensen redden
het. Geborgenheid komt niet alleen van je ouders. Het kan overal
zijn.
Maar het duurde lang voordat dat gevoel echt doordrong en
tenslotte, een beetje,troostte.
De zon scheen vandaag. Ik besloot mijn nieuwe rok aan te doen. Met blote benen liep ik door de straat. Ik had nog getwijfeld, over die benen, omdat ze zo wit zijn. Maar ik besloot dat het mei was en dat benen toch eens de kans moeten krijgen om te bruinen.Of om sproetjes te krijgen.
Ik ging lunchen met Ruby, mijn lieve collega die me alle dagen mailde in de verdrietige dagen van mama's sterfbed. Niet alleen leek ze me te begrijpen en steunde ze me, ook zorgde ze dat ik op de hoogte bleef van de roddels op ons kantoor. Ik verheugde me dus op Ruby, op gezellig een uurtje samen doorbrengen, lachen.
En opeens, terwijl ik dacht aan de komende ontmoeting en het hardlopen van die ochtend, was het alsof ik werd geraakt door een losse flodder. Ik had het niet zien aankomen. Net nu ik dacht dat het best goed ging, net nu ik zowaar ergens zin in had en vrolijk meneer F gedag had gezoend. Net nu. Opeens viel het verdriet als een net over me heen.
Zo zal het zijn, wist ik plots. Verdriet is geen constante stroom. Ja, de eerste dagen misschien of als je moe bent. Maar over het algemeen zal leed opkomen op moment dat je je niet schrap zet, dat je er niet op bedacht bent, dat je zelfs denkt een beetje gelukkig te zijn.
Ik zoek naar woorden.Ja, het is een struikrover die opeens opspringt. Verdriet is een struikrover.
Zo zal het zijn.
Un soir, que je rentrais chez moi.
Partout, elle me fait escorte.
Elle est revenue, elle est là,
La renifleuse des amours mortes.
Elle m'a suivie, pas à pas.
La garce, que le Diable l'emporte !
Elle est revenue, elle est là
Ik had er telkens over gedroomd in de periode dat mama overleed. Ik zag mezelf rennend langs de singels van mijn stad. Hardlopen, als nieuwe sport voor mij? Ik zette er mijn vraagtekens bij, aanvankelijk, maar toen de droom maar bleef aanhouden ging ik het gaandeweg toch overwegen. Het zou niet zo gek voor me zijn, als ik maar rustig zou doen.
Toen ik weer in mijn stad aankwam, was ik veel te moe. Ik kon de ene voet wel voor de andere zetten hoor, maar de rouwsluier was veel te zwaar en te groot.
Vannacht droomde ik weer de ganse tijd van hardlopen en vanmorgen besloot ik te gaan. Als ik zou moeten wachten tot de rouwsluier weg zou zijn, zou ik nooit kunnen beginnen immers. Dus daar ging ik, in de vroege ochtendzon.
Mijn conditie was schrikbarend slecht, dat moet gezegd.Maar het weer was prachtig, de straten leken zich voor me uit te strekken alsof ik nog welkom was ook.
En, belangrijker: ik piekerde voor het eerst niet. Ik dacht niet eens. Ik ging.
Misschien schuilt er wel echt een hardloopster in mij.

Er wonen twee kinderen, een man en een vrouw op 50 vierkante meter. De ruimte is niet groot, zeker niet omdat mensen nu eenmaal spullen om zich heen hebben. En kleuren. En kleding.
Tenmidden van alles zit Anouck, de vrouw des huizes, hoogzwanger op bed. Bekkeninstabiliteit en blaasontsteking.
Maar alles kan en alles mag, dat voel je. Niets is te gek, iedereen mag doen wat hij het liefste doet. Je mag zijn zoals je bent.
Ik bloei er helemaal van op.
"Dat moet ik mama vertellen" bedenk ik me als ik terugfiets naar huis. Mijn moeder is namelijk dol op chaotische huishoudens waar iedereen zichzelf mag zijn. Ook zij zou hier van genieten. Ik doe altijd mijn best om in geuren en kleuren te vertellen wat ik meemaak. Er is geen beter publiek dan zij. En ook zij zou vrolijk worden van het huis van Anouck, ik weet het zeker.
Maar, ik besef de seconde na de gedachte, dat ik mama niet kan bellen, dat ik niet kan vertellen over Jan Steen anno 2009. De moed zakt me in de schoenen. Tranen over mijn wangen.
Het was alsof ik even bij haar was namelijk, dezelfde sfeer. De zon schijnt warm op mijn gezicht. De hele stad baadt in het gouden licht van mei.
En dan snap ik het.
Mijn moeder mag dan overleden zijn, er blijven altijd stukjes van haar op aarde. De liedjes van Jenny Arean blijven. De film Antonia blijft. Noa van Cacharel is er nog. Jonge jenever van Harteveldt zal altijd bestaan.Een sfeer zoals bij Anouck thuis,vind ik zomaar op mijn weg.
Zo zal ik aan alle fijne dingen blijven dingen blijven denken en op termijn misschien zelfs niet meer zo verdrietig zijn.
Wie rouwt of iets heftigs heeft meegemaakt, wordt daar moe van. Dat wist ik ook niet, maar ik ondervind het aan den lijve. Je conditie is achteruitgehold en alles kost enorm veel energie. Dit komt omdat verdriet ontzettend veel kracht vergen kan.
Zelf vind ik het erg vermoeiend om in de buitenwereld mee te doen. De markt of een simpele wandeling is heel pittig, maar het went steeds meer. Beetje bij beetje.
Vandaag ging ik voor het eerst een flink stuk fietsen. Ik ging namelijk naar de Rivierenbuurt, om lekker te kletsen met Anouck. Al na een kilometertje, voelde ik mijn benen. Nu zal ik nooit sportvrouw van het jaar worden, maar normaal gesproken is 'n kilometer geen probleem.
Gelukkig had ik mijn Ipod bij me. Al jaren ben ik geabonneerd op de podcast van Kunststof, een programma waarin een uur lang wordt gepraat met iemand uit de wereld van kunst en cultuur. Interviews luisteren in het verkeer is ideaal omdat het zo ongevaarlijk is; je hoort alles nog en hoort toch een leuk verhaal. Ik luisterde nu naar een interview met Nicolien Mizee.
Op de Wilhelminabrug werd ik ingehaald door een mevrouw. Er was enorm veel ruimte om me in te halen, ik reed keurig rechts en slingerde niet. Toch kon de mevrouw het niet nalaten om te roepen "Ja, ik belde wel, maar dat hoorde je natuurlijk niet met die dopjes in je oren".De mevrouw bleek woedend te zijn. Ik begreep er weinig van. Haar toon was zo venijnig.
Ik zei niets terug. Niet alleen ging het moment daar veel te vlug voor, ook wist ik niet wat ik zeggen moest. "Mijn moeder is dood dus ik fiets niet zo hard?".
Het maakte weinig uit. Mevrouw had haar oordeel toch al klaar. Ik besloot haar haar woede te laten houden en fietste moedig verder.
Ik nam me voor om nooit meer sjacherijnig te doen in het verkeer. Je weet immers maar nooit wat er speelt.
Ben benieuwd hoe lang ik het volhoud.
Mijn moeder heeft heel veel DVD’s. Als een film haar beviel, kocht ze hem. Ook als ze dacht dat ze de film leuk zou vinden, werd het schijfje aangeschaft. De kaft sprak haar aan, bijvoorbeeld. Of ze hoorde er een goed verhaal over, via via. Boven haar computer hangen vier grenen planken, lukraak gevuld met DVD’s. Ze staan niet keurig in het gelid, zoals je een boekenkast vult, maar dan weer in stapeltjes, dan weer op een rijtje, dan weer schuin tegen elkaar geleund. Sommigen zitten nog in plastic.
Toen ik na de begrafenisweer naar mijn eigen huis vertrok, besloot ik een paar films mee te nemen. Ik veronderstelde dat ik thuis niet veel anders zou willen dan met een dekentje op de bank liggen. Films zijn dan fijne bondgenoten. Ik stopte the devil wears prada in mijn tas en ook familiefilmpjes. Na al die weken ziekbed had ik zin om de beelden in mijn hoofd te verzachten met zoete herinneringen.
Hoe het ook zij, ik grasduinde dus door haar DVD-collectie. En opeens viel er een klein briefje van tussen de stapels. Op een klein blaadje, uit zo’n notitieblokje dat reclame maakt voor een of ander bedrijfje, stond een adres in moeders zwierige handschrift. Het duurde even voordat tot me doordrong, dat dit mama’s beste vriendinnetje van vroeger moest zijn. Sjaan.
Ik stopte het adres in mijn agenda. Thuisgekomen, schreef ik een rouwkaart aan het adres in Amstelveen. Verschrikkelijk, wat een bom gooide ik door zo’n brievenbus. Ik werd er naar van. Maar, ze moest het weten, besloot ik. Want, het is toch vreselijk om er op een andere manier achter te komen? Ik stelde me voor dat Sjaan nietsvermoedend zou bellen voor een gezellig kletspraatje en dan zou horen dat mama er niet meer was. Ik wilde de personen aan beide zijden van de lijn doorvoor behouden.
Maar ik was natuurlijk niet alleen maar nobel. Het leek mij ook wel wat om een keer koffie te drinken met Sjaan en alles te horen over mijn moeders kinderjaren. Een enorme nieuwsgierigheid vlamde op. Op dit moment valt het wel mee, maar ik wist ineens zeker dat ik de komende jaren zograag wil praten over haar , dat ik mijn moeder van tijd tot tijd een beetje wil blijven onderzoeken.
Vandaag belde Sjaan me op. Ze had een prettige dofheid in haar stem, zoals het soms ook fijner is om naar een plaat te luisteren dan naar een MP3’tje. Haar accent verried de plek waar ze opgroeiden niet meer. Ze heette ook geen Sjaan meer. Maar, ze wist alles nog. Ze kende mijn ooms als kleine jochies en mijn moeder als kind.
En ja, van de zomer, als het stof enigszins zal zijn neergedwarreld , gaan we iets afspreken. Het is moeilijk voor te stellen, hoe het dan zal zijn. Maar, er ging iets troostrijks vanuit ,dat haar verhalen nog verteld gaan worden.
We zaten ietwat verlegen tegenover elkaar, mijn huisarts en ik. Ik had een afspraak gemaakt, omdat ik vond dat ze het moest weten, van mama. Zoiets groots zou best repercussies kunnen hebben en het leek opeens fijn als mijn huisdokter op de hoogte was.
"Hoe lang is het geleden?" vroeg ze. En of ik er begeleiding bij wou. Wat er met mij gebeurde, wat er in me omging. Ze nam de tijd. Ik keek naar de straffe lijnen in haar gezicht. Zakelijk was ze. To the point. Een geruststellende aanwezigheid. Ze zei dat ik natuurlijk naar de psycholoog kon gaan, in dit soort gevallen kon dat best dankbaar zijn. "Maar," zei ze "volgens mij weet je zelf heel goed hoe het zit".
Ze gaf wat advies, zo hier en daar. Als verdriet opkwam, moest ik het laten komen. Natuurlijk kon dat niet op ieder moment, maar ze zei dat het goed was om soms foto-albums te pakken en te huilen. En, ik moest vooral niet bang zijn voor het rouwproces. "Het hoeft helemaal geen problemen op te leveren". Ik hield meteen van haar nuchterheid. Niet alles hoeft problematisch te verlopen, of te ontploffen in je gezicht. Ik was gerustgesteld, alleen maar omdat zij zei dat het geen probleem zou zijn.
"Nog 1 ding," zei ze toen ik bijna weg wilde gaan "het is belangrijk dat je er met iemand over praat, of erover schrijft ofzoiets"
" Oh, dat komt wel goed" zei ik.
En ik liep haar kantoortje uit, met mijn linkerarm in de rechtermouw van mijn jasje.
Ik snap best dat mensen gek worden in een situatie als deze, bedacht ik me toen ik net een broodje voor mezelf smeerde. Wanneer je in een paar weken een dierbare verliest, voelt het alsof je een vreemd soort hersenschudding hebt. Waarschijnlijk is dat ook zo, trouwens. Je hebt nauwelijks kunnen wennen aan het idee en dan is het al zover. Er zijn mensen om minder doorgedraaid. Mijn moeder was een groot fundament onder mijn bestaan, dat is opeens weggeslagen. Opeens wordt "ooit" "nooit". Er zijn mensen om minder afgevoerd door twee grote mannen in witte jassen.
Het is verleidelijk om je over te geven aan al die vreemde gedachten die opkomen. Het is erg verleidelijk om mijzelf voortdurend te verdoven met drank.Het is verleidelijk om altijd in bed te blijven liggen. Het is verleidelijk om altijd te denken dat ze er wel is en me daarin te blijven wentelen, of juist heel de dag te beseffen dat ze er niet meer is bij alles wat je doet. Het is enorm verleidelijk om op te geven.
Het is voor het eerst sinds weken dat ik alleen ben. Het is maar voor een paar uurtjes, maar het is toch de een soort van mijlpaal. De eerste keer in weken zonder andere mensen. Het is vooral oorverdovend stil, zo stil dat het bijna beangstigend is. En ik bedenk me al deze dingen terwijl ik m'n broodje smeer.
Maar tegelijkertijd besef ik, dat ik het niet ga doen, dat gek worden.
Ten eerste lijkt het me niet leuk, ik vind mijn eigen leven veel beter. Ten tweede heb ik ergens al een keuze gemaakt om niet gek te worden, al voor dat moeder stierf. Ten derde is meneer F bij me; stel dat ik punt 1 en punt 2 zouden vervallen dan zou hij me nog aan de goede kant houden.
En ten vierde: zo heeft mijn moeder me niet opgevoed. Ze heeft iemand opgevoed die zich schrap zet, die het leven ondanks alles een groot avontuur vindt waar zich elke dag een aflevering van ontspint, iemand die van het leven houdt, iemand die sterk genoeg is om niet gek te worden nu.
Dankzij mijn moeder bezwijk ik niet aan het overlijden van mijn moeder. Een fijn idee.






