
Mijn vriend, de zus van mijn vriend, de vriend van de zus van mijn vriend en het broertje ...
Gisteravond ging ik een hapje eten in Amersfoort. De gastheer maakte stamppot andijvie met paprika en pijnboompitjes en het was gezellig. Toen ik om me heen keek aan tafel,realiseerde ik me weer hoe knullig Nederlands kan zijn. Ik zat er namelijk met mijn vriend, de zus van mijn vriend, de vriend van de zus van mijn vriend en het broertje van mijn vriend.
Kijk, de term “mijn vriend” vind ik al niet prettig. Het klinkt zo bezitterig, alsof ik me F. heb toegeëigend. Bovendien klinkt het niet naar liefde, ‘vriend’ kan ook een platonisch relatie beduiden. Maar, wat moet je anders. Als ik F. even in een bijzin noem, dan vind ik ‘geliefde’ zo aanstellerig klinken. Het lievere ‘vriendje’ zou mijn toehoorder kunnen doen denken dat ik het met een zestienjarige houd. Mijn man mag ik hem niet noemen zonder dat ik getrouw ben, want dat is geschiedvervalsing, ’minnaar’ klinkt veel te sexueel en vrijbijvend. ‘Verloofde’ impliceert een op handen zijnd huwelijk en ‘partner’ vind ik klinken alsof je samen een bedrijf runt. Dat zal best eens zo aanvoelen in een druk gezin, maar als je het zo noemt is er geen weg meer terug. Meestal gebruik ik maar gewoon zijn voornaam, maar dan leid je je gesprekspartner soms veel verder je privéleven in dan de bedoeling is. Het enige wat door de beugel kan is "mijn lief" en zelfs dat kan niet in elke context.
En dan het broertje van F. en de vriend van de zus van F.
Formeel zijn dit beiden zwagers en dat vind ik niet kloppen. Het
kan zelfs erg verwarrend zijn, de man van mijn zus is ook een
zwager, of de vriend van mijn broer.
Je kunt er geen onderscheid mee maken, terwijl het er juist voor
is bedoeld. Met zijn broertje is hij opgegroeid, de
bloedband is diep en sterk. Een broer is onvoorwaardelijk en de
band is hecht. De vriend van zijn zus zou -in theorie - elke week
een andere kerel kunnen zijn en die mag dan zomaar dezelfde
titel. Geen bedrijf zou dit pikken, maar als je je familie wilt
beschrijven is dit de normaalste zaak van de wereld. En dan
heb ik het nog niet eens over het woord zelf, want een zwager
klinkt als een voorwerp dat op de werkbank ligt, niet bij
voorbaat als iemand met wie je kunt lachen.
Het woord schoonzus, zoals ik de zus van F. zou kunnen beschrijven, vind ik een mooier woord, al lijdt het aan dezelfde verwarring. Bovendien klinkt het erg getrouwd en bloemetjesjurkerig, maar dat is met veel Nederlandse woorden het geval.
We mogen blij zijn dat we nog geen kinderen hebben gemaakt, dan begint het gedoe pas echt. Dan komen de nichtjes en neefje ten tonele, ook van de woorden het broodnodige onderscheid niet maken. Bovendien zijn er ook nog vele familierelaties waar geen woord voor is, zo heb ik geen idee hoe de vader van de vriend van de zus van mijn vriend genoemd moet worden.
En simpeler wordt het ook niet, want gezinssituaties zijn
complexer geworden dan een paar jaar geleden. Hoe heet de zwager
met wie schoonzus kinderen heeft, maar niet meer samen is? Hoe
heten de kinderen van schoonzus die niet van de broer van F.
zijn? Ze zijn er niet, maar ik zou niet weten hoe ze te noemen.
Wat een prutswerk, die namen! De enige remedie is je leven eenvoudig houden en voornamen gebruiken. Gelukkig deden we dat gisteravond ook.
We leven in een heftige tijd. In een periode van een week of drie
ziet ons landschap er plots heel anders uit: het kabinet
valt, er zijn gemeenteraadsverkiezingen en Kant, Eurlings
en Bos stappen op. En gister bereikte ons ook nog het bericht dat
Van Mierlo is overleden.
Treurnis. Ik zie Bos nog komen, de jonge, slimme hemelbestormer.
Ik was 18 en ik hoopte op onze nieuwe premier. Maar het is hem
niet gelukt. Niet ieder veelbelovend persoon, kan doen wat
hij belooft.
En Hans van Mierlo, vertegenwoordiger van de revolutie van
zestiger jaren, vernieuwer,
uitzichtbieder op nieuwe oplossingen voor nieuwe tijden.
Zijn overlijden is op zich al verdrietig, omdat een mooi
mens heen gaat, maar ook een tijdperk lijkt af te brokkelen.
Het lijkt wel een achtbaan. De hoop slaat weg en dan is er plots
ook nieuwe hoop. In de vorm van een grote winst voor D66, maar
ook in de vorm van Job Cohen, die een onverwacht sterke toespraak
houdt. Nieuwe verkiezingen, nieuwe tijden.
Er verdwijnt het een en ander. Maar er komt ook meteen iets
nieuws. Vergankelijkheid zorgt voor continuïteit. De hoop heeft,
gek genoeg, weer wat voeding gekregen deze weken. En daar houden
we aan vast. We kunnen niet anders.
De eerste dag werd ik meteen aan iedereen voorgesteld. Een
mannetje of honderd, schat ik. Geen idee meer wie allemaal en
waar ze zitten. Maar dat is niet erg. De kat mag nog uit de boom
gekeken worden. Volgende week om deze tijd, begrijp ik het
allemaal. Als ik dat nou blijf denken, komt het allemaal
goed.
Het is allemaal leuk, maar het fijnste is de man van het archief.
Hij begroet me altijd stralend. Alsof ik al jaren op zijn
wensenlijstje sta. Hij groet me op elke dagdeel even vrolijk. Met
mijn voornaam erbij nog wel. Zo aardig. Het voelt warm.
Het stomme is echter, dat ik zijn naam niet heb onthouden. Het
ging te snel, het was te veel.
Gelukkig kan ik het aan mijn nieuwe collega's vragen, want het is
helemaal niet gek. Maar een beetje genant vond ik het toch
wel.
Maar volgende week om deze tijd, begrijp ik het allemaal.
Er werd geschaatst gisteren. Door Sven Kramer. Geen ontkomen aan,
al zou je willen. Al weken is Nederland in de ban van de
Olympische spelen en dan van Sven in het bijzonder. Ook was de
hype aangescherpt door een energiebedrijf, dat een reclame maakte
waar alleen keiharden onberoerd door bleven. Het woord
‘Svencouver’ werd zelfs uitgevonden. Sven
vertrok als een held naar de spelen. Drie gouden medailles zou
hij in ieder geval halen, zo luidde de voorspelling.
Zelfs Marco Borsato ging naar Vancouver. “Wat we nu gaan
meemaken: zo'n kans krijg je nooit meer" zei zijn echtgenote
Leontine. Symbolisch voor wat er leek te leven onder het
Nederlandse volk: men ging zich gedragen alsof de medailles al
binnen waren.
Gisteravond bleek, dat het zo simpel niet is. Coach Kemkers stuurde onze volksheld -perongeluk- naar de binnenbaan, terwijl hij juist naar de buitenbaan moest. Sven vergooide daarmee zijn kans op het Olympische goud.
In de Engelse pub waar ik het schaatsen zag, gebeurde iets
frappants. Natuurlijk, men leefde mee en keek vol spanning naar
het grote scherm. Maar, toen Sven gediskwalificeerd bleek, vond
er een omslag plaats: er was niet alleen teleurstelling af te
lezen, maar ook een verwende gemelijkheid. Ook op internet zag ik
die gemelijkheid terug. Teleurstelling en onvrede zijn voor te
stellen, maar men gedroeg zich alsof we de medaille al hadden en
alsof die Koreaan hem persoonlijk uit de zak van Sven had gejat.
Alsof Nederland recht had gehad op die medaille.
Maar, zo werkt het niet.
De beste wint niet altijd. Het leven is niet eerlijk. Mensen
maken fouten. Dingen gaan mis. Je kunt overwinningen niet
bestellen. Natuurlijk moet je overal het beste van maken, maar
succes is niet altijd een keuze. Het leven is niet maakbaar en je
hebt nergens recht op.
Bij geen enkele held ging het meteen van een leien dakje. Beowulf
vocht met de draak. Perseus werd met zijn moeder in een kist
opgesloten in zee geworpen. Frodo moest een barre toch doorstaan
voordat hij de ring kon vernietigen. Roelant stierf in de slag
bij Roncevalles. Achilleus werd geraakt door een giftige
pijl.
Dus, landgenoten, laat uw held omgaan met tegenslag. Sven is nog
maar 23. Hij is niet gesneuveld en hij hoeft niet met een draak
te vechten. Tegenslag zal hem niet slechter maken. Het hoort bij
het leven. Het hoort bij helden.
Lees hier het commentaar van coach Suzanne Unck
“ Vertel eens juf, bent u wel eens echt kwaad geworden op
studenten?” de vraag wordt gesteld door een vrolijke jongen
aan wie ik ooit mijn eerste les gaf, hier op de Hogeschool. De
biertjes vinden gretig aftrek op deze borrel onder
Tl-licht.
Hier houd ik van, een informele sfeer die ontstaat tussen
studenten en docenten, het voetstuk is verdwenen, we zijn
gelijkwaardig. Ik vertel het groepje jongens hoe ik HBO-onderwijs
zie, dat ik het belangrijker vind dat het een prettige sfeer is,
dan dat je een speld kunt horen vallen. Dat je terugkrijgt wat je
oproept. Dan hoef je dus weinig uit je vel te springen. Ze
buitelen over elkaar heen in antwoorden, over
aardrijkskundeleraren die boos werden, over wiskundeleraren de
geen orde konden houden ... ik heb ook mijn anekdotes en er
ontstaat een heerlijk rommelige discussie over onderwijs en
lesgeven.
De laatste weken heb ik veel nagedacht. Ontzettend veel. Ik heb
opties afgewogen tot ik zelf een ons woog. Ik ben een
piekerkoningin geworden en daarna weer van mijn troon gestapt.
Maar ik zei mijn baan op. En dat betekent: vertrekken uit het
onderwijs.
Als het leven je met de neus op de feiten drukt, zoals met ziekte
en dood, leer je jezelf beter kennen. Ik kwam er daardoor
langzaam achter, dat ik in mijn baan niet langer op mijn plek
ben. Het lesgeven heeft me nooit verveeld, het begeleiden ook
niet. Ik vond het alleen jammer dat ik niet meer tijd had om na
te denken, concepten uit te pluizen. Ik wilde niet langer
uitleggen hoe ze een rapport moeten opstellen, maar er zelf een
schrijven.
Een doorzetter ben ik. Echt, als ik iets wil, berg je dan maar.
Wilskracht heeft me veel gebracht. In korte tijd heb ik mijn
scriptie geschreven, om maar eens wat te noemen. En vroeger, op
school ging ik ook altijd door waar sommige mensen afgehaakt
zouden zijn.
Maar, laatst heb ik iets groots los moeten laten, een ambitie, een idee van toekomst. De pitbull moest haar kaken ontspannen.
Het schijnt dat je, als je veel geïnvesteerd hebt, meer het gevoel hebt dat je ermee door moet gaan. Je moet dan niet alleen accepteren dat het niet gaat lukken, maar ook dat je de energie niet meer terug kunt krijgen. Een niet behaald doel roept bovendien een bepaalde spanning op, die pas wegtrekt als je je doel bereikt hebt. En soms zul je het niet bereiken, dus er blijft een bepaalde spanning, stressgevoelens. Je blijft je afvragen of je er goed aan hebt gedaan.
Opgeven viel niet mee. Het frappante is, dat een fanatieke
doorzetter niet zo goed weet wanneer het genoeg is, wanneer je de
handdoek in de ring moet gooien.
Maar, toen het besluit eenmaal genomen was, kon ik me – gek
genoeg - niet meer voorstellen dat ik er zo lang over had moeten
tobben. Het leek plots heel logisch en juist
Opgeven is niet populair in onze maatschappij. Moed staat hoog
aangeschreven. Je moet je dromen najagen. Helden gaan door. Maar
ik heb deze week geleerd, dat helden ook wel eens iets laten
varen. Voor jezelf zorgen, beseffen dat het zo niet gaat, is ook
best stoer.
En dus heb ik mijn baan opgezegd.
Toch ging er even een steekje door mijn gemoed, op de
vrijdagmiddag tussen de studenten en het goedkope bier. Ik merkte
dat het me speet dat ik deze jongens niet zou zien stagelopen,
dat ik ze niet zou zien afstuderen. Blijkbaar kun je mij
wel uit de school halen, maar de school gaat nooit helemaal uit
mij. Dat is maar goed ook.
Niet alleen zie ik wel wat in een voor eeuwig lerende en
docerende houding, anderzijds betekent het dat jaren in het
onderwijs geen vergooide jaren zijn geweest. Misschien geldt dat
wel voor alles wat je met je hart hebt gedaan.
Het vrouwenboekenbal
feminisme opzij vrouwenboekenbal boekenbal schrijvers schrijven literatuur vooroordelen
Juliet:
"What's in a name? That which we call a rose
By any other name would smell as sweet."
Romeo and Juliet (II, ii, 1-2)
Beste Margriet,
Shakespeare liet Juliet zeggen dat een naam een betekenisloze, kunstmatig conventie is. Een naam is maar een naam. Was het maar zo simpel. Namen zeggen juist heel veel. Namen blokkeren soms de vrije blik. Namen drukken stempels. Mensen maken zich enorm druk om hoe de dingen heten.Ze voelen zich erdoor in de kuif gepikt. Dat was in ieder geval zo, bij het vrouwenboekenbal. Columnisten, bloggers en twitteraars vielen over de naam van dit feestje.
Tendens van de kritiek was, dat men zich afvroeg waarom vrouwen nu zo nodig een eigen boekenbal moeten hebben. Alsof Opzij het had georganiseerd als protest tegen het gewone boekenbal. Er werd Opzij veel in de schoenen geschoven, terwijl weinigen de moeite namen om te kijken waar het feestje nu echt om ging. Het vrouwenboekenbal was er om de lezende en schrijvende vrouw centraal te stellen, niet om de mannen af te zweren. En het was natuurlijk om de Opzij literatuurprijs uit te reiken.
Ik denk dat Opzij wel had mogen nadenken over het vervelende stof dat de naam vrouwenboekenbal doet opwaaien. Mannen kregen het idee dat ze aan de deur geweigerd zouden worden. Het aloude beeld van feministische feestjes met tuinbroeken en welig tierende okselharen kwam weer eens op. Dat is dan misschien hartstikke onterecht, maar wel logisch: feminisme heeft nog altijd een imagoprobleem, daarbij help zo’n titel voor het feestje niet. Mensen voelen zich nu eenmaal snel buitengesloten en ze hebben vooroordelen. Jammer maar helaas.
Vrouwen moeten nu maar eens af moeten van hun stigma; als je in ongelijkheid blijft denken,dan blijft het bestaan. Waarom zou een man niet de Opzij literatuurprijs kunnen winnen eigenlijk? Wanneer vrouwen aparte prijzen krijgen heeft dat een zweem van vooruitschuiven, alsof de vrouwen extra geholpen moeten worden. Natuurlijk is de prijs niet voor bedoeld, maar ik denk dat die schijn vermeden moet worden in de 21e eeuw.
Margriet, je doet het echt hartstikke goed. Opzij is vernieuwd en het is een fantastisch blad.
Dat gedoe met die naam wordt gelukkig ook vanzelf opgeslost, omdat het van de CPNB volgend jaar onder een andere naam verder moet.
Ik hoop dat het een naam wordt die de vooroordelen doodkietelt en die antifeministen niet zo in de kaart speelt. Het is gewoon leuker om er iets positiefs of creatiefs mee te doen.
Ik denk graag met jullie mee!
Groetjes
C.
Ze is een studente aan de HBO-opleiding waar ik lesgeef. Ze is ook vluchtelinge. Af en toe schreef ze me mailtjes. Over wanneer ze tentamen moest doen bij voorbeeld, of over hoe dat in zijn werk zou gaan. De mailtjes waren prachtig geschreven, maar dan zoals trieste liedjes prachtig zijn. Ik had haar niets gevraagd, maar ze schreef dat ze veel had gezien. Ze wenste dat we de beelden in ons netvlies konden wissen.
Op een dag kreeg ik weer een mailtje. Het was anders dan de
eerdere. De collega’s om me heen, de kleuren van de dag, ze
waren even verstild. “Ik lees een afscheidsbrief”
besefte ik met een schok.
We belden de politie. Ze zouden haar zoeken. In de avond werd ze
gevonden.
Ze leeft nog, dat wel. Maar laten we zeggen, dat ze iets had
gedaan waardoor ze dood had kunnen gaan, waardoor het niet veel
scheelde of ze was gestorven.
De hele dag was ik aan het peinzen. Waarom doet iemand zoiets? Ze
zeggen dat de mensen die een poging doen, meestal niet echt dood
willen. De pogers verlangen dat er een einde komt aan de wanhoop,
niet perse aan het leven. Hadden wij als docenten iets kunnen
doen? Had ik iets kunnen zeggen? Of groeit zo'n besluit
onafhankelijk van de buitenwereld?
De een ligt in met gebalde vuisten op zijn sterfbed omdat
‘ie de aarde niet wil verlaten. Hoe kan zo’n jonge
meid al willen sterven?
Ik kan er niet bij.
Mijn eerste #IFFR en #IDFA
iffr filmfestival rotterdam,idfa,film,documentaire docu
Ik weet niet precies waarom het opeens zo is gekomen, maar de
laatste tijd doe ik veel dingen voor het eerst. Waarschijnlijk is
er iets in gang gezet, dat ik na zo veel rouw de neiging krijg om
vooral te leven. Zoiets zal het zijn.
Zo ging ik voor het eerst naar het IDFA. Eigenlijk wou ik er al jaren
heen, maar het beperkte zich tot lezen in de krant dat het alweer
voorbij was.
Het werd memorabel. En niet alleen om dat er een meisje naast me
zat dat de hele tijd “fuck, fuck, fuck” zei als
commentaar op de documentaires die we geserveerd kregen. Ik heb
mijn ogen uitgekeken. Ik ben gefascineerd geraakt door al
dat hippe volk dat er komt en ik moet nog wel eens denken aan de
jongen die op een tafel stond en bewegwijzeringen omriep. We
kwamen er snel achter, dat je op je plek kwam door precies het
tegenovergestelde te doen van wat hij zei.
Ik zag vier prachtige documentaires, die me nu al weken
bijblijven. Zo was er een korte film die onder andere over
de Ernest Hemingway -lookalike wedstrijd
ging. En een film over een winkelcentrum in China waar nooit iemand
kwam. En eentje over Berlusconi’s
invloed op de media. Het meeste indruk maakt de film over
Birmese vluchtelingen die naar Engeland
verhuisden en gevolgd werden tijdens hun nieuwe leven.
Gesterkt door deze ervaring, ging ik gisteren voor het eerst naar
het filmfestival in Rotterdam, het IFFR. Ik ging met een
kennis van een kennis, iemand die ik nauwelijks kende, dat was
dus ook best spannend. Maar, ik besloot dat ik het gewoon ging
doen. We gingen 29 korte films zien, er zou er heus wel eentje
tussen zitten die de reis naar Rotterdam waard was. Dus, zelfs
als de kennis van de kennis zich tot een ongezellige heks zou
ontpoppen, zou de dag waarschijnlijk heel leuk worden. Niet te
veel verwachten, dan valt alles mee.
En dat deed het.
De kennis van een kennis bleek een heel aardig iemand, een fijne
gesprekspartner en ze had hetzelfde gevoel voor humor. Zo kwam
het dat we schaterlachten toen we beseften dat we al 5 minuten
naar flikkerende beelden van bomen aan het kijken
waren.
De film Garud was schitterend, beelden van het leven in een
arm flatgebouw in India. Kamer voor kamer keken we in, als
voyeurs. We werden ook meegevoerd naar de Noordpool en naar een trieste disco in
Oostenrijk waar een fabrieksarbeidster danste met een
elvis-imitator. Natuurlijk zagen we ook dingen die ons niet
konden bekoren. Veel te artistiekerig, naar mijn smaak, was een
film waarin acteurs een dialoog oefenden,
afgewisseld met beelden van een leeg gay palace. Maar och. Ik zag
ook prachtige animaties, zoals Saison Mutante. Het mooiste was nog wel “dreams from the woods”, een heel
simpel filmpje over een vogeltje in het bos, dat me weer liet
zien hoe weinig er nodig is voor een goed verhaal.
Of dingen af en toe voor het eerst doen een must is, weet ik
niet. Maar, misschien is het goed om jezelf van tijd tot tijd in
nieuwe situaties te brengen. Dan blijf je leren durven. Durven is
wel hard nodig in het leven. Misschien kun je je zelf daar een
beetje in trainen, door af en toe iets te wagen. En als je je er
niet in kunt trainen, dan heb je het in ieder geval leuk gehad in
de tussentijd. Ook mooi.
Lievelings
polaroid,anniemg,annie m.g schmidt,biografie,annejet van der zijl,serie,
" Het valt me tegen" zei Hetty Blok deze week in De Wereld Draait
Door, toen haar gevraagd werd naar haar mening over de serie
AnnieMG, die op het moment elke zondag wordt uitgezonden. Ze vond
verder, dat er te weinig in gelachen werd. Ik vroeg me af, of ze
het misschien niet zo'n goede serie vond omdat ze er totaal niet
in voorkomt. Het zou kunnen. Annie heeft voor mij een soort
magie. Ik vind de serie mooi. Het boek, die biografie door
Annejet van der Zijl, is ontzettend goed. Het staat nooit in mijn
kast omdat ik het telkens herlees. Het ligt dus altijd naast mijn
bed. Wat vindt u van de serie Annie MG? En wat vond u van het
boek?
Deze uil staat op een bekend cafe in mijn stad. Als je van buiten
naar binnen kijkt, dan lijkt hij zich een beetje te schamen voor
de taferelen die achter het raam gebeuren. Als je binnen bent en
naar buiten kijkt, dan lijkt het net of hij sip is omdat hij niet
mag binnenkomen en delen in de feestvreugde. En zo blijft hij
altijd in een soort vagevuur tussen binnen en buiten. Ik snap wel
dat hij zielig kijkt, eigenlijk.
Of ziet u het heel anders?
Polaroid-billen
polaroid,billen,kont,design,meubel,meubels,stoel,hogeschool,
In de jaren tachtig al, was ik dol op onze polaroidcamera. Niet
alleen omdat ik dol was op het direct-klaar-principe, maar
ook omdat het een mooi idee is om de werkelijkheid eventjes in te
kaderen. Polaroids zij simpel en mooi.
In augustus vorig jaar herontdekte ik de polaroid. Het gebeurt
niet meer via een grote camera die vreemde geluiden maakt, maar
via de Iphone. Weer even een stukje wereld in het mooie
witte kadertje. En af en toe deel ik er eentje met u, plus mijn
mijmeringen erbij.
Hierbij de eerste, een stoel die ik tegen kwam op een Hogeschool. Op deze stoelen zitten studenten met docenten te overleggen, of komen werkgroepjes samen.
Wat vindt u ... leuk of walgelijk?
Romeo en Julius
homosexualiteit,homo, homodiscriminatie, geloof, religie, bijbel, begrafenis
Gisteravond sprak ik boer Kees in het kroegje aan de overkant. Nu
is het kroegje aan de overkant een kroegje voor mannen die op
mannen vallen. En voor vrouwen die op vrouwen vallen. En voor ons
dus, want wij zijn als buren altijd welkom, ondanks dat we hetero
zijn.
"Ben je al benaderd voor boer zoekt man?" vroeg ik hem. Hij
vertelde dat dit inderdaad het geval was, maar dat hij toch maar
had besloten het niet te doen. Vanwege de kerk. "Vanwege de
kerk?" vroeg ik verbaasd. Welzeker.
In het kleine dorp waar boer Kees woont, is homoseksualiteit een
enorm taboe.
Toen Kees naast zijn geliefde achter de kist van zijn onverwacht
gestorven vader had gelopen, kwam de dominee de volgende
dag zeggen dat Kees zich maar beter kon uitschrijven. Dit
gebeurde in 2007.
Ongelovig staarde ik hem aan. Het moeten verbergen van je voorkeur, lijkt me iets van dertig jaar geleden of nog langer.
Mijn moeder viel op vrouwen. Ze was lesbisch, zoals dat heet. Dat
ik dat nu zomaar kan opschrijven, is eigenlijk een wonder. Zij
heeft dat nooit zo open kunnen doen in ieder geval, ze heeft het
haar hele leven verborgen gehouden. Haar ouders wisten het niet,
officieel. En ook op haar werk werd er niet over gesproken. Het
kon niet zijn.
Zij hoopte altijd dat het anders zou worden, dat er een
maatschappij zou ontstaan waarin alle liefdes zouden mogen.
Ze zong vaak "sorry dat ik besta":
" Er moest toch een liedje zijn,
Al was 't alleen maar een refrein,
Al waren 't maar vijf regeltjes,
over Romeo en Julius
Maar daar zijn we nog niet aan toe -
Taboe, Taboe -
Geen aria's, nooit aria's
Voor de paria's
Maar over veertig jaar, wie weet,
Staan er liedjes in de hitparade,
Niet alleen maar over hij en zij,
Maar ook over hij en hij,
Liedjes over hem en hem,
Zonder aarzeling of rem
Dan zingt iedere romanticus
Heel gewoon, zo is het dus
Romeo en Julius "
"Ze zeggen dat ik me tegenover God zal moeten verantwoorden" zei
boer Kees
" Dat denk ik niet," zei ik "volgens mij is God nog altijd
liefde. Kijk maar naar de brieven van Johannes. Die dominee zich
straks moeten verantwoorden, niet jij" Geen idee waarom ik het
zei, zo Bijbels ben ik niet, waarom het in me opkwam weet ik
niet, maar het leek het enige juiste om te zeggen.
Aan het eind van de avond, zag ik boer Kees glimlachend de nacht in verdwijnen, innig gearmd met een mooie Indische jongen.
Een meisje
verontrusting, verliesverwerking, overlijden, dood, wees, studentenleven, rouw
In de verte zie ik haar fietsen, een meisje dat ik ken van mijn
studie. Ze is nog niet binnen gehoorsafstand. Zwaaien dus. Net
als ik mijn hand wil opsteken om naar haar te zwaaien, bevriest
mijn arm in mijn jaszak. Ik zie namelijk dat ze mij ziet, maar
snel haar hoofd omdraait. In een seconde of twee is het gebeurd.
Ze kiest ervoor om mij niet te zien.
Het is al vaker gebeurd. Dit is waar mensen me voor gewaarschuwd
hadden, besef ik. Ik wilde het niet geloven, dat mensen je echt
uit de weg gaan als je net iemand verloren hebt. Maar het lijkt
zo te zijn.
Het is voor meisjes als de fietsende dame onverteerbaar dat haar
moeder en haar vader er op een dag niet meer zullen zijn. Ergens
in haar achterhoofd weet ze wel dat het zo is, dat het ooit
gebeurt. Maar, ze worden honderddrie, houdt ze zichzelf voor.
Deze ouders zullen hun dochter zien afstuderen, trouwen, baren,
haar kinderen zien opgroeien en dan, als het echt niet meer
anders kan, als hun kleinkinderen ver in de twintig zijn, zullen
haar ouders pas hun ogen sluiten. Met dat idee leeft ze.
Maar ja, dan ziet ze mij,
vertegenwoordiger van de club van weesmeisjes, het levende bewijs
dat het leven anders kan zijn. Onoverkomelijk is de neiging van
de mens om datgene wat ons verontrust te negeren.
Verontrusting staat het leven in de weg, zeker het leven van een
carrièrebouwende, feestende studente.
Van alle zaken die ons kunnen verontrusten, verontrust de dood
ons nog het meest. En daar loop ik dan plots, als
vertegenwoordiger van de dood. Nou ja, als vertegenwoordiger van
het feit dat je ouders zullen sterven dan toch. Ik heb niet de
hele dood in mijn portefeuille.
Ik verwijt het haar eigenlijk niet, dat ze haar hoofd omdraait.
Een jaar of twee geleden, was ik zo’n fietsende dame die
het zich kon permitteren om de vreselijke dingen uit te bannen.
Leven is uitbundig en luidruchtig feesten om de stille stem van
de dood niet te hoeven horen.
Maar helaas, ik
ben dat meisje niet meer. Ik hoop voor haar dat ze het nog lang
mag blijven.
Maandag had ik een gesprek met mijn baas. Ik zag ertegen op, dus
ik zuchtte een beetje op de werkplek. Een collega probeerde me
erboven op te helpen. “De truc is,” zo zei ze
“om gered te worden”. “Gered te worden?”
zei ik. Ik trok mijn wenkbrauwen op. “Die mannen zijn
onzeker, door de emancipatie” wist mijn collega “we
moeten ze weer de ridder op het witte paard laten
voelen”.
Toen ik door de lange gangen naar het kantoor van mijn baas liep,
echooden haar woorden in mijn hoofd. Ik moest een
beetje grinniken. Mijn baas was – zelfs met de beste wil
van de wereld- niet voor te stellen in een harnas. Of op een wit
paard.
Maar een beetje gelijk had mijn collega natuurlijk wel. Ik
bedoel: mensen willen niet het gevoel hebben dat je het zelf
allemaal wel zonder ze kunt. Iedereen wil nodig zijn, iedereen
wil het idee dat men op je zit te wachten.
Ik vind dat nog wel eens lastig, mijn kwetsbare kant laten zien.
Zelfs toen ik helemaal niet goed in mijn vel zat, liep ik als
Kenau Simons Hasselaar door de gangen. Kwetsbaar zijn is
moeilijk, maar misschien wel eens goed. Dat moest ik maar in
m’n achterhoofd houden, tijdens het gesprek met de
baas.
Een uur later kwam ik terug in onze kamer. “Hoe ging
het?” vroeg mijn collega gretig.
“ Ik denk dat het wel goed ging” zei ik “dank
voor je advies”. “Mannen willen redden, neem dat van
mij aan” zei ze “give them back their
balls!”
Ik zal eens kijken of dat in mijn taakomschrijving staat...
Toen ik net te horen had gekregen dat mijn moeder spoedig dood
zou gaan,kreeg ik een lieve kaart van een vriendin. Ze had ook
het gedicht “eb” van Vasalis erbij
gedaan.
Het eindigt met de zin “Er is geen tijd. Of is er niets dan
tijd?”. Een zin die mij altijd al aan het denken zette,
maar nu helemaal, zeker omdat je de woorden op zoveel manieren
kunt opvatten. Ik heb veel gemijmerd. We hadden geen tijd meer
samen, maar wel heel veel tijd om op terug te kijken. Tijd
bestaat eigenlijk niet, maar is toch het enige wat we hebben. We
hebben nu zo weinig tijd, maar wel de eeuwigheid.
“Nog vijf weken en dan gaan we op vakantie, lief”
zegt F. om me moed in te spreken. Het valt me niet altijd
mee om de dagen door te komen. Ik pak mijn agenda
erbij.“Nee, hoor … over zes weken gaan we” zeg
ik. “Oh ja, nou zes weken is toch ook niet veel?”. F
is zo vrolijk dat hij aan een kwispelende labrador doet
denken.
Natuurlijk wil ik geen roet in het eten gooien, maar ik vind zes
weken een eeuw. Er kan zoveel veranderen in zes weken. Ik bedoel
:zes weken geleden wisten we nog niet eens dat mijn moeder ziek
was, nu worden de bloemen op haar graf al bruiner.
Ik moet nog 125 tentamens nakijken, die nu nog niet eens zijn
geschreven. Ik moet naar de notaris. Nog 39 nachten slapen. Er
komen 66 werkstukken aan. Ik moet naar de bank. Vijf weekenden. 3
weken lesgeven.
Aftellen mag dan verleidelijk zijn, het lijkt me beter om de tijd
maar gewoon per dag te laten komen en intussen te doen wat ik
moet doen. Ik kijk uit naar het kleine huisje in Frankrijk dat op
ons wacht. Ik sla me door die weken heen, dat weet ik wel. Ze
zullen sneller gaan dan ik nu denk, heus.
Maar er is geen tijd en eigenlijk is er niets dan tijd.
Dit stukje schreef ik op 2 juni 2009
Toen ik hoorde dat mijn moeder zou overlijden, dacht ik dat ik de
enige was die ooit een dierbare verliest. Wanneer je iets heftigs
meemaakt denk je nu eenmaal dat je het centrum van het universum
bent. Zoals een puber denkt dat hij de enige is die puistjes
heeft. Of zoals een zesjarige even de sensatie heeft, dat hij de
enige is die alles lezen kan.
Dat ik niet de enige was die rouwde, bleek -natuurlijk- al heel
vlot. Eigenlijk is de dood het gewoonste wat er is.
Iedereen doet het.
Alleen al in Nederland sterven jaarlijks 130.000 mensen. Dat zijn
er dus 400 per dag. Als je ervan uit gaat dat
zo’n overledene ongeveer vier dierbare naasten heeft, zijn
er dus zo’n 600.000 mensen per jaar in Nederland die
hetzelfde meemaken als ik.
Ik ben dus verre van de enige.
En als de cijfers me niet zouden overtuigen, dan zouden de mensen
in mijn omgeving dat wel doen. Iedereen heeft wel eens iemand
verloren. En nu ik als rouwende in het wild rondloop, komen alle
verhalen naar me toe.
Het gesprek volgt altijd een zelfde stramien. Ik merk dat ik een
soort publieksversie van mama’s sterven ontwikkeld heb, ik
kan nu vertellen hoe het was, de waarheid recht doen en toch
zonder trillende stem of tranen vertellen. Na mijn relaas volgt
dan de overledene van mijn gesprekspartner.
Je zou het irritant kunnen vinden, of op zijn minst irrelevant.
Maar, zo werkt het niet. Als we samen praten over onze doden, dan
is het net of het allemaal iets minder zinloos wordt. Merken dat
je niet alleen bent is louterend. Je hoort bij een clubje. Het is
niet waar dat gedeelde smart halve smart is, maar het haalt even
de scherpe randen van je smart, denk ik
Mijn postvak leegmaken, dat leek me het vervelendst. Studenten zouden dingen ingeleverd hebben en ik zou weer worden meegesleurd in een maalstroom. Het moment van onderdompeling, dat leek me het moeilijkst. Niet het ondergedompeld zijn.
Ik was gisteren voor het eerst sinds een maand weer op
m’n werk. Ik zag ertegen op en tegelijkertijd wilde ik
niets liever. Als ik een ding ontdekt heb tijdens het sterven en
rouwen, dan is het wel dat ik van leven houd. Of, specifieker,
dat ik van mijn leven houd. Ik wilde dan ook niets liever
dan weer werken. Natuurlijk wist ik dat niets zou zijn zoals het
was, maar ik had behoefte aan wat reuring om me heen. Ik snakte
naar stromen.
Anderzijds wist ik niet goed, hoe ik me
houden zo. Ik ben een dame die zich schrap kan zetten, heus wel,
maar ik had nog geen idee hoe ik me in de buitenwereld zou
houden.
En ja hoor, daar waren de werkstukken. Oh God. Ik probeerde rust te houden en mijn ademhaling niet met me op de loop te laten gaan. Stap voor stap. De twee kleine enveloppen bovenin zou ik als eerste openen.
Daar lag een kaart van J, het neefje van een vriendin. Hij heeft
een vrolijk gezicht en ik word altijd een beetje blij als ik hem
zie. Hij studeert aan de Hogeschool waar ik werk. En ik zie hem
elke dag, hoewel ik hem geen lesgeef of zelfs maar iets van doen
heb met de studie die hij doet. Vreemd eigenlijk, op de
Hogeschool waar ik werk zitten maarliefst 6000 studenten.
Hij schreef dat ik hem altijd mocht bellen of opzoeken, als ik
behoefte mocht hebben aan een broodje, koffie, een terrasje, een
gesprek of een slechte grap.
Of de maalstroom ooit koffie toelaat, weet ik nog niet. Ik hoop
het wel. Maar, daar gaat het eigenlijk niet eens om. Het
gaat erom, dat het kan. Hij herinnerde me aan goedertierenheid en
dat was het duwtje in de rug dat ik nodig had. Want, door deze
kleine handreiking, van iemand die ik nota bene amper ken, werd
mijn hart zo verwarmd dat ik de dag aan kon.
Dankewel J.
Van de meeste situaties of momenten kun je wel inschatten dat ze
pijnlijk kunnen gaan zijn. Voor het eerst weer over de
drempel stappen in mama's huis lijkt me moeilijk, net zoals het
bezoeken van haar graf.
Gelukkig kun je voorbeschouwen, de bui zien hangen en je alvast
indekken. Daardoor wordt het niet minder pijnlijk, maar wel
minder onverwacht. Je neemt de struikrover wat wind uit de zeilen, zeg
maar.
Nee, gevaarlijker zijn de momenten waarop je je niet had
voorbereid, momenten die je klaarblijkelijk verkeerd had
ingeschat. Plotse pijn is nu eenmaal veel zwaarder dan pijn waar
je je op voorbereidt.
Al tijdens mama's ziekbed dacht ik aan een weekendje bij de
ouders van meneer F. Heerlijk leek het me, eten op het terras en
lekker praten en thee drinken. Ik zag er naar uit me onder te
dompelen in alle verhalen en de geborgenheid. Ook F's zus en haar
vriend zouden komen. Het zou perfect zijn, zoveel was
zeker.
Maar, daar was opeens het grote besef dat F een thuis heeft. Hij
kan verhalen vertellen en advies vragen over alles. Elke futileit
kan hij kwijt. Hij kan kind zijn, ookal is hij bijna 32. Voor mij
is dat nu gedaan, ik ben geen kind meer. Nooit.
Natuurlijk wist ik al dat hij nog wel een ouderlijk huis heeft en
ik niet, maar opeens raakte het mij als een enorm klap tussen de
ogen.
Gelukkig realiseerde ik me, dat je zelf een nieuw thuis kunt
maken. En dat ik ondanks alles rijk ben. Zoveel mensen redden
het. Geborgenheid komt niet alleen van je ouders. Het kan overal
zijn.
Maar het duurde lang voordat dat gevoel echt doordrong en
tenslotte, een beetje,troostte.
De zon scheen vandaag. Ik besloot mijn nieuwe rok aan te doen. Met blote benen liep ik door de straat. Ik had nog getwijfeld, over die benen, omdat ze zo wit zijn. Maar ik besloot dat het mei was en dat benen toch eens de kans moeten krijgen om te bruinen.Of om sproetjes te krijgen.
Ik ging lunchen met Ruby, mijn lieve collega die me alle dagen mailde in de verdrietige dagen van mama's sterfbed. Niet alleen leek ze me te begrijpen en steunde ze me, ook zorgde ze dat ik op de hoogte bleef van de roddels op ons kantoor. Ik verheugde me dus op Ruby, op gezellig een uurtje samen doorbrengen, lachen.
En opeens, terwijl ik dacht aan de komende ontmoeting en het hardlopen van die ochtend, was het alsof ik werd geraakt door een losse flodder. Ik had het niet zien aankomen. Net nu ik dacht dat het best goed ging, net nu ik zowaar ergens zin in had en vrolijk meneer F gedag had gezoend. Net nu. Opeens viel het verdriet als een net over me heen.
Zo zal het zijn, wist ik plots. Verdriet is geen constante stroom. Ja, de eerste dagen misschien of als je moe bent. Maar over het algemeen zal leed opkomen op moment dat je je niet schrap zet, dat je er niet op bedacht bent, dat je zelfs denkt een beetje gelukkig te zijn.
Ik zoek naar woorden.Ja, het is een struikrover die opeens opspringt. Verdriet is een struikrover.
Zo zal het zijn.
Un soir, que je rentrais chez moi.
Partout, elle me fait escorte.
Elle est revenue, elle est là,
La renifleuse des amours mortes.
Elle m'a suivie, pas à pas.
La garce, que le Diable l'emporte !
Elle est revenue, elle est là





