NL bij de VN
In New York

Het zit er op. We zijn net opgestegen van JFK en morgenochtend
vroeg landen we weer op Nederlandse bodem. Toen ik aan boord ging
slaakte ik een kleine zucht van verlichting. Keihard gewerkt deze
week, veel kunnen doen, maar het vooruitzicht van een weekend thuis
is heel aanlokkelijk.
Ik wil deze weeklog niet afsluiten zonder iedereen te bedanken voor hun reacties. Ministers zijn misschien slechte bloggers (twitteren is sneller en gaat me makkelijker af). Ik heb tussen de bedrijven door te weinig tijd gehad om te reageren, al heb ik af en toe wel kunnen lezen wat jullie denken. Mijn excuses. Ik heb geen reacties verwijderd, ook al jeukten mijn vingers af en toe. Zeggen waar het op staat – dat spreekt mij als minister en politicus zeer aan – maar ik weet niet of Nederland ver zou komen bij de VN als we de discussie op de toonhoogte zouden voeren waarop veel reacties zijn geschreven.
Wat me opviel – maar niet verbaasde – was de heftigheid waarmee over de Verenigde Staten wordt gesproken. Amerika streeft net als ieder ander land ter wereld ook zijn eigen belang na, het wil het beste voor zijn burgers. Dat is voor Nederland niet anders. Waar de verleiding voor een supermacht groot is om dat desnoods met kracht af te dwingen, is Nederland als een relatief klein land aangewezen op internationale afspraken. Verenigde Naties zijn dé plek waar deze verschillende landsbelangen met elkaar afgestemd kunnen worden.
De uitdaging is de Verenigde Naties voor die verleidingen van een supermacht te behoeden. Dat doe je niet met enkel preken, zoals sommige reageerders, maar ook niet door slaafs te volgen. Nederland stelt als vriend en bondgenoot van de VS misstanden zoals Guantanamo Bay aan de kaak. En dat gaat dan niet op de wijze die Mihai suggereert [26-09 7.14 uur].
Want de vraag hoe je in het internationaal recht moet omgaan met daders van terroristische aanslagen is belangrijk. Het is aan ons allemaal, en niet alleen aan de VS, om die te beantwoorden. Nederland, dat veel expertise heeft op het gebied van internationaal recht, stimuleert daarom het werk aan juridische alternatieven. Ik signaleer echter een breder probleem: als internationale organisaties, zoals de VN, geen oplossing kunnen bieden voor de problemen in de wereld, zullen lidstaten zich van die VN afkeren. Dat schreef ik al aan het begin van deze week.
En ik ben het met Mihai [21/9 17.34 uur] eens dat dit allereerst opgaat voor de machtige landen. Daarom blijft Nederland zich inzetten voor hervorming en verbetering van de VN. Maar ik moet ook realistisch zijn: als de VN wordt belemmerd in haar optreden, dan zullen landen buiten de VN om gaan opereren. En dat geldt niet alleen voor de VS. Juist in zo’n situatie is het goed om bondgenoten te zoeken die onze waarden delen. Met de Amerikanen delen wij de voorliefde voor vrijheid, democratie en mensenrechten. Voor die verworvenheden willen we samen met anderen opkomen.
Veel mensen schreven dat klimaatverandering het belangrijkste probleem van deze eeuw is, en wezen op de noodzaak ons gedrag te veranderen. Daar ben ik het van harte mee eens. Er is de afgelopen week ook veel over gesproken. Eind dit jaar beginnen er nieuwe onderhandelingen. Ik denk dat die een nieuwe vlucht zullen nemen als er een nieuwe president in het Witte Huis zetelt. Opkomende machten als China en India moeten dan ook volgen. Europa heeft op papier zijn huiswerk gedaan, maar zal in praktijk ook nog bergen moeten verzetten. We zullen meer moeten investeren in duurzame energie. We zullen onze energieafhankelijkheid moeten verminderen, dus ook moeten kijken naar de uitbreiding van kernenergie. Verder ligt er voor ons allemaal een taak: ons gedrag aanpassen en energiezuiniger leven. Innovatie is een manier, maar besparen hoort er ook bij.
Maandagochtend ben ik weer gewoon op kantoor in Den Haag, voor een gesprek met de VN-rapporteur voor Vrijheid van Godsdienst en Levensbeschouwing, de Pakistaanse Asma Jahangir. Nu een pil voor een paar uur slaap aan boord, straks een weekend zonder verplichtingen maar met - zucht - ongetwijfeld een hele grote stapel papier om door te nemen.
Ik wil deze weeklog niet afsluiten zonder iedereen te bedanken voor hun reacties. Ministers zijn misschien slechte bloggers (twitteren is sneller en gaat me makkelijker af). Ik heb tussen de bedrijven door te weinig tijd gehad om te reageren, al heb ik af en toe wel kunnen lezen wat jullie denken. Mijn excuses. Ik heb geen reacties verwijderd, ook al jeukten mijn vingers af en toe. Zeggen waar het op staat – dat spreekt mij als minister en politicus zeer aan – maar ik weet niet of Nederland ver zou komen bij de VN als we de discussie op de toonhoogte zouden voeren waarop veel reacties zijn geschreven.
Wat me opviel – maar niet verbaasde – was de heftigheid waarmee over de Verenigde Staten wordt gesproken. Amerika streeft net als ieder ander land ter wereld ook zijn eigen belang na, het wil het beste voor zijn burgers. Dat is voor Nederland niet anders. Waar de verleiding voor een supermacht groot is om dat desnoods met kracht af te dwingen, is Nederland als een relatief klein land aangewezen op internationale afspraken. Verenigde Naties zijn dé plek waar deze verschillende landsbelangen met elkaar afgestemd kunnen worden.
De uitdaging is de Verenigde Naties voor die verleidingen van een supermacht te behoeden. Dat doe je niet met enkel preken, zoals sommige reageerders, maar ook niet door slaafs te volgen. Nederland stelt als vriend en bondgenoot van de VS misstanden zoals Guantanamo Bay aan de kaak. En dat gaat dan niet op de wijze die Mihai suggereert [26-09 7.14 uur].
Want de vraag hoe je in het internationaal recht moet omgaan met daders van terroristische aanslagen is belangrijk. Het is aan ons allemaal, en niet alleen aan de VS, om die te beantwoorden. Nederland, dat veel expertise heeft op het gebied van internationaal recht, stimuleert daarom het werk aan juridische alternatieven. Ik signaleer echter een breder probleem: als internationale organisaties, zoals de VN, geen oplossing kunnen bieden voor de problemen in de wereld, zullen lidstaten zich van die VN afkeren. Dat schreef ik al aan het begin van deze week.
En ik ben het met Mihai [21/9 17.34 uur] eens dat dit allereerst opgaat voor de machtige landen. Daarom blijft Nederland zich inzetten voor hervorming en verbetering van de VN. Maar ik moet ook realistisch zijn: als de VN wordt belemmerd in haar optreden, dan zullen landen buiten de VN om gaan opereren. En dat geldt niet alleen voor de VS. Juist in zo’n situatie is het goed om bondgenoten te zoeken die onze waarden delen. Met de Amerikanen delen wij de voorliefde voor vrijheid, democratie en mensenrechten. Voor die verworvenheden willen we samen met anderen opkomen.
Veel mensen schreven dat klimaatverandering het belangrijkste probleem van deze eeuw is, en wezen op de noodzaak ons gedrag te veranderen. Daar ben ik het van harte mee eens. Er is de afgelopen week ook veel over gesproken. Eind dit jaar beginnen er nieuwe onderhandelingen. Ik denk dat die een nieuwe vlucht zullen nemen als er een nieuwe president in het Witte Huis zetelt. Opkomende machten als China en India moeten dan ook volgen. Europa heeft op papier zijn huiswerk gedaan, maar zal in praktijk ook nog bergen moeten verzetten. We zullen meer moeten investeren in duurzame energie. We zullen onze energieafhankelijkheid moeten verminderen, dus ook moeten kijken naar de uitbreiding van kernenergie. Verder ligt er voor ons allemaal een taak: ons gedrag aanpassen en energiezuiniger leven. Innovatie is een manier, maar besparen hoort er ook bij.
Maandagochtend ben ik weer gewoon op kantoor in Den Haag, voor een gesprek met de VN-rapporteur voor Vrijheid van Godsdienst en Levensbeschouwing, de Pakistaanse Asma Jahangir. Nu een pil voor een paar uur slaap aan boord, straks een weekend zonder verplichtingen maar met - zucht - ongetwijfeld een hele grote stapel papier om door te nemen.
Misschien kun je de Verenigde Naties inderdaad omschrijven als een
praatfabriek. Dat is wat ik deze hele week heb gedaan: praten en
luisteren. In de Algemene Vergadering, in hokjes in de gangen, en
in zaaltjes van hotels in de buurt van het VN-gebouw. Je kunt daar
makkelijk cynisch over doen: wat levert al dat gepraat eigenlijk
op? Geen woorden maar daden!
Maar de VN is een praatfabriek die uiteindelijk wel internationale spelregels en afspraken produceert. Zoals ik hier eerder schreef: voor de veiligheid en het welzijn van Nederland is het van levensbelang dat die internationale spelregels er zijn, en dat iedereen zich eraan houdt.
Het zijn hooggestemde idealen, waar ik deze week over heb gepraat: het tegengaan van de verspreiding van kernwapens, de politieke en economische ontwikkeling van Afrika, de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap om oorlogsmisdadigers te straffen en de bevolking te beschermen tegen genocide, ook als hun eigen regering dat niet doet.
Natuurlijk leveren zulke onderwerpen veel retoriek op, ook bij de Verenigde Naties. Een Europese collega die lang bij de VN heeft gewerkt, merkte gisteren op dat de retoriek door de verschuivende machtsverhoudingen de laatste jaren weer is toegenomen. Het wordt steeds moeilijker gemaakte afspraken uit te voeren, en doordat het veto weer terug is in de dagelijkse praktijk van de Veiligheidsraad, wordt het ook steeds moeilijker nieuwe resoluties aan te nemen.
Het groeiende wantrouwen in de wereld was ook deze VN-week te merken. De Russische minister van Buitenlandse Zaken Lavrov wilde niet samen met anderen te bekijken hoe Iran ertoe kan worden bewogen zijn kernprogramma te stoppen. In een bijeenkomst met de Europese Unie wilde hij zich niet laten overtuigen door de argumenten van mij en mijn collega's. Een gemiste kans: niemand heeft belang bij een nieuwe kernwapenstaat in een gebied waar crises aan de orde van de dag zijn, ook Rusland niet.
Maar soms zijn we deze week een stapje verder gekomen. Tijdens de laatste VN-top van wereldleiders, in de zomer van 2005, spraken landen af dat er zoiets is als de responsibility to protect, of kortweg R2P. Het betekent dat landen de plicht hebben hun bevolking te beschermen. Als regeringen dat niet kunnen of willen, moet de internationale gemeenschap dat te doen. Het is een afspraak om ervoor te zorgen dat we nooit meer een nieuw Cambodja, Bosnië of Rwanda krijgen.
Gisteren had ik de gelegenheid om met een paar collega's en experts te kijken hoe we de steun voor R2P kunnen vergroten. Veel regeringen krabbelen terug. Ze zijn bang dat R2P wordt gebruikt als excuus voor interventie. Maar R2P is juist: verantwoordelijkheid van regeringen stimuleren. Pas als regeringen zelf falen, komt de internationale gemeenschap in beeld. En militair ingrijpen, waar veel staten voor vrezen, zal altijd het laatste instrument zijn waarnaar wordt gegrepen. We hebben een gereedschapskist die volop andere mogelijkheden biedt: preventieve diplomatie, humanitaire hulpverlening, andere vreedzame middelen.
Aan het eind van de bijeenkomst was het duidelijker wat ons te doen staat. We hebben nu een instrument in handen dat door alle lidstaten van de VN is aangenomen. Misschien niet van harte, maar het resultaat telt. Nu moeten we op dat morele kompas leren varen. De tijd dringt: de Verenigde Naties debatteren begin komend jaar over R2P. Als de machines van de praatfabriek dreigen te gaan haperen, moeten we er een flinke zwengel aan geven.
Maar de VN is een praatfabriek die uiteindelijk wel internationale spelregels en afspraken produceert. Zoals ik hier eerder schreef: voor de veiligheid en het welzijn van Nederland is het van levensbelang dat die internationale spelregels er zijn, en dat iedereen zich eraan houdt.
Het zijn hooggestemde idealen, waar ik deze week over heb gepraat: het tegengaan van de verspreiding van kernwapens, de politieke en economische ontwikkeling van Afrika, de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap om oorlogsmisdadigers te straffen en de bevolking te beschermen tegen genocide, ook als hun eigen regering dat niet doet.
Natuurlijk leveren zulke onderwerpen veel retoriek op, ook bij de Verenigde Naties. Een Europese collega die lang bij de VN heeft gewerkt, merkte gisteren op dat de retoriek door de verschuivende machtsverhoudingen de laatste jaren weer is toegenomen. Het wordt steeds moeilijker gemaakte afspraken uit te voeren, en doordat het veto weer terug is in de dagelijkse praktijk van de Veiligheidsraad, wordt het ook steeds moeilijker nieuwe resoluties aan te nemen.
Het groeiende wantrouwen in de wereld was ook deze VN-week te merken. De Russische minister van Buitenlandse Zaken Lavrov wilde niet samen met anderen te bekijken hoe Iran ertoe kan worden bewogen zijn kernprogramma te stoppen. In een bijeenkomst met de Europese Unie wilde hij zich niet laten overtuigen door de argumenten van mij en mijn collega's. Een gemiste kans: niemand heeft belang bij een nieuwe kernwapenstaat in een gebied waar crises aan de orde van de dag zijn, ook Rusland niet.
Maar soms zijn we deze week een stapje verder gekomen. Tijdens de laatste VN-top van wereldleiders, in de zomer van 2005, spraken landen af dat er zoiets is als de responsibility to protect, of kortweg R2P. Het betekent dat landen de plicht hebben hun bevolking te beschermen. Als regeringen dat niet kunnen of willen, moet de internationale gemeenschap dat te doen. Het is een afspraak om ervoor te zorgen dat we nooit meer een nieuw Cambodja, Bosnië of Rwanda krijgen.
Gisteren had ik de gelegenheid om met een paar collega's en experts te kijken hoe we de steun voor R2P kunnen vergroten. Veel regeringen krabbelen terug. Ze zijn bang dat R2P wordt gebruikt als excuus voor interventie. Maar R2P is juist: verantwoordelijkheid van regeringen stimuleren. Pas als regeringen zelf falen, komt de internationale gemeenschap in beeld. En militair ingrijpen, waar veel staten voor vrezen, zal altijd het laatste instrument zijn waarnaar wordt gegrepen. We hebben een gereedschapskist die volop andere mogelijkheden biedt: preventieve diplomatie, humanitaire hulpverlening, andere vreedzame middelen.
Aan het eind van de bijeenkomst was het duidelijker wat ons te doen staat. We hebben nu een instrument in handen dat door alle lidstaten van de VN is aangenomen. Misschien niet van harte, maar het resultaat telt. Nu moeten we op dat morele kompas leren varen. De tijd dringt: de Verenigde Naties debatteren begin komend jaar over R2P. Als de machines van de praatfabriek dreigen te gaan haperen, moeten we er een flinke zwengel aan geven.
Deze week zijn we met de pont naar Governors Island gevaren .
Het was een kans om tussen al het vergaderen door even de wind in
je haar te voelen en vanaf het water de skyline van Manhattan te
bewonderen. In 1609 ging bij dit eilandje het Nederlandse schip de
Halve Maen voor anker. Het eilandje speelde een grote rol in de
stichting van Nieuw Amsterdam, zoals Russell Shorto zo mooi
beschrijft in The
Island at the Center of the World. De Nederlandse invloed
heeft volgens Shorto een blijvend stempel gedrukt op de Amerikaanse
melting pot.
De reis van de Halve Maen luidde het begin in van een vriendschap die tegen de tand des tijds bestand is gebleken. Voor mij staat buiten kijf dat Amerika en Europa samen nog steeds de drijvende kracht zijn achter een betere wereld. We moeten samen opkomen voor onze waarden en verworvenheden, om economische barrières aan te pakken en vrede te helpen waarborgen.
De afgelopen jaren waren niet de makkelijkste voor de relaties tussen Amerika en Europa. Als we met elkaar van mening verschillen, zoals over Guantanamo Bay, is het beter om elkaar op dit soort misstanden aan te spreken. Het zou een enorme vergissing zijn als we ons van de VS zou afkeren. De komst van Condoleezza Rice als secretary of state heeft veel goeds gedaan.
Elk half jaar vergaderen we als ministers van de Europese Unie met haar; vandaag was het de laatste keer. Het was opvallend hoeveel complimenten ze van mijn collega's kreeg. De EU-voorzitter concludeerde met een Frans gevoel voor charme: 'Condi, on t'aime'.
Na de verkiezingen krijgen we te maken met een nieuwe secretary en een nieuwe president. Die zal zich na zijn aantreden volop op Amerika zelf moeten richten, daar is geen ontkomen aan. De Verenigde Staten beginnen bepaald niet met een schone lei: de grootste bankencrisis sinds de oorlog, waarvan het effect op de economie onzeker is, en een immense schuldenlast. Als ik 's ochtends op mijn hotelkamer de tv aanzet en langs de zenders zap, zie ik duikelende koersen en sombere analisten.
Het zou me niet verbazen als de nieuwe president, wie dat ook wordt, minder de leiding neemt op het wereldtoneel dan ons, en ook hemzelf, lief is. Dat is geen goed nieuws: wij zijn beter af in een wereld waarin de Verenigde Staten overtuigend de leiding nemen dan in een wereld waarin grootmachten met een ondemocratisch regime een steeds grotere rol opeisen.
Europa heeft de VS heel hard nodig. Maar of dat omgekeerde ook het geval is, betwijfel ik. De VS ziet natuurlijk ook dat de wereld verandert, en zoekt naar nieuwe strategische bondgenootschappen, met partners die iets te bieden hebben. Als Europa te zwak en te verdeeld is om invloed uit te oefenen, zal de Amerikaanse aandacht voor ons verslappen.
Toen ik eerder dit jaar met de belangrijkste buitenlandadviseurs van de presidentskandidaten McCain en Obama sprak, lieten die daar geen twijfel over bestaan: Europa moet politiek en militair haar verantwoordelijkheid nemen. Ik ben het met ze eens. We kijken soms al te gemakkelijk naar de overkant van de Atlantische Oceaan om te zien wat er verandert, en zien over het hoofd dat Europa zelf ook zal moeten veranderen.
De reis van de Halve Maen luidde het begin in van een vriendschap die tegen de tand des tijds bestand is gebleken. Voor mij staat buiten kijf dat Amerika en Europa samen nog steeds de drijvende kracht zijn achter een betere wereld. We moeten samen opkomen voor onze waarden en verworvenheden, om economische barrières aan te pakken en vrede te helpen waarborgen.
De afgelopen jaren waren niet de makkelijkste voor de relaties tussen Amerika en Europa. Als we met elkaar van mening verschillen, zoals over Guantanamo Bay, is het beter om elkaar op dit soort misstanden aan te spreken. Het zou een enorme vergissing zijn als we ons van de VS zou afkeren. De komst van Condoleezza Rice als secretary of state heeft veel goeds gedaan.
Elk half jaar vergaderen we als ministers van de Europese Unie met haar; vandaag was het de laatste keer. Het was opvallend hoeveel complimenten ze van mijn collega's kreeg. De EU-voorzitter concludeerde met een Frans gevoel voor charme: 'Condi, on t'aime'.
Na de verkiezingen krijgen we te maken met een nieuwe secretary en een nieuwe president. Die zal zich na zijn aantreden volop op Amerika zelf moeten richten, daar is geen ontkomen aan. De Verenigde Staten beginnen bepaald niet met een schone lei: de grootste bankencrisis sinds de oorlog, waarvan het effect op de economie onzeker is, en een immense schuldenlast. Als ik 's ochtends op mijn hotelkamer de tv aanzet en langs de zenders zap, zie ik duikelende koersen en sombere analisten.
Het zou me niet verbazen als de nieuwe president, wie dat ook wordt, minder de leiding neemt op het wereldtoneel dan ons, en ook hemzelf, lief is. Dat is geen goed nieuws: wij zijn beter af in een wereld waarin de Verenigde Staten overtuigend de leiding nemen dan in een wereld waarin grootmachten met een ondemocratisch regime een steeds grotere rol opeisen.
Europa heeft de VS heel hard nodig. Maar of dat omgekeerde ook het geval is, betwijfel ik. De VS ziet natuurlijk ook dat de wereld verandert, en zoekt naar nieuwe strategische bondgenootschappen, met partners die iets te bieden hebben. Als Europa te zwak en te verdeeld is om invloed uit te oefenen, zal de Amerikaanse aandacht voor ons verslappen.
Toen ik eerder dit jaar met de belangrijkste buitenlandadviseurs van de presidentskandidaten McCain en Obama sprak, lieten die daar geen twijfel over bestaan: Europa moet politiek en militair haar verantwoordelijkheid nemen. Ik ben het met ze eens. We kijken soms al te gemakkelijk naar de overkant van de Atlantische Oceaan om te zien wat er verandert, en zien over het hoofd dat Europa zelf ook zal moeten veranderen.
Gisteren begonnen we in het VN-hoofdkwartier op 1st Avenue aan wat
ze hier het ‘algemeen debat' noemen. Van een debat heeft het
weinig weg: het is eigenlijk een aaneenschakeling van speeches, een
hele week lang. Toch zat de grote zaal afgeladen vol, zoals altijd
op deze eerste ochtend, en was het bijna dringen om bij het bordje
Netherlands te komen.
Ieder land heeft officieel een kwartier spreektijd: sommigen houden zich daar keurig aan, anderen gaan er dik overheen - het record stamt uit 1960 en staat op naam van Fidel Castro met 4 uur en 29 minuten. De speeches van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Zuid-Koreaan Ban Ki-moon, en van de voorzitter van de Vergadering, de Nicaraguaan D'Escoto, liepen dit keer een half uurtje uit. Dat betekende wel dat de Amerikaanse president Bush, die even later op de spreeklijst stond, al die tijd buiten voor de deur in zijn limousine moest zitten wachten.
Na de eerste toespraken vertrokken veel regeringsleiders en ministers, en worden de blauwe zetels in de zaal bezet door de Permanente Vertegenwoordigers of andere diplomaten. Want hoe indrukwekkend de retoriek en het spektakel ook zijn - het nuttigste werk doe je buiten de grote zaal.
In de middag hadden we in het huis van onze Permanente Vertegenwoordiger een bijeenkomst georganiseerd over de verhouding tussen vrede en gerechtigheid. De laatste tijd hoor je vaak dat de arrestatie van oorlogsmisdadigers de vrede in de weg staat. Een Engelse columnist schreef dat we moeten kiezen voor de rechten van de levenden in plaats van die van de doden. Geen theoretische kwestie: sommige landen willen dat de Veiligheidsraad de aanklacht tegen de Soedanese president Al-Bashir wegens de misdaden in Darfur voorlopig in de ijskast zet omwille van het vredesproces.
Ver van de drukte van het VN-hoofdkwartier zaten we met vijftien mensen rond de tafel in de eetkamer met een prachtig uitzicht op de East River: collega's uit Azië, Afrika, Amerika, Zuid-Amerika en Europa, kopstukken van de mensenrechtenbeweging, een hoge functionaris van het Amerikaanse State Department, een adviseur van de presidentskandidaat Obama, en de aanklager van het Internationaal Strafhof, Luis Moreno Ocampo. Ik was blij dat het was gelukt al deze mensen samen te brengen; dat kan alleen in de VN-week in New York.
Het is in het belang van Nederland dat oorlogsmisdadigers hun straf niet ontlopen en de mensenrechten overal en altijd worden gerespecteerd. Want als je oorlogen en geweld tegengaat, zijn er minder vrijplaatsen voor terroristen, minder vluchtelingenstromen, en meer markten waar wij hun producten en diensten kunnen afzetten. Niet voor niets is de bevordering van de internationale rechtsorde opgenomen in de Nederlandse grondwet. Ik ben er trots op dat wij het gastland zijn van alle belangrijke VN-tribunalen.
Ik vind dat er geen duurzame vrede mogelijk is zonder gerechtigheid. Nu wordt de wereld voor het eerst wordt geconfronteerd met een geval waarin die mooie en veel gebruikte frase op de proef wordt gesteld. De keuze die de we de komende maanden maken, zullen voor jaren bepalen of oorlogsmisdadigers en mensenrechten straffeloos hun gang kunnen gaan of niet. Degenen die verantwoordelijk zijn voor de meest gruwelijke misdaden in Darfur mogen niet vrijuit gaan.
‘Vrede is meer dan afwezigheid van oorlog, er is alleen vrede met gerechtigheid voor de slachtoffers,' zei mijn collega uit Sierra Leone, die in de jaren negentig getuige is geweest van de gruweldaden in haar eigen land.
'Als we geen actie ondernemen tegen oorlogsmisdadigers, worden de Verenigde Naties een soort schoonmaakbedrijf dat de rotzooi opruimt terwijl het geweld doorgaat,' waarschuwde Gayle Smith van Obama's campagne.
Twee uur duurde de discussie. We bespraken manieren om te voorkomen dat de Veiligheidsraad afbreuk zou doen aan het prille werk van het Strafhof. Rond de tafel waren we het over eens dat we een tegenwicht moeten bieden aan landen die de vervolging van oorlogsmisdadigers proberen af te schilderen als white mans justice, als een uitvinding van het Westen. We bespraken manieren om de bevolking uit het zuiden, die zo vaak slachtoffer is van verschrikkelijk geweld, meer stem te geven in de discussie.
Na afloop moest de één vlug naar het vliegveld, anderen terug naar het VN-gebouw, weer anderen naar officiële diners, en ik naar de Dutch club voor een receptie met de Nederlandse gemeenschap in New York. Maar we gingen uit elkaar met het idee dat we een verschil konden maken - voor vrede en gerechtigheid.
Ieder land heeft officieel een kwartier spreektijd: sommigen houden zich daar keurig aan, anderen gaan er dik overheen - het record stamt uit 1960 en staat op naam van Fidel Castro met 4 uur en 29 minuten. De speeches van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Zuid-Koreaan Ban Ki-moon, en van de voorzitter van de Vergadering, de Nicaraguaan D'Escoto, liepen dit keer een half uurtje uit. Dat betekende wel dat de Amerikaanse president Bush, die even later op de spreeklijst stond, al die tijd buiten voor de deur in zijn limousine moest zitten wachten.
Na de eerste toespraken vertrokken veel regeringsleiders en ministers, en worden de blauwe zetels in de zaal bezet door de Permanente Vertegenwoordigers of andere diplomaten. Want hoe indrukwekkend de retoriek en het spektakel ook zijn - het nuttigste werk doe je buiten de grote zaal.
In de middag hadden we in het huis van onze Permanente Vertegenwoordiger een bijeenkomst georganiseerd over de verhouding tussen vrede en gerechtigheid. De laatste tijd hoor je vaak dat de arrestatie van oorlogsmisdadigers de vrede in de weg staat. Een Engelse columnist schreef dat we moeten kiezen voor de rechten van de levenden in plaats van die van de doden. Geen theoretische kwestie: sommige landen willen dat de Veiligheidsraad de aanklacht tegen de Soedanese president Al-Bashir wegens de misdaden in Darfur voorlopig in de ijskast zet omwille van het vredesproces.
Ver van de drukte van het VN-hoofdkwartier zaten we met vijftien mensen rond de tafel in de eetkamer met een prachtig uitzicht op de East River: collega's uit Azië, Afrika, Amerika, Zuid-Amerika en Europa, kopstukken van de mensenrechtenbeweging, een hoge functionaris van het Amerikaanse State Department, een adviseur van de presidentskandidaat Obama, en de aanklager van het Internationaal Strafhof, Luis Moreno Ocampo. Ik was blij dat het was gelukt al deze mensen samen te brengen; dat kan alleen in de VN-week in New York.
Het is in het belang van Nederland dat oorlogsmisdadigers hun straf niet ontlopen en de mensenrechten overal en altijd worden gerespecteerd. Want als je oorlogen en geweld tegengaat, zijn er minder vrijplaatsen voor terroristen, minder vluchtelingenstromen, en meer markten waar wij hun producten en diensten kunnen afzetten. Niet voor niets is de bevordering van de internationale rechtsorde opgenomen in de Nederlandse grondwet. Ik ben er trots op dat wij het gastland zijn van alle belangrijke VN-tribunalen.
Ik vind dat er geen duurzame vrede mogelijk is zonder gerechtigheid. Nu wordt de wereld voor het eerst wordt geconfronteerd met een geval waarin die mooie en veel gebruikte frase op de proef wordt gesteld. De keuze die de we de komende maanden maken, zullen voor jaren bepalen of oorlogsmisdadigers en mensenrechten straffeloos hun gang kunnen gaan of niet. Degenen die verantwoordelijk zijn voor de meest gruwelijke misdaden in Darfur mogen niet vrijuit gaan.
‘Vrede is meer dan afwezigheid van oorlog, er is alleen vrede met gerechtigheid voor de slachtoffers,' zei mijn collega uit Sierra Leone, die in de jaren negentig getuige is geweest van de gruweldaden in haar eigen land.
'Als we geen actie ondernemen tegen oorlogsmisdadigers, worden de Verenigde Naties een soort schoonmaakbedrijf dat de rotzooi opruimt terwijl het geweld doorgaat,' waarschuwde Gayle Smith van Obama's campagne.
Twee uur duurde de discussie. We bespraken manieren om te voorkomen dat de Veiligheidsraad afbreuk zou doen aan het prille werk van het Strafhof. Rond de tafel waren we het over eens dat we een tegenwicht moeten bieden aan landen die de vervolging van oorlogsmisdadigers proberen af te schilderen als white mans justice, als een uitvinding van het Westen. We bespraken manieren om de bevolking uit het zuiden, die zo vaak slachtoffer is van verschrikkelijk geweld, meer stem te geven in de discussie.
Na afloop moest de één vlug naar het vliegveld, anderen terug naar het VN-gebouw, weer anderen naar officiële diners, en ik naar de Dutch club voor een receptie met de Nederlandse gemeenschap in New York. Maar we gingen uit elkaar met het idee dat we een verschil konden maken - voor vrede en gerechtigheid.
Het hoofdkwartier
van de Verenigde Naties lijkt een beetje op het decor van een oude
James Bondfilm: modern, en toch gedateerd. Het kan wel een
opknapbeurt gebruiken. In deze week is het ook veel te klein. Er
lopen zoveel ministers rond dat de gangen en lobby's moeten worden
gebruikt als vergaderruimte.
Het VN-personeel heeft met schotten vergaderhokjes gebouwd. In elk hokje staan dezelfde stoelen, en ligt hetzelfde kleedje op de grond. In alle rust achter de schotten een gesprek voeren valt niet mee, vanwege de pratende delegaties die staan te wachten tot hun volgende ontmoeting begint.
Elke minuut van mijn tijd is gepland. De Nederlandse vertegenwoordiging bij de VN, onze diplomaten daar, zijn al weken bezig een strak schema van gesprekken op te stellen. Zij benaderen de landen waar Nederland mee wil spreken, en zelf worden ze benaderd door landen die met ons een gesprek willen hebben. De gesprekken zelf zijn - geheel tegen de diplomatieke traditie in, maar iedereen heeft haast - niet langer dan een minuut of twintig en iedereen komt snel ter zake.
Vandaag staan de Palestijnse autoriteit, Oekraïne, Singapore, Sierra Leone, Indonesië en de VN-gezant in Afghanistan op mijn programma. Maar de ontmoeting waar vandaag diplomatiek misschien het meeste op het spel staat, is die met de Chinese minister van Buitenlandse Zaken Yang Jiechi. China is een wereldmacht, permanent lid van de Veiligheidsraad en een belangrijke handelspartner, maar ook een land waarbij wij steeds weer aandringen op meer respect voor de mensenrechten.
Yang Jiechi is in detail op de hoogte van de Nederlandse standpunten, dat is duidelijk. Nadat hij me heeft gefeliciteerd met onze Olympische medailles, spreken we over de politieke en economische betrekkingen. Hij luistert aandachtig naar het Engels, dat hij uitstekend begrijpt, maar antwoordt in het Chinees. Als ik het gesprek op de mensenrechten breng, en hem vraag naar Hu Jia, de mensenrechtenverdediger die vanwege zijn opvattingen is opgepakt, geeft hij een goed voorbereid antwoord.
Aan zwaaien met het vingertje heb ik een erge hekel. Het gesprek is kritisch, maar de toon respectvol. Nederland moet staan voor de mensenrechten en voor mensenrechtenverdedigers als Hu Jiao, en dat kan het best door ons constructief en vasthoudend op te stellen. Dat mijn collega de kritiek niet botweg afwijst als inmenging in binnenlandse gelegenheden, is winst. We komen overeen dat premier Balkenende en ik volgende maand in China verder met hem over mensenrechten zullen praten.
Bij gesprekken zoals die van vandaag probeer je een klein stapje in de goede richting te zetten. Stukken in de kranten zul je er meestal niet over lezen. En soms is het twee stappen vooruit, één stap achteruit. Maar een land als Nederland zijn kan het zich niet veroorloven deze contacten te verwaarlozen. Dat gaat op den duur ten koste van onze welvaart en veiligheid.
Aan het eind van de dag loop ik bij de uitgang toevallig mijn Servische collega tegen het lijf. Ook al blokkeert Nederland de uitvoering van het samenwerkingsakkoord met de Europese Unie zolang er geen volledige samenwerking is met het Joegoslavië-tribunaal, toch begroet hij me als een oude kennis.
"Maxime! Weet Nederland al wanneer het akkoord in werking kan treden?" informeert hij.
"Weet Servië al wanneer Mladic wordt gearresteerd en uitgeleverd?" vraag ik terug.
Het VN-personeel heeft met schotten vergaderhokjes gebouwd. In elk hokje staan dezelfde stoelen, en ligt hetzelfde kleedje op de grond. In alle rust achter de schotten een gesprek voeren valt niet mee, vanwege de pratende delegaties die staan te wachten tot hun volgende ontmoeting begint.
Elke minuut van mijn tijd is gepland. De Nederlandse vertegenwoordiging bij de VN, onze diplomaten daar, zijn al weken bezig een strak schema van gesprekken op te stellen. Zij benaderen de landen waar Nederland mee wil spreken, en zelf worden ze benaderd door landen die met ons een gesprek willen hebben. De gesprekken zelf zijn - geheel tegen de diplomatieke traditie in, maar iedereen heeft haast - niet langer dan een minuut of twintig en iedereen komt snel ter zake.
Vandaag staan de Palestijnse autoriteit, Oekraïne, Singapore, Sierra Leone, Indonesië en de VN-gezant in Afghanistan op mijn programma. Maar de ontmoeting waar vandaag diplomatiek misschien het meeste op het spel staat, is die met de Chinese minister van Buitenlandse Zaken Yang Jiechi. China is een wereldmacht, permanent lid van de Veiligheidsraad en een belangrijke handelspartner, maar ook een land waarbij wij steeds weer aandringen op meer respect voor de mensenrechten.
Yang Jiechi is in detail op de hoogte van de Nederlandse standpunten, dat is duidelijk. Nadat hij me heeft gefeliciteerd met onze Olympische medailles, spreken we over de politieke en economische betrekkingen. Hij luistert aandachtig naar het Engels, dat hij uitstekend begrijpt, maar antwoordt in het Chinees. Als ik het gesprek op de mensenrechten breng, en hem vraag naar Hu Jia, de mensenrechtenverdediger die vanwege zijn opvattingen is opgepakt, geeft hij een goed voorbereid antwoord.
Aan zwaaien met het vingertje heb ik een erge hekel. Het gesprek is kritisch, maar de toon respectvol. Nederland moet staan voor de mensenrechten en voor mensenrechtenverdedigers als Hu Jiao, en dat kan het best door ons constructief en vasthoudend op te stellen. Dat mijn collega de kritiek niet botweg afwijst als inmenging in binnenlandse gelegenheden, is winst. We komen overeen dat premier Balkenende en ik volgende maand in China verder met hem over mensenrechten zullen praten.
Bij gesprekken zoals die van vandaag probeer je een klein stapje in de goede richting te zetten. Stukken in de kranten zul je er meestal niet over lezen. En soms is het twee stappen vooruit, één stap achteruit. Maar een land als Nederland zijn kan het zich niet veroorloven deze contacten te verwaarlozen. Dat gaat op den duur ten koste van onze welvaart en veiligheid.
Aan het eind van de dag loop ik bij de uitgang toevallig mijn Servische collega tegen het lijf. Ook al blokkeert Nederland de uitvoering van het samenwerkingsakkoord met de Europese Unie zolang er geen volledige samenwerking is met het Joegoslavië-tribunaal, toch begroet hij me als een oude kennis.
"Maxime! Weet Nederland al wanneer het akkoord in werking kan treden?" informeert hij.
"Weet Servië al wanneer Mladic wordt gearresteerd en uitgeleverd?" vraag ik terug.
New York blijft bijzonder. Vanochtend was ik vroeg wakker
vanwege de jetlag, en ben ik een blokje om gaan lopen. Hier hangt
ook herfst in de lucht, van het soort met een blauwe lucht en een
lekker zonnetje. Je kunt op straat
goed merken dat de Algemene Vergadering morgen van start gaat: er
is veel politie op de been en de veiligheidsmaatregelen zijn enorm.
Ik kan me voorstellen dat de New Yorkers de VN-top een vervelend
circus vinden dat hun stad elk jaar weer lam legt.
Het heeft ook wel trekken van een circus - alleen al het gedoe over toegangskaarten voor de grote zaal, waar per land maar een paar mensen naar binnen mag - en toch gaat die vergelijking mank. Wat hier gebeurt, is meer dan een jaarlijkse rituele dans. Er staat veel op het spel.
Om de wereld te verbeteren, veiliger en eerlijker te maken, zijn er internationale spelregels nodig. Die regels worden hier, door de leden van de Verenigde Naties, vastgesteld. Het is in ieders belang dat iedereen, ook de grootmachten, zich aan die regels houden. Dat geldt zeker voor ons land - klein in oppervlakte, maar met handelsbelangen in de hele wereld. Daarom steekt Nederland altijd veel energie in de Verenigde Naties.
Maar de internationale spelregels staan de laatste jaren onder grote druk. Sommige landen lijken zich van de internationale ordening af te wenden, omdat ze vinden dat die hen weinig te bieden heeft. Dat heeft zijn weerslag in de Verenigde Naties. Er is wantrouwen tussen noord en zuid en, meer dan voorheen, tussen oost en west. Dat merk je niet alleen hier, in de vergaderzalen van de internationale instellingen. Het wantrouwen belemmert een snelle oplossing van de crisis in Georgië, de bescherming van de Birmese bevolking, en het tegengaan van het Iraanse nucleaire programma.
Eerlijk gezegd ben ik niet optimistisch. Te vaak houdt de ene dictator de andere in de VN de hand boven het hoofd. Te vaak worden mensenrechten afgedaan als een Westerse uitvinding. En als het landen ontbreekt aan respect voor internationale regels, en aan verantwoordelijkheid om resoluties uit te voeren, taant ook het gezag van de Verenigde Naties.
Maar het is de enige wereldwijde politieke organisatie die we hebben. Dat 192 landen bij elkaar komen en met elkaar spreken, is uniek. Niets voor niets hoor je vaak: als de VN niet bestaat, zouden we die moeten uitvinden. Daarom zet Nederland zich in voor geleidelijke hervorming van de VN. Daarom ga ik er de komende week met mijn collega's aan de slag om oplossingen te zoeken voor de problemen die in deze wereld op ons af komen. Ook in een tijd van internet, videoconferences en blackberry's kunnen gesprekken van persoon tot persoon soms voor resultaat zorgen.
Het heeft ook wel trekken van een circus - alleen al het gedoe over toegangskaarten voor de grote zaal, waar per land maar een paar mensen naar binnen mag - en toch gaat die vergelijking mank. Wat hier gebeurt, is meer dan een jaarlijkse rituele dans. Er staat veel op het spel.
Om de wereld te verbeteren, veiliger en eerlijker te maken, zijn er internationale spelregels nodig. Die regels worden hier, door de leden van de Verenigde Naties, vastgesteld. Het is in ieders belang dat iedereen, ook de grootmachten, zich aan die regels houden. Dat geldt zeker voor ons land - klein in oppervlakte, maar met handelsbelangen in de hele wereld. Daarom steekt Nederland altijd veel energie in de Verenigde Naties.
Maar de internationale spelregels staan de laatste jaren onder grote druk. Sommige landen lijken zich van de internationale ordening af te wenden, omdat ze vinden dat die hen weinig te bieden heeft. Dat heeft zijn weerslag in de Verenigde Naties. Er is wantrouwen tussen noord en zuid en, meer dan voorheen, tussen oost en west. Dat merk je niet alleen hier, in de vergaderzalen van de internationale instellingen. Het wantrouwen belemmert een snelle oplossing van de crisis in Georgië, de bescherming van de Birmese bevolking, en het tegengaan van het Iraanse nucleaire programma.
Eerlijk gezegd ben ik niet optimistisch. Te vaak houdt de ene dictator de andere in de VN de hand boven het hoofd. Te vaak worden mensenrechten afgedaan als een Westerse uitvinding. En als het landen ontbreekt aan respect voor internationale regels, en aan verantwoordelijkheid om resoluties uit te voeren, taant ook het gezag van de Verenigde Naties.
Maar het is de enige wereldwijde politieke organisatie die we hebben. Dat 192 landen bij elkaar komen en met elkaar spreken, is uniek. Niets voor niets hoor je vaak: als de VN niet bestaat, zouden we die moeten uitvinden. Daarom zet Nederland zich in voor geleidelijke hervorming van de VN. Daarom ga ik er de komende week met mijn collega's aan de slag om oplossingen te zoeken voor de problemen die in deze wereld op ons af komen. Ook in een tijd van internet, videoconferences en blackberry's kunnen gesprekken van persoon tot persoon soms voor resultaat zorgen.
Dadelijk vertrek ik naar Schiphol. Tegen de lange vluchten naar New
York zie ik eigenlijk nooit op. Het vliegtuig is een van de weinige
plaatsen waar je als minister even geen afspraken hebt en geen
telefoontjes krijgt. Je kunt er je gedachten ordenen en een mentaal
lijstje maken: wat willen we bereiken, hoe gaan we dat aanpakken,
wie zijn onze medestanders?
Dat is ook nodig. De eerste week van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is een gekkenhuis. Iedereen is van de vroege ochtend tot de late avond bezig. Slaap schiet er vaak bij in. Bij de AVVN, zoals de openingsweek wordt afgekort, zijn er zeker honderd regeringsleiders en een veelvoud aan ministers op één vierkante kilometer bijeen.
Het parlement van de wereld, zo noemen ze de AVVN vaak. Anders dan in de Veiligheidsraad, waar vijf permanente leden met hun vetorecht besluiten kunnen tegenhouden, heeft de meerderheid het hier voor het zeggen. Ieder land heeft een gelijke stem: China met 1,3 miljard inwoners en Vanuatu met nog geen kwart miljoen. One man one vote op wereldschaal.
De jaarlijkse bijeenkomst is het beste moment om de stemming in de wereld te peilen. Ieder land spreekt vanaf het marmeren podium onder het gouden VN-embleem de Vergadering en de wereld toe (wij zijn donderdag aan de beurt). Ieder land benadrukt dan zijn opvattingen en verlangens. Ondertussen zoemt het in de lobby en de wandelgangen van de activiteit. Er zijn continu onderonsjes, brainstorms, conferenties. Zaken waarvoor ik anders het hele jaar kriskras de wereld over reis, krijg je hier soms in een week gedaan. Hier hebben we vorig jaar het vredesproces in het Midden-Oosten een nieuwe impuls kunnen geven. Hier hebben we de grote lijnen van de internationale strategie in Afghanistan geschetst.
Het is een uitgelezen moment om collega's aan hun jasje te trekken en gesprekken te voeren over zaken die ons beiden aangaan. Bilateraaltjes, in het diplomatieke jargon. Ik praat de komende week ministers uit Afghanistan, Brazilië, China, Singapore, Jordanië, Algerije, Marokko, Sierra Leone, Indonesië, Egypte, en nog zo’n tien, vijftien anderen.
Ook in New York trekken we als Europa vaak samen op. Als Europese Unie hebben we in de wereld een stem, waar Nederland alleen niet van kan dromen. In het EU-kantoor vergaderen we met uitzicht op de wolkenkrabbers van mid town met de Russische minister van Buitenlandse Zaken Lavrov en de Amerikaanse Secretary of State Rice. De Kaukasus zal zeker hoog op de agenda staan. Dus: wat willen we bereiken? In de week waarin de wereldpolitiek in een stroomversnelling raakt als Nederland en Europa zo goed mogelijk de loop van het water mede proberen te bepalen.
Dat is ook nodig. De eerste week van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is een gekkenhuis. Iedereen is van de vroege ochtend tot de late avond bezig. Slaap schiet er vaak bij in. Bij de AVVN, zoals de openingsweek wordt afgekort, zijn er zeker honderd regeringsleiders en een veelvoud aan ministers op één vierkante kilometer bijeen.
Het parlement van de wereld, zo noemen ze de AVVN vaak. Anders dan in de Veiligheidsraad, waar vijf permanente leden met hun vetorecht besluiten kunnen tegenhouden, heeft de meerderheid het hier voor het zeggen. Ieder land heeft een gelijke stem: China met 1,3 miljard inwoners en Vanuatu met nog geen kwart miljoen. One man one vote op wereldschaal.
De jaarlijkse bijeenkomst is het beste moment om de stemming in de wereld te peilen. Ieder land spreekt vanaf het marmeren podium onder het gouden VN-embleem de Vergadering en de wereld toe (wij zijn donderdag aan de beurt). Ieder land benadrukt dan zijn opvattingen en verlangens. Ondertussen zoemt het in de lobby en de wandelgangen van de activiteit. Er zijn continu onderonsjes, brainstorms, conferenties. Zaken waarvoor ik anders het hele jaar kriskras de wereld over reis, krijg je hier soms in een week gedaan. Hier hebben we vorig jaar het vredesproces in het Midden-Oosten een nieuwe impuls kunnen geven. Hier hebben we de grote lijnen van de internationale strategie in Afghanistan geschetst.
Het is een uitgelezen moment om collega's aan hun jasje te trekken en gesprekken te voeren over zaken die ons beiden aangaan. Bilateraaltjes, in het diplomatieke jargon. Ik praat de komende week ministers uit Afghanistan, Brazilië, China, Singapore, Jordanië, Algerije, Marokko, Sierra Leone, Indonesië, Egypte, en nog zo’n tien, vijftien anderen.
Ook in New York trekken we als Europa vaak samen op. Als Europese Unie hebben we in de wereld een stem, waar Nederland alleen niet van kan dromen. In het EU-kantoor vergaderen we met uitzicht op de wolkenkrabbers van mid town met de Russische minister van Buitenlandse Zaken Lavrov en de Amerikaanse Secretary of State Rice. De Kaukasus zal zeker hoog op de agenda staan. Dus: wat willen we bereiken? In de week waarin de wereldpolitiek in een stroomversnelling raakt als Nederland en Europa zo goed mogelijk de loop van het water mede proberen te bepalen.
Vanmiddag kreeg ik een dossier te bestuderen dat nog dikker is dan
gewoonlijk. Vuistdik. Het dossier reist morgen met me mee naar New
York, waar de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Verenigde
Naties wordt gehouden. Regeringsleiders en ministers uit alle delen
van de wereld komen op het hoofdkwartier van de VN bijeen om te
spreken over brandende vraagstukken als veiligheid, ontwikkeling en
gerechtigheid.
In de wandelgangen voelen we elkaar aan de tand over actuele kwesties als Georgië, het Midden-Oosten, energie, mensenrechten, en nog veel meer. In Manhattan worden deze week volop banden aangehaald en boodschappen overgebracht. Op de achtergrond stellen we ons telkens de vraag: wat kan de VN betekenen in de wereld van vandaag? Ik zal elke dag berichten over de manier waarop Nederland zijn zegje doet in het internationale diplomatieke verkeer.
In de wandelgangen voelen we elkaar aan de tand over actuele kwesties als Georgië, het Midden-Oosten, energie, mensenrechten, en nog veel meer. In Manhattan worden deze week volop banden aangehaald en boodschappen overgebracht. Op de achtergrond stellen we ons telkens de vraag: wat kan de VN betekenen in de wereld van vandaag? Ik zal elke dag berichten over de manier waarop Nederland zijn zegje doet in het internationale diplomatieke verkeer.


