
Het was een wat achteloze opmerking in een interview over de schietpartij die vorige week zaterdag tijdens het zomercarnaval in Arnhem aan een 48-jarige man uit Den Haag het leven kostte.
Een verslaggeefster van de krant interviewde de organisator van
het festival over de toedracht van de schietpartij en die liet
zich het volgende ontvallen: ‘Het was geen willekeurige
schietpartij. Hij vuurde van heel dichtbij en het was echt tegen
deze man gericht.
‘Uit de verhalen die wij horen van omstanders
en bekenden, lijkt het te gaan om een afrekening. Dat is al erg
genoeg, maar dat je er dan ook nog voor kiest zoiets te doen in
een drukke menigte waar kinderen rondrennen, dan ben je echt een
idioot met het verstand van een garnaal. Maar blijkbaar ben je
in de cultuur van deze Antilliaanse jongens nog eens
extra de king als veel mensen zien dat jij het
was.’
Tot zo ver het citaat over de toedracht van de schietpartij.
Moet dat nou, vroeg een lezer. Waarom is het nodig om de vermoedelijke etnische afkomst van de dader te vermelden? Bij het slachtoffer doet u dat ook niet.
De klagende lezer heeft gelijk: van het slachtoffer is alleen
gemeld dat het gaat om een man uit Den Haag.
Het wel of niet geven van etnische informatie is een interessante
kwestie. De Volkskrant heeft als regel dat er geen informatie
wordt verstrekt over de herkomst van daders en slachtoffers.
De enige uitzondering op die regel is dat er wel vermelding
plaats heeft van de etnische herkomst wanneer die herkomst een
rol speelt bij wat er is gebeurd.
In het Stijlboek van de redactie is dat als volgt verwoord:
‘De etnische afkomst van verdachten wordt niet vermeld
tenzij dat nodig is voor een beter begrip van
het bericht.’
Was dit hier het geval?
En, bijkomend: hoe weten we zeker dat het inderdaad om een
dader van Antilliaanse afkomst gaat? De politie heeft daar geen
mededelingen over gedaan, dus de verslaggeefster heeft het moeten
doen met de kennis van de organisator van het feest. Die weet
uiteraard wie er zijn uitgenodigd, maar kan die ook aan de
buitenkant zien in welk land iemand is geboren?
En dan nog. Waarom is het relevant voor de berichtgeving en dus
voor de lezer dat de vermoedelijke dader mogelijk een Antilliaan
is? Maakt dat de aanslag anders dan wanneer het gaat om een
afrekening in het Nederlandse criminele milieu?
Er is dus alle reden om heel zorgvuldig af te wegen of die
informatie met de lezer moet worden gedeeld, te meer nu we niet
zeker weten of de organisator het bij het rechte eind
heeft.
De betrokken verslaggeefster zegt dat ze zich bij het schrijven
van het artikel wel degelijk heeft afgevraagd of ze de mogelijke
Antilliaanse herkomst moest vermelden. De organisator was volgens
haar heel stellig in zijn bewering. Zij heeft zijn uitspraken
iets genuanceerder in de krant gezet. Ze vond dat het anders wel
erg stigmatiserend zou zijn geworden voor een met naam genoemde
bevolkingsgroep.
Het is te prijzen dat de auteur zich vragen heeft gesteld en niet
zonder meer klakkeloos heeft opgeschreven wat haar is
verteld.
Maar door wel te schrijven over de afkomst van de dader en geen
informatie te verstrekken over die van het slachtoffer –
vermoedelijk omdat de politie die informatie niet heeft gegeven
en de krant geen verslaggever ter plekke had – ontstaat een
scheef beeld.
Afrekeningen hebben doorgaans plaats in gelijke milieus. Dus als
het waar is wat de organisator beweert, dat de dader bewust dit
slachtoffer lijkt te hebben uitgekozen, dan geeft dat impliciet
ook informatie over de afkomst van dit slachtoffer.
Informatie die verder gaat dan alleen dat het gaat om een
48-jarige man uit Den Haag.
De journalistieke vraag die beantwoord moet worden, is of de
lezer er baat bij heeft om dit te weten. Is het voldoende om te
melden dat tijdens een groot feest voor ieders ogen een man is
doodgeschoten, of moet de krant ook zoveel mogelijk informatie en
achtergrond geven?
Als je kiest voor dat laatste, iets wat heel goed is te verdedigen, moet dat volgens mij ook gelden voor het slachtoffer. In dat geval volstaat alleen een interview over de toedracht niet en moet worden geprobeerd een breder kader te verschaffen waarin meer aspecten worden belicht.
Ik weet niet of dat in dit geval zou zijn gelukt, maar het had in ieder geval de zinsnede over de Antilliaan die king is in de ogen van zijn vrienden, meer onderbouwing kunnen geven.
Ben je in de ogen van Antilliaanse jongeren een held als je
iemand doodschiet? Op die vraag wil ik graag alsnog een antwoord
van de redactie.
Thom Meens
De enige overlevende van de vliegramp op 12 mei nabij de Libische hoofdstad Tripoli, een negenjarig Nederlands jongetje, werd wereldnieuws nadat de Libische staatstelevisie beelden van het slachtoffer in zijn ziekenhuisbed had uitgezonden.
De beelden waren ook In Nederland op tv te zien en diverse media
en internetsites drukten foto’s af van Ruben in zijn
ziekenhuisbed. De Volkskrant zette de foto op de website, iets
waarvan de toenmalige hoofdredacteur achteraf zei dat hij dat
beter niet had kunnen doen. De privacy van het slachtoffer had
zwaarder moeten wegen dan de nieuwswaarde van de foto. Dat
anderen, zoals het NOS-journaal de beelden ook lieten zien, had
geen rol mogen spelen bij de besluitvorming, erkende de
hoofdredacteur achteraf.
Dat was een terechte boetedoening: de Volkskrant heeft haar eigen
waarden en normen, die moet je niet laten verwateren omdat op
internet alles gebeurt.
De berichtgeving over Ruben leidde tot een debat in de media. De
enige die zich wekenlang stil hield, was de Raad voor de
Journalistiek. Het duurde tot begin deze maand voor de Raad zich
uitsprak over de manier waarop de media zijn omgegaan met de
privacy van de slachtoffers en nabestaanden.
Kort samengevat zegt de Raad het volgende. Het publiceren van
foto’s van slachtoffers en nabestaanden had niet mogen
gebeuren, als daarvoor geen toestemming was verkregen van de
betrokkenen. Ook het noemen van de achternaam van het jongetje
diende geen redelijk doel en had dus vermeden moeten worden.
Publicatie van een telefonisch interview met Ruben in de
Telegraaf was eveneens ontoelaatbaar.
Tot zo ver een alleszins redelijke uitspraak waarmee de
journalistiek uit de voeten kan. Maar dat beeld verandert naar
mijn mening als de Raad zich uitspreekt over het tonen van de
foto van de jongen in zijn ziekenhuisbed.
Lees even mee wat de Raad stelt: ‘Publicatie van beelden
van het in een ziekenhuis in Libië verblijvend slachtoffer,
zonder dat hij of zijn familie hiervoor toestemming kon geven, is
een evidente schending van de privacy van Ruben, temeer omdat het
in dit geval een weerloos, vermoedelijk getraumatiseerd,
minderjarig persoon betreft. De publicatie staat op gespannen
voet met artikel 2.4.3 van de Leidraad (het zonder toestemming
publiceren van foto’s die zijn gemaakt in een besloten
ruimte).’
Dan schrijft de Raad: ‘De Raad brengt in herinnering dat in
het verleden meermalen in de hele wereld en ook in Nederland
beelden zijn gepubliceerd van personen - onder wie kinderen - die
als gevolg van oorlogs- of natuurgeweld, criminaliteit,
ongelukken of rampen in uiterst kommervolle situaties en zelfs in
doodsnood verkeerden, zonder dat dit in ons land tot
maatschappelijke ophef van enige betekenis leidde, en waarvan de
nieuwswaarde alom werd erkend. Daarbij ging het echter veelal om
beelden die in de openbare ruimte zijn gemaakt, terwijl de
beelden van Ruben zijn gemaakt in een
ziekenhuiskamer.’
Dat lezend denk je dat de Raad het tonen van de foto zal
veroordelen, het gaat immers om een volgens de Raad evidente
schending van de privacy van Ruben.
Niets is minder waar. De conclusie van de voltallige Raad luidt
als volgt: ‘De Raad is echter van mening dat publicatie van
de beelden van Ruben in het ziekenhuisbed, hoezeer ook gemaakt in
een besloten ruimte en gepubliceerd zonder toestemming, in dit
geval is gerechtvaardigd door de uitzonderlijk grote nieuwswaarde
en zeggingskracht van het beeld van de enige overlevende van de
vliegramp bij Tripoli. Het beeld van een kleine jongen als enige
overlevende van een ramp symboliseert niet alleen de
uitzonderlijke tragedie, maar tegelijk de hoop van het overleven.
Daarbij speelt ook een rol dat deze beelden via internet al
wereldwijd verspreid waren. De Raad is dan ook van oordeel dat
door de publicatie van beelden van Ruben in het ziekenhuisbed de
grenzen van wat, gelet op de eisen van journalistieke
verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, niet zijn
overschreden.’
Wat moet je met zo’n uitspraak? Eerst gaat het over een
flagrante schending van de privacy en vervolgens wordt dat
aanvaardbaar genoemd vanwege de nieuwswaarde. Wie bepaalt in een
toekomstig geval waar de grens ligt tussen nieuwswaarde en
privacy-bescherming? En waarom heeft een rol gespeeld dat de
beelden al op internet stonden? Dat kan toch nooit een valide
argument zijn om de regels aan te passen? Op internet kan en
gebeurt alles, vaak zonder aanziens des persoons.
Voor mijn gevoel heeft de Raad met deze uitspraak een stap gezet
die niet alleen in strijd is met zijn eigen regels, maar die ook
een vrijbrief is aan de media; alles mag want het is immers al op
internet te zien geweest.
Thom Meens
Vijf weken lang was het afgelopen Wereldkampioenschap voetbal in
Zuid-Afrika niet uit de kolommen weg te slaan. Dat zal er voor
een deel aan hebben gelegen dat het Nederlands elftal voor het
eerst in 32 jaar tot de finale van dat toernooi wist door te
dringen. De ervaring leert dat hoe verder het Nederlands elftal
komt in een toernooi, hoe meer media-aandacht er is.
Ook de Volkskrant kan en of wil zich niet aan die ijzeren wet
onttrekken, bleek de afgelopen tijd.
Overigens past hier voor wat dit WK betreft wel een
relativering.
De sportredactie, de buitenlandredactie en de correspondent in
Afrika, hebben een wereldprestatie geleverd door niet
alleen over het voetbal te schrijven, maar ook over tal van
andere aspecten van het leven in (zuidelijk) Afrika.
Zelfs de voetbalhater moet in de afgelopen weken iets hebben
meegekregen van al die interessante verhalen en beschouwingen. Zo
bezien was de WK-verslaggeving eerder een kleurrijk palet van het
leven ter plekke, dan louter en alleen een beschrijving van het
rollen van de bal.
Afgemeten aan het aantal reacties van lezers, vonden de lezers
het allemaal best. Zeker in de aanloop naar het WK, de poulefase
en de wedstrijden daarna, kwam er bij mij slechts sporadisch een
klacht binnen over de verslaggeving of de maatvoering.
Vooral dat laatste is veelzeggend, want lezers klagen snel
over maatvoering, zeker als het onderwerp hen niet
aanstaat.
Bij twee stukjes in één week over Wilders of zijn PVV, loopt mijn
postbus vol. Maar bij het WK voetbal duurde het tot na de
kwartfinale voor de lezers zich begonnen te roeren.
En toen ze zich roerden, ging het niet eens zozeer over de
maatvoering, maar over één specifiek aspect en wel de voorpagina.
De dag na de overwinning op Brasilië bestond de voorpagina
uit één onderwerp, het WK.
Een grote foto en een lapje tekst over de wedstrijd en vol was de
voorpagina, op de column van Grunberg na dan.
De dag na de finale was zelfs Grunberg verplaatst naar pagina 2,
een unicum voor een column die altijd op de voorpagina
staat.
Dat vonden sommige lezers teveel van het goede. Is er dan geen
ander nieuws meer in de wereld dan alleen dit WK, vroeg er een.
Een ander liet me weten dat hij geen abonnee van de krant was
geworden vanwege de sportverslaggeving. Hoort die niet ergens
achterin, wilde hij weten.
Helaas voor deze lezer, maar het antwoord is ‘nee’.
Sinds de krant op het compacte formaat is overgegaan, is er voor
gekozen het belangrijkste nieuws op de eerste pagina’s te
leggen, ongeacht de herkomst.
Je kunt je twijfels hebben over de vraag of voetbal zo belangrijk
is dat het hoe dan ook een plaatsje op die mooie pagina’s
verdient, maar je kunt niet ontkennen dat de zegereeks van
Nederland het land steeds verder in de ban van het WK bracht.
Nederland was even voetbal en voetbal was even Nederland,
ongeacht de kwaliteit van het getoonde spel..
Dat was voor en na de verloren finale opnieuw te zien aan de
krant. Ik kan me niet herinneren dat er in een weekeinde zoveel
aandacht was voor een evenement, als bij dit WK-weekeinde.
Zelf heb ik de zaterdag voor de finale slechts wat gegrasduind in
alle persoonlijke herinneringen aan de twee verloren finales, ook
al omdat de leesbaarheid van de teksten niet meeviel door de
gekozen kleurencombinaties.
De maandag na de finale had ik mijn bedenkingen bij het
verslag van minuut tot minuut van de wedstrijd; mijn bijna
14-jarige zoon vond dat nu juist iets om te bewaren voor later.
Wie ben ik om dan nog te klagen?
Of zoals de adjunct-hoofdredacteur die deze bijzondere producties
bedacht, tegen me zei: ‘Mensen kunnen klagen over
maatvoering, maar het is niet ten koste gegaan van andere
berichtgeving, het kwam er bovenop.’
Dat is een belangrijke relativering. Wie niets van het WK wilde
weten, kon het WK-deel gewoon overslaan en zich concentreren op
de rest van de krant.
Een andere relativering is dat het misschien opnieuw 32 jaar
duurt voor een Nederlands elftal zo ver weet te komen. Dan leeft
een heel andere generatie voor wie alles nieuw is en dat
rechtvaardigt de ruimte die de krant er voor reserveert. Het
overgrote deel van de lezers ziet het kennelijk net zo, getuige
de relatieve rust in mijn postbus.
Ik realiseer me dat deze laatste zin gezien kan worden als een
oproep om alsnog te klagen over de maatvoering, dat moet dan
maar.
De enige geruststelling voor deze ombudsman is dat die klachten
pas worden gezien na mijn vakantie die maandag begint. Vier weken
komt er geen column. In de tussentijd verheug ik me op de
verslaggeving rond de Tour de France. Weer sport dus.
Thom Meens
Eerst maar even het geheugen opfrissen met de kop en de aanhef
van een artikel dat op zaterdag 26 juni op de
binnenlandpagina’s stond. De kop luidde: ‘Helft
Marokkanen pleegt voor 22ste ten minste één
misdrijf’.
Dit was het begin van het artikel: ‘Ruim de helft van de
Marokkaanse jongens heeft op 22-jarige leeftijd ten minste één
misdrijf gepleegd. Dit blijkt uit onderzoek dat onlangs is
gepubliceerd in het Tijdschrift voor Criminologie. Van de mannen
die in 1984 zijn geboren uit ten minste één Marokkaanse ouder, is
54 procent in aanraking geweest met de politie wegens een
delict.’
Tot zover de krant van twee weken geleden. Op het artikel kwam
kritiek van lezers die vonden dat de kop onnodig stigmatiserend
was. Een schreef over de kop: ‘Dat is niet waar. Het gaat
namelijk om de helft van de jongens, blijkt uit het stuk.
Marokkanen gebruiken we normaal gesproken als aanduiding voor de
gehele groep. “Mannelijke Marokkanen” had wel
gekund.’
De lezer vervolgt met: ‘Laat ik het scherper zeggen: uw kop
had in De Telegraaf niet misstaan. Daarvan weten we immers dat
men er genoegen in schept om angsten van de bevolking
systematisch op te blazen tot we allemaal Henk en Ingrid zijn
geworden. Dus een dergelijke overdrijving zou daar onderdeel van
het beleid kunnen zijn. Van u had ik meer nauwkeurigheid verwacht
over een zo gevoelige kwestie.’
De verwijzing naar De Telegraaf laat ik graag voor rekening van
de lezer, maar de kritiek is wel terecht. De kop klopte
gevoelsmatig gewoon niet. Taalpuristen zullen nu zeggen dat
Marokkanen toch echt alleen mannen zijn, want bij vrouwen zijn
het Marokkaansen, maar het woord Marokkanen kan en moet hier
natuurlijk wel degelijk als een containerbegrip worden gezien.
Die kop is opgenomen in de rectificatierubriek, maar die
rectificatie is om onduidelijke redenen pas deze week donderdag,
bijna twee weken na dato in de krant gekomen.
Het uitblijven van een rechtzetting leidde er toe dat nog meer
lezers hun ongenoegen uitten. Lees even mee: ‘In uw doel
50 procent van de Nederlandse Marokkanen neer te zetten als
crimineel, overtreedt u alle wetten van objectiviteit’,
schreef er een.
De lezer vervolgt: ‘Met uw titel roept u een beeld
op, dat van elke twee Marokkanen die hier in Nederland leven er
één ooit een strafbaar feit heeft begaan. Echter, nadat ik het
artikel begon te lezen – want een dergelijke stevige titel
trekt mijn aandacht – struikelde ik direct over stuitende
fouten die u maakt in het artikel. In de openingszin nuanceert u
zich, en spreekt u over “Ruim de helft van de Marokkaanse
jongens..”, oftewel u heeft het over de helft van de helft
(een kwart en dus niet de helft, zie titel). Of heeft u het
bijzondere vermoeden dat alle Nederlanders van Marokkaanse
afkomst, mannelijk zijn?’ De kritiek gaat door met:
‘Vervolgens specificeert u zich verder en schrijft u dat
het onderzoek is gebaseerd op jongens die in 1984 zijn geboren.
Oftewel u spreekt over een zeer specifieke leeftijdsgeneratie, en
schuift dat voor het gemak af op een hele
bevolkingsgroep?’
Ook deze lezer heeft gelijk. Het artikel zelf was veel
genuanceerder dan de kop die er boven kwam. Dat zegt ook de
auteur die de stellige kop eveneens betreurt.
Maar betekent een zo’n ongelukkige kop nu ook dat de
redactie doelbewust deze Marokkanen stigmatiseert? Dat gaat mij
een brug te ver. Op basis van een uitglijder kun je niet stellen
dat er sprake is van doelbewuste en stelselmatige stigmatisering.
Desondanks heb ik me voorgenomen om de krant nog nauwlettender te
gaan lezen om te bekijken of het verwijt van de klagende
lezers terecht is.
Koppen liggen overigens altijd erg gevoelig bij lezers. Neem deze
uit de krant van 30 juni: ‘Amerikaans leger ruimt op bij
top Taliban’. Die kop stond boven een artikel waarin werd
beschreven dat bij gevechten tussen het Amerikaanse leger en de
Taliban 130 Talibani waren omgekomen.
Ook over die kop werd door lezers geklaagd. ‘Ruimen doe je
hooguit met dieren en nooit met mensen’, schreef er een. De
lezer heeft natuurlijk groot gelijk. Die kop was veel te frivool
voor zo’n serieus bericht. De chef buitenland vond dat ook
en dus liet ik de lezer weten dat wij hem groot gelijk gaven en
dat ik er bij gelegenheid op terug zou komen in de krant. Dat
bleek een dag later niet voldoende want de lezer mailde me boos
dat hij op zijn minst een rectificatie in de krant had verwacht.
Hij verweet me volksmennerij omdat ik hem wel gelijk had gegeven,
maar er geen consequenties aan had verbonden.
Zelf zie ik dat een slag anders. Bij gelegenheid is toch echt
iets anders dan per kerende post.
En die gelegenheid deed zich deze week voor.
Thom Meens
De nieuwskrant en de bijlage het Vervolg van twee weken geleden
hadden grote verhalen over de manier waarop de verkiezing tot
stand was gekomen van een PvdA-lijsttrekker voor het nieuw te
vormen Amsterdamse stadsdeel Nieuw-West.
Uit nieuws en reconstructie kwam een beeld naar voren van
gesjoemel met stemmen, geknoei, ronselpraktijken en meer van
zulke weinig fraaie zaken.
Uiteindelijk won niet de favoriet van de partijbonzen Ahmed
Marcouch het lijsttrekkerschap, maar zijn tegenstrever Ahmed
Baâdoud. De argeloze lezer van de reconstructie kon na afloop
maar één conclusie trekken: de club rond Baâdoud heeft onzuiver
spel gespeeld. Of de uiteindelijke winnaar van de strijd zelf
wist dat er stemmen werden geronseld in de Marokkaanse
gemeenschap, liet de reconstructie in het midden.
Baâdoud kwam niet aan het woord en er stond ook geen weerwoord
van hem in het artikel.
Het was toch al een artikel dat van de lezer veel vertrouwen in
de journalist vroeg. Er kwam niemand met naam en toenaam in voor,
althans niet als bron. Slechts één bron was voor mij na enig
gepuzzel te achterhalen. Ahmed Marcouch moet de verslaggever te
woord hebben gestaan, want anders had in het stuk nooit een
e-mail terecht kunnen komen die Marcouch had
ontvangen.
Dat Baâdoud geen weerwoord kon geven, lag niet aan de redactie.
De verslaggever heeft het artikel maandag voor publicatie ter
inzage naar hem opgestuurd en gevraagd om een reactie. Maar
Baâdoud wilde niet met hem praten. Aan de eis van hoor en
wederhoor is in dit geval dus netjes en ruimschoots
voldaan.
De anonieme bronnen liggen wat moeilijker. In een reconstructie
waarin zoveel aantijgingen voorkomen, verwacht je als lezer toch
wel enige duiding van de gebruikte bronnen. Alleen melden dat je
betrokkenen hebt gesproken, is een beetje dun. Deze week werd me
duidelijk dat de verslaggever zes bronnen – onafhankelijk
van elkaar - uit de Marokkaanse gemeenschap heeft gesproken en
vier uit de PvdA.
Het nieuws en de reconstructie kwamen in de krant aan de
vooravond van een rapport van de PvdA over dezelfde
lijsttrekkerverkiezing. De conclusies daarvan stonden donderdags
in de krant. Er is niets onoorbaars gebeurd, er is niet geknoeid
met stemlijsten en de verkiezing was rechtmatig, aldus grof
samengevat het eindoordeel van die commissie.
De krant meldde de conclusies en voegde er nog wel aan toe dat de
commissie alleen met bestuurders had gesproken en geen
reconstructie van minuut tot minuut had gemaakt.
Het was dit bericht dat de meeste vragen bij me opriep. Zat de
krant dan fout met de reconstructie? En als dat niet zo was,
waarom dan de onderzoeksresultaten zonder enige duiding of
weerwoord afdrukken? Je wekt daarmee toch de schijn dat je je
werk niet goed hebt gedaan. En als dat zo is, had er dan niet
gerectificeerd moeten worden? Geachte lezer, wij hadden kennelijk
de verkeerde bronnen.
Volgens de verslaggever heeft hij de onderzoeksresultaten zonder
reactie gepubliceerd omdat hij niet gelijkhebberig wilde
overkomen. Hij staat nog steeds achter zijn verhaal en denkt dat
de mensen die hij heeft gesproken, dichter op de gang van zaken
zaten dan de bestuurders die de onderzoekers hebben
gesproken.
Vrij vertaald door mij zegt hij dan: het kan zijn dat
Baâdoud van niets wist en dat ook tegen de onderzoekscommissie
heeft gezegd, maar dat wil niet zeggen dat mensen uit zijn
omgeving zich niet buiten zijn medeweten aan ronselen hebben
schuldig gemaakt.
Ik ken de verslaggever als een integer mens en heb geen reden aan
zijn feitenweergave te twijfelen, maar als lezer voel ik me door
dit tweede stuk het bos in gestuurd. Het is alsof de redactie
zegt: zoek het maar uit, kijk maar wie je gelooft. Dat kan nooit
de functie van de krant zijn.
Als je het al nodig vindt om een lokale rel binnen één partij en
ook nog eens binnen een stadsdeel zo groot als Amersfoort tot
nationaal nieuws te verheffen, zorg dan in ieder geval dat je
alle eindjes netjes afhecht.
In dit geval had dat heel handig gekund door eerst het
onderzoeksrapport af te wachten en de conclusies te publiceren en
pas daarna met de eigen reconstructie te komen. Dan had daarin
uitgelegd kunnen worden hoe de discrepantie kon ontstaan tussen
de reconstructie van de krant en de conclusies van de
onderzoekscommissie. Het had aan het eindresultaat niets
afgedaan, maar het had mij als lezer met een geruster gevoel
achtergelaten.
De lezer heeft er recht op om te zien hoe de feiten zijn en
gewogen moeten worden. Nu had de onderzoekscommissie het laatste
woord, terwijl ik het gevoel houd dat de krant het beter wist.
Thom Meens
Eerst maar even een mededeling aan alle lezers die hun ongenoegen over een niet gekregen zaterdagkrant massaal in mijn postbus uitten. U heeft allemaal groot gelijk, het is vervelend als de krant niet komt en het is dubbel vervelend als de nabezorging om wat voor reden dan ook ook niet lukt.
De directie heeft maandag in de krant al excuses
aangeboden, maar daarmee hebt u de krant nog niet in de bus. Al
uw boze post is door mij doorgestuurd naar de klantenservice en
die werkt met man en macht aan de afhandeling van de klachten. Ik
ga, geheel in tegenstelling tot mijn gewoonte, u niet
allemaal persoonlijk antwoord geven, daarvoor is de groep te
groot. Maar ik ga er zondermeer van uit dat de klantenservice u
wel van antwoord voorziet.
Is dat niet het geval, dan weet u vast opnieuw de weg naar
mijn postbus te vinden. Dat mag, al ga ik eigenlijk alleen over
de inhoud van de krant, maar dat belet me niet uw post binnen het
bedrijf door te sturen naar de mensen die er wel iets zinnigs
over kunnen zeggen.
Dan iets geheel anders. Dit is de laatste column van de ombudsman
die verschijnt onder het bewind van de vertrekkende
hoofdredacteur Pieter Broertjes. Vanaf 1 juli neemt Philippe
Remarque zijn plaats in. Pieter zal het zelf niet nodig vinden,
maar het kan geen kwaad om hier op deze plaats een klein beetje
de balans op te maken van de jaren dat ik hem als ombudsman op de
huid mocht zitten.
Op de website van de krant wordt de ombudsman omschreven
als het journalistieke geweten van de redactie. Dat zijn heel
grote woorden, voor een functionaris van wie de hoofdredacteur
van de New York Times ooit zei dat hij nog dommer moest zijn dan
hij had gedacht, anders had de ombudsman nooit de baan van
ombudsman aangenomen.
Dat journalistieke geweten valt ook wel mee. De redactie heeft
van zichzelf al meer dan genoeg journalistiek geweten, al dan
niet vastgelegd in huisregels, protocollen of het Stijlboek. Het
enige wat soms ontbreekt, is de naleving van de regels.
Mede daarom besloot de hoofdredactie in september 1997 tot de
benoeming van een ombudsman.
Het was Pieter Broertjes zelf die met het idee kwam. Het bericht
over de benoeming van de eerste ombudsman stond op 13 september
1997 zo in de krant: De Volkskrant heeft met ingang van vandaag
een ombudsman voor de lezer. De hoofdredactie
verwacht met de benoeming van de ombudsman de
communicatie tussen lezer en krant te verbeteren en daarmee de
kwaliteit van de Volkskrant. De ombudsman behandelt
klachten van lezers over de redactionele inhoud van de krant en
de journalistieke aanpak. Hij geeft opmerkingen en suggesties
door aan de redactie. Op basis van reacties van lezers of op
eigen initiatief gaat de ombudsman na of de
behandeling van nieuws door de redactie is geschied volgens
algemene journalistieke normen van zorgvuldigheid. Ook bekijkt
hij of de redactie gewerkt heeft volgens de Volkskrant-normen
zoals vastgelegd in bijvoorbeeld het Stijlboek van de
krant.
Sindsdien krijgt de lezer wekelijks een kijkje in de keuken van
de redactie en dat zal Pieter Broertjes niet altijd vrolijk
hebben gestemd. In de jaren dat ik hier zit, heb ik hem als
hoofdredacteur verweten dat hij vreselijk naïef is, dat hij het
redactiestatuut over de heg heeft gekieperd, dat hij een groot
ego heeft en dat hij zijn eigen regels niet naleeft.
Hij heeft het allemaal zonder boe of bah te zeggen geslikt.
Althans, hij heeft zich bij mij nooit beklaagd. Op één keer na.
Ik had in een concept column geschreven dat het mij niet
verstandig leek als een verslaggever bleef schrijven over een
onderwerp waarmee hij vreselijk de mist in was gegaan en met hem
de hele krant. ‘Jij gaat niet over mijn
personeelsbeleid’, zei Pieter.
Hij had gelijk, ik heb dat zinnetje aangepast want er stond
al genoeg lelijks over Pieter en zijn beleid in die column. De
maandag na publicatie kwam hoofdredacteur Broertjes lachend
binnen, gaf me een hand en zei vrolijk en alsof er niets was
gebeurd: ‘Goede morgen ombudsman’.
Het is dat ongelooflijke incasseringsvermogen wat het
werken met Pieter tot een plezier maakte. We konden ruzie
hebben, maar het werd nooit persoonlijk. Pieter nam zijn verlies
als het nodig was en ging niet mokkend in een hoekje zitten.
Tegen redactieleden die zich bij hem beklaagden over de starre en
veel te strenge ombudsman zei hij doorgaans: ‘kijk eens wat
hij allemaal over mij heeft geschreven.’ Het
hoofdredacteurschap van de Volkskrant lijkt me een hondenbaan,
zeker met een onafhankelijke keffer die vanaf de zijlijn vrolijk
naar je benen hapt. Pieter Broertjes klaarde de klus met verve en
elan.
Thom Meens
Geen onderwerp is zo controversieel en roept zo veel reacties op van lezers, als de relatie van Israël met zijn buren, onder wie de Palestijnen. De berichtgeving over de Israëlische aanval op het hulpkonvooi voor Gaza en een aantal artikelen op de opiniepagina’s lieten mijn postbus weer vollopen.
Een voorbeeld: ‘Ik heb een klacht tegen de Volkskrant
wegens voortdurende en schadelijke vooringenomenheid ten faveure
van Israël en het Israëlische standpunt ten opzichte van de
Palestijnen. Het is al langer duidelijk dat de Volkskrant
tegenover ieder stuk dat ook maar enigszins kritisch ten opzichte
van Israël staat, er drie of vier ten gunste van Israël plaatst,
soms van zeer obscure herkomst. Of dat het werk is van uw
redacteur buitenland of iemand anders, is niet echt interessant.
Wel interessant is de uitkomst, een ronduit ongebalanceerde en
vaak partijdige stellingname en weergave van feiten die niet
alleen schadelijk is voor het gewicht dat de mensenrechten dienen
te hebben maar ook voor de vrije journalistiek en het vrije
woord.’
Deze lezer heeft zich ook gestoord aan een opmerking in een
artikeltje over Helen Thomas, de legendarische Witte
Huiscorrespondente die onlangs opstapte nadat ze een ongelukkige
uitlating had gedaan over Israël. In het artikeltje werd gemeld
dat Thomas’ haar ouders van Libanese komaf waren. De lezer
noemt dat ‘een schrijnend voorbeeld van
partijdigheid’.
Het zal aan mij liggen, maar ik begrijp die reactie niet. In dit
geval voegt de komaf van de correspondente wel degelijk iets toe
voor de lezer. De relatie tussen Israël en Libanon is zacht
gezegd niet erg vriendschappelijk, dus kan de Libanese afkomst al
dan niet bewust een rol hebben gespeeld bij Thomas.
Toch is dit wel een interessant voorbeeld, want het geeft aan dat
je een stuk op heel veel verschillende manieren kunt lezen en
uitleggen. En dat het soms verleidelijk kan zijn bepaalde
artikelen maar even te vergeten, omdat anders de beeldvorming
niet uitkomt. Zo klaagden lezers dat de redactie nooit heeft
bericht dat de Israëlische commando’s die het hulpkonvooi
in internationale wateren overvielen, zich ook schuldig hadden
gemaakt aan diefstal van persoonlijke bezittingen en onnodig
geweld. Waarom verzwijgt de redactie deze misstanden, vroegen
enkele lezers.
Maar heeft de redactie dat ook verzwegen? Heeft dit nooit de
kolommen gehaald? Jawel. Lees het dagboek van de Zweedse
schrijver Henning Mankell er maar op na, dat op zaterdag 5 juni
in de krant stond. Hij beschrijft nauwgezet hoe persoonlijke
bezittingen werden weggenomen door Israëlische
commando’s.
Een citaat: ‘Je kunt er aan toevoegen dat het ook nog
gewone dieven zijn. Want ik was niet de enige die zijn geld,
creditcards, kleding, Mp3-speler en computer kwijtraakte, maar
velen met mij op het schip dat op een vroege morgen door
gemaskerde Israëlische soldaten werd aangevallen. Die eigenlijk
ordinaire piraten bleken te zijn.’
Duidelijker kun je het niet krijgen denk ik, zeker niet
omdat Mankell eerder al beschreef hoe mensen met grof geweld,
rubberkogels en elektrische schokken bijeen werden
gedreven.
Waar de klagers wel een punt hebben, is dat op de website op één
dag twee wel erg pro Israëlstukken stonden. Maar is dat een
bewijs van vooringenomenheid van de redactie? Op dezelfde
website en in de krant lieten twee vooraanstaande Israëlische
schrijvers zich erg kritisch uit over de aanval op zee. Dat is de
andere kant van de medaille.
In dit dossier kun je het als krant nooit goed doen. De
Israëlische aanval op het hulpkonvooi is in een hoofdredactioneel
commentaar veroordeeld, wat mag je als lezer nog meer
verwachten?
Ik weet uit ervaring dat op deze column dezelfde verwijten gaan
komen. Lezers lezen nu eenmaal wat zij willen lezen en zien wat
ze willen zien. Neem de foto’s die de redactie onlangs
publiceerde en waarop was te zien dat sommigen op de boten van
het hulpkonvooi van zich af sloegen met staven en dreigden met
(keuken)messen. Dank je de koekoek zou ik zeggen, dat zou ik ook
doen als ik op volle zee zou worden overvallen.
Het laten zien van die beelden wordt door lezers echter direct
uitgelegd als een stellingname voor Israël en tegen het
hulpkonvooi voor Gaza.
‘Maar dat is niet zo’, zegt de chef buitenland.
‘Op beelden die de BBC eerder uitzond, was al te zien dat
de Israëlische soldaten met stokken en staven werden afgetuigd.
Deze foto’s leken dat te bevestigen. Met het afdrukken van
die foto’s geven we geen oordeel over de vraag of het
Israëlische optreden gepast was’, zegt hij.
Die vraag was al beantwoord in het commentaar. Antwoord: nee.
Thom Meens
Achteraf bezien en met de kennis van nu, hadden we er niet aan
moeten beginnen, zegt de economieverslaggever. Niemand op de
redactie van de Volkskrant zal hem dat tegenspreken.
Vorige week zaterdag bracht de krant als het grootste nieuws de
uitkomsten van een onderzoek dat Nyfer op verzoek van de
Volkskrant deed naar de gevolgen voor de koopkracht van de
programma’s van de grootste politieke partijen. Koopkracht
daalt bij rechts en stijgt soms flink bij links, luidde de
conclusie. D66 en VVD kwamen uit de berekeningen als slechtste
uit de bus.
Nog diezelfde zaterdag moest de krant op de website rectificeren
en maandag bood hoofdredacteur Pieter Broertjes op de voorpagina
excuses aan voor fouten in de berekeningen.
‘We hebben de complexiteit onderschat en Nyfer
overschat’, zegt de economieverslaggever
terugkijkend.
Het onderzoeksbureau had de redactie laten weten dat het de
gevolgen voor de koopkracht kon uitrekenen, iets waar het
Centraal Planbureau zich niet aan heeft durven wagen.
De Volkskrant gaf Nyfer opdracht te gaan rekenen. Daarbij was
afgesproken dat alle politieke partijen de resultaten vooraf te
zien zouden krijgen en dat pas tot publicatie zou worden
overgegaan nadat alle partijen met de resultaten hadden
ingestemd.
Het plan, bedacht in Amsterdam, werd door de Haagse redactie
ontraden. Die vond het te risicovol om koopkrachtplaatjes te
laten uitrekenen. Begin er niet aan, het wordt een puinhoop,
luidde het Haagse advies.
Dat gevaar is ook in Amsterdam onderkend, maar omdat het
onderzoeksbureau bleef verzekeren dat het allemaal goed zou komen
en dat alle reacties van de politieke partijen zouden worden
verwerkt, is de productie toch doorgezet.
Op het moment dat de krant op de drukpers lag, kwam in Amsterdam
het besef dat het toch niet goed was gekomen. Bij het CDA had
Nyfer een rekenfout gemaakt en bij de VVD en D66 zijn opmerkingen
over een fout in de berekening van de zorgpremie in eerste
instantie genegeerd. Toen Nyfer later alsnog meldde dat beide
partijen gelijk hadden, was de krant al gedrukt en onderweg naar
de lezers.
Het siert de redactie dat ze direct op de website heeft
gerectificeerd en publiek heeft erkend dat er fouten zijn
gemaakt, maar de vraag blijft natuurlijk wel hoe het kan dat een
onvoldragen onderzoek over zo’n belangrijk onderwerp en op
zo’n cruciaal moment tot belangrijkste nieuws kan worden
gemaakt.
Koopkrachtplaatjes zijn van wezenlijk belang voor de kiezer,
daarin heeft de economieredactie groot gelijk. De vraag naar de
gevolgen van de programma’s voor individuele gevallen is
journalistiek heel interessant. Er was dus niets mis met het idee
om dat te laten uitrekenen. Waar het mis is gegaan, is in de
uitvoering.
De redactie heeft zelf niet de expertise in huis om de
partijprogramma’s door te rekenen. Dus is gezocht naar
mensen die dat wel kunnen. Zo kwam de redactie bij Nyfer terecht,
een bureau met een goede staat van dienst. Op vrijdagmiddag heeft
de economieverslaggever nog gevraagd of het allemaal ging lukken.
Hij zegt: ‘Ik heb gezegd dat zorgvuldigheid belangrijker is
dan snelheid, dat we desnoods tot maandag konden wachten met
publiceren, maar volgens de onderzoeker was dat niet nodig. Alle
reacties zouden worden verwerkt en het stuk kon zaterdag de
krant in.’
Het is voor mij gemakkelijk om hier nu te schrijven dat de
redactie nooit op Nyfer had mogen vertrouwen en de berekeningen
van het bureau had moeten laten narekenen, maar zo werkt het in
de praktijk natuurlijk niet.
Je huurt een bureau in om een klus te doen die je zelf niet kunt.
Vervolgens moet je er op vertrouwen dat het bureau waarmaakt wat
het belooft. Dat is hier helaas niet gebeurd. Nyfer heeft te laat
ingezien dat de kritiek van de VVD en D66 terecht was.
Wat me wel verbaast is dat de Amsterdamse redactie de bezwaren
van de Haagse redactie niet zwaarder heeft laten wegen en
bovendien de eigen afspraken niet heeft nageleefd.
Als je vooraf zegt dat je pas publiceert als alle reacties zijn verwerkt moet je niet tot publicatie overgaan, zo lang dat niet het geval is. Nu is kritiek van VVD en D66 genegeerd omdat het onderzoeksbureau die niet relevant vond. Daarbij heeft voor de redactie ongetwijfeld meegespeeld dat VVD en D66 slecht uit de berekeningen kwamen en dus hoe dan ook kritiek zouden hebben op het onderzoek. Wie als slechtste uit de bus komt, heeft namelijk altijd iets aan te merken.
Dat het in dit geval terecht was, is onvoldoende onderkend of, op gezag van Nyfer, genegeerd. Dat had niet mogen gebeuren.
Thom Meens
Soms krijg ik als ombudsman post van lezers waarin precies wordt verwoord wat ik zelf ook voelde toen ik de krant las. Zo’n briefje kwam (helaas) vorige week vrijdag binnen.
Een lezer schreef: Als abonnee van de Volkskrant ben ik altijd plezierig tevreden over het niveau en de zorgvuldigheid van de berichtgeving van deze krant. Ik vroeg mij vanochtend echter af waar zorgvuldigheid van de redactie in terug te zien valt bij de berichtgeving over de tenlastelegging in de zaak Milly (Binnenland, pagina 8).
‘Zijn de vrijwel precieze details van de laatste momenten van dit meisje dermate van nieuwswaardig belang voor de Volkskrant dat haar nabestaanden dat nog eens, tezamen met duizenden lezers, haarfijn kunnen nalezen in een landelijk ochtendblad? Had hier niet gewoon kunnen volstaan met vermelding van de gronden waarop de verdachte zal worden vervolgd en verder niets meer?’
De lezer vervolgt met: ‘Er is net een heftige
discussie in (en buiten) 'journalistenland' gehouden rondom
benadering, aanpak en berichtgeving over de enige overlevende na
de vliegramp in Tripoli. Wat mij betreft kunnen de argumenten -
uiteraard de voors en tegens - van deze discussie weer worden
opgepakt en worden gebruikt voor bespreking van bovenstaande
zaak.’
De lezer heeft een punt. Bij het lezen van het artikel had ik me
die ochtend ook al afgevraagd waarom de redactie vond dat ik alle
details moest kunnen lezen. Had niet volstaan kunnen worden met
de mededeling dat de dader het meisje heeft misbruikt en
vervolgens vermoord?
Nee, zegt de auteur van het artikel. In dit geval niet. De zaak heeft enorm veel publiciteit gekregen, de lezers hebben er recht op te weten wat de verdachte met het meisje heeft gedaan.
Alleen melden dat ze is misbruikt, vindt de auteur niet
voldoende. Daarom heeft hij, na overleg met twee collega’s,
besloten de details van het misbruik op te schrijven net als de
wijze waarop het meisje is gedood.
Althans, het gaat om de lezing die het Openbaar Ministerie geeft
in de tenlastelegging.
De auteur zegt dat het voor het eerst was dat er enige
informatie over de toedracht naar buiten kwam. Hij wilde die met
de lezers delen. Mensen vragen zich toch af wat er is gebeurd,
zegt hij.
Op zichzelf lijkt er me niets mis met zoveel mogelijk informatie
aan de lezers geven. Maar ik vraag me in dit specifieke geval wel
af of de lezers echt op die informatie zitten te wachten.
En moet de redactie die informatie wel naar buiten willen
brengen? Welk redelijk doel is daarmee gediend? Ik zou het niet
willen lezen als het om mijn dochter zou gaan, dus waarom wel als
het gaat om andermans kind?
Volgens het Stijlboek van de redactie moet terughoudend worden
omgegaan met informatieverstrekking over slachtoffers. De auteur
zegt dat hij dat heeft gedaan: ‘Ik heb de achternaam niet
genoemd.’
Dat klopt, maar verder zijn wel enkele gruwelijke details
opgeschreven. Dat is volgens mij niet wat het Stijlboek onder
prudent verstaat. Bovendien meldt het Stijlboek dat telkens moet
worden overdacht hoe de publiciteit voor betrokkenen kan
uitpakken.
In dit geval is dat de naaste familie van het meisje. Ik
kan me niet voorstellen dat die zit te wachten op breed door de
media uitgemeten leed van hun dochter.
Wat mij betreft had de redactie dus een andere afweging moeten
maken en terughoudender moeten berichten.
Maar deze zaak geeft wel een goed beeld van het klassieke dilemma voor media. Waar ligt de grens tussen informatieverstrekking en bescherming van de persoonlijke levenssfeer van mensen?
De journalist wil laten zien wat er is gebeurd, opdat de lezer zelf kan oordelen. Dat betekent dat in principe zoveel mogelijk informatie moet worden verstrekt. Maar tegelijk moet de journalist terughoudend zijn als het gaat om personen. Je kunt niet zomaar alles opschrijven.
Die grens moet van geval tot geval worden getrokken, waarbij ik er sterk voor ben om bij slachtoffers van misdrijven heel terughoudend te zijn. Zij kunnen zich vaak niet meer verweren. Dat moet de journalist in hun plaats doen.
De lezer heeft gelijk als hij een parallel trekt met de
overlevende van de vliegramp bij Tripoli.
Ook daar is de journalistiek doorgeschoten en is de privacy van
het slachtoffer geschonden. En ook daar ging het om een kind dat
zich niet kon verweren.
Alleen al omdat het om een kind gaat, zouden media extra
voorzichtig moeten zijn in hun keuzes. Liever wat minder
gedetailleerd nieuws dan dat er in de hang naar informatie zaken
naar buiten komen waar niemand wat mee heeft te maken.
Thom Meens
Soms kun je niet duidelijk genoeg zijn. Vorige week schreef ik dat de tijd voorbij is dat de journalistiek alleen maar anderen de maat nam, zonder zelf verantwoording af te (hoeven) leggen. Aanvankelijk schreef ik dat die tijd ‘gelukkig’ voorbij is, maar dat leek me zo’n open deur dat ik het woordje gelukkig heb weggehaald in de versie die uiteindelijk de krant haalde.
Dom, want prompt reageerde een lezer met de vraag wat ik zelf vind van die roep om meer verantwoording door de journalistiek. Uit zijn betoog bleek dat hij dit heel goed weet, want hij schreef: ‘U noemt het een goede zaak dat de journalistiek zich moet verantwoorden, maar u weet dat dit nauwelijks gebeurt en zeker niet op dezelfde voelbare en effectieve manier als waarop 'gewone mensen', politici en bestuurders op hun fouten en wandaden worden afgerekend.
‘Voorlopig is het toch nog altijd de journalistiek zelf die bepaalt of kritiek op haar functioneren openbaar wordt gemaakt. Ook in uw column staan nooit de namen van falende journalisten, columnisten, commentatoren, recensenten en redacteuren.’
Die zit. In mijn column staan inderdaad nooit namen. Maar dat is niet om journalisten uit de wind te houden, zoals de lezer kennelijk denkt. Iedereen kan met mijn column in de hand in het krantenarchief uitzoeken over welke journalist het gaat.
Ik noem geen namen van individuele redacteuren omdat ik van mening ben dat een krant een product is van een hele redactie. Natuurlijk, het begint met een journalist die een fout maakt, maar dat die fout uiteindelijk ook de krant haalt, is altijd de schuld van meer mensen dan alleen de ene journalist. Zijn werk wordt beoordeeld door een chef, nagelezen door een eindredacteur en nogmaals gezien door de chef van de nachtploeg, als alles loopt zoals het hoort.
Een krant maken is een groepsproces en om die reden noem ik geen namen van individuele redacteuren. De krant moet zich verantwoorden, niet een toevallige maker.
Maar je kunt er ook anders over denken. Half mei was in het Engelse Oxford het jaarcongres van de ONO, de internationale organisatie van nieuwsombudsmannen.
Daar leidde de vraag over het al dan niet noemen van namen van
redacteuren die de fout in gaan tot een hevig debat en een
scheiding der geesten.
Grofweg kun je zeggen dat aan deze zijde van de Atlantische
oceaan geen namen worden genoemd en aan de andere kant wel.
Een collega van de Canadese omroep zei me dat zij altijd namen noemt. ‘Journalisten zelf doen ook niet anders. Zij noemen elke dader of frauderende politicus met naam en toenaam, waarom mag ik dat dan niet óók doen als de journalist eens een keer de fout in gaat’, vroeg ze me.
Het noemen van namen heeft een afschrikkende werking, vinden ook collega’s van Amerikaanse media. Een journalist die weet dat hij publiek aan de schandpaal wordt genageld als hij de fout in gaat, werkt extra zorgvuldig, denken zij. Ik weet niet of dat klopt. De grootste journalistieke schandalen van de vorige eeuw speelden in de VS.
In Europa zijn ombudsmannen terughoudender met het noemen van namen. Mijn collega van de Observer redeneert net als ik. Een krant of een weekblad wordt door een redactie gemaakt. Die is ook als geheel verantwoordelijk voor gemaakte fouten en missers.
De ombudsman bij een Deens televisiestation heeft zelfs in zijn arbeidscontract de expliciete bepaling staan dat hij geen namen van individuele redacteuren mag noemen in zijn columns.
Bij de Volkskrant is niets geregeld. Ik had dus ook een andere keuze kunnen maken, zoals mijn Amerikaanse collega’s. Je hoeft een journalist niet te sparen als hij de fout in gaat, want journalisten sparen ook niemand.
Dat klopt, maar dan nog blijf ik van mening dat een journalist nooit op eigen houtje kan handelen. Er zijn altijd extra sluizen op de redactie die gepasseerd moeten worden. Zij zijn mede verantwoordelijk. Bovendien gaat het om de functionaris die iets doet of nalaat, de binnenlandredacteur, de eindredacteur, de chef van de nachtploeg. Het is niet Piet die een stuk ongelezen de krant in slingert, maar Piet in zijn hoedanigheid als eindredacteur van de krantenpagina.
Namen of geen namen, de lezer heeft er vooral belang bij dat de krant verantwoording aflegt voor haar handelen. Je kunt er over twisten of dat nu al voldoende gebeurt, maar het begin is er, getuige deze rubriek. Getuige ook de hoofdredacteur van de Volkskrant die deze week publiek uitsprak dat hij te snel (en ten onrechte) heeft besloten de foto van vliegrampslachtoffer Ruben te plaatsen. Hij had de huisregels strikter moeten toepassen. Dat toegeven is moedig en verdient navolging.
Thom Meens
De journalistiek was altijd een beroepsgroep die iedereen zonder aanzien des persoons de maat kon nemen, maar zelf buiten schot bleef.
Die tijd is voorbij, getuige de storm van kritiek die de Nederlandse media kregen in de nasleep van de vliegramp bij Tripoli en het leeghalen van vuilniszakken en -bakken van politici.
Zo moest de hoofdredactie van de NOS zich afgelopen week verdedigen tegenover de kijkers nadat de NOS televisiebeelden had uitgezonden van de Nederlandse overlevende van de ramp.
Uit het weblog van de hoofdredactie over het gebruik van de beelden: ‘Het (is het) verhaal van het onmogelijke, van 1 overlevende en 103 doden, en van een kind dat te jong is om voor zichzelf op te komen. Dat verhaal verdient het verteld te worden, hoe hard het ook is. En vertellen doe je bij de televisie met beelden. Dat is waarom we het materiaal hebben gebruikt. Niet uit sensatiezucht, maar om ons journalistieke werk te doen. Om een compleet verhaal te vertellen aan ons publiek. De wereld te laten zien zoals hij is, dus. Met verdriet en geluk, met dood en leven.’
De hoofdredacteur van de NOS noemde de televisiecriticus van de Volkskrant later in zijn weblog hypocriet omdat die het gebruik van de beelden hekelde, hoewel zijn eigen krant ook foto’s had.
Dat kon die recensent niet weten toen hij zijn column schreef, maar het doet aan het principe ook niets af. Dat de Volkskrant ook een onjuiste keuze maakte, ontslaat de anderen niet van hun eigen verantwoordelijkheid.
Roepen om meer regelgeving door de Raad voor de Journalistiek helpt ook niet. Er zijn regels zat, maar wie geen fatsoen in zijn donder heeft, vindt altijd wel een manier om die regels te omzeilen. En wat heeft regelgeving door de Raad voor zin als een blad als De Telegraaf, dat er geen been in zag een telefonisch interview met Ruben af te drukken, het gezag van de Raad niet erkent?
Wat hebben regels voor zin als mensen die zich journalist noemen vuilniszakken van politici gaan leeghalen in de hoop op een nieuwtje? Het geeft een geheel nieuwe invulling aan het begrip riooljournalistiek, maar het haalt tegelijkertijd de geloofwaardigheid van een hele beroepsgroep onderuit.
Terug naar de overlevende van de vliegramp en het tonen van de filmbeelden. Bijna iedereen liet ze zien, maar mag het? In Frankrijk bestaat een absoluut verbod op het tonen van minderjarigen en het noemen van hun naam. De enige uitzondering is dat het mag als de betrokkene en zijn wettelijke vertegenwoordiger expliciet toestemming geven.
In het geval van overlevende Ruben is dat nooit gebeurd. Die beelden zijn in Frankrijk dan ook niet uitgezonden, voor zover ik weet.
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt in artikel 8: ‘Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.’
In het geval van Ruben kun je zonder meer stellen dat zijn privéleven werd geschonden, niet alleen door het noemen van de volledige naam (wat de Volkskrant in eerste aanleg ook deed), maar nog meer door het tonen van de filmbeelden van de jongen.
Dat die beelden waren gemaakt met instemming van de Libische autoriteiten, doet daar niets aan af. Het EVRM mag misschien geen werking hebben buiten Europa, het gaat hier wel om een Nederlandse jongen, die in Nederlandse media herkenbaar in beeld komt.
Ook de Volkskrant is hier te ver gegaan. Het argument dat de NOS de beelden op woensdag al de hele dag uitzond, snijdt geen hout. Naar ik begreep heeft de hoofdredacteur om die reden zelf beslist dat de foto kon worden getoond op de website en later ook in de krant.
Hoe begrijpelijk ook, het was een foute afweging. De NOS deed iets wat in strijd is met goed fatsoen en internationale rechtregels, daar mag de redactie zich nooit door laten leiden of achter verschuilen. De krant heeft een eigen verantwoordelijkheid.
Ik ga niet over het hoofdredactioneel commentaar, maar ik wil hier wel zeggen dat ik het, zacht gezegd, vreemd vind dat de commentator het noemen van de volledige naam door andere media hekelt, zonder te melden dat de website van de krant dat aanvankelijk korte tijd ook deed.
Helemaal vreemd is dat het commentaar voorbij gaat aan het tonen van de filmbeelden en het gebruik van de foto’s daaruit in de krant. Je kunt er van mening over verschillen, maar in mijn ogen zegt beeld op dit moment meer dan woorden. Ja, de naam is tot in lengte van jaren te vinden in zoekmachines, maar de foto van de zwaargewonde jongen op zijn ziekbed is een aantasting van zijn waardigheid en vele malen schrijnender dan het ongelukkige vermelden van zijn (onjuiste) achternaam.
Thom Meens
De vliegramp bij de Libische hoofdstad Tripoli heeft vermoedelijk zeventig Nederlanders het leven gekost. Een jongetje overleefde en werd op zijn eigen trieste wijze wereldnieuws.
Kranten, televisiestations en internetsites publiceerden
foto’s van de jongen, vrijgegeven door de Libische
autoriteiten die er kennelijk geen been in zien een gewonde met
beeld en geluid de halve wereld over te sturen.
De redactie van de Volkskrant deed woensdagavond hetzelfde. Zij stuurde een nieuwsalert rond met de volgende boodschap: ‘De identiteit van de enige overlevende van de vliegtuigramp in Tripoli is bekend. Het gaat om een 8-jarige Nederlandse jongen genaamd Ruben van Ashout.’Daar aan gekoppeld was een doorverwijzing naar een bericht op de website, dat op zijn beurt afkomstig was en verwees naar een bericht van de Amerikaanse zender CNN.
Die bron was niet te zien in het nieuwsalert zelf, pas wie doorklikte, kwam uiteindelijk bij CNN uit.
Het nieuwsalert leidde tot boze opmerkingen van lezers. Moet heel Nederland weten hoe deze jongen heet, vroeg er een. Een ander schreef: ‘Wat mij stoort, is dat de jonge overlevende met zijn volledige naam wordt genoemd. Bij rampen als deze is de scheidslijn tussen nieuws en sensatie vaak vrij dun. Met de publicatie van deze naam lijkt de redactie gezwicht voor nieuwsgierigheid van de onaangename soort.
‘Met de identiteit van de jongen wordt hoogst
waarschijnlijk ook die van zijn ouders en eventuele broertjes en
zusjes onthuld. (…) Wat is er de zin van zijn privacy
ernstig te schenden? Zijn foto was al wereldwijd vertoond. Waarom
moet hem zijn laatste restje anonimiteit ontnomen worden door ook
nog zijn naam te onthullen?’
De lezers hebben gelijk. Het Stijlboek van de redactie is
duidelijk. Bij verkeersslachtoffers hoort de redactie prudent te
zijn als het gaat om het onthullen van de identiteit. Die
voorzichtigheid is hier (even) uit het oog verloren, nog afgezien
van de vraag of de familie van de jongen al op de hoogte was,
toen media zijn naam bekendmaakten. Ik schrijf ‘even’
omdat vrijwel direct nadat het nieuwalert was verzonden, is
besloten de achternaam niet meer te gebruiken in de nieuwsstroom.
Alleen was het kwaad al geschied en het nieuwsalert verzonden.
Dat prudentie is geboden, bewijst helaas ook de gang van zaken. De achternaam die de redactie op gezag van CNN de wereld in stuurde, klopte niet, net zoals de leeftijd van het slachtoffer niet klopte. Maar ook als naam en leeftijd wel hadden geklopt, was er geen enkel redelijk doel mee gediend om die wereldkundig te maken. De Volkskrant doet dit niet, en terecht.
Maar dan. Wat te doen met verwijzingen naar andere sites, die de redactie op haar website zet? Zo was donderdag een verwijzing te zien naar de site van het Brabants Dagblad waarin de vermoedelijk oma van het slachtoffer aan het woord kwam, compleet met naam en toenaam. Had de redactie die verwijzing dan niet moeten plaatsen, vroeg een redacteur van de website me.
Dat is een interessant dilemma. De Volkskrant noemt in principe geen namen van slachtoffers, maar geldt die ethische regel ook voor verwijzingen die de redactie op haar website zet? Je kunt in dit geval zeggen dat de mogelijke oma de anonimiteit van de jongen heeft opgeheven door een verslaggever van een regionale krant te woord te staan. Alleen weten wij niet onder welke omstandigheden dat is gebeurd. Was zij overmand door verdriet en zich eigenlijk niet bewust van wat ze deed, of heeft ze willens en wetens de publiciteit gezocht? Een bijkomende vraag is of de oma het recht heeft de privacy van de jongen te schenden.
Hier speelt de aard van het medium internet een rol. Een redactie kan niet alles controleren wat andere media op internet publiceren. Zij vertrouwt dus op de journalistieke afwegingen en ethische principes van het medium dat zij citeert of waarnaar zij verwijst.
In dit geval is voor mij vooral van belang wat de verwijzing naar het Brabants Dagblad toevoegt. Het was niet de oma van, maar de vermoedelijke oma, die liet weten dat het waarschijnlijk om haar kleinzoon ging. Alleen al vanwege die slagen om de arm zou ik zeggen dat die verwijzing niet had gehoeven: ze biedt geen uitsluitsel, roept alleen meer vragen op.
Maar ook als het wel zeker was dat het ging om oma en kleinzoon, zou ik die verwijzing niet hebben geplaatst. Dat andere media niet terughoudend zijn is hun zaak, de Volkskrant heeft eigen regels. Die moeten niet worden uitgehold, alleen omdat internet alles zichtbaar maakt. Als de redactie vindt dat vanwege, en op, internet andere regels gelden, dan moet ze dat uitspreken en keuzes maken. Sluipend invoeren van een internet-Stijlboek lijkt me hoe dan ook ongewenst.
Thom Meens
(Deze column is geschreven op donderdag 13 mei en niet geactualiseerd).
Het is nog niet zo gek lang geleden dat er bij de hoofdredactie
van de Volkskrant een briefje binnenkwam van een lezer
die op het eerste gezicht wilde meedenken over
bezuinigingen en het maken van een goede, maar tegelijk
rendabele, krant.
Zijn remedie: ontsla de eindredacteur van de brievenpagina,
want die maakt toch alleen maar foute keuzes.
Het was niet de eerste keer dat deze lezer zijn gram haalde over de brievenredacteur. Twee jaar geleden schreef hij ook al eens aan de hoofdredactie met een soortgelijke klacht.
Een paar citaten: ‘Ik heb sterk de indruk dat met name de rubriek Geachte redactie in de Volkskrant wordt gerund door een stelletje schoolverlaters, die geen juiste keuze kunnen maken in (bedoeld was: uit, t.m.) actuele onderwerpen. Hoe valt het anders te verklaren dat diverse artikelen van mijn hand met een hoog hot-gehalte bij herhaling niet worden geplaatst. Artikelen die door mijn ervaring in de journalistiek gedegen en vlot leesbaar zijn. Al mijn artikelen zijn onderbouwd.
‘Als jullie niet meer de moed en kracht kunnen opbrengen
stukken, waaronder ingezonden brieven, nauwgezet te bestuderen
–leesmoeheid – moet je een andere baan zoeken,
bijvoorbeeld als vakkenvuller. Ten slotte merk ik op dat
artikelen die werkelijk niets toevoegen, wel worden
geplaatst.’
Deze lezer staat niet alleen. Ik denk dat geen enkele deelredactie zoveel kritiek krijgt als de eindredactie van de brievenpagina.
Dat is ook niet zo vreemd. Per dag kunnen vijf tot zes brieven een plaatsje krijgen in de krant, terwijl er (met dank aan de mail) tussen de honderd en tweehonderd reacties per dag binnenkomen. Dat betekent dat het overgrote deel helaas geen plaatsje kan krijgen in de krant en dat leidt tot teleurstelling.
Ik begrijp die teleurstelling van de lezers heel goed. Er gaat geen dag voorbij of lezers beklagen zich bij mij over de in hun ogen onredelijke keuzes van de brievenredactie. De teneur is altijd hetzelfde. ‘Kijk nou eens wat er wel in de krant staat en lees dan mijn afgewezen brief nog eens na. Die is toch veel beter/actueler/interessanter dan wat u wel plaatst. Mag ik misschien even weten wat uw afwegingen zijn geweest?’
Dat is een terechte vraag. Ik zou me ook genomen voelen als ik eens een keer een brief stuur naar de krant en alleen maar een standaard afwijzing zou krijgen. ‘ Wij hebben uw brief met aandacht gelezen en bla, bla bla, maar helaas is de keus op een andere gevallen.’ Daarvoor schrijf je natuurlijk niet aan de krant.
Elke aap vindt zijn eigen jong het mooiste en dat geldt ook voor de ingezonden brieven. Het is aan lezers niet uit te leggen waarom hun bijdrage het niet heeft gehaald en andere wel.
Toch een poging. Alle brieven die bij de redactie binnenkomen, worden verzameld, indien nodig uitgeprint en vervolgens op onderwerp gesorteerd. Brieven die de redactie op fouten in de krant attenderen, komen op mijn bureau, zodat de fouten kunnen worden rechtgezet.
Alle andere brieven worden per onderwerp verzameld en, echt waar, allemaal gelezen door de brievenredacteur, op dit moment overigens een redactrice.
Zij inventariseert de onderwerpen, kijkt naar de aard van de reacties en maakt uiteindelijk een keuze voor de brievenpagina van de volgende dag. Tegelijk selecteert ze in de loop van de week ook alvast brieven voor de zaterdagse U-pagina.
Over de selectiecriteria ligt niets vast, maar wel is de onuitgesproken regel dat de brievenpagina voor iedereen aantrekkelijk moet zijn: afwisseling is dus geboden. Geen tien brieven over Wilders, de paus of wat dan ook, maar variatie.
De zaterdagse U-pagina is vervolgens het forum om extra aandacht te besteden aan onderwerpen die de lezers in de voorgaande week hebben beziggehouden. Daar zie je dan ook vaak blokken met een aantal brieven over hetzelfde thema.
Wat blijft is de vraag hoe de lezer kan weten dat de brievenredactie eerlijke en redelijke afwegingen maakt. Een sluitend antwoord is daar niet op te geven. Het is een kwestie van vertrouwen. Op basis van wat ik kan zien, durf ik de stelling aan dat de brieven die de krant halen een redelijke en getrouwe afspiegeling zijn van alles wat binnenkomt.
Maar daar koop je als brievenschrijver niets voor als jouw brief
het niet haalt. ‘Zeg me dan waarom ik te kort ben
geschoten’, schreef een lezer laatst. Dat is een terechte
vraag, maar het is ondoenlijk om met alle afgewezen
brievenschrijvers individueel in debat te gaan over hun brief.
Mijn advies: blijf proberen. Blijf hoffelijk en ga niet schelden. Een goed geschreven, korte en puntige brief haalt uiteindelijk wel de krant, is het niet deze week, dan misschien volgende maand.
Thom Meens
Zoveel lezers, zoveel meningen, lijkt het soms. Neem het gratis kunstboek dat zaterdag bij de krant zat.
Het overgrote deel van de lezers was razend enthousiast over dit
cadeautje. ‘Eindelijk doet de krant ook eens iets voor
trouwe abonnees’, mailde een lezer die zich eerder al eens
had beklaagd dat de krant wel veel doet om aan nieuwe abonnees te
komen, maar in zijn ogen de trouwe abonnees vergeet.
‘Hebben wij niet ook recht op een cadeautje zo nu en dan,
als blijk van dank’?
Maar er waren ook lezers die het boek terugstuurden naar de krant, of me lieten weten dat ze het hadden weggegooid.
Een citaat uit een mail van een boze lezer: ‘Ik heb er niet om gevraagd, het is verspilling, het noopt tot plastic verpakkingsmateriaal, het dient uitsluitend een commercieel doel en het is ook nog eens een extra belasting voor de bezorgers. Daarvoor ben ik geen abonnee op de Volkskrant.’
Boek en Magazine, dat bij het boek verpakt zat, werden ongefrankeerd teruggestuurd naar de krant, met het verzoek het Magazine alsnog los na te bezorgen.
Dat laatste verbaasde me, want dat is ook een extra belasting voor de bezorger. Waarom dan niet gewoon het Magazine uit de verpakking gehaald?
Deze lezer klaagde ook over een drukwerk dat bij de zaterdagkrant was gevoegd. ‘Een enveloppe van Milieudefensie. Stop energieverspilling staat op de buitenkant. Helemaal mee eens. Ook deze enveloppe gaat retour, ongefrankeerd, aan jullie.’
Dat alles vergezeld van het dreigement dat in een volgend geval de krant wordt opgezegd.
Dit dreigement komt vaker voor. Mensen die op de brievenbus aangeven dat ze geen reclamedrukwerk willen ontvangen, klagen geregeld dat de Volkskrant zich daar ook aan moet houden en dus geen drukwerk moet bijvoegen.
Ik heb het hier al eerder uitgelegd, de uitgever ziet dat anders. Zo’n enveloppe van Milieudefensie moet je zien als een gewone advertentie, die deel uit maakt van de krant.
De krant om die reden opzeggen heeft ook weinig zin, want voor zover ik weet, hanteren alle uitgevers op dit terrein dezelfde regels. Het alternatief is dan helemaal geen krant, maar dat lijkt me een verschraling waar een abonnee van de Volkskrant niet op zit te wachten.
Zelf vind ik zo’n bijgevoegde enveloppe trouwens wel handig. Je kunt hem ongeopend weggooien als je niets hebt met de adverteerder, terwijl je advertenties in de krant ongewild toch bekijkt.
Dan een klacht van een heel andere orde. Het lijkt een futiliteit, maar sommige lezers kunnen er zich hevig aan ergeren. Het gaat om het gebruik van het woord Holland, waar Nederland wordt bedoeld. Vooral lezers die niet in Noord- of Zuid-Holland wonen, kunnen zich kwaad maken als de krant het heeft over Holland.
‘Ik woon niet in Holland, ik woon in Nederland’, schreef er laatst een. ‘Op mijn paspoort staat Koninkrijk der Nederlanden, niet van Holland. En onze websites eindigen op nl en niet op hl. Waarom doet de krant dit?’
In ieder geval niet om lezers te pesten. Maar soms is het wel handig om Nederland en Holland af te wisselen in een tekst.
Formeel hebben de klagers gelijk, maar in het dagelijkse spraakgebruik worden Holland en Nederland natuurlijk wel door elkaar gebruikt. Wie zich daar echt aan stoort, moet straks ook de wedstrijden van het Nederlands elftal in Zuid-Afrika mijden, want het voetbalpubliek roept altijd Holland, gewoon omdat het een gemakkelijkere cadans heeft om te roepen. Het bijbehorende liedje heeft het vervolgens wel weer over Nederland dat kampioen wordt, al moet ik dat laatste eerst nog even zien gebeuren.
Vreemd genoeg laat het Stijlboek van de redactie zich
niet uit over de vraag Holland of Nederland. Ik zou me kunnen
voorstellen dat er in het boek een paragraaf komt waarin wordt
gemeld dat de redactie in principe altijd kiest voor Nederland,
behalve in die voorkomende gevallen waarin Holland de voorkeur
verdient, zoals in Hollandse meesters, Hollandse luchten,
Hollands welvaren, Hollandse nieuwe of Hollands landschap.
Dat zijn begrippen waarbij iedereen zich iets kan voorstellen. En
wat is er tegen om in een kookrubriek te spreken van een
klassieke Hollandse pot? Wie dat leest, krijgt visioenen van
stamppot, draadjesvlees of erwtensoep. Het gebruik van het woord
Holland is dan wel degelijk functioneel.
Een aardig compromis was in deze de keuze die (onbewust vermoed
ik) is gemaakt bij de mooie interviewserie onder de titel
‘Nederland en ik’.
De interviews begonnen bijna allemaal met de beroemde zin van
Marsman: denkend aan Holland zie ik … Maar de serie ging
over Nederland en ik, niet Holland, gewoon Nederland.
Thom Meens
Brief van een lezer: ‘Wat me zo opvalt, is dat de
Volkskrant er als eerste bij is om negatief te berichten
over de Paus (Vaticaan) of de rooms katholieke kerk. Veel mensen
om me heen valt dat op.
‘Ik zou graag van u willen weten wat voor
geloofsovertuiging de journalisten van de Volkskrant
hebben, in het bijzonder van de buitenlandjournalist, de
schrijver van deze negatieve berichten.
‘Over Roman Polanski bijvoorbeeld, die onlangs werd
gearresteerd vanwege misbruik van een minderjarige, werd zo
ver ik me kan herinneren, niet negatief bericht door de
Volkskrant. Meet de Volkskrant soms met twee
maten?’
Deze lezer staat niet alleen. Sinds de beerput van misbruik van
kinderen door geestelijken is opengegaan en de krant er vrijwel
dagelijks over bericht, klagen lezers over eenzijdige
berichtgeving. Een wilde zelfs weten of de redactie nu afrekent
met het eigen katholieke verleden.
Weer een ander wees er op dat columnist Jan Mulder indertijd, bij
Polanski, op de website nog opriep om de jacht op hem te staken.
Het was weliswaar verkeerd wat hij had gedaan, maar het was al
dertig jaar geleden en sindsdien was de man veranderd.
Moet dat niet ook gelden voor wat er nu allemaal naar
buiten komt over priesters die zich aan jongeren hebben
vergrepen? Dat is toch ook allemaal lang geleden, vroeg deze
lezer.
Even de feiten op een rij. Roman Polanski werd eind 2009 door de
Zwitserse justitie opgepakt op verzoek van de Amerikaanse
justitie.
De filmer heeft in 1977 anale seks gehad met een 13-jarig meisje
dat was gedrogeerd en had gezegd dat ze geen seks wilde.
Polanski heeft schuld bekend, maar is de VS ontvlucht voor de rechter kon vonnissen. Sindsdien wordt hij door de VS gezocht. Vorig jaar maakte het slachtoffer bekend dat zij het liefst zag dat de zaak wordt stopgezet, ze wil verder met haar leven.
De aanhouding van Polanski leidde in Europa tot opschudding. Veel kunstenaars en politici vonden dat de zaak niet meer moest worden opgerakeld. Ik heb er alle kopij van de Volkskrant op nagelezen en moet bekennen dat zeker in de beginfase vooral de voorstanders van Polanski aan het woord kwamen.
Wel beschreef de correspondent in Amerika de sentimenten daar. Zijn conclusie: Europa ziet Polanski als slachtoffer van een heksenjacht, terwijl in de VS de heersende gedachte is dat een verkrachter zijn straf niet mag ontlopen.
Een hoofdredactioneel commentaar stelde dat de Amerikaanse justitie het volste recht heeft om Polanski te vervolgen. Laatste zin: Er is niets puriteins aan het vervolgen van een volwassen man voor seks met een 13-jarige.
Wat buiten kijf staat, is dat de krant veel meer schrijft over de seksuitwassen in de katholieke kerk, dan indertijd over Polanski. Maar dat is logisch te verklaren. Sinds vorig jaar de eerste verhalen naar buiten kwamen, is er een schier eindeloze stroom onthullingen op gang gekomen van moedige mannen en vrouwen die nu durven zeggen wat hen 40 tot 50 jaar geleden is aangedaan. Lees het onthutsende verhaal van Treesje – en de dader - in de krant van woensdag er maar op na.
Dit zijn slachtoffers die destijds niet gehoord werden en die, anders dan het slachtoffer van Polanski, geen aangifte konden doen. Het slachtoffer van Polanski heeft nadat de zaak uitkwam 30 jaar de tijd gehad om haar trauma te verwerken, zij mag vragen de zaak te laten rusten. De slachtoffers van de kerk vinden nu pas gehoor. Is het dan gek dat zij hun verhaal willen vertellen?
Daar komt bij dat het misbruik jarenlang in de doofpot is gestopt en dat priesters soms gewoon van parochie veranderden, zonder verdere bestraffing. Een publiek excuus van de kerk is pas heel laat en omfloerst gekomen.
De krant zoekt nu naar de oorzaken, naar antwoord op de vraag hoe het zo ver heeft kunnen komen en waarom het zo lang heeft geduurd voor het werd onderkend. In die zoektocht horen ook de getuigenissen van de slachtoffers. Daarbij past ook een interview met ex-priester en theoloog Huub Oosterhuis die de cultuur beschrijft die heerste in de kerkgemeenschap in die tijd en die vertelt over de worstelingen rond het celibaat en de seks.
Daarbij hoort helaas ook een artikel over Italiaanse doofstomme jongens die stelselmatig werden misbruikt en nog steeds wachten op genoegdoening.
En, om de vraag van de lezers te beantwoorden. Het is geen meten met twee maten. Het gaat om een laffe verkrachting, maar wel toegegeven, tegenover een zee van stelselmatig verzwegen misbruik. Dit verklaart het verschil in de berichtgeving. Wie gelooft dat de redactie afrekent met het katholieke verleden, moet dat maar doen. Dat is het mooie aan geloof, het hoeft niet te sporen met de feiten.
Thom Meens
Bij een verhaal over maatschappelijk verantwoord ondernemen plaatste de economieredactie een tekening van een vrouw met een tjokvolle winkelwagen. Op de tekening, van illustrator Han Hoogerbrugge, reageerden lezers die een kunstwerk van Duane Hanson herkenden. Had dat er niet bij moeten staan, vroeg er een. Is dit plagiaat vroeg een ander.
De illustrator heeft zich laten leiden door het werk van Hanson.
Hij denkt dat dit mag omdat hij een origineel kunstwerk opnieuw
tekent en dat beeld inzet als beeldcolumnist. ‘Zie het als
persiflage, dan mag je andermans werk gebruiken, maar ik ben geen
specialist op dit gebied.’
In mijn ogen was er sprake van plagiaat. Ik vind dat de kunstenaar hoe dan ook had moeten melden dat hij werk van Hanson heeft gebruikt als basis.
‘Maar dat laatste was waarschijnlijk niet genoeg geweest’, zegt Lisette Varossieau, als zelfstandig advocaat werkzaam voor Pictoright, de auteursrechtenorganisatie voor visuele makers in Nederland. ‘Voor iedere verveelvoudiging van een auteursrechtelijk beschermd werk is toestemming van de rechthebbende vereist, tenzij een van de uitzonderingen uit de Auteurswet van toepassing is.’
De illustrator mocht het werk van Hanson niet natekenen en niet als eigen werk aan de Volkskrant leveren. Hij had eigenlijk eerst bij Pictoright, dat de rechten van Hanson in Nederland beheert, moeten vragen of hij het werk mocht gebruiken. Pictoright moet aan de kunstenaar, of diens rechthebbenden toestemming vragen. Daarna kan het werk worden gebruikt, mét een verwijzing naar de oorspronkelijke kunstenaar.
Hoogerbrugge gebruikt altijd beelden van anderen, zegt hij. ‘Niet omdat ik zelf geen ideeën heb, of uit gemakzucht, maar ik kies regelmatig voorbeelden die veel mensen zullen kennen/herkennen vanwege de betekenis die aan deze beelden kleeft.
‘Als ik de Ronald Mc Donald clown gebruik, doe ik dat omdat het artikel gaat over hamburgers, en als ik voor het gezicht de Joker uit de Batmanfilm gebruik, doe ik dat omdat in het artikel gesproken wordt over de dubieuze claim van de hamburgerketens dat hun vlees groen is. Zowel Ronald Mc Donald als de Joker zijn iconen. Is er dan sprake van plagiaat?’
Dat moet van geval tot geval worden bekeken. Wie een algemeen bekend kunstwerk natekent en gebruikt als illustratie, kan zeggen dat het parodie is van het origineel, of dat hij de kunstenaar wil eren door het werk na te tekenen. Iedereen weet op dat moment dat de illustrator niet de bedenker van het kunstwerk is.
Het kunstwerk van Hanson is niet zo bekend dat elke lezer direct
weet: ‘oh, een Hanson’. Zo wordt de lezer op het
verkeerde been gezet: hij kan denken dat Hoogerbrugge het zelf
heeft bedacht. Aan de eisen van een parodie, in de zin van de
auteurswet, is daarmee niet voldaan.
De illustrator zegt dat het niet gebruikelijk is bij
illustraties aan te geven wie de inspiratiebron was. ‘Het
is niet dat ik mijn bron geheim wil houden. Integendeel, ik zou
er geen bezwaar tegen hebben als bekend wordt door wie ik
me heb laten inspireren.’
Ik geloof hem. Het was geen moedwillig plagiaat. Maar ik denk wel
dat hij en de krant een probleem zouden kunnen hebben als de
specialisten zeggen dat het dat in dit geval wel is. Dan moet
zijn werk keer op keer worden gecontroleerd. Pictoright zegt van
dit geval geen probleem te maken omdat er met de Volkskrant een
regeling bestaat die voorziet in gebruik van werk van kunstenaars
die bij Pictoright zijn aangesloten.
Overigens is de grens tussen plagiaat, parodie en persiflage een
diffuus gebied. In december deed de voorzieningenrechter in
Amsterdam een uitspraak in een zaak tussen een webhoster en Dick
Bruna over zeven plaatjes van Nijntje die op sites van de hoster
te vinden waren.
Van vijf van de zeven plaatjes vond de rechter dat het duidelijk
was dat het ging om parodieën, waarvan de kijker kon weten of
althans vermoeden, dat het niet om origineel werk van Bruna ging.
Bij twee andere plaatjes vond hij wel dat er sprake is van schending van de rechten van Bruna. Daar was origineel werk van de tekenaar letterlijk overgenomen en niet voorzien van andere getekende figuren.
Han Hoogerbrugge voorzag zijn nagetekende Duane Hanson in de krant wel van een toevoeging. Hij had een beeld overgenomen van een campagne van de landmacht, de vinkjes geschikt, ongeschikt, hier veranderd in ecologisch bewust en ecologisch onbewust.
‘Zonder die vinkjes was het gevoel van plagiaat groter
geweest’, stelt hij. Waarna ik me weer afvraag of je die
vinkjes ook zomaar mag gebruiken. Pictoright denkt in dit geval
van wel.
Thom Meens
Onder de kop ‘Advocaat gedupeerden Nina Brink berispt’, maakte de economieredactie op vrijdag 2 april melding van een uitspraak van de Raad voor de Advocatuur die advocaat Reinoud Imhof zou hebben berispt.
De uitspraak van de Raad was niet mals. Imhof, die gedupeerde
beleggers in World Online bijstond, zou zijn betaald door
WOL-oprichter Nina Brink en door haar advocaten zijn aangestuurd.
‘Daarmee heeft Imhof het aanzien van de advocatuur ernstige
schade toegebracht’, citeerde de krant een persbericht van
de Raad.
Een dag later moest de redactie rectificeren. De Raad voor de Advocatuur bestaat niet en van een berisping is dus ook geen sprake.
In een artikel bij de rechtzetting werd gemeld dat de nepuitspraak een grap was van Peter Paul de Vries, de vroegere voorzitter van de Vereniging van Effectenbezitters. De Vries mocht in het artikel zeggen dat ‘het buitengewoon aannemelijk is’ dat Imhof dubbele petten had toen hij in 2001 gedupeerde beleggers bijstond.
‘Hij heeft de beleggers destijds in het ootje genomen, nu weet hij hoe dat voelt’, zei De Vries in de krant. Bewijs van deze beschuldigingen ontbrak in het stuk.
De vraag is hoe de redactie zich zo heeft kunnen laten beetnemen. Uit gesprekken met alle betrokkenen begrijp ik dat er om een minuut voor vijf in de middag per mail bij een Haagse redacteur een persbericht is binnengekomen van de Raad voor de Advocatuur. Dat persbericht maakte melding van de berisping.
De mail is door de Haagse redacteur naar de chef economie gestuurd, die de mail op zijn beurt naar een verslaggeefster doorstuurde. Die heeft het persbericht gelezen en heeft gekeken op de website van de Raad voor de Advocatuur. Daar vond ze deze berisping. Daarna heeft ze het artikel gemaakt.
De berispte advocaat heeft ze niet gebeld, omdat in het persbericht stond dat de advocaat al eerder had aangegeven dat hij over deze zaak geen mededelingen zou doen. De Raad zelf zou om die reden ook geen nadere toelichting willen geven en volstond met het persbericht.
Achteraf zegt de verslaggeefster dat ze de advocaat natuurlijk wel had moeten bellen. Daar heeft ze gelijk in. De toon van de berisping was dermate hard, dat wederhoor op zijn minst wenselijk was geweest. Ik weet dat uit jurisprudentie blijkt dat je rechterlijke uitspraken mag publiceren zonder wederhoor, maar in een geval als dit gelden volgens mij andere normen, zoals goed fatsoen.
En, met wijsheid achteraf, als de verslaggeefster even had doorgezocht op de site van de (niet bestaande) Raad voor de Advocatuur hadden er alarmbellen moeten rinkelen. De site noemt geen enkele naam van raadsleden of een contactpersoon en een tweede uitspraak is leeg. Bovendien blijkt uit niets op de website van de wel bestaande Orde van Advocaten dat er zo’n tuchtraad is.
Ter verdediging van de redactie moet ik zeggen dat het allemaal bedrieglijk echt leek. Bovendien kwam het vervalste persbericht laat in de middag, op het moment dat de krant wordt gemaakt. Dan ontbreekt helaas vaak de tijd om zaken goed uit te zoeken.
Je kunt het de redactie aanrekenen dat ze zich gemakkelijk heeft laten beetnemen, maar ik vraag me tegelijk af waarom iemand zoveel moeite doet om een ander een hak te zetten. De website moet ruim van tevoren zijn gemaakt, dat komt op mij over als kwade trouw en niet als een 1 aprilgrap. Bovendien was het persbericht zo vilein geformuleerd, dat het uitnodigde om het zonder wederhoor of nadere toelichting te plaatsen. Dat maak je ook niet in een dag tijd.
Wat ik veel kwalijker vind, is dat Peter Paul de Vries in het artikel waarin werd uitgelegd dat de Raad voor de Advocatuur niet bestond, nogmaals de gelegenheid kreeg om zijn aantijgingen aan het adres van Imhof te herhalen.
Van enig bewijs voor zijn stellingen is in het artikel geen sprake, maar hij mag zijn mening wel opnieuw en niet weersproken geven. Zo kreeg hij een tweede kans Imhof te beschadigen.
De advocaat kwam nu weliswaar ook aan het woord en mocht zeggen dat er nooit een klacht tegen hem is ingediend, maar die ontkenning staat wel in een artikel waarin beschuldigingen als dubbele petten worden herhaald.
Wie beweert bewijst. Nu de redactie De Vries al deze zaken heeft laten beweren, wordt het tijd voor bewijs. Als dat er niet is, of als de redactie het niet kan vinden, moet voortaan worden voorkomen dat zulke aantijgingen in de krant terechtkomen, ook niet als citaat.
Het kwalijke gevolg als dat wel gebeurt, is zichtbaar in zoekmachines op internet. De krant heeft gerectificeerd, maar kop en artikel zijn elektronisch nog steeds te vinden, ook zonder de later toegevoegde rectificatie.
Thom Meens
Voor de tweede keer in korte tijd heeft een rechter bepaald dat de samenleving moet kunnen rekenen op volledige en integere (online) archieven van media en dat het om die reden geen pas geeft archieven op te schonen, bijvoorbeeld omdat iemand niet wil dat zijn naam nog kan worden gevonden via zoekmachines als Google.
Deze uitspraak van de Amsterdamse rechtbank in een bodemprocedure in een proces van een zakenman tegen de Volkskrant, is in lijn met een eerdere uitspraak van een voorzieningenrechter in Eindhoven. Daar ging het om een vrouw die op non actief was gesteld door haar werkgever vanwege een gevoelige persoonlijke kwestie.
Het Eindhovens Dagblad publiceerde over de zaak, waarna de vrouw vroeg het artikel uit het archief te halen. Als haar naam in zoekmachines wordt ingetikt komt dit bericht als (een van de) eerste naar boven. De krant weigerde in het archief te schrappen, waarop de vrouw naar de rechter stapte. Net als deze week de Amsterdamse rechtbank oordeelde de rechter in Eindhoven dat de privacy van de vrouw in kwestie niet opwoog tegen het belang van complete archieven.
In Amsterdam is dezelfde lijn gevolgd. De pers heeft de primaire rol van publieke waakhond, vindt de rechter, maar een belangrijke secundaire functie is het beschikbaar maken van nieuws in archieven. Verwijderen van artikelen vanwege een negatieve lading, terwijl de inhoud niet is bestreden, is daarmee niet goed te verenigen, stelt de rechtbank.
Het zijn twee uitspraken die van groot belang zijn voor archieven van media en dan vooral voor de gedigitaliseerde archieven die via zoekmachines toegankelijk zijn voor iedereen.
Want nu ligt voorlopig vast dat een online-archief dezelfde bescherming verdient als een gewoon ouderwets papieren archief. Dat je voor inzage in het papieren archief fysiek de gang naar de redactie of een bibliotheek moet maken, terwijl je nu aan een computer of telefoon met internet genoeg hebt, speelt geen rol.
Dus is ook het argument van tafel dat de krant vroeger maar een dag vers was, waarna de vis er in kon, terwijl je nu met enkele muisklikken elk artikel van de laatste tien jaar kunt opvragen.
Voor mensen die met media in contact komen, heeft dat grote gevolgen. Zij moeten zich nog meer dan vroeger realiseren dat ze voor de rest van hun leven digitaal voor iedereen zichtbaar zijn.
Wie vandaag een interview geeft over zijn zweetvoeten, moet beseffen dat dit interview bij elke zoekopdracht tevoorschijn komt, ook op momenten dat het niet goed uitkomt.
Journalisten zouden hun gesprekspartners daar op moeten wijzen, ook al heeft dat tot gevolg dat mensen minder bereid zijn met media te praten.
Overigens is de Volkskrant net als de meeste andere media in heel uitzonderlijke gevallen bereid het archief te anonimiseren, maar die bereidheid zal niet groter worden na deze rechterlijke oordelen. Het simpele feit dat iemand schade ondervindt, is niet voldoende om het archief op te schonen.
Voor zo ver het gaat om journalistieke producties van de redactie is de zaak nu duidelijk: eens geschreven blijft geschreven.
Maar ik vraag me wel af of deze regel ook moet gelden voor ingezonden brieven, of reacties die lezers insturen als de redactie vraagt om ervaringen. Zeker sinds de e-mail gemeengoed is geworden, reageren lezers snel op elkaar en op artikelen in de krant.
Vroeger werd zo’n briefje geplaatst, waarna de krant in het archief verdween en de brief uit ieders zicht. Nu wordt elke geplaatst briefje opgenomen in het digitale archief. Wie vandaag schrijft dat hij vindt dat Mark Rutte de beste premier zou zijn voor Nederland, wordt daar tot in lengte van jaren mee geconfronteerd, ook als hij later van politieke voorkeur verandert.
Moet voor ingezonden brieven ook de regel gelden dat ze niet worden geanonimiseerd of in het uiterste geval worden geschrapt uit het archief? Met het vonnis van deze twee rechters in de hand denk ik dat het antwoord ‘ja’ moet zijn. De ingezonden brieven maken deel uit van de krant, het zijn geen losgeslagen eilanden.
Maar in dat geval zou het wel goed zijn als de redactie op de brievenpagina expliciet wijst op de archivering en digitalisering van de brieven. Nu staat in het colofon wel dat de redactie ingezonden brieven mag redigeren en inkorten, maar niet dat geplaatste brieven in het online-archief terechtkomen. Gezien de mogelijk grote gevolgen daarvan, verdient het aanbeveling om dat voortaan wel op te nemen. Het is maar één regeltje, (geplaatste brieven worden opgenomen in het digitale archief) maar dan weten lezers die reageren wel waar ze aan toe zijn.
Dat voorkomt teleurstelling en onnodige rechtszaken in de verdere toekomst.
Thom Meens
Mijn column van vorige week over Milly, de media en de dader, leverde een tiental reacties op van lezers die de column in de papieren krant lazen. Ze waren overwegend ingetogen en instemmend.
Hoe anders waren de 371 reacties op mijn blog. Even los van de beledigingen aan mijn adres, waarvan mongool nog de vriendelijkste was, en ook los van een aantal mensen dat de vermoedelijke dader liever vandaag dan morgen eigenhandig opknoopt zonder enige vorm van proces, de toon van de reacties is overwegend om te huilen.
Er waren wel serieuze reacties, maar die werden direct overschreeuwd door trollen. Het zal te wijten zijn aan GeenStijl dat vorige week het begin van de column op de site zette met een link naar dit blog.
De vervuiling die daarna binnenkwam, zegt vooral iets over de bezoekers van GeenStijl, voor wie het kennelijk normaal is om zonder enig fatsoen van alles te roepen, liefst in de veilige anonimiteit van een schuilnaam. Internetafval van de ergste soort, die, zo merk ik aan reacties van lezers die wel serieus wilden reageren, steeds meer bezoekers van het blog afschrikt.
Maar het zijn niet alleen de GeenStijltjes die het blog vervuilen. Zij komen een keer, roepen iets en vertrekken weer.
De trollen die tot voort kort probeerden de opiniesite te verpesten, hebben zich nu gestort op het Volkskrantblog. Deze week kreeg ik de eerste meldingen van bloggers die stoppen omdat ze de trollen niet langer willen bestrijden.
Ook zijn er bloggers die hun blog geen seconde meer durven
los te laten, uit angst dat er tientallen ongewenste en vuige
reacties op worden gezet.
Het zal vandaag met dit blog ook wel weer die kant uitgaan, want als je de trollen aanspreekt op hun gedrag, is de wereld te klein. Nou trollen, wat mij betreft is het jullie laatste kans. Dit blog gaat op slot. Voortaan is het eerst inloggen en registreren en dan pas reageren.
Mocht dat technisch niet mogelijk zijn, dan gaat dit blog helemaal dicht voor reacties. Als derden het debat onmogelijk maken, verliest het blog zijn functie. Het is geen forum voor vuilspuiters en (rechts)rabiaat geblaat.
Dit blog is niet het enige dat chronisch wordt vervuild door internetafval. Steeds meer media sluiten delen van hun sites af voor publiek, althans voor reacties.
Ze hebben er geen zin meer in menskracht en geld te besteden aan
het weghalen van ongewenste reacties. Ik vermoed dat de
vervuilers van die nu gesloten websites hun heil zijn komen
zoeken bij de nog wel geopende vk-site.
Er komen reacties die weer reacties van anderen uitlokken, waarna
het in een mum van tijd niet meer gaat om de boodschap, maar
alleen nog om het haasje over effect.
Het viel mij deze week op dat een deel van de mensen die reageerden op mijn blog, het stuk waarop ze reageerden, niet eens hebben gelezen, of – mogelijk nog erger – niet hebben begrepen.
Dat brengt me bij de vraag of de Volkskrant het experiment met het blog moet blijven voortzetten. Wil de krant ruimte blijven bieden aan alle rotzooi en bagger die – vaak niet door bloggers – maar wel door mensen die reageren onder de vlag van de VK, op de site verschijnt?
De krant mag dan wel zeggen dat de blogger zelf verantwoordelijk
is voor de inhoud, maar is dat vol te houden?
Mag je van een blogger verwachten dat die zelf alle trollen van
zijn blog weghoudt? Dat is bijkans een dagtaak. En bovendien:
voor elke trol die je weghaalt, komen er tien terug.
Voor wie houdt de krant het blog nog in de lucht, als bloggers zelf aangeven dat ze alle getier en gesar beu zijn? Het blog zal ooit bedoeld zijn als service aan de lezer en als podium voor anderen, maar is dat nu nog nodig, nu er zoveel andere mogelijkheden zijn om je op internet te profileren?
Moet je nog wel een podium willen bieden aan mensen van wie een deel je product alleen maar bevuilt? Telkens weer zie ik bijdragen van mensen die schrijven dat ze blij zijn dat ze de krant, in hun jargon, de azijnbode, niet lezen. Waarom moeten zij die mening kunnen uitventen op een aan de krant verbonden site?
Ik denk niet dat het blog één enkele extra abonnee heeft opgeleverd, ik zie eerder dat het mensen wegjaagt.
Mocht dit voor de redactie geen aanleiding zijn de stekker uit het blog te trekken, dan denk ik dat het in ieder geval goed zou zijn als voor reacties op het blog dezelfde strenge regels gaan gelden als voor reacties op de opiniesite: eerst inloggen en registreren, dan pas meepraten. De goedwillenden zullen dat kleine offer vast wel opbrengen, in de wetenschap dat de vervuilers zo buiten de deur kunnen worden gehouden.
Thom Meens
Met de trieste verdwijning en dood van het meisje Milly, lijkt de journalistiek in Nederland een nieuw tijdperk te zijn ingegaan. Een tijdperk met een duidelijke tweedeling. Aan de ene kant de media voor wie niets te dol is, als het maar kan leiden tot chocoladeletters en huiltelevisie en aan de andere kant de media die tegen de stroom in proberen vast te houden aan journalistieke normen en waarden.
Als ik me beperk tot gedrukte landelijke media en internet, dan horen De Telegraaf, AD, Metro, Spits en GeenStijl bij de eerste groep, terwijl NRC (Next), Trouw, De Pers en gelukkig ook de Volkskrant de tweede groep vormen.
Waar in de eerste groep niets te dol is en journalistieke en ethische regels compleet overboord lijken te zijn gegooid, proberen de kranten in de tweede groep verslag te doen van wat er speelt en is gebeurd, zonder fatsoenregels aan hun laars te lappen.
Natuurlijk, het is vreselijk wat er is gebeurd en de dader moet
voor de rechter komen. Maar geeft zijn handelen media het recht
om emmers met modder uit te strooien over het hoofd van de dader?
Waarom moeten persoonlijke foto's van Hyves uit en te na worden
getoond, eerst op GeenStijl en vervolgens in alle media
uit de eerste groep?
Waar haalt een krant het lef vandaan om deze verdachte geheel zijn privacy te ontnemen? Hoe ver kun je zinken als je wel schrijft over politieman Sander V. maar vervolgens zijn foto een kwart pagina groot geheel herkenbaar in beeld brengt?
Waarom moeten wij in het AD kunnen lezen wat de eigenaar van een discotheek vindt van de man die jaren geleden de lege glazen verzamelde in de disco? Waarom is de moeder van een bekende Nederlander ineens interessant, alleen maar omdat ze ooit bij de dader in de buurt woonde? Waarom reageert die moeder eigenlijk als een verslaggever haar om een reactie vraagt? Is dan echt alles geoorloofd om je naam maar in de krant te krijgen?
Het lijkt op een volksgericht waarbij alle sluizen zijn opengezet om deze dader publiek op te knopen. Kan de man ooit nog rekenen op een eerlijk proces, nu hij in een groot deel van de media al is veroordeeld?
Ik weet het, als de man het meisje niet had meegelokt en gedood, was hij geen publiek figuur geworden. Zo bezien heeft hij het over zichzelf afgeroepen. Maar dan nog is de vraag legitiem met welk recht media in een vorm van eigenrichting tot publieke berechting zijn overgegaan, een proces dat nog steeds doorgaat.
Neem de publicatie van de foto’s van de man, zijn vriendin
en poes. De dader zal de foto’s niet zelf hebben verstrekt
aan de media die ze publiceerden. De foto’s zijn dus
illegaal overgenomen van Hyves of Facebook of welke andere
internetsite ook.
Mag je die foto’s zomaar overnemen en publiceren? Rust er
geen auteursrecht op? Jawel, maar alle rechten lijken voor de
dader ineens vervallen nu de man een gruweldaad heeft gepleegd.
Wat gebeurt er als straks in een proces onverhoopt mocht blijken dat de man op het moment van handelen niet toerekeningsvatbaar was? Heeft deze dader dan nog een leven na zijn straf of behandeling? Is er één inrichting of gevangenis in Nederland te vinden waar hij in anonimiteit zijn behandeling kan ondergaan of zijn straf kan uitzitten?
Gek genoeg zal ook deze trieste zaak niet leiden tot een
journalistiek debat over wat wel en niet kan in de media. Een
krant of omroep die de Raad voor de Journalistiek niet erkent,
zal zich ook niet laten afschrikken door een uitspraak van die
Raad over zijn gedrag.
De dader zal zelf naar de rechter moeten stappen om de media een
halt toe te laten roepen. Maar die dader zal dat om heel
begrijpelijke redenen niet doen en dus houden de media een
vrijbrief om door te gaan.
Het gaat helaas al lang niet meer om de trieste dood van het meisje Milly. Het lijkt erop dat een deel van de media deze gruwelijke zaak gebruikt om de grenzen op te zoeken. Niet de grenzen van het fatsoen, want die zijn al ver gepasseerd, maar de grens van wat het publiek nog accepteert.
Journalistiek is voor een deel van de media kennelijk verworden tot niet meer dan u vraagt en wij draaien, hoe walgelijk of weerzinwekkend ook.
Dat is een vorm van verharding en verschraling die zorgwekkend
is, nog afgezien van de vraag of de lezer en kijker het eigenlijk
allemaal wel echt wil weten wat op hem wordt afgevuurd. Gaat het
trouwens nog wel om de lezer of de kijker, of gaat het
alleen nog maar om de vraag of we een stap verder
durven gaan dan onze directe concurrent?
Thom Meens

