Cuba
Mensenrechten

Het heeft mij verbaasd dat niemand tot nu toe nog iets over
deze drogredenering gezegd heeft. De parlementaire kant is immers
slechts immers slechts één aspect van de democratie, het meest
doorslaggevende misschien, maar voor het dagelijks leven bepaald
niet het belangrijkste. Veel belangrijker is de mate waarin de
macht van de staat beperkt is, en de rechten van het individu
beschermd zijn.
[L]
Ik denk daarbij aan de scheiding van de wetgevende, de uitvoerende, en de rechtsprekende macht, aan de vrijheid van meningsuiting, vergadering, en oppositie, aan nog verfijnder zaken als het recht om dienst te weigeren, de vrijheid van godsdienst, en van demonstratie en tenslotte ook de vrijheid om het beminde vaderland nog eens te verlaten zodra je daar zin in hebt. Het begrip 'politieke gevangene' wordt in een democratie niet erkend. Geen democratie is in al deze opzichten consequent genoeg en geen staat die niet proberen zal, wanneer hem dat uitkomt, de vrijheid van zijn burgers te schenden, maar zulke schendingen van de rechtszekerheid zullen in elk geval niet uit naam van de democratie bedreven kunnen worden. Ook al is de huidige regering van Nederland een aartsconservatieve, je rechten als burger zijn daar niet door bedreigd. Timemagazine1969
Wat dat betreft maakt het geen verschil of we een rechtse of een linkse regering hebben. Men kan dit interpreteren als een bewijs voor ons ‘een-partij-systeem', maar dan toont men alleen aan dat de parlementaire verhoudingen voor het wel of niet bestaan van een democratie niet doorslaggevend zijn. Hetgeen niet wegneemt dat het verbod van oppositiepartijen, hoe onbelangrijk hun bestaan in onze snobistische ogen ook mag zijn, altijd het eerste kenmerk is van een revolutionair bewind.
Ik vind het niet prettig om deze zaken op te sommen, ik doe het ook niet erg goed, omdat ik niet suggereren wil dat alles bij ons in orde is. In hun koloniën, neo of paleo, kunnen democratieën zich zo beestachtig gedragen, dat de lust om de lof op ze te zingen, je vergaat. Maar wie een diktatuur verdedigt en zelfs als een 'hogere' vorm van democratie beschouwt, omdat ons parlementaire systeem ook niet alles is, die lokt het uit. Iemand die over de democratie zo'n onzin zegt, die kan geen betrouwbare gids zijn in een land waarvan hij de taal niet verstaat en dat hij niet werkelijk
kent. Als ik in Cuba leefde, en ondanks alles toch goede moed hield, dan zou ik met een reportage als die van Machel Frayn ook al is die overwegend pessimistisch, blij zijn. Juist wanneer het je in je eigen land onmogelijk is, je kritiek en je irritatie te luchten, moet het prettig zijn te weten dat iemand anders het elders voor je doet, dat de waarheid of een stukje ervan, gezien is en doorgegeven. Maar ik ben dan ook geen regent.
Belangrijker dan democratische vrijheden is genoeg te eten hebben. Een land waarvan een deel van de bevolking honger lijdt is niet democratisch. De bezoekers aan Cuba zijn het erover eens dat iederéén nu arm is, maar dat bittere armoede niet meer voorkomt (met uitzondering misschien van de kampen, waartoe men geen toestemming krijgt). Daarom zou Castro's Cuba wel eens democratischer kunnen zijn, dan wat eraan voorafging. Maar juist daarom is het bericht van die 150 landarbeiders die naar Guantánamo vluchtten zo verontrustend. Ik wou dat de solidariteit van het Comité ‚ van Solidariteit met Cuba zich ook over deze Cubanen uitstrekte, zodat we iets meer van ze te weten kwamen. Maar tot nu toe heeft het Comité‚ nog niets dan propaganda voortgebracht. En als er iets is dat je ongerust maakt over Cuba, dan is het juist dat.
Bron: Renate Rubinstein Sta ik toevallig stil, 1 februari 1969
[L]
Ik denk daarbij aan de scheiding van de wetgevende, de uitvoerende, en de rechtsprekende macht, aan de vrijheid van meningsuiting, vergadering, en oppositie, aan nog verfijnder zaken als het recht om dienst te weigeren, de vrijheid van godsdienst, en van demonstratie en tenslotte ook de vrijheid om het beminde vaderland nog eens te verlaten zodra je daar zin in hebt. Het begrip 'politieke gevangene' wordt in een democratie niet erkend. Geen democratie is in al deze opzichten consequent genoeg en geen staat die niet proberen zal, wanneer hem dat uitkomt, de vrijheid van zijn burgers te schenden, maar zulke schendingen van de rechtszekerheid zullen in elk geval niet uit naam van de democratie bedreven kunnen worden. Ook al is de huidige regering van Nederland een aartsconservatieve, je rechten als burger zijn daar niet door bedreigd. Timemagazine1969
Wat dat betreft maakt het geen verschil of we een rechtse of een linkse regering hebben. Men kan dit interpreteren als een bewijs voor ons ‘een-partij-systeem', maar dan toont men alleen aan dat de parlementaire verhoudingen voor het wel of niet bestaan van een democratie niet doorslaggevend zijn. Hetgeen niet wegneemt dat het verbod van oppositiepartijen, hoe onbelangrijk hun bestaan in onze snobistische ogen ook mag zijn, altijd het eerste kenmerk is van een revolutionair bewind.
Ik vind het niet prettig om deze zaken op te sommen, ik doe het ook niet erg goed, omdat ik niet suggereren wil dat alles bij ons in orde is. In hun koloniën, neo of paleo, kunnen democratieën zich zo beestachtig gedragen, dat de lust om de lof op ze te zingen, je vergaat. Maar wie een diktatuur verdedigt en zelfs als een 'hogere' vorm van democratie beschouwt, omdat ons parlementaire systeem ook niet alles is, die lokt het uit. Iemand die over de democratie zo'n onzin zegt, die kan geen betrouwbare gids zijn in een land waarvan hij de taal niet verstaat en dat hij niet werkelijk
kent. Als ik in Cuba leefde, en ondanks alles toch goede moed hield, dan zou ik met een reportage als die van Machel Frayn ook al is die overwegend pessimistisch, blij zijn. Juist wanneer het je in je eigen land onmogelijk is, je kritiek en je irritatie te luchten, moet het prettig zijn te weten dat iemand anders het elders voor je doet, dat de waarheid of een stukje ervan, gezien is en doorgegeven. Maar ik ben dan ook geen regent.
Belangrijker dan democratische vrijheden is genoeg te eten hebben. Een land waarvan een deel van de bevolking honger lijdt is niet democratisch. De bezoekers aan Cuba zijn het erover eens dat iederéén nu arm is, maar dat bittere armoede niet meer voorkomt (met uitzondering misschien van de kampen, waartoe men geen toestemming krijgt). Daarom zou Castro's Cuba wel eens democratischer kunnen zijn, dan wat eraan voorafging. Maar juist daarom is het bericht van die 150 landarbeiders die naar Guantánamo vluchtten zo verontrustend. Ik wou dat de solidariteit van het Comité ‚ van Solidariteit met Cuba zich ook over deze Cubanen uitstrekte, zodat we iets meer van ze te weten kwamen. Maar tot nu toe heeft het Comité‚ nog niets dan propaganda voortgebracht. En als er iets is dat je ongerust maakt over Cuba, dan is het juist dat.
Bron: Renate Rubinstein Sta ik toevallig stil, 1 februari 1969
In het voorafgaande citeerde ik uit Mchael Frayn. De drie
grote artikelen die hij in The Observer, over Cuba
schreef, gaven mij voor het eerst het gevoel dat Cuba werkelijk
bestaat en niet een fantasie-eiland is. Het Cuba van Mulisch's
Woord bij de Daad maakte op mij een totaal onwerkelijke
indruk. Ik geloof niet dat dat iets met politieke stellingname te
maken heeft, het gaat dieper.
[L]
Frayn, hoewel geen bestuurslid van enig Comite van Solidariteit met Cuba, is, op de vanzelfsprekende manier van de man zonder grieven, 'solidair' met de Cubanen. Dat wil zeggen dat hij naar ze kijkt, naar ze luistert, en van ze houdt, zonder zijn identiteit als vreemdeling en bezoeker te verliezen. Hij is zich pijnlijk bewust van zijn positie als bevoorrechte buitenlandse gast; zijn auto met chauffeurs zijn ontbijt met boter (alleen voor kinderen) en kaas (nergens te krijgen) in chique hotels waar de buitenlander geen enkele consumptiebeperking opgelegd wordt; de selectie van projecten die hem getoond worden (steeds dezelfde, wij kennen ze al van Mulisch), en hij vermeldt ook wat bij, ondanks zijn verzoek het te bezichtigen, niet mag zien.
Hij is zó solidair dat hij zich verplaatsen kan in de man die vrijwillig suiker moet oogsten na kantoortijd, in de man die voor het volkstribunaal gedaagd is omdat hij ruzie met zijn buurman heeft en in de paartjes, die nu in het suikerriet vrijen omdat de cafés gesloten zijn. Mulisch daarentegen is solidair met de leiders van Cuba. Dat wil zeggen dat hij zich in hun gezelschap beweegt, naar ze kijkt, misschien ook naar ze luistert (al krijg ik de indruk dat Mulisch geen Spaans spreekt) en van ze houdt. Nooit heeft hij liefdevoller geschreven dan over het knakken der sigaren van 'de mach', waarmee hij Castro en zijn ministers bedoelt. Hij is zich bewust van zijn bevoorrechte behandeling als buitenlandse gast, maar hij beschouwt dat als een compliment aan hem persoonlijk en een bewijs voor hun goede smaak. Hij vraagt niets te zien wat hem niet ter bezichtiging aangeboden wordt - er waarom zou hij ook? Zijn vrienden leiden de zaak immers zelf. Zo solidair is hij met het regime dat hij zich identificeert met man die de order geeft om vrijwillig suiker te oogsten, met de man die Volkstribuun is en oordeel velt, en met de man die de cafés sluit omdat contrarevolutionairen de gelegenheid geven om te vrijen, terwijl de revolutionairen in het veld werken.
De uitgangspunten van Mulisch en Frayn zijn kortom tegengesteld. Mulisch schrijft vanuit het standpunt van de regent, dat is zijn aard, Frayn identificeert zich met de geregeerde - dat is de zijne. Het is ook de mijne. Daarom heb ik het gevoel dat ik Frayns Cuba herken, en moet ik om dat vin Mulisch lachen. - het lijkt mij per dekreet verklaard, samen met de Nieuwe Mensch, ik kan niet geloven dat het echt bestaat. Er komt nog iets bij. Een land waar de staat alle macht heeft, de rechten van het individu door geen instituut beschermd zijn, de pers gecensureerd is, de oppositie verboden, je arbeiders 'unaniem' besluiten zonder betaling overwerk te verrichten, de redevoeringen en de adhesiebetuigingen wekelijks zijn, de mensen permanent vrijwillig' op het land werken, de winkels leeg zijn, het voedsel gerantsoeneerd behalve voor VIP's, de propaganda alomtegenwoordig is, de homosexuelen gehaat zijn, en de politieke tegenstanders in werkkamp of gevangenis zitten, - zo'n land heeft behoefte aan krachtige rechtvaardiging. Het kan zijn dat de armoede en de vernedering van de meerderheid van de bevolking
voor 1959, de situatie zoals die nu is toch gunstig laat afsteken. Het kan ook zijn dat het revolutionaire regime weliswaar grote economische vergissingen begaan heeft, maar dat de situatie verbeteren zal, omdat er naar kritiek geluisterd wordt. Maar Mulisch
geeft over zulke punten geen informatie.
[L]
Mulisch rechtvaardigt de dictatuur op Cuba met een redenering, die men in de laatste tijd in verband met de Oost-Europese landen, wel vaker te horen krijgt. Als wij over democratie praten, zegt hij, bedoelen we altijd parlementaire democratie. Daarna toont hij aan dat het parlement en de verkiezingen bij ons weinig te betekenen hebben, omdat wij geen staatshoofd en niet eens een regering kunnen kiezen, aangezien de laatste pas later en na veel politieke koehandel door de partijen samengesteld wordt. In Amerika kun je dat wel, maar daar bestaat weer geen verschil tussen de twee partijen.
Met andere woorden,wij hebben eigenlijk ook een één-partij systeem, net als Cuba alleen gaan de arbeiders eerst na wat iemand voor de revolutie gedaan heeft voordat zij hem als vertegenwoordiger afvaardigen. In wezen hebben zij daarom meer democratie dan wij. Daarmee is het hoofdstuk over de democratie afgelopen.
Foto: Harry Mulisch kapt suikerriet
[L]
Frayn, hoewel geen bestuurslid van enig Comite van Solidariteit met Cuba, is, op de vanzelfsprekende manier van de man zonder grieven, 'solidair' met de Cubanen. Dat wil zeggen dat hij naar ze kijkt, naar ze luistert, en van ze houdt, zonder zijn identiteit als vreemdeling en bezoeker te verliezen. Hij is zich pijnlijk bewust van zijn positie als bevoorrechte buitenlandse gast; zijn auto met chauffeurs zijn ontbijt met boter (alleen voor kinderen) en kaas (nergens te krijgen) in chique hotels waar de buitenlander geen enkele consumptiebeperking opgelegd wordt; de selectie van projecten die hem getoond worden (steeds dezelfde, wij kennen ze al van Mulisch), en hij vermeldt ook wat bij, ondanks zijn verzoek het te bezichtigen, niet mag zien.
Hij is zó solidair dat hij zich verplaatsen kan in de man die vrijwillig suiker moet oogsten na kantoortijd, in de man die voor het volkstribunaal gedaagd is omdat hij ruzie met zijn buurman heeft en in de paartjes, die nu in het suikerriet vrijen omdat de cafés gesloten zijn. Mulisch daarentegen is solidair met de leiders van Cuba. Dat wil zeggen dat hij zich in hun gezelschap beweegt, naar ze kijkt, misschien ook naar ze luistert (al krijg ik de indruk dat Mulisch geen Spaans spreekt) en van ze houdt. Nooit heeft hij liefdevoller geschreven dan over het knakken der sigaren van 'de mach', waarmee hij Castro en zijn ministers bedoelt. Hij is zich bewust van zijn bevoorrechte behandeling als buitenlandse gast, maar hij beschouwt dat als een compliment aan hem persoonlijk en een bewijs voor hun goede smaak. Hij vraagt niets te zien wat hem niet ter bezichtiging aangeboden wordt - er waarom zou hij ook? Zijn vrienden leiden de zaak immers zelf. Zo solidair is hij met het regime dat hij zich identificeert met man die de order geeft om vrijwillig suiker te oogsten, met de man die Volkstribuun is en oordeel velt, en met de man die de cafés sluit omdat contrarevolutionairen de gelegenheid geven om te vrijen, terwijl de revolutionairen in het veld werken.
De uitgangspunten van Mulisch en Frayn zijn kortom tegengesteld. Mulisch schrijft vanuit het standpunt van de regent, dat is zijn aard, Frayn identificeert zich met de geregeerde - dat is de zijne. Het is ook de mijne. Daarom heb ik het gevoel dat ik Frayns Cuba herken, en moet ik om dat vin Mulisch lachen. - het lijkt mij per dekreet verklaard, samen met de Nieuwe Mensch, ik kan niet geloven dat het echt bestaat. Er komt nog iets bij. Een land waar de staat alle macht heeft, de rechten van het individu door geen instituut beschermd zijn, de pers gecensureerd is, de oppositie verboden, je arbeiders 'unaniem' besluiten zonder betaling overwerk te verrichten, de redevoeringen en de adhesiebetuigingen wekelijks zijn, de mensen permanent vrijwillig' op het land werken, de winkels leeg zijn, het voedsel gerantsoeneerd behalve voor VIP's, de propaganda alomtegenwoordig is, de homosexuelen gehaat zijn, en de politieke tegenstanders in werkkamp of gevangenis zitten, - zo'n land heeft behoefte aan krachtige rechtvaardiging. Het kan zijn dat de armoede en de vernedering van de meerderheid van de bevolking
voor 1959, de situatie zoals die nu is toch gunstig laat afsteken. Het kan ook zijn dat het revolutionaire regime weliswaar grote economische vergissingen begaan heeft, maar dat de situatie verbeteren zal, omdat er naar kritiek geluisterd wordt. Maar Mulisch
geeft over zulke punten geen informatie.
[L]
Mulisch rechtvaardigt de dictatuur op Cuba met een redenering, die men in de laatste tijd in verband met de Oost-Europese landen, wel vaker te horen krijgt. Als wij over democratie praten, zegt hij, bedoelen we altijd parlementaire democratie. Daarna toont hij aan dat het parlement en de verkiezingen bij ons weinig te betekenen hebben, omdat wij geen staatshoofd en niet eens een regering kunnen kiezen, aangezien de laatste pas later en na veel politieke koehandel door de partijen samengesteld wordt. In Amerika kun je dat wel, maar daar bestaat weer geen verschil tussen de twee partijen.
Met andere woorden,wij hebben eigenlijk ook een één-partij systeem, net als Cuba alleen gaan de arbeiders eerst na wat iemand voor de revolutie gedaan heeft voordat zij hem als vertegenwoordiger afvaardigen. In wezen hebben zij daarom meer democratie dan wij. Daarmee is het hoofdstuk over de democratie afgelopen.
Foto: Harry Mulisch kapt suikerriet
Ik erger me ook aan de toon van persoonsverheerlijking
waarop normaal kritische en speelse geesten over Castro (Fidel)
schrijven. Donner bewondert in Castro alles, ook bv. dat hij niet
schaken kan. Want waarom kan hij dat niet? 'Te veel regels,' zei
hij, 'schaken heeft te veel regels. Hoe minder regels een spel
heeft, hoe meer kans ik heb ik om te winnen.' De grote
knopendoorhakker had opnieuw gesproken. (Avenue, januari
1969).
[L]
Ik moest aan dit gesprek met Castro denken door een passage bij Michael Frayn, die vorig jaar in Cuba was. 'Castro schijnt in toenemende mate gepreokkupeerd te zijn met het aanklagen en bedreigen van de vijanden van het regime. In september 1968 verklaarde hij, in een van zijn typische uitbarstingen: 'Voor de revolutie over is, zal her hoofd van niet één contrarevolutionair meer op zijn schouders staan. Dat zijn de regels van het spel, dat zijn de regels van het spel. Voor zij de revolutie kunnen vernietigen, zullen de hoofden van allen die haar vernietigen willen, rollen!'
Dergelijke stoere mannentaal zal de persoonsverheerlijkers niet afschrikken, en daarom is het interessant eens te kijken naar wie die gevaarlijke contrarevolutionairen wel mogen zijn. Typische contrarevolutionairen blijken venters van hot dogs en andere etenswaren te zijn, wier kraampjes dan ook verleden jaar tijdens het Revolutionaire Offensief allemaal opgerold werden. In één van zijn lange redevoeringen deelde Castro zijn volk mee: 'Het hoogste percentage van niet in de Revolutie geïntegreerde personen werd gevonden onder de hot-dog venters. Van de 41 ondervraagden bleken 39, ofwel 95,1% contrarevolutionairen. Zij doen zaken die hen niet alleen winst opleveren, maar hen ook in de gelegenheid stellen in constant contact te staan met klaplopers en andere a-sociale en contrarevolutionaire elementen.'
Hierover niet in de lach schieten lijkt me alleen de persoonsverheerlijker gegeven. In het Cubanummer van De Gids geeft Donner de portretten van drie Cubanen, die over de revolutie ongelukkig zijn, onder de titel 'Ontmoeting met de zelfkant.' Hij doet dat, lijkt mij, rechtvaardig en zakelijk. Maar in plaats van een soort van uitleg, volgt daarop alleen een korte conclusie, die verbazingwekkend is. Donner begint met zich 'onvoorwaardelijk solidair met het Cuba van Fidel Castro' te verklaren. Kritiek op hem hebben, zegt hij, mag zijn volk, niet wij. Want wij behoren tot het deel van de wereld 'waartegen bij nu juist vecht, om zich daarvan te bevrijden.' 'De echte bezorgdheid over het Cubaanse regime kan alleen voortkomen uit de geest van solidariteit. Want in godsnaam, helpt hen!'
Waarom zouden wij, op grond van de kritiek van 'zijn volk' ons geen kritische opinie over Castro mogen vormen? Welke andere kritiek kan in godsnaam doorslaggevender voor ons zijn? Ineens mogen wij niet meer als mensen over mensen praten, maar zijn wij diplomaten geworden, solidair met de diplomaten van een regering die zich van 'ons' juk bevrijd heeft. Een manier van denken,die de regent siert. Nieuwsgierigheid, de drang om de waarheid te onthullen, solidariteit met slachtoffers, zij moeten allemaal wijken voor onze plicht om respekt te hebben voor een regime waarin de achtenswaardigheid alleen door de Cubanen zelf, de mensen dus die er iets van weten, in twijfel getrokken mag worden.
Maar doen zij dat, dan mogen wij op hun kritiek niet letten, zij zijn dan trouwens per definitie contrarevolutionairen geworden. Ik heb een paar uur nagedacht over waar mij deze redenering aan doet denken en ik weet het nu. Het is het 'Je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen' syndroom, dat in werkelijkheid betekent: 'je moet er vóór zijn om er over te kunnen oordelen.'
[L]
Ik moest aan dit gesprek met Castro denken door een passage bij Michael Frayn, die vorig jaar in Cuba was. 'Castro schijnt in toenemende mate gepreokkupeerd te zijn met het aanklagen en bedreigen van de vijanden van het regime. In september 1968 verklaarde hij, in een van zijn typische uitbarstingen: 'Voor de revolutie over is, zal her hoofd van niet één contrarevolutionair meer op zijn schouders staan. Dat zijn de regels van het spel, dat zijn de regels van het spel. Voor zij de revolutie kunnen vernietigen, zullen de hoofden van allen die haar vernietigen willen, rollen!'
Dergelijke stoere mannentaal zal de persoonsverheerlijkers niet afschrikken, en daarom is het interessant eens te kijken naar wie die gevaarlijke contrarevolutionairen wel mogen zijn. Typische contrarevolutionairen blijken venters van hot dogs en andere etenswaren te zijn, wier kraampjes dan ook verleden jaar tijdens het Revolutionaire Offensief allemaal opgerold werden. In één van zijn lange redevoeringen deelde Castro zijn volk mee: 'Het hoogste percentage van niet in de Revolutie geïntegreerde personen werd gevonden onder de hot-dog venters. Van de 41 ondervraagden bleken 39, ofwel 95,1% contrarevolutionairen. Zij doen zaken die hen niet alleen winst opleveren, maar hen ook in de gelegenheid stellen in constant contact te staan met klaplopers en andere a-sociale en contrarevolutionaire elementen.'
Hierover niet in de lach schieten lijkt me alleen de persoonsverheerlijker gegeven. In het Cubanummer van De Gids geeft Donner de portretten van drie Cubanen, die over de revolutie ongelukkig zijn, onder de titel 'Ontmoeting met de zelfkant.' Hij doet dat, lijkt mij, rechtvaardig en zakelijk. Maar in plaats van een soort van uitleg, volgt daarop alleen een korte conclusie, die verbazingwekkend is. Donner begint met zich 'onvoorwaardelijk solidair met het Cuba van Fidel Castro' te verklaren. Kritiek op hem hebben, zegt hij, mag zijn volk, niet wij. Want wij behoren tot het deel van de wereld 'waartegen bij nu juist vecht, om zich daarvan te bevrijden.' 'De echte bezorgdheid over het Cubaanse regime kan alleen voortkomen uit de geest van solidariteit. Want in godsnaam, helpt hen!'
Waarom zouden wij, op grond van de kritiek van 'zijn volk' ons geen kritische opinie over Castro mogen vormen? Welke andere kritiek kan in godsnaam doorslaggevender voor ons zijn? Ineens mogen wij niet meer als mensen over mensen praten, maar zijn wij diplomaten geworden, solidair met de diplomaten van een regering die zich van 'ons' juk bevrijd heeft. Een manier van denken,die de regent siert. Nieuwsgierigheid, de drang om de waarheid te onthullen, solidariteit met slachtoffers, zij moeten allemaal wijken voor onze plicht om respekt te hebben voor een regime waarin de achtenswaardigheid alleen door de Cubanen zelf, de mensen dus die er iets van weten, in twijfel getrokken mag worden.
Maar doen zij dat, dan mogen wij op hun kritiek niet letten, zij zijn dan trouwens per definitie contrarevolutionairen geworden. Ik heb een paar uur nagedacht over waar mij deze redenering aan doet denken en ik weet het nu. Het is het 'Je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen' syndroom, dat in werkelijkheid betekent: 'je moet er vóór zijn om er over te kunnen oordelen.'
'Er is een feest in De Brakke Grond omdat de revolutie van
Cuba 10 jaar oud is, ga je mee?' De jongen die het vroeg vind ik
aardig, extra vervelend dus om nee te zeggen Hij was ook verbaasd:
Waarom niet? Ik zei dat ik het niet zeker wist, dat het
misschien
contrarevolutionair is, maar dat ik over de gedachte aan al die politieke gevangenen op Cuba niet feestelijk heen kon stappen. Meer wist ik niet zo gauw te zeggen, wel geloof ik dat ik nog iets van Stalin mompelde, maar dat ging in het geroezemoes gelukkig verloren. Ik had de associatie feest-voor-Cuba met Stalin toch niet kunnen verdedigen op een manier die voor iemand die dat niet begrijpt overtuigend is.
[L]
Ik vind het moeilijk om voor of tegen Cuba te feesten, omdat het vervelende van landen als Cuba, Rusland, Polen, Griekenland, Spanje, noem maar op tot je er ziek van wordt, is dat je niet weet wat er aan de hand is. Je leest een kort bericht in de krant over 80 Cubanen die zich een weg gevochten hebben naar de Amerikaanse marinebasis op Cuba, Guantánamo. Het waren merendeels kleurlingen, lees je, haveloze bovendien, en ze moesten een 70 anderen, dood, gewond, of gevangengenomen door de Cubaanse militie, achterlaten. Als zoiets over Frankrijk, de VS, of Nederland in de krant zou staan, zou na korte tijd nadere informatie moeten volgen. Niet omdat de aard van onze autoriteiten anders is, maar omdat het publiek in de vorm van pers of parlement gewend is vragen te stellen, demonstraties, petities, actiecomitees te organiseren etc.
De antwoorden zouden nog steeds heel beroerd kunnen zijn, maar je zou tenminste weten waar je aan toe bent. Maar over die Cubanen hoor je niet meer. Misschien is het een leugen? Ook dat is nooit beweerd. Het zullen wel 'contrarevolutionairen' geweest zijn, maar dat is geen verklaring, alleen een tautologie. Iedere Cubaan die het land verlaten wil is immers per
definitie een contrarevolutionair. Daarom wordt hij ook, op het moment waarop hij dit verlangen te kennen geeft, ontslagen uit zijn baan en in een werkkamp gezet voor gusanos (wormen), tot bijna een jaartje of vier eindelijk aan de beurt is om te vertrekken, met achterlating van al zijn bezittingen.
[L]
Ook het Cubanummer van De Gids geeft over zulke zaken geen opheldering. Het is een propagandanummer, met een enkel aardig stuk, zoals dat van Hugo Claus, dat niet over Cuba, maar over België gaat, erin. Natuurlijk ontbreekt het voor socialistische landen obligate onleesbare artikel over tonnages (suiker, kunstmest, tractoren) niet. Het wordt in de inleiding een 'Belangrijk, hoewel controversieel' artikel genoemd, maar wat de controversie is, wordt niet gezegd. Op mij maakte het de lichtelijk leugenachtige indruk van alle propaganda. Dat zit in de toon en in de statistieken, die iets onvolledigs hebben. In 1965, staat, er, produceerde Cuba 6 miljoen ton suiker, in 1966, ten gevolge van de droogte, slechts 4,5 miljoen maar in 1967 overschreed de produktie alweer de 6 miljoen ton en in 1970 zal Cuba 10 miljoen ton produceren.
Nu ligt het niet in mij om een land of een revolutie te beoordelen naar de tonnages die het produceert, - wat mij daarbij uitsluitend interesseert is de manier waarop. Maar als het je gebracht wordt als een argument, dan kun je niet nalaten op te merken dat er geen cijfers van voor 1965 zijn, om nog maar te zwijgen van voor 1959, het jaar van de revolutie. Voor de 'import van tractoren' staan die cijfers er wel, die schijnt sinds 1952 omhooggegaan.
Enfin, misschien kunt u de u de cijfers van vóór 1959 ergens opzoeken, ik weet ze niet. Wel heb ik inmiddels gelezen dat Cuba in 1961 nog 7 miljoen ton suiker produceerde, in 1963 nog maar 4 miljoen ton, en voor 1968 wordt verwacht dat de opbrengsten nog steeds onder die van 1961 blijft, ook al staan er nu in Cuba om de 200 meter borden met; ‘Wat doe jij voor de 10 miljoen ton?' en ‘De tien miljoen ton. Een ereplicht.' Dat zijn dus die 10 miljoen van 1970. Nogmaals - de cijfers zeggen me niets, - misschien waren de mensen wel het gelukkigst in 1963 toen ze even niet zoveel suiker hoefden te produceren, maar ik erger me aan de tendentieuze selectie.
contrarevolutionair is, maar dat ik over de gedachte aan al die politieke gevangenen op Cuba niet feestelijk heen kon stappen. Meer wist ik niet zo gauw te zeggen, wel geloof ik dat ik nog iets van Stalin mompelde, maar dat ging in het geroezemoes gelukkig verloren. Ik had de associatie feest-voor-Cuba met Stalin toch niet kunnen verdedigen op een manier die voor iemand die dat niet begrijpt overtuigend is.
[L]
Ik vind het moeilijk om voor of tegen Cuba te feesten, omdat het vervelende van landen als Cuba, Rusland, Polen, Griekenland, Spanje, noem maar op tot je er ziek van wordt, is dat je niet weet wat er aan de hand is. Je leest een kort bericht in de krant over 80 Cubanen die zich een weg gevochten hebben naar de Amerikaanse marinebasis op Cuba, Guantánamo. Het waren merendeels kleurlingen, lees je, haveloze bovendien, en ze moesten een 70 anderen, dood, gewond, of gevangengenomen door de Cubaanse militie, achterlaten. Als zoiets over Frankrijk, de VS, of Nederland in de krant zou staan, zou na korte tijd nadere informatie moeten volgen. Niet omdat de aard van onze autoriteiten anders is, maar omdat het publiek in de vorm van pers of parlement gewend is vragen te stellen, demonstraties, petities, actiecomitees te organiseren etc.
De antwoorden zouden nog steeds heel beroerd kunnen zijn, maar je zou tenminste weten waar je aan toe bent. Maar over die Cubanen hoor je niet meer. Misschien is het een leugen? Ook dat is nooit beweerd. Het zullen wel 'contrarevolutionairen' geweest zijn, maar dat is geen verklaring, alleen een tautologie. Iedere Cubaan die het land verlaten wil is immers per
definitie een contrarevolutionair. Daarom wordt hij ook, op het moment waarop hij dit verlangen te kennen geeft, ontslagen uit zijn baan en in een werkkamp gezet voor gusanos (wormen), tot bijna een jaartje of vier eindelijk aan de beurt is om te vertrekken, met achterlating van al zijn bezittingen.
[L]
Ook het Cubanummer van De Gids geeft over zulke zaken geen opheldering. Het is een propagandanummer, met een enkel aardig stuk, zoals dat van Hugo Claus, dat niet over Cuba, maar over België gaat, erin. Natuurlijk ontbreekt het voor socialistische landen obligate onleesbare artikel over tonnages (suiker, kunstmest, tractoren) niet. Het wordt in de inleiding een 'Belangrijk, hoewel controversieel' artikel genoemd, maar wat de controversie is, wordt niet gezegd. Op mij maakte het de lichtelijk leugenachtige indruk van alle propaganda. Dat zit in de toon en in de statistieken, die iets onvolledigs hebben. In 1965, staat, er, produceerde Cuba 6 miljoen ton suiker, in 1966, ten gevolge van de droogte, slechts 4,5 miljoen maar in 1967 overschreed de produktie alweer de 6 miljoen ton en in 1970 zal Cuba 10 miljoen ton produceren.
Nu ligt het niet in mij om een land of een revolutie te beoordelen naar de tonnages die het produceert, - wat mij daarbij uitsluitend interesseert is de manier waarop. Maar als het je gebracht wordt als een argument, dan kun je niet nalaten op te merken dat er geen cijfers van voor 1965 zijn, om nog maar te zwijgen van voor 1959, het jaar van de revolutie. Voor de 'import van tractoren' staan die cijfers er wel, die schijnt sinds 1952 omhooggegaan.
Enfin, misschien kunt u de u de cijfers van vóór 1959 ergens opzoeken, ik weet ze niet. Wel heb ik inmiddels gelezen dat Cuba in 1961 nog 7 miljoen ton suiker produceerde, in 1963 nog maar 4 miljoen ton, en voor 1968 wordt verwacht dat de opbrengsten nog steeds onder die van 1961 blijft, ook al staan er nu in Cuba om de 200 meter borden met; ‘Wat doe jij voor de 10 miljoen ton?' en ‘De tien miljoen ton. Een ereplicht.' Dat zijn dus die 10 miljoen van 1970. Nogmaals - de cijfers zeggen me niets, - misschien waren de mensen wel het gelukkigst in 1963 toen ze even niet zoveel suiker hoefden te produceren, maar ik erger me aan de tendentieuze selectie.
In 1989 bestond de Cubaanse revolutie dertig jaar. Op
de eerste dag van dat jaar viert Castro het feest van de
revolutie met de leus ‘marxisme of dood'. Hij onderstreept
dat ‘het Cubaanse volk altijd trouw zal blijven aan de
principes van het socialisme. Van het marxisme leninisme, van het
internationalisme.' In juli van dat jaar worden vier hoge
legerofficieren geëxecuteerd vanwege betrokkenheid bij drugshandel;
onder hen bevond zich de populaire legercommandant Arnaldo
Ochoa.
De laatste woorden van Ochoa luidde: ‘Ik haat mijzelf, heb geen reden om te leven. Als ik word veroordeeld tot het vuurpeloton zal mijn laatste gedachte uitgaan naar Fidel.' Naar aanleiding van de affaire Ochoa zegt Cuba's tweede man, Raúl op 21 juni dat Cubanen die de ontwikkelingen in de Sovjet Unie en Polen bewonderen, daar maar moeten gaan wonen.'
Een maand later wordt de voormalige minister van Binnenlandse Zaken, generaal Abrantes Fernandez tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege betrokkenheid bij hetzelfde schandaal. Het zou de grootste zuiveringsoperatie in de geschiedenis van de revolutie in Cuba worden.
[L]
1989 is ook het jaar waarin Sovjet leider Michail Gorbatsjov de Cubaanse El Lider Maximo bezoekt. Binnenskamers wordt Castro duidelijk gemaakt dat er spoedig een einde zal komen aan de subsidie uit het Oostblok, per dag zo'n 800.000 dollar groot. Samuel Lara, dissident, wordt tijdens het bezoek van Gorbatsjov gearresteerd omdat hij voor het gebouw van de Russische ambassade een demonstratie houdt.
In Manifest (NCPN) interviewt Remco van Broekhoven in april 1989 de Amsterdamse havenarbeider Simon Schilp, die dan voorzitter is van de vriendschapsvereniging Venceremos.
Schilp: ‘Cuba was een openbaring. Het is niet zo dat die Cubanen gelijk hebben door die zon, door dat vrolijke en dat lichte. Daar gaat het niet om, dat komt er alleen nog maar bij. Maar het was de openheid, het ontbreken van bureaucratie, het overal naar binnen kunnen lopen. Er waren natuurlijk wel voorschriften, maar als het uitkwam voor de goede gang van zaken werd daarmee gewoon de hand gelicht. En dat was in de Sovjet Unie onmogelijk.' In Amsterdam organiseert Venceremos een feest ter gelegenheid van de verjaardag van de revolutie; er komen ruim duizend mensen. Het is de laatste keer dat er in Nederland een feestelijke manifestatie wordt georganiseerd als steun voor Fidel Castro en de Cubaanse revolutie, waar zoveel mensen komen.
[L]
Na een bezoek aan Cuba in juli 1989 besluiten Kees van Kortenhof en Annelies Lemmers tot de oprichting van de stichting Glasnost in Cuba opgericht. Formeel werd de stichting op 18 april 1990 opgericht. In de statuten wordt het doel van de stichting Glasnost in Cuba als volgt omschreven: ‘Het doel van de stichting is het steunen van initiatieven gericht op pluriformiteit en democratisering, die leiden tot volledig respect voor de fundamentele mensenrechten in de Cubaanse samenleving.'
Al snel reageert de Cubaanse ambassade in Den Haag nadat de oprichters van Glasnost in Cuba ontvangen waren door de leden van de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken. Kort daarna ontvangen al de leden van die commissie een brief van de Cubaanse ambassadeur waarin hij vaststelt dat de oprichters van Glasnost in Cuba hun oor lenen aan ‘contrarevolutionaire opvattingen met het doel buitenlandse campagnes te steunen; campagnes die een bijdrage zijn aan de propagandistische agressie van het Noord Amerikaanse imperialisme tegenover ons land.' De ambassadeur eindigt zijn schrijven met de opmerking dat ‘het bestaan van de stichting Glasnost ons niet verontrust.'
Op de dag van de viering van de dertigste verjaardag van de revolutie op 1 januari 1989, ontvangt Fidel Castro een brief ondertekend door intellectuelen, schrijvers, en artiesten uit de hele wereld, nu niet pro Cubaans, maar anti Cubaans. De briefschrijvers stellen aan Fidel Castro de eis een volksraadpleging uit te schrijven waarbij het volk zich zou kunnen uitspreken over de wenselijkheid van het aanblijven van de president. En ja of nee voor Castro dus: net zoals het Chileense volk zich in 1988 voor of tegen Pinochet had kunnen uitspreken.
In Nederland ontspon zich in januari 1989 een discussie naar aanleiding van een artikel dat Elsbeth Etty publiceerde in de NRC. Zij verdedigde de pro-Castro aanhangers van dertig jaar terug en probeerde uit te leggen dat het niet zozeer de sympathie voor de politiek van Fidel Castro was als wel de behoefte zich af te zetten tegen de ‘sfeer van Luns-met-spruitjes' in eigen land, die hen maakte tot Cuba aanhangers.
Er volgden o.a. reacties van Bart Tromp (Meelopen met de Tijdgeest), J. L. Heldring (Hoofdzonde van de avant-garde), Kees van Kortenhof (Verblinde intellectuelen likten de hielen van Fidel Castro), Renate Rubinstein (Getuigenis van Sjostakovitsj) en Peter Schat (De eentoonsstaat). Die teksten zijn hier afgedrukt.
De laatste woorden van Ochoa luidde: ‘Ik haat mijzelf, heb geen reden om te leven. Als ik word veroordeeld tot het vuurpeloton zal mijn laatste gedachte uitgaan naar Fidel.' Naar aanleiding van de affaire Ochoa zegt Cuba's tweede man, Raúl op 21 juni dat Cubanen die de ontwikkelingen in de Sovjet Unie en Polen bewonderen, daar maar moeten gaan wonen.'
Een maand later wordt de voormalige minister van Binnenlandse Zaken, generaal Abrantes Fernandez tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege betrokkenheid bij hetzelfde schandaal. Het zou de grootste zuiveringsoperatie in de geschiedenis van de revolutie in Cuba worden.
[L]
1989 is ook het jaar waarin Sovjet leider Michail Gorbatsjov de Cubaanse El Lider Maximo bezoekt. Binnenskamers wordt Castro duidelijk gemaakt dat er spoedig een einde zal komen aan de subsidie uit het Oostblok, per dag zo'n 800.000 dollar groot. Samuel Lara, dissident, wordt tijdens het bezoek van Gorbatsjov gearresteerd omdat hij voor het gebouw van de Russische ambassade een demonstratie houdt.
In Manifest (NCPN) interviewt Remco van Broekhoven in april 1989 de Amsterdamse havenarbeider Simon Schilp, die dan voorzitter is van de vriendschapsvereniging Venceremos.
Schilp: ‘Cuba was een openbaring. Het is niet zo dat die Cubanen gelijk hebben door die zon, door dat vrolijke en dat lichte. Daar gaat het niet om, dat komt er alleen nog maar bij. Maar het was de openheid, het ontbreken van bureaucratie, het overal naar binnen kunnen lopen. Er waren natuurlijk wel voorschriften, maar als het uitkwam voor de goede gang van zaken werd daarmee gewoon de hand gelicht. En dat was in de Sovjet Unie onmogelijk.' In Amsterdam organiseert Venceremos een feest ter gelegenheid van de verjaardag van de revolutie; er komen ruim duizend mensen. Het is de laatste keer dat er in Nederland een feestelijke manifestatie wordt georganiseerd als steun voor Fidel Castro en de Cubaanse revolutie, waar zoveel mensen komen.
[L]
Na een bezoek aan Cuba in juli 1989 besluiten Kees van Kortenhof en Annelies Lemmers tot de oprichting van de stichting Glasnost in Cuba opgericht. Formeel werd de stichting op 18 april 1990 opgericht. In de statuten wordt het doel van de stichting Glasnost in Cuba als volgt omschreven: ‘Het doel van de stichting is het steunen van initiatieven gericht op pluriformiteit en democratisering, die leiden tot volledig respect voor de fundamentele mensenrechten in de Cubaanse samenleving.'
Al snel reageert de Cubaanse ambassade in Den Haag nadat de oprichters van Glasnost in Cuba ontvangen waren door de leden van de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken. Kort daarna ontvangen al de leden van die commissie een brief van de Cubaanse ambassadeur waarin hij vaststelt dat de oprichters van Glasnost in Cuba hun oor lenen aan ‘contrarevolutionaire opvattingen met het doel buitenlandse campagnes te steunen; campagnes die een bijdrage zijn aan de propagandistische agressie van het Noord Amerikaanse imperialisme tegenover ons land.' De ambassadeur eindigt zijn schrijven met de opmerking dat ‘het bestaan van de stichting Glasnost ons niet verontrust.'
Op de dag van de viering van de dertigste verjaardag van de revolutie op 1 januari 1989, ontvangt Fidel Castro een brief ondertekend door intellectuelen, schrijvers, en artiesten uit de hele wereld, nu niet pro Cubaans, maar anti Cubaans. De briefschrijvers stellen aan Fidel Castro de eis een volksraadpleging uit te schrijven waarbij het volk zich zou kunnen uitspreken over de wenselijkheid van het aanblijven van de president. En ja of nee voor Castro dus: net zoals het Chileense volk zich in 1988 voor of tegen Pinochet had kunnen uitspreken.
In Nederland ontspon zich in januari 1989 een discussie naar aanleiding van een artikel dat Elsbeth Etty publiceerde in de NRC. Zij verdedigde de pro-Castro aanhangers van dertig jaar terug en probeerde uit te leggen dat het niet zozeer de sympathie voor de politiek van Fidel Castro was als wel de behoefte zich af te zetten tegen de ‘sfeer van Luns-met-spruitjes' in eigen land, die hen maakte tot Cuba aanhangers.
Er volgden o.a. reacties van Bart Tromp (Meelopen met de Tijdgeest), J. L. Heldring (Hoofdzonde van de avant-garde), Kees van Kortenhof (Verblinde intellectuelen likten de hielen van Fidel Castro), Renate Rubinstein (Getuigenis van Sjostakovitsj) en Peter Schat (De eentoonsstaat). Die teksten zijn hier afgedrukt.
Verblinde intellectuelen likten de hielen van Fidel Castro - Kees van Kortenhof
zondag 19 oktober 2008 14:59
Het kortstondige enthousiasme voor de Cubaanse revolutie
bij een groep intellectuelen en kunstenaars in ons land wordt in
NRC Handelsblad van 7 januari een vrucht van de tijdgeest
in Nederland rond 1960 genoemd. Het begrip tijdgeest degradeert de
spelers in een historische periode echter gemakkelijk tot
passievelingen. In dat artikel fungeert het tevens als excuus voor
gemaakte intellectuele en morele misstappen. De
tijdgeest in de jaren dertig maakt de bewondering van kunstenaars
als de schrijver Albert Kuyle en de schilder Wichman voor het
fascisme ook begrijpelijk. De Castro van toen heette Mussolini. De
inspiratie van de Russische revolutie van 1917 maakte dat een.
schrijver als Theun de Vries en een cineast als Joris Ivens in
kritiekloze bewondering naar Stalin opkeken.
[L]
Zowel in het geval van Mussolini als van Stalin en Castro werd de bewondering luidruchtig en pathetisch ten gehore gebracht. Tegelijkertijd zetten de bewonderaars zich af tegen de spruitjeslucht in eigen land. Jaloers werd dan vervolgens geconstateerd dat Nederland er nog niet aan toe was en er ook wel niet aan toe zou komen, tenzij met geweld werd ingegrepen. Wat dit laatste betreft werden de bewonderaars van Fidel Castro op hun wenken bediend door de opvattingen van Herbert Marcuse over de toelaatbaarheid van geweld in een democratische samenleving.
Bij de dertigste verjaardag van de Cubaanse revolutie mogen aan het adres van deze intellectuelen en kunstenaars scherpe verwijten worden gemaakt: de culturele avant-garde was door een kritiek loze bewondering blind voor de negatieve aspecten in Cuba. Een intellectueel past een dergelijke houding in het geheel niet. Tijdens het befaamde culturele congres in 1968 te Havana had een kritische waarnemer de groeiende controle van de communistische partij op de kunst al kunnen signaleren. De latere Chileense ambassadeur van president Allende in Cuba, Jorge Edwards, constateerde dat als lid van een jury die korte verhalen moest beoordelen. De eerste prijs ging naar de Cubaanse schrijver José Norberto Fuentes hoewel het Cubaanse jurylid enkele uren lang die keuze probeerde te voorkomen. Fuentes, geïnspireerd door de Russische schrijver lsaac Babel, slachtoffer van de Stalinterreur, verwierp in zijn beschrijving van de Cubaanse rebellenbeweging de simpele zwart-wit-tegenstelling tussen de helden en de gusanos (wormen).
Fuentes' verhalen maakten duidelijk dat het oorlogsgeweld beide kanten corrumpeert, ook die welke zich de voorhoede van de revolutie noemt. Al in 1969 kwamen de eerste officiële aanvallen op zijn werk. Enerzijds van de zijde van de Cubaanse schrijversorganisatie, de instantie die de buitenlandse collega-schrijvers van Fuentes steeds uitnodigde, en anderzijds door artikelen in de Cubaanse Legerkoerier. Jorge Edwards werd sinds zijn optreden als jurylid door de Cubaanse autoriteiten gewantrouwd en moest al snel het eiland verlaten.
De vele Nederlanders die Cuba bezochten deden geen moeite dergelijke verschijnselen op te merken. Zij besteedden uren van hun tijd aan het wachten op de mogelijke ontmoeting met de leider. De schaakgrootmeester J.H. Donner beschreef in De Gids nog wel enkele ontmoetingen aan ‘de zelfkant'. Hij achtte zich echter niet geroepen kritiek te hebben op Fidel Castro. ‘Zijn volk mag dit doen. Ik niet.' Ter rechterzijde wordt een dergelijk argument gehoord wanneer het gaat om de beoordeling van de situatie in Zuid-Afrika of Chili.
Maar Cubanen die kritiek uitten werd nu juist de mond gesnoerd. Als de Castro-aanhangers een scherp verwijt verdienen, dan is het wegen het consequent negeren van de verschrikkelijke berichten over de vervolging van tegenstanders. De vervolgden, gemartelden en geëxecuteerden - velen van hen hadden zij aan zij met Castro en Che gevochten - hoefden op enige steun en sympathie van progressieve intellectuelen niet te rekenen.
[L]
Politieke gevangenen zouden zelfs moeten worden benijd. Een toen veelvuldig gebruikte publicatie van prof. Kruijer Cuba, Voorbeeld en Uitdaging, beschrijft hoe heilzaam de heropvoeding is die politieke gevangenen op 'volksboerderijen ondergaan. Hij erkent de aanwezigheid van politieke gevangenen, maar ‘men moet dit feit in het licht van de doeleinden en middelen van de Revolutie zien. Als men deze laatste wetenschappelijk juist en ethisch aanvaardbaar acht, zal men ook de onaangename bijverschijnselen als barensweeën van een nieuwe samenleving moeten accepteren.'
Onrecht
Zo likten intellectuelen de hielen van de machthebbers in Cuba. Castro werd door Sartre omschreven als ‘de meest complete mens van onze tijd'. Het onrecht de machteloze Cubanen aangedaan - anarchisten, dissidente kunstenaars, studenten, leden van de katholieke werkende jongerenorganisatie, homoseksuelen en priesters - was van nul en gener waarde. Het volk en zijn leiders waren één. Tegenstellingen zoals die in onze burgerlijke democratie voorkwamen bestonden in Cuba niet meer. Het was zo'n burgerlijk politicus als de leider van de PvdA die zijn scherpe afkeuring uitsprak toen leden van de Socialistische Jeugd de straat opgingen met foto's van Castro en Ho Chi Minh. Hij zag de gevaren van zulke griezelige idealen.
De auteur werkt bij de vakbeweging.
Bron: NRC Handelsblad van 12 januari 1989
[L]
Zowel in het geval van Mussolini als van Stalin en Castro werd de bewondering luidruchtig en pathetisch ten gehore gebracht. Tegelijkertijd zetten de bewonderaars zich af tegen de spruitjeslucht in eigen land. Jaloers werd dan vervolgens geconstateerd dat Nederland er nog niet aan toe was en er ook wel niet aan toe zou komen, tenzij met geweld werd ingegrepen. Wat dit laatste betreft werden de bewonderaars van Fidel Castro op hun wenken bediend door de opvattingen van Herbert Marcuse over de toelaatbaarheid van geweld in een democratische samenleving.
Bij de dertigste verjaardag van de Cubaanse revolutie mogen aan het adres van deze intellectuelen en kunstenaars scherpe verwijten worden gemaakt: de culturele avant-garde was door een kritiek loze bewondering blind voor de negatieve aspecten in Cuba. Een intellectueel past een dergelijke houding in het geheel niet. Tijdens het befaamde culturele congres in 1968 te Havana had een kritische waarnemer de groeiende controle van de communistische partij op de kunst al kunnen signaleren. De latere Chileense ambassadeur van president Allende in Cuba, Jorge Edwards, constateerde dat als lid van een jury die korte verhalen moest beoordelen. De eerste prijs ging naar de Cubaanse schrijver José Norberto Fuentes hoewel het Cubaanse jurylid enkele uren lang die keuze probeerde te voorkomen. Fuentes, geïnspireerd door de Russische schrijver lsaac Babel, slachtoffer van de Stalinterreur, verwierp in zijn beschrijving van de Cubaanse rebellenbeweging de simpele zwart-wit-tegenstelling tussen de helden en de gusanos (wormen).
Fuentes' verhalen maakten duidelijk dat het oorlogsgeweld beide kanten corrumpeert, ook die welke zich de voorhoede van de revolutie noemt. Al in 1969 kwamen de eerste officiële aanvallen op zijn werk. Enerzijds van de zijde van de Cubaanse schrijversorganisatie, de instantie die de buitenlandse collega-schrijvers van Fuentes steeds uitnodigde, en anderzijds door artikelen in de Cubaanse Legerkoerier. Jorge Edwards werd sinds zijn optreden als jurylid door de Cubaanse autoriteiten gewantrouwd en moest al snel het eiland verlaten.
De vele Nederlanders die Cuba bezochten deden geen moeite dergelijke verschijnselen op te merken. Zij besteedden uren van hun tijd aan het wachten op de mogelijke ontmoeting met de leider. De schaakgrootmeester J.H. Donner beschreef in De Gids nog wel enkele ontmoetingen aan ‘de zelfkant'. Hij achtte zich echter niet geroepen kritiek te hebben op Fidel Castro. ‘Zijn volk mag dit doen. Ik niet.' Ter rechterzijde wordt een dergelijk argument gehoord wanneer het gaat om de beoordeling van de situatie in Zuid-Afrika of Chili.
Maar Cubanen die kritiek uitten werd nu juist de mond gesnoerd. Als de Castro-aanhangers een scherp verwijt verdienen, dan is het wegen het consequent negeren van de verschrikkelijke berichten over de vervolging van tegenstanders. De vervolgden, gemartelden en geëxecuteerden - velen van hen hadden zij aan zij met Castro en Che gevochten - hoefden op enige steun en sympathie van progressieve intellectuelen niet te rekenen.
[L]
Politieke gevangenen zouden zelfs moeten worden benijd. Een toen veelvuldig gebruikte publicatie van prof. Kruijer Cuba, Voorbeeld en Uitdaging, beschrijft hoe heilzaam de heropvoeding is die politieke gevangenen op 'volksboerderijen ondergaan. Hij erkent de aanwezigheid van politieke gevangenen, maar ‘men moet dit feit in het licht van de doeleinden en middelen van de Revolutie zien. Als men deze laatste wetenschappelijk juist en ethisch aanvaardbaar acht, zal men ook de onaangename bijverschijnselen als barensweeën van een nieuwe samenleving moeten accepteren.'
Onrecht
Zo likten intellectuelen de hielen van de machthebbers in Cuba. Castro werd door Sartre omschreven als ‘de meest complete mens van onze tijd'. Het onrecht de machteloze Cubanen aangedaan - anarchisten, dissidente kunstenaars, studenten, leden van de katholieke werkende jongerenorganisatie, homoseksuelen en priesters - was van nul en gener waarde. Het volk en zijn leiders waren één. Tegenstellingen zoals die in onze burgerlijke democratie voorkwamen bestonden in Cuba niet meer. Het was zo'n burgerlijk politicus als de leider van de PvdA die zijn scherpe afkeuring uitsprak toen leden van de Socialistische Jeugd de straat opgingen met foto's van Castro en Ho Chi Minh. Hij zag de gevaren van zulke griezelige idealen.
De auteur werkt bij de vakbeweging.
Bron: NRC Handelsblad van 12 januari 1989
Tromp verwijst in zijn column eerst naar een televisieserie
A Very Britisch Coup die in 1989 ook door de Nederlandse
televisie werd uitgezonden. De serie vertelt hoe een linkse zeloot
in Groot Britannie voor Labour Party de verkiezing wint met
‘het soort programma dat in de afgelopen tien jaar juist tot
de verschrikkelijkste nederlagen uit de geschiedenis van de partij
heeft geleid.' De nieuwe Labourregering krijgt geen geld van de VS
of het IMF maar vindt een andere geldschieter bereid namelijk de
Staatsbank van Moskou.
Tromp: Dat is in het tijdperk Gorbatsjov even plausibel als een firma die zand naar de Sahara exporteert. De ongeloofwaardigheid van dit scenario is een van de vele gevolgen van het einde van het communisme als mythe, de mythe van de Andere Samenleving.' Vervolgens gaat Tromp in op de mythe die gestalte kreeg in de Cubaanse revolutie.
[L]
Daar zou niet alleen een Andere Samenleving worden opgebouwd, maar in dat proces zou ook een Nieuwe Mens worden geschapen. De dertigste verjaardag van die revolutie, althans van de machtsovername, is deze maand met opmerkelijk weinig geestdrift in en buiten Cuba gevierd. Als het gedaan is met de mythe van het communisme, dan ook met het grote meelopen: de 'fellow traveller' is een historische categorie geworden, waarvan de laatste exemplaren zorgzaam in bejaardentehuizen worden bewaard. Van de vele necrologieën die de laatste tijd aan het overlijden van de fellow traveller en zijn mythe verschijnen, stond de modderigste afgelopen zaterdag in NRC Handelsblad. Onder de kop Bewondering voor Castro paste in tijdgeest liet redactrice Elsbeth Etty haar licht schijnen over het vergaan van het revolutionaire enthousiasme voor Castro's Cuba onder westerse kunstenaars en intellectuelen.
Wij moeten eerste begrijpen dat die geestdrift niet voortkwam uit bewondering voor het 'gewone', Oost-Europese communisme. Haar getuige-deskundige is Harry Mulisch (in 1968: 'Wat Fidel doet is geen communisme; het is communisme-con-cha-cha-cha'). In de tweede plaats 'was het de Nederlandse Castro bewonderaars immers óók en misschien wel vooral te doen om de verstarde verhoudingen in eigen land'. Dertig jaar later valt er volgens de schrijfster niets te vieren, maar wat nu zeker niet van haar mag gebeuren is de voormalige meelopers hun meelopen nadragen. Of, zoals Elsbeth Etty dat stelt in een proza dat ik niet uit mijn pen zou kunnen krijgen: 'Cuba beleeft de 'herfst van de patriarch,' maar daarmee is het gelijk - achteraf van Nederlandse patriarchen (? - BT) nog geen vast gegeven. Het is eerder misplaatst triomfalisme dat het vastlopen van de Cubaanse revolutie nadraagt aan een avant-garde wier hoofdzonde uit weerspannigheid en geestdrift bestond.'
[L]
Het kenmerkende van de opeenvolgende generaties meelopers is dat zij altijd een andere heilstaat uitvonden dan de vorige. Cuba kwam aan de beurt toen de Sovjet-Unie en daarna de Oost-Europese volksdemocratieën hadden afgedaan; op zijn beurt werd na 1970 Cuba weer 'gewoon' communistisch; de mythe was inmiddels van toepassing verklaard op de Culturele Revolutie in China. De onderliggende gelijksoortigheid van deze totalitaire regimes werd ontkend, genegeerd, niet gezien of onttrokken door sigarenrook of volksdansen. Dit gebrek aan kritische zin moet volgens de gedachte van Elsbeth Etty niet alleen verklaard worden uit de 'tijdgeest'; het is daarmee blijkbaar ook goedgepraat en verontschuldigd. Dit is een redenering die in de necrologieën van het meelopen wel meer wordt gehoord.
Over Nederlands meest monumentale meeloper (met Stalin en Mao en Ho, maar toen dat uitkwam ook met Tsjang Kai-Sjek), Joris Ivens, lees ik dat bijvoorbeeld ook steeds weer. Aan de ene kant wordt hij bejubeld om zijn 'revolutionaire engagement', (ook al heeft dat voornamelijk geresulteerd in dood saaie propagandafilms die geen mens uit vrije wil uit zal zien) aan de andere kant mag je niks zeggen over de inhoud van dat engagement: de kritiekloze bewondering voor achtereenvolgende massamoordenaars. Dat moet allemaal begrepen worden uit de tijdgeest, makker!
Er zit iets arrogants in dit begrip voor het meelopen. De fellow travellers van toen hebben het recht beoordeeld te worden op hun politieke keuze van eertijds, ook al is die fout geweest. Een politieke beoordeling - die in aanmerking neemt dat er altijd kritische kunstenaars en intellectuelen zijn geweest die niet zwichtten voor de tijdgeest - kan niet verstikt worden in een modderige brei van 'begrip'.
Bron: Het Parool van 11 januari 1989.
Tromp: Dat is in het tijdperk Gorbatsjov even plausibel als een firma die zand naar de Sahara exporteert. De ongeloofwaardigheid van dit scenario is een van de vele gevolgen van het einde van het communisme als mythe, de mythe van de Andere Samenleving.' Vervolgens gaat Tromp in op de mythe die gestalte kreeg in de Cubaanse revolutie.
[L]
Daar zou niet alleen een Andere Samenleving worden opgebouwd, maar in dat proces zou ook een Nieuwe Mens worden geschapen. De dertigste verjaardag van die revolutie, althans van de machtsovername, is deze maand met opmerkelijk weinig geestdrift in en buiten Cuba gevierd. Als het gedaan is met de mythe van het communisme, dan ook met het grote meelopen: de 'fellow traveller' is een historische categorie geworden, waarvan de laatste exemplaren zorgzaam in bejaardentehuizen worden bewaard. Van de vele necrologieën die de laatste tijd aan het overlijden van de fellow traveller en zijn mythe verschijnen, stond de modderigste afgelopen zaterdag in NRC Handelsblad. Onder de kop Bewondering voor Castro paste in tijdgeest liet redactrice Elsbeth Etty haar licht schijnen over het vergaan van het revolutionaire enthousiasme voor Castro's Cuba onder westerse kunstenaars en intellectuelen.
Wij moeten eerste begrijpen dat die geestdrift niet voortkwam uit bewondering voor het 'gewone', Oost-Europese communisme. Haar getuige-deskundige is Harry Mulisch (in 1968: 'Wat Fidel doet is geen communisme; het is communisme-con-cha-cha-cha'). In de tweede plaats 'was het de Nederlandse Castro bewonderaars immers óók en misschien wel vooral te doen om de verstarde verhoudingen in eigen land'. Dertig jaar later valt er volgens de schrijfster niets te vieren, maar wat nu zeker niet van haar mag gebeuren is de voormalige meelopers hun meelopen nadragen. Of, zoals Elsbeth Etty dat stelt in een proza dat ik niet uit mijn pen zou kunnen krijgen: 'Cuba beleeft de 'herfst van de patriarch,' maar daarmee is het gelijk - achteraf van Nederlandse patriarchen (? - BT) nog geen vast gegeven. Het is eerder misplaatst triomfalisme dat het vastlopen van de Cubaanse revolutie nadraagt aan een avant-garde wier hoofdzonde uit weerspannigheid en geestdrift bestond.'
[L]
Het kenmerkende van de opeenvolgende generaties meelopers is dat zij altijd een andere heilstaat uitvonden dan de vorige. Cuba kwam aan de beurt toen de Sovjet-Unie en daarna de Oost-Europese volksdemocratieën hadden afgedaan; op zijn beurt werd na 1970 Cuba weer 'gewoon' communistisch; de mythe was inmiddels van toepassing verklaard op de Culturele Revolutie in China. De onderliggende gelijksoortigheid van deze totalitaire regimes werd ontkend, genegeerd, niet gezien of onttrokken door sigarenrook of volksdansen. Dit gebrek aan kritische zin moet volgens de gedachte van Elsbeth Etty niet alleen verklaard worden uit de 'tijdgeest'; het is daarmee blijkbaar ook goedgepraat en verontschuldigd. Dit is een redenering die in de necrologieën van het meelopen wel meer wordt gehoord.
Over Nederlands meest monumentale meeloper (met Stalin en Mao en Ho, maar toen dat uitkwam ook met Tsjang Kai-Sjek), Joris Ivens, lees ik dat bijvoorbeeld ook steeds weer. Aan de ene kant wordt hij bejubeld om zijn 'revolutionaire engagement', (ook al heeft dat voornamelijk geresulteerd in dood saaie propagandafilms die geen mens uit vrije wil uit zal zien) aan de andere kant mag je niks zeggen over de inhoud van dat engagement: de kritiekloze bewondering voor achtereenvolgende massamoordenaars. Dat moet allemaal begrepen worden uit de tijdgeest, makker!
Er zit iets arrogants in dit begrip voor het meelopen. De fellow travellers van toen hebben het recht beoordeeld te worden op hun politieke keuze van eertijds, ook al is die fout geweest. Een politieke beoordeling - die in aanmerking neemt dat er altijd kritische kunstenaars en intellectuelen zijn geweest die niet zwichtten voor de tijdgeest - kan niet verstikt worden in een modderige brei van 'begrip'.
Bron: Het Parool van 11 januari 1989.
Op zijn colleges placht de beroemde Duitse historicus
Friedrich Meinecke. (1862-1954) het vaak te hebben over de
Zeitgeist. Eens vroeg een van zijn studenten hem: ‘Wat is die
tijdgeest eigenlijk precies waarover u het heeft?' Waarop Meinecke
antwoordde:'Dat weet ik niet, maar zij die het niet aanvoelen, zijn
niet geschikt mijn onderwijs en onderzoek te
volgen.'
[L]
Ik moest aan die anekdote denken toen, ik vorige week zaterdag boven een artikel op de opiniepagina deze kop las: 'Bewondering voor Castro paste in de tijdgeest'. Maar toen ik het artikel gelezen had, was ik even wijs als die student. Het hele woord tijdgeest kwam er niet in voor. Wel las ik deze zin: ‘Volgens de heersende politieke zeden' van twintig jaar geleden ‘was sympathie met de baardige opstandelingen een vloek, anathema, maar dat verhoogde alleen maar de aantrekkingskracht ervan. Want wat waren de heersende zeden? Luns-met-spruitjes.' Wat was nu de tijdgeest van die dagen: sympathie met de baardige Castro of juist het omgekeerde?
Castro's eigen stijl
Het artikel zelf is een apologie van diegenen die, in de jaren '60, wegliepen met Fidel Castro en zijn revolutie. Veel beroemdheden van de toenmalige culturele avant-garde worden genoemd; van de Nederlanders onder hen: Harry Mulisch en Peter Schat, die door een bezoek aan Cuba geïnspireerd werden tot het schrijven van de opera Reconstructie (wat, merkwaardig genoeg, perestrojka betekent, waar Castro nu zo de pest aan heeft). De schrijfster van het artikel vindt het ‘al te gemakkelijk' nu ‘een lange neus te trekken naar het cultureel engagement in de jaren '60 van een cultureel spraakmakende Castro aanhang in Nederland'. Dit ‘retrospectieve denken gaat volledig voorbij aan de oorzaken van de bezieling die in veel opzichten voor radicalen en culturele vernieuwers van Castro en de zijnen uitging". Al is het jammer dat de auteur geen enkele 'retrospectieve denker' bij name noemt en ook haar kritiek op hen niet met citaten staaft, is het toch sympathiek dat ze voor Mulisch e tutti quanti opkomt. Evenmin als de koningin kunnen zij zichzelf verdedigen.
Ze geeft ook toe dat Castro het er een beetje naar gemaakt heeft: van de 'Nieuwe Mens' die Mulisch in Cuba indertijd zag geboren worden, is niet veel terechtgekomen. Van de democratie ook niet: Castro durft niet eens een referendum aan (wat Pinochet nog wel durfde). Wat er overgebleven is, is het verhaal van elke revolutie: een tekort aan consumptiegoederen, politieke gevangenen (die vaak, meer dan twintig jaar zitten) en, in dit geval, beroepssoldaten in Afrika. ‘Alles waar', zegt ze, maar het was de Nederlandse Castro aanhangers blijkbaar niet zozeer om Castro te doen; het was hun ‘ook en misschien wel vooral te doen: om de verstarde verhoudingen in eigen land'. OK, maar ik begrijp niet hoe dit een excuus kan zijn voor een verkeerde taxatie van Castro, die met die verhoudingen in Nederland niets te maken had.
[L]
Overigens: waren die verhoudingen in Nederland eind jaren '60 - Mulisch' boek over Cuba is van 1968 - wel zo verstard? Het jaar tevoren had de KVP de grootste nederlaag van haar bestaan geleden, in 1971 en 1972 gevolgd door bijna even grote nederlagen. In tien jaar was zij tot de helft van haar vroegere kracht teruggebracht. Nieuwe partijen, zoals D'66 en de PPR, kregen wind in de zeilen. Kortom, overal beweging - beweging waaruit ten slotte het kabinet Den Uyl, het 'kabinet van de vernieuwing', zou voortkomen. Als de Nederlandse bewonderaars van Castro dáárom Castro zo bewonderden, dan hebben ze tegen de verkeerde boom geblaft - honden kunnen ook uit bewondering blaffen - en hadden ze de vernieuwing die in Nederland aan de gang was, moeten bezingen. Maar ja, de culturele avant-garde heeft nooit en nergens blijk gegeven van enig politiek inzicht. Dat is helemaal geen bezwaar, maar ook niet bepaald een reden haar achteraf in bescherming te nemen tegen anonieme beschuldigers.
Die anonieme beschuldigers worden van 'misplaatst triomfalisme' beticht. Nu is triomfalisme altijd misplaatst - of het nu het triomfalisme van de rooms-katholieke kerk in het begin van deze eeuw was of het triomfalisme dat de PvdA in 1973 en 1977 ten toon spreidde (en nu bitterlijk berouwt). Dus als er nu sprake is van triomfalisme tegenover Mulisch en consorten, dan is dat ook fout. Maar die beschuldigers - die de schrijfster de 'Nederlandse patriarchen' noemt (wie zou zij toch bedoelen?) wordt niet alleen triomfalisme verweten, maar ook 'gelijk achteraf. Hoezo achteraf? Hebben ze nu gelijk, maar hadden zij dat toen niet? Toen waren ze toch ook tegen Castro? Dus als ze nu gelijk hebben, hadden ze toen ook gelijk. Of is er zoiets als gelijk op het verkeerde ogenblik, dat dan ongelijk zou zijn? En heeft een avant-garde altijd gelijk (ook als zij ongelijk heeft), domweg omdat zij avant-garde is? Was die avant-garde overigens wel een avant-garde? Met andere woorden: had zij volgelingen? Eerder kan gezegd worden dat zij door die zogenaamd verstarde samenleving ingekapseld is. De bourgeoisie of, als u wilt, het kapitalisme heeft haar ontmand door haar te fêteren. Een bekend proces, dat meer getuigt van de vitaliteit van de bourgeoisie dan van die der avant-garde.
[L]
De hoofdzonde van de avant-garde der jaren '60 bestond, aldus de schrijfster, uit 'weerspannigheid en geestdrift'. Op zichzelf zijn dat zinledige woorden, zoals visie en engagement dat zijn. Het hangt er maar van af waartegen of waarvoor iemand weerspannig, respectievelijk geestdriftig is. Vooral wanneer geestdrift als kwaliteit op zichzelf wordt geprezen,' wordt het griezelig. Zo ken ik nog wel een paar geestdriftigen in de recente geschiedenis.
Waar die apologie van de Nederlandse castristen op neerkomt is dus: ze hebben het in elk geval goed bedoeld (een argument dat het altijd goed doet in ethisch Nederland). Ja, het moest er nog bijkomen dat ze het niet goed bedoeld hadden! Goede bedoelingen kunnen tot vreselijke dingen leiden, zoals de recente geschiedenis ook aangetoond heeft. Het zijn niet hun bedoelingen die in het geding zijn, het is hun oordeel. Als de avant-garde een hoofdzonde had, was het domheid.
De prent die bij het artikel prijkte, was ook merkwaardig. Ze toonde Castro op de spreektribune, met vier kroontjespennen in zijn rug gestoken. Waren daarmee zijn critici bedoeld? En zo ja, waarom dan in de rug? Veroordelen zijn critici hem dan niet openlijk? Of is elke aanval op Castro een aanval in de rug, zoals Dorothee Sölle - ook een bewonderaarster van Castro - in haar debat met prof. Kuitert in 1987 kritiek op haar als een aanval in de rug bleek te beschouwen? In dat geval is de hoofdzonde van de avant garde paranoia.
Bron: Hoofdzonde van de avant-garde. J. L. Heldring in NRC- Handelsblad van 13 januari 1989.
[L]
Ik moest aan die anekdote denken toen, ik vorige week zaterdag boven een artikel op de opiniepagina deze kop las: 'Bewondering voor Castro paste in de tijdgeest'. Maar toen ik het artikel gelezen had, was ik even wijs als die student. Het hele woord tijdgeest kwam er niet in voor. Wel las ik deze zin: ‘Volgens de heersende politieke zeden' van twintig jaar geleden ‘was sympathie met de baardige opstandelingen een vloek, anathema, maar dat verhoogde alleen maar de aantrekkingskracht ervan. Want wat waren de heersende zeden? Luns-met-spruitjes.' Wat was nu de tijdgeest van die dagen: sympathie met de baardige Castro of juist het omgekeerde?
Castro's eigen stijl
Het artikel zelf is een apologie van diegenen die, in de jaren '60, wegliepen met Fidel Castro en zijn revolutie. Veel beroemdheden van de toenmalige culturele avant-garde worden genoemd; van de Nederlanders onder hen: Harry Mulisch en Peter Schat, die door een bezoek aan Cuba geïnspireerd werden tot het schrijven van de opera Reconstructie (wat, merkwaardig genoeg, perestrojka betekent, waar Castro nu zo de pest aan heeft). De schrijfster van het artikel vindt het ‘al te gemakkelijk' nu ‘een lange neus te trekken naar het cultureel engagement in de jaren '60 van een cultureel spraakmakende Castro aanhang in Nederland'. Dit ‘retrospectieve denken gaat volledig voorbij aan de oorzaken van de bezieling die in veel opzichten voor radicalen en culturele vernieuwers van Castro en de zijnen uitging". Al is het jammer dat de auteur geen enkele 'retrospectieve denker' bij name noemt en ook haar kritiek op hen niet met citaten staaft, is het toch sympathiek dat ze voor Mulisch e tutti quanti opkomt. Evenmin als de koningin kunnen zij zichzelf verdedigen.
Ze geeft ook toe dat Castro het er een beetje naar gemaakt heeft: van de 'Nieuwe Mens' die Mulisch in Cuba indertijd zag geboren worden, is niet veel terechtgekomen. Van de democratie ook niet: Castro durft niet eens een referendum aan (wat Pinochet nog wel durfde). Wat er overgebleven is, is het verhaal van elke revolutie: een tekort aan consumptiegoederen, politieke gevangenen (die vaak, meer dan twintig jaar zitten) en, in dit geval, beroepssoldaten in Afrika. ‘Alles waar', zegt ze, maar het was de Nederlandse Castro aanhangers blijkbaar niet zozeer om Castro te doen; het was hun ‘ook en misschien wel vooral te doen: om de verstarde verhoudingen in eigen land'. OK, maar ik begrijp niet hoe dit een excuus kan zijn voor een verkeerde taxatie van Castro, die met die verhoudingen in Nederland niets te maken had.
[L]
Overigens: waren die verhoudingen in Nederland eind jaren '60 - Mulisch' boek over Cuba is van 1968 - wel zo verstard? Het jaar tevoren had de KVP de grootste nederlaag van haar bestaan geleden, in 1971 en 1972 gevolgd door bijna even grote nederlagen. In tien jaar was zij tot de helft van haar vroegere kracht teruggebracht. Nieuwe partijen, zoals D'66 en de PPR, kregen wind in de zeilen. Kortom, overal beweging - beweging waaruit ten slotte het kabinet Den Uyl, het 'kabinet van de vernieuwing', zou voortkomen. Als de Nederlandse bewonderaars van Castro dáárom Castro zo bewonderden, dan hebben ze tegen de verkeerde boom geblaft - honden kunnen ook uit bewondering blaffen - en hadden ze de vernieuwing die in Nederland aan de gang was, moeten bezingen. Maar ja, de culturele avant-garde heeft nooit en nergens blijk gegeven van enig politiek inzicht. Dat is helemaal geen bezwaar, maar ook niet bepaald een reden haar achteraf in bescherming te nemen tegen anonieme beschuldigers.
Die anonieme beschuldigers worden van 'misplaatst triomfalisme' beticht. Nu is triomfalisme altijd misplaatst - of het nu het triomfalisme van de rooms-katholieke kerk in het begin van deze eeuw was of het triomfalisme dat de PvdA in 1973 en 1977 ten toon spreidde (en nu bitterlijk berouwt). Dus als er nu sprake is van triomfalisme tegenover Mulisch en consorten, dan is dat ook fout. Maar die beschuldigers - die de schrijfster de 'Nederlandse patriarchen' noemt (wie zou zij toch bedoelen?) wordt niet alleen triomfalisme verweten, maar ook 'gelijk achteraf. Hoezo achteraf? Hebben ze nu gelijk, maar hadden zij dat toen niet? Toen waren ze toch ook tegen Castro? Dus als ze nu gelijk hebben, hadden ze toen ook gelijk. Of is er zoiets als gelijk op het verkeerde ogenblik, dat dan ongelijk zou zijn? En heeft een avant-garde altijd gelijk (ook als zij ongelijk heeft), domweg omdat zij avant-garde is? Was die avant-garde overigens wel een avant-garde? Met andere woorden: had zij volgelingen? Eerder kan gezegd worden dat zij door die zogenaamd verstarde samenleving ingekapseld is. De bourgeoisie of, als u wilt, het kapitalisme heeft haar ontmand door haar te fêteren. Een bekend proces, dat meer getuigt van de vitaliteit van de bourgeoisie dan van die der avant-garde.
[L]
De hoofdzonde van de avant-garde der jaren '60 bestond, aldus de schrijfster, uit 'weerspannigheid en geestdrift'. Op zichzelf zijn dat zinledige woorden, zoals visie en engagement dat zijn. Het hangt er maar van af waartegen of waarvoor iemand weerspannig, respectievelijk geestdriftig is. Vooral wanneer geestdrift als kwaliteit op zichzelf wordt geprezen,' wordt het griezelig. Zo ken ik nog wel een paar geestdriftigen in de recente geschiedenis.
Waar die apologie van de Nederlandse castristen op neerkomt is dus: ze hebben het in elk geval goed bedoeld (een argument dat het altijd goed doet in ethisch Nederland). Ja, het moest er nog bijkomen dat ze het niet goed bedoeld hadden! Goede bedoelingen kunnen tot vreselijke dingen leiden, zoals de recente geschiedenis ook aangetoond heeft. Het zijn niet hun bedoelingen die in het geding zijn, het is hun oordeel. Als de avant-garde een hoofdzonde had, was het domheid.
De prent die bij het artikel prijkte, was ook merkwaardig. Ze toonde Castro op de spreektribune, met vier kroontjespennen in zijn rug gestoken. Waren daarmee zijn critici bedoeld? En zo ja, waarom dan in de rug? Veroordelen zijn critici hem dan niet openlijk? Of is elke aanval op Castro een aanval in de rug, zoals Dorothee Sölle - ook een bewonderaarster van Castro - in haar debat met prof. Kuitert in 1987 kritiek op haar als een aanval in de rug bleek te beschouwen? In dat geval is de hoofdzonde van de avant garde paranoia.
Bron: Hoofdzonde van de avant-garde. J. L. Heldring in NRC- Handelsblad van 13 januari 1989.
Uit bewondering voor Che Guevara maakten in 1969 twee
schrijvers en vijf componisten de opera Reconstructie. De
bewondering voor de revolutionair was oprecht maar sloeg om in de
verabsolutering van het eigen gelijk. ‘Een scherper beeld van
de doodse beklemming van de eenpartijstaat, gepresenteerd als
triomf, is wel nooit op de planken gezet.'
[L]
Wie het publieke debat over de 'gigantische deconfiture' (Heldring) van het socialisme, 'een begrip dat staat voor een bankroet systeem' (Braches), tot nu toe een beetje gevolgd heeft, zal met reden Hoflands conclusie, dat 'de Nederlandse discussie over de fellow traveIler zo ontijdig en onzinnig is geëindigd', kunnen onderschrijven. Tegen de achtergrond van het feit dat 'de reconstructie die men in de Sovjet-Unie onderneemt steeds meer het karakter krijgt van een ontmaskering', zoals Hofland bericht, wordt het zwijgen van de vroegere fellow traveIlers bijna oorverdovend en een debat zonder een echt weerwoord valt natuurlijk al gauw plat. Zwijgen kan een beschermend pantser zijn, maar ik geloof niet in dat soort veiligheid.
Nu hebben sommigen van mijn vroegere medemeelopers het zichzelf wel erg moeilijk gemaakt om van de narcistische sokkel af te dalen, door publiekelijk te verklaren dat ze 'vanaf hun zeventiende altijd al gelijk hebben gehad', of woorden van gelijke strekking. De zwijgers laden echter nu de verdenking op zich dat het hun indertijd om iets anders ging dan om de morele, artistieke en intellectuele integriteit, die de inspiratie is van de ware revolutionair; dat het hun niet om de waarheid maar om de macht ging. Wie nu niet spreekt had waarschijnlijk nooit iets te zeggen.
Elsbeth Etty deed in deze krant (7 januari) tenminste nog een poging, al leek die wel erg veel op 'rewriting history to suit yourself.' Zij schreef over 'een avant-garde wier hoofdzonde uit. weerspannigheid en geestdrift bestond', over 'de opstandelingen tegen de heersende zeden van 'Luns-met-spruitjes!' Wat neerkomt op binnenlands enthousiasme gevoed met buitenlands bloed in een opstand tegen een smakelijke en sterk onderschatte groentesoort.
'Een politieke beoordeling kan niet verstikt worden in een modderige brei van begrip', reageerde Bart Tromp daarop terecht in Het Parool (11 januari), en Kees Kortenhof bleef er in deze krant op hameren dat ‘aan het adres van deze intellectuelen en kunstenaars scherpe verwijten mogen worden gemaakt' (12 januari). Tromp verwijt ons 'kritiekloze bewondering voor achtereenvolgende massamoordenaars', en Kortenhof zegt dat wij 'door een kritiekloze bewondering blind voor de negatieve aspecten' waren. Nu wordt bewondering in ons onbewonderde land toch al niet erg gelardeerd, maar kritiekloze bewondering - daar wringt hem bijna de schoen.
[L]
Wie zwijgt stemt toe
Moraliteit
Onze bewondering nam zelfs de omvang van een opera aan. Terwijl de Vietnam oorlog zijn hoogtepunt tegemoet ging schreven wij met maar liefst twee schrijvers en vijf componisten een moraliteit over Che Guevara, die gezegd en geleefd had: TWEE, DRIE, VEEL VIETNAMS! Reconstructie ging in 1969 in het Holland Festival in première.
Dat was een duidelijke keuze. Want, vonden wij, wie niet koos, koos in feite voor de napalm van Dow Chemical, die ons bij Terneuzen de strot uitkwam. Dat is achteraf niet verwijtbaar. Het was de enige mogelijkheid je ziel te redden uit de 'modderige brei van begrip', die het toenmalige Nederlandse establishment dagelijks over de brandende napalm uitgoot. En het was een historisch juiste keuze - de Amerikanen moesten hoe dan ook weg uit Vietnam, zoals de Russen nu uit Afghanistan. Dat stond en staat vast.
Maar in het kielzog van de 'juiste keuze' schuilt altijd ook één groot gevaar: het gevaar van de zelfverheffing, de verabsolutering van het gelijk, de verstening. Dat gevaar hebben we niet gezien. ‘Er zijn mensen die het eerder zagen, die het altijd gezien hebben. Er zijn er ook die het nooit gezien hebben en het nooit zullen zien', zei Joris Ivens' vrouw in Het Parool (20 januari).
Bron:
NRC- Handelsblad van 17 februari 1989
Twintig jaar na ‘Reconstructie.' De eentoonsstaat.
Fragment uit een artikel van Peter Schat.
[L]
Wie het publieke debat over de 'gigantische deconfiture' (Heldring) van het socialisme, 'een begrip dat staat voor een bankroet systeem' (Braches), tot nu toe een beetje gevolgd heeft, zal met reden Hoflands conclusie, dat 'de Nederlandse discussie over de fellow traveIler zo ontijdig en onzinnig is geëindigd', kunnen onderschrijven. Tegen de achtergrond van het feit dat 'de reconstructie die men in de Sovjet-Unie onderneemt steeds meer het karakter krijgt van een ontmaskering', zoals Hofland bericht, wordt het zwijgen van de vroegere fellow traveIlers bijna oorverdovend en een debat zonder een echt weerwoord valt natuurlijk al gauw plat. Zwijgen kan een beschermend pantser zijn, maar ik geloof niet in dat soort veiligheid.
Nu hebben sommigen van mijn vroegere medemeelopers het zichzelf wel erg moeilijk gemaakt om van de narcistische sokkel af te dalen, door publiekelijk te verklaren dat ze 'vanaf hun zeventiende altijd al gelijk hebben gehad', of woorden van gelijke strekking. De zwijgers laden echter nu de verdenking op zich dat het hun indertijd om iets anders ging dan om de morele, artistieke en intellectuele integriteit, die de inspiratie is van de ware revolutionair; dat het hun niet om de waarheid maar om de macht ging. Wie nu niet spreekt had waarschijnlijk nooit iets te zeggen.
Elsbeth Etty deed in deze krant (7 januari) tenminste nog een poging, al leek die wel erg veel op 'rewriting history to suit yourself.' Zij schreef over 'een avant-garde wier hoofdzonde uit. weerspannigheid en geestdrift bestond', over 'de opstandelingen tegen de heersende zeden van 'Luns-met-spruitjes!' Wat neerkomt op binnenlands enthousiasme gevoed met buitenlands bloed in een opstand tegen een smakelijke en sterk onderschatte groentesoort.
'Een politieke beoordeling kan niet verstikt worden in een modderige brei van begrip', reageerde Bart Tromp daarop terecht in Het Parool (11 januari), en Kees Kortenhof bleef er in deze krant op hameren dat ‘aan het adres van deze intellectuelen en kunstenaars scherpe verwijten mogen worden gemaakt' (12 januari). Tromp verwijt ons 'kritiekloze bewondering voor achtereenvolgende massamoordenaars', en Kortenhof zegt dat wij 'door een kritiekloze bewondering blind voor de negatieve aspecten' waren. Nu wordt bewondering in ons onbewonderde land toch al niet erg gelardeerd, maar kritiekloze bewondering - daar wringt hem bijna de schoen.
[L]
Wie zwijgt stemt toe
Moraliteit
Onze bewondering nam zelfs de omvang van een opera aan. Terwijl de Vietnam oorlog zijn hoogtepunt tegemoet ging schreven wij met maar liefst twee schrijvers en vijf componisten een moraliteit over Che Guevara, die gezegd en geleefd had: TWEE, DRIE, VEEL VIETNAMS! Reconstructie ging in 1969 in het Holland Festival in première.
Dat was een duidelijke keuze. Want, vonden wij, wie niet koos, koos in feite voor de napalm van Dow Chemical, die ons bij Terneuzen de strot uitkwam. Dat is achteraf niet verwijtbaar. Het was de enige mogelijkheid je ziel te redden uit de 'modderige brei van begrip', die het toenmalige Nederlandse establishment dagelijks over de brandende napalm uitgoot. En het was een historisch juiste keuze - de Amerikanen moesten hoe dan ook weg uit Vietnam, zoals de Russen nu uit Afghanistan. Dat stond en staat vast.
Maar in het kielzog van de 'juiste keuze' schuilt altijd ook één groot gevaar: het gevaar van de zelfverheffing, de verabsolutering van het gelijk, de verstening. Dat gevaar hebben we niet gezien. ‘Er zijn mensen die het eerder zagen, die het altijd gezien hebben. Er zijn er ook die het nooit gezien hebben en het nooit zullen zien', zei Joris Ivens' vrouw in Het Parool (20 januari).
Bron:
NRC- Handelsblad van 17 februari 1989
Twintig jaar na ‘Reconstructie.' De eentoonsstaat.
Fragment uit een artikel van Peter Schat.
Ooit maakte Jaap van Ginneken met professor W.F.
Wertheim en dr. M. Schenk deel uit van de zogeheten
‘China-lobby' in ons land. Tien jaar later constateert hij
dat zijn ‘vergissing inzake de Culturele Revolutie heel
hardnekkig was.' Voor hij China bezocht, was Van Ginneken ook in
Cuba.
[L]
(...) Van Ginneken was een ‘enthousiaste toeschouwer van Provo en de StudentenVakBeweging. Al snel raakte hij betrokken bij de Derde Wereld: hij maakte een tocht door het Midden-Oosten en zag alle ellende daar. Tijdens een reis naar Cuba, compleet met koffieplanten en lezingen, zag hij wat er tegen die ellende te doen was; alleen radicale veranderingen kunnen een eind aan de wantoestanden in de Derde Wereld maken en daarvoor zullen bevrijdingsbewegingen nodig zijn. ‘Het was de retoriek van dat moment.' Van Ginneken vindt zijn vereenzelviging met Cuba psychologisch wel begrijpelijk. ‘In zo'n cultuur ga je je eigen land door andere ogen zien. Op Cuba waren ze met wezenlijke zaken bezig, in het Westen slechts met hun consumptiemaatschappij, trivialiteiten waarmee je je niet meer kunt identificeren. Ik dacht echt dat de Cubaanse revolutie tot andere menselijke verhoudingen zou leiden.
[L]
'Op Cuba werd ik later geconfronteerd met staliniserings tendensen. Ik heb er wat halfslachtig afstand van genomen. Overigens is in het licht van de geschiedenis de ontwikkeling op Cuba aanmerkelijk makkelijker te verdedigen dan die in China. Hij ontkent ooit de Cambodjaanse leider Pol Pot te hebben verdedigd. Nee, daar ben ik heel voorzichtig mee geweest. Mijn toenmalige echtgenote, die in Vietnam werkte, heeft me behoed voor grote fouten. Zij zei: verkijk je niet op de Rode Khmers, dat zijn engerds. Maar mijn vergissing met China, die was wel erg.'
Bron: Jaap van Ginneken is voorzichtig geworden door Paul Arnoldussen in Het Parool van 14 januari 1989
[L]
(...) Van Ginneken was een ‘enthousiaste toeschouwer van Provo en de StudentenVakBeweging. Al snel raakte hij betrokken bij de Derde Wereld: hij maakte een tocht door het Midden-Oosten en zag alle ellende daar. Tijdens een reis naar Cuba, compleet met koffieplanten en lezingen, zag hij wat er tegen die ellende te doen was; alleen radicale veranderingen kunnen een eind aan de wantoestanden in de Derde Wereld maken en daarvoor zullen bevrijdingsbewegingen nodig zijn. ‘Het was de retoriek van dat moment.' Van Ginneken vindt zijn vereenzelviging met Cuba psychologisch wel begrijpelijk. ‘In zo'n cultuur ga je je eigen land door andere ogen zien. Op Cuba waren ze met wezenlijke zaken bezig, in het Westen slechts met hun consumptiemaatschappij, trivialiteiten waarmee je je niet meer kunt identificeren. Ik dacht echt dat de Cubaanse revolutie tot andere menselijke verhoudingen zou leiden.
[L]
'Op Cuba werd ik later geconfronteerd met staliniserings tendensen. Ik heb er wat halfslachtig afstand van genomen. Overigens is in het licht van de geschiedenis de ontwikkeling op Cuba aanmerkelijk makkelijker te verdedigen dan die in China. Hij ontkent ooit de Cambodjaanse leider Pol Pot te hebben verdedigd. Nee, daar ben ik heel voorzichtig mee geweest. Mijn toenmalige echtgenote, die in Vietnam werkte, heeft me behoed voor grote fouten. Zij zei: verkijk je niet op de Rode Khmers, dat zijn engerds. Maar mijn vergissing met China, die was wel erg.'
Bron: Jaap van Ginneken is voorzichtig geworden door Paul Arnoldussen in Het Parool van 14 januari 1989
Ik schreef er al eens over toen Elsbeth Etty de bewondering
voor Cuba toeschreef aan 'weerspannigheid' en 'geestdrift'. Kort
daarna vond Max Pam dat je de Cuba-gangers hoogstens 'een naïef
soort optimisme' kon verwijten. 'Zo'n optimisme heeft
ontegenzeggelijk iets sympathieks. Dat het mis zal gaan is een
veilige voorspelling die altijd wel een keer uitkomt.' (NRC,
23-1-1989) Maar dat waar Sjostakovitsj over schreef en wat ik zowel
in de Sovjetunie als in China (in Cuba ben ik nooit geweest)
zo bedrukkend vond, namelijk niet dat het nog wel eens mis zou
gaan, maar dat het mis was en dat leugens en bedrog daar in onze
journalisten sloegen als Gods woord in een ouderling, is iets
anders. De anders altijd zo kritische 'humanisten' identificeerden
zich in de linkse dictaturen niet met de machtelozen maar met de
machthebbers. 'Het is daar De Kring aan de macht,' zei Harry
Mulisch bij terugkomst uit Cuba.
[L]
In de NRC (17 januari 1989) schrijft Max Pam achteraf: 'Het gevoel opgesloten te zijn heeft mij op Cuba geen moment verlaten.' Had hij dat maar in 1975 gezegd, toen hij voor Vrij Nederland in Cuba was en er drie of vier lange stukken over schreef! Zo'n kernachtige uitspraak had je kunnen onthouden. Maar hij had er ook gelazer mee gekregen bij de naïeve optimisten (zijn vrienden Harry Mulisch, Hein Donner) van het eerste Nederlandse Cuba uur. Nu schreef hij, inderdaad niet jubelend, maar meer zo: 'Omdat Cuba in feite voortdurend in een toestand van oorlog heeft verkeerd, is het probleem van de democratie nooit een probleem geweest. Steunend op de enorme populariteit van Fidel is Cuba een oligarchie, soms zelfs een éénmansbedrijfje. Nu de blokkade aan het afbrokkelen is en de oorlogsdreiging sterk is verminderd gaat het Cuba economisch gezien beter dan ooit. Carlos Rafael Rodriguez, die het ministerie van Buitenlandse Zaken onder zich heeft, boekt enorme successen en haalt het ene krediet na het andere binnen.' Voor Max Pam was de democratie op Cuba nooit een probleem en inderdaad; hij deed niet aan de veilige veronderstelling dat het nog wel eens mis zou gaan maar aan de niet minder veilige dat het op Cuba steeds beter zou worden. De mensen voor wie de democratie toch wel een probleem was karakteriseerde hij als 'de jongeren die geen jeans kunnen kopen, de ouderen voor wie de veranderingen te snel zijn gekomen'. Precies zoals het ongenoegen beschreven hoorde te worden, net zoals je later kon horen dat de Zuid Vietnamese bootvluchtelingen allemaal zwárthandelaars waren. Had hij maar die ene zin uit 1989 in 1975 geschreven.
[L]
Cartoon van Opland voor het toenmalige Comite voor Solidariteit met Cuba
Het komt zelden voor dat een voormalige dweper met een bloeddorstig regime zich schaamt en zijn excuses maakt. Een uitzondering is Jaap van Ginneken, voormalig penningmeester van het Cuba Comité en vurig voorstander van Mao's Culturele Revolutie waarover hij zelfs een Penguinboek schreef. Hij ging naar China in het groepje waar ik ook mee ging en hij gold daar als China deskundige, iemand die er alles van af wist. Ik kon hem vanwege de aard van zijn 'wetenschappelijke ' opvattingen niet uitstaan en hij mij natuurlijk ook niet, want het bewind daar stonk een uur in de wind, maar als je het zei was je een tante die van niets wist. Dat vond Van Ginneken niet alleen, dat was wat de dwepers met Mao allemaal vonden.
Deze Van Ginneken heeft zich, in tegenstelling tot al die anderen, later verontschuldigd niet alleen bij mij persoonlijk, maar ook in het algemeen. Hij voelde zich na de onthullingen over de ware aard van die Grote Proletarische Culturele Revolutie, schuldig. Hij durfde zich niet eens meer te mengen in de Historikerstreit, hij vond dat hij zijn recht van spreken had verloren: 'Iemand met mijn verleden moet voor de rest van zijn leven zijn mond houden.'
Mijn bron is Max Pam in zijn column, die dit een beetje ginnegappend brengt en er aan toevoegt: 'Arme Van Ginneken, het lijkt wel of hij in de oorlog fout is geweest.' Het pleit juist voor Van Ginneken dat hij zijn eigen vroegere applaus niet wil verdoezelen en dat hij er consequenties uit trekt. Onbegrijpelijk dat nu juist hij het mikpunt van spot wordt. Onlangs deed een Amerikaanse komieke hetzelfde met Jane Fonda die ‘sorry' heeft gezegd over haar gedweep met Ho Tsji Minh.
Bron: Getuigenis van Sjostakovitsj (fragment). Tamar in Vrij Nederland van 11 februari 1989
[L]
In de NRC (17 januari 1989) schrijft Max Pam achteraf: 'Het gevoel opgesloten te zijn heeft mij op Cuba geen moment verlaten.' Had hij dat maar in 1975 gezegd, toen hij voor Vrij Nederland in Cuba was en er drie of vier lange stukken over schreef! Zo'n kernachtige uitspraak had je kunnen onthouden. Maar hij had er ook gelazer mee gekregen bij de naïeve optimisten (zijn vrienden Harry Mulisch, Hein Donner) van het eerste Nederlandse Cuba uur. Nu schreef hij, inderdaad niet jubelend, maar meer zo: 'Omdat Cuba in feite voortdurend in een toestand van oorlog heeft verkeerd, is het probleem van de democratie nooit een probleem geweest. Steunend op de enorme populariteit van Fidel is Cuba een oligarchie, soms zelfs een éénmansbedrijfje. Nu de blokkade aan het afbrokkelen is en de oorlogsdreiging sterk is verminderd gaat het Cuba economisch gezien beter dan ooit. Carlos Rafael Rodriguez, die het ministerie van Buitenlandse Zaken onder zich heeft, boekt enorme successen en haalt het ene krediet na het andere binnen.' Voor Max Pam was de democratie op Cuba nooit een probleem en inderdaad; hij deed niet aan de veilige veronderstelling dat het nog wel eens mis zou gaan maar aan de niet minder veilige dat het op Cuba steeds beter zou worden. De mensen voor wie de democratie toch wel een probleem was karakteriseerde hij als 'de jongeren die geen jeans kunnen kopen, de ouderen voor wie de veranderingen te snel zijn gekomen'. Precies zoals het ongenoegen beschreven hoorde te worden, net zoals je later kon horen dat de Zuid Vietnamese bootvluchtelingen allemaal zwárthandelaars waren. Had hij maar die ene zin uit 1989 in 1975 geschreven.
[L]
Cartoon van Opland voor het toenmalige Comite voor Solidariteit met Cuba
Het komt zelden voor dat een voormalige dweper met een bloeddorstig regime zich schaamt en zijn excuses maakt. Een uitzondering is Jaap van Ginneken, voormalig penningmeester van het Cuba Comité en vurig voorstander van Mao's Culturele Revolutie waarover hij zelfs een Penguinboek schreef. Hij ging naar China in het groepje waar ik ook mee ging en hij gold daar als China deskundige, iemand die er alles van af wist. Ik kon hem vanwege de aard van zijn 'wetenschappelijke ' opvattingen niet uitstaan en hij mij natuurlijk ook niet, want het bewind daar stonk een uur in de wind, maar als je het zei was je een tante die van niets wist. Dat vond Van Ginneken niet alleen, dat was wat de dwepers met Mao allemaal vonden.
Deze Van Ginneken heeft zich, in tegenstelling tot al die anderen, later verontschuldigd niet alleen bij mij persoonlijk, maar ook in het algemeen. Hij voelde zich na de onthullingen over de ware aard van die Grote Proletarische Culturele Revolutie, schuldig. Hij durfde zich niet eens meer te mengen in de Historikerstreit, hij vond dat hij zijn recht van spreken had verloren: 'Iemand met mijn verleden moet voor de rest van zijn leven zijn mond houden.'
Mijn bron is Max Pam in zijn column, die dit een beetje ginnegappend brengt en er aan toevoegt: 'Arme Van Ginneken, het lijkt wel of hij in de oorlog fout is geweest.' Het pleit juist voor Van Ginneken dat hij zijn eigen vroegere applaus niet wil verdoezelen en dat hij er consequenties uit trekt. Onbegrijpelijk dat nu juist hij het mikpunt van spot wordt. Onlangs deed een Amerikaanse komieke hetzelfde met Jane Fonda die ‘sorry' heeft gezegd over haar gedweep met Ho Tsji Minh.
Bron: Getuigenis van Sjostakovitsj (fragment). Tamar in Vrij Nederland van 11 februari 1989
Piet Piryns: de pijnlijke relatie in Cuba tussen het geweer en de pen (1)
donderdag 1 mei 2008 18:15
De Vlaamse journalist Piet Piryns (Gent, 1948) was een van
de weinige progressieve intellectuelen in het Nederlands taalgebied
die in de jaren zeventig opkwam voor vervolgde schrijvers in Cuba.
Veel collega's achtten kritiek op Cuba in die tijd ongepast. Jan
Hein Donner schreef in het Cuba-nummer van De Gids:
‘Ik acht het niet op mijn weg liggen kritiek te hebben op
Fidel Castro. Zijn volk mag dit doen. Ik niet. Want ik behoor tot
het deel van de wereld waartegen hij nu juist vecht, om zich
daarvan te bevrijden.'
Piryns werkte voor het Vlaams weekblad Knack, daarna voor De Morgen, Humo en Vrij Nederland. Drie van zijn bijdragen uit die periode over de Cubaanse schrijver Armando Valladares en over het Cuba van Gabriel García Márquez volgen hier.
Armando Valladares zit al twintig jaar gevangen
‘Arme pen, zonder geweer; arm geweer, zonder pen', was het aan Regis Debray ontleende motto van het boek dat Harry Mulisch in 1968 over de Cubaanse revolutie schreef. Na een verblijf van een paar maanden op Cuba wilde Mulisch ‘ het woord bij de daad' voegen: ‘Ik was opeens in mijn element; ik voelde mij als een vogel die onverwacht uit zijn onbeweeglijke kooi wordt bevrijd en krankjorum tussen de bomen verdwijnt, en die teruggekeerd in de kooi van het vliegen gaat getuigen.'
[L]
Omslag van Against all hope
Hoe de relatie tussen het geweer en de pen is, werd in 1971 ook in Cuba pijnlijk duidelijk. In opdracht van Fidel Castro werd de dichter Heberto Padilla gearresteerd. Na vijf weken werd Padilla al op vrije voeten gesteld en tot zijn verbijstering van de vele Cuba‑bewonderaars aan de overzijde van de oceaan wentelde hij zich in het stof: 'Achter het masker van een rebels schrijver, wilde ik mijn tegenzin jegens de revolutie verbergen. Was het werkelijk afkeer? Ik discussieerde hierover met de staatsveiligheidsdienst. En toen mij de opeenhoping van handelingen, de vele stellingnamen, de vele oordelen, die ik tegenover Cubanen en buitenlanders geuit had, voorgehouden werden, de vele smadelijke uitingen en verloocheningen, dacht ik na en moest werkelijk tot me zelf zeggen: dit is mijn waarheid, mijn formaat, dit is de mens die ik werkelijk was, de mens die deze fouten beging en die tegen en niet voor de revolutie werkte.'
De affaire‑Padilla werd een wereldwijd schandaal en het duurde tot maart 1980, toen Padilla naar Canada emigreerde, voor de dichter zijn zelfkritiek inslikte.*
[L]
De lidmaatschapskaart van Padilla van de schrijversbond UNEAC werd na 1968 niet meer vernieuwd
Hoe vergaat het minder buigzame figuren in de gevangenissen van de Cubaanse revolutie?
Vorige maand arriveerde de vrouw van de Cubaanse dichter en schilder Armando Valladares in Parijs. Zij vertelde er het levensverhaal van haar man, die nu al meer dan twintig jaar opgesloten zit: 'een wereldrecord voor een schrijver'. Armando Valladares wordt in december 1960 ‑ hij is dan drieëntwintig jaar oud ‑ gearresteerd. In februari 1961 wordt hij 'wegens misdaden tegen de staat' tot dertig jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij verricht vijf jaar lang dwangarbeid in de marmergroeven van het Isla de Pinas, bijgenaamd 'het eiland van de jeugd', waar hij na een mislukte vluchtpoging op het laatste moment voor executie gespaard blijft. In 1966 wordt hij overgebracht naar de gevangenis Las Cabaňas in Havana, een fort uit de koloniale tijd vlakbij de kust.
Valladares, die astmalijder is, heeft last van de tropische vochtigheid en gaat steeds meer gebukt onder een kwakkelende gezondheid. ‘Hij werd voortdurend geslagen en vernederd; zegt zijn vrouw. 'Hij maakte deel uit van de rebellen die het communistische heropvoedingprogramma niet accepteerden. Als hij een verklaring had getekend dat hij spijt had van zijn wandaden en dat hij de revolutie genegen had, had hij aanspraak kunnen maken op een meer menswaardige behandeling. Maar dat heeft hij altijd geweigerd. '
In 1967 worden de politieke gevangenen verplicht hun kaki uniform te verwisselen voor het blauwe uniform van de 'gewone' gevangenen. Valladares behoort tot de zogenaamde 'principiële in onderbroek', een groep politieke gevangenen die, nadat hun kaki uniform was afgenomen, jaren lang in onderbroek rondbanjeren. Nadat Valladares twee keer in hongerstaking is geweest ‑ hij eist bezoekrecht, afschaffing van de censuur op zijn correspondentie en medische bijstand ‑ probeert de gevangenisdirectie zijn weerstand te breken. Om hem te dwingen het blauwe uniform aan te trekken, wordt hem van 24 juni tot 12 augustus 1974 alle voedsel geweigerd. Valladares overleeft het, maar is sindsdien verlamd aan beide benen. In 1977 slaagt hij er in een aantal gedichten, met jodium op wc‑papier gekrabbeld, uit de gevangenis te smokkelen. Door toedoen van zijn vrouw wordt de dichtbundel Desde mi silla de ruedas (Vanuit mijn rolstoel) gepubliceerd. Het gevolg is dat hij geheel van de buitenwereld wordt geïsoleerd en dat de Cubaanse regering ‑ zeventien jaar na zijn veroordeling ‑ laat weten dat 'Valladares een agent van Batista is geweest'.
Sinds 1975 is Armando Valladares door Amnesty International als gewetensgevangene geadopteerd. Een Nederlandse adoptie groep stuurde in 1977 op verzoek van zijn moeder via het Nederlandse Rode Kruis een rolstoel voor Valladares naar Havana. Die rolstoel werd ingepikt door het Cubaanse Rode Kruis en pas drie jaar later ‑ na protesten van het Amnesty hoofdbestuur ‑ aan Valladares overhandigd. De Zweedse regering heeft Cuba inmiddels laten weten dat Valladares in Zweden een werk‑ en verblijfsvergunning , kan krijgen. Van Cubaanse zijde is 'daar geen antwoord op gekomen.
Piet Piryns Vrij Nederland, 10 december 1981
* Belkis Cuza Male was getrouwd met Heberto Padilla en werd samen met hem gevangen genomen. Zij publiceert o.a. op haar blog: [url]http://belkiscuzamale.blogspot.com/[/url]
Piryns werkte voor het Vlaams weekblad Knack, daarna voor De Morgen, Humo en Vrij Nederland. Drie van zijn bijdragen uit die periode over de Cubaanse schrijver Armando Valladares en over het Cuba van Gabriel García Márquez volgen hier.
Armando Valladares zit al twintig jaar gevangen
‘Arme pen, zonder geweer; arm geweer, zonder pen', was het aan Regis Debray ontleende motto van het boek dat Harry Mulisch in 1968 over de Cubaanse revolutie schreef. Na een verblijf van een paar maanden op Cuba wilde Mulisch ‘ het woord bij de daad' voegen: ‘Ik was opeens in mijn element; ik voelde mij als een vogel die onverwacht uit zijn onbeweeglijke kooi wordt bevrijd en krankjorum tussen de bomen verdwijnt, en die teruggekeerd in de kooi van het vliegen gaat getuigen.'
[L]
Omslag van Against all hope
Hoe de relatie tussen het geweer en de pen is, werd in 1971 ook in Cuba pijnlijk duidelijk. In opdracht van Fidel Castro werd de dichter Heberto Padilla gearresteerd. Na vijf weken werd Padilla al op vrije voeten gesteld en tot zijn verbijstering van de vele Cuba‑bewonderaars aan de overzijde van de oceaan wentelde hij zich in het stof: 'Achter het masker van een rebels schrijver, wilde ik mijn tegenzin jegens de revolutie verbergen. Was het werkelijk afkeer? Ik discussieerde hierover met de staatsveiligheidsdienst. En toen mij de opeenhoping van handelingen, de vele stellingnamen, de vele oordelen, die ik tegenover Cubanen en buitenlanders geuit had, voorgehouden werden, de vele smadelijke uitingen en verloocheningen, dacht ik na en moest werkelijk tot me zelf zeggen: dit is mijn waarheid, mijn formaat, dit is de mens die ik werkelijk was, de mens die deze fouten beging en die tegen en niet voor de revolutie werkte.'
De affaire‑Padilla werd een wereldwijd schandaal en het duurde tot maart 1980, toen Padilla naar Canada emigreerde, voor de dichter zijn zelfkritiek inslikte.*
[L]
De lidmaatschapskaart van Padilla van de schrijversbond UNEAC werd na 1968 niet meer vernieuwd
Hoe vergaat het minder buigzame figuren in de gevangenissen van de Cubaanse revolutie?
Vorige maand arriveerde de vrouw van de Cubaanse dichter en schilder Armando Valladares in Parijs. Zij vertelde er het levensverhaal van haar man, die nu al meer dan twintig jaar opgesloten zit: 'een wereldrecord voor een schrijver'. Armando Valladares wordt in december 1960 ‑ hij is dan drieëntwintig jaar oud ‑ gearresteerd. In februari 1961 wordt hij 'wegens misdaden tegen de staat' tot dertig jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij verricht vijf jaar lang dwangarbeid in de marmergroeven van het Isla de Pinas, bijgenaamd 'het eiland van de jeugd', waar hij na een mislukte vluchtpoging op het laatste moment voor executie gespaard blijft. In 1966 wordt hij overgebracht naar de gevangenis Las Cabaňas in Havana, een fort uit de koloniale tijd vlakbij de kust.
Valladares, die astmalijder is, heeft last van de tropische vochtigheid en gaat steeds meer gebukt onder een kwakkelende gezondheid. ‘Hij werd voortdurend geslagen en vernederd; zegt zijn vrouw. 'Hij maakte deel uit van de rebellen die het communistische heropvoedingprogramma niet accepteerden. Als hij een verklaring had getekend dat hij spijt had van zijn wandaden en dat hij de revolutie genegen had, had hij aanspraak kunnen maken op een meer menswaardige behandeling. Maar dat heeft hij altijd geweigerd. '
In 1967 worden de politieke gevangenen verplicht hun kaki uniform te verwisselen voor het blauwe uniform van de 'gewone' gevangenen. Valladares behoort tot de zogenaamde 'principiële in onderbroek', een groep politieke gevangenen die, nadat hun kaki uniform was afgenomen, jaren lang in onderbroek rondbanjeren. Nadat Valladares twee keer in hongerstaking is geweest ‑ hij eist bezoekrecht, afschaffing van de censuur op zijn correspondentie en medische bijstand ‑ probeert de gevangenisdirectie zijn weerstand te breken. Om hem te dwingen het blauwe uniform aan te trekken, wordt hem van 24 juni tot 12 augustus 1974 alle voedsel geweigerd. Valladares overleeft het, maar is sindsdien verlamd aan beide benen. In 1977 slaagt hij er in een aantal gedichten, met jodium op wc‑papier gekrabbeld, uit de gevangenis te smokkelen. Door toedoen van zijn vrouw wordt de dichtbundel Desde mi silla de ruedas (Vanuit mijn rolstoel) gepubliceerd. Het gevolg is dat hij geheel van de buitenwereld wordt geïsoleerd en dat de Cubaanse regering ‑ zeventien jaar na zijn veroordeling ‑ laat weten dat 'Valladares een agent van Batista is geweest'.
Sinds 1975 is Armando Valladares door Amnesty International als gewetensgevangene geadopteerd. Een Nederlandse adoptie groep stuurde in 1977 op verzoek van zijn moeder via het Nederlandse Rode Kruis een rolstoel voor Valladares naar Havana. Die rolstoel werd ingepikt door het Cubaanse Rode Kruis en pas drie jaar later ‑ na protesten van het Amnesty hoofdbestuur ‑ aan Valladares overhandigd. De Zweedse regering heeft Cuba inmiddels laten weten dat Valladares in Zweden een werk‑ en verblijfsvergunning , kan krijgen. Van Cubaanse zijde is 'daar geen antwoord op gekomen.
Piet Piryns Vrij Nederland, 10 december 1981
* Belkis Cuza Male was getrouwd met Heberto Padilla en werd samen met hem gevangen genomen. Zij publiceert o.a. op haar blog: [url]http://belkiscuzamale.blogspot.com/[/url]
Piet Piryns: de pijnlijke relatie in Cuba tussen het geweer en de pen (2)
donderdag 1 mei 2008 18:05
Het Cuba van Márquez
Hoe komt het toch dat schrijvers van literaire fictie zo vaak troebele taal uitslaan, zodra ze de politieke werkelijkheid moeten beoordelen! Neal Ascherson, correspondent van de Observer, constateert het weer eens in een recensie van een boek met bijdragen van schrijvers over de Falkland‑oorlog: 'Er valt weinig te leren van de meesten, behalve het bewijs van de zeer schrikbarende onwetendheid en politieke stupiditeit van onze culturele intellectuelen in 1982.'
[L]
Wie van Gabriel Garcia Márquez, Nobelprijswinnaar voor literatuur, méér politiek benul had verwacht, moet ernstig teleurgesteld' zijn door zijn rede In Stockholm. Márquez begaf zich met veel retorisch geweld in het drijfzand van Latijns‑Amerikaans zelfbeklag over de progressieve intellectuelen in Europa. 'Waarom, 'zo' riep hij uit, 'wordt de originaliteit die ons zo gemakkelijk wordt toegekend In de literatuur, ons zo wantrouwig onthouden bij onze moeizame poging tot sociale verandering? Waarom denkt men dat de sociale rechtvaardigheid die wordt nagestreefd door progressieve Europeanen voor hun eigen landen, niet ook een doel kan zijn in Latijns-Amerika met verschillende methoden voor verschillende situaties?'
Verschillende methoden voor verschillende situaties?
Dat hebben we vaker gehoord. Van linkse tot rechtse dictatoren, van Castro tot Pinochet, en nu weer Bouterse ‑ ze scharen zich allemaal achter dezelfde quasi-revolutionaire leus en ze bedoelen er ook hetzelfde mee: minder democratische methoden om te voorkomen dat er al te veel verschillende situaties ontstaan. (Delicate vraag: is Bouterse nu een linkse of rechtse dictator en voelt menig Cuba‑sympathisant al het hart in de keel kloppen bij de gedachte dat Castro hem te hulp snelt?)
Het is duidelijk waar Márquez vooral op doelde: de revolutie op Cuba die door de West-Europese intellectuelen met groeiende argwaan wordt gevolgd. In 1975 schreef Márquez in een euforische reisreportage over Cuba: ‘De naakte waarheid, dames en heren, is dat er tegenwoordig op Cuba (...) geen enkele soort discriminatie bestaat (...) 'dat het niemand verboden wordt een boek te kopen (...) en dat het niemand onmogelijk gemaakt wordt om deze rechten te laten gelden via het aantekenen van protest en het kenbaar maken van bezwaren, die zonder omwegen terechtkomen waar ze horen terecht te komen, zelfs tot de hoogste niveaus van,de leiding van de staat.'
[L]
Márquez onstmoette in 1967 de Peruaanse scrhijver Vargas Llosa.
Llosa zou zich fel keren tegen de onvrijheid in Cuba.
Het kontkruiperige proza van de doorsnee fellowtravelIer. De gevangen genomen dichters Heberto Padilla en Armando Valladares, Fldels ex‑compaan Huber Matos en drieduizend andere politieke gevangenen (rapport Amnesty International in 1978) en een onbekend aantal vervolgde homoseksuelen konden het ermee doen. Maar de innerlijke tegenstrijdigheden lagen ook toen al voor het oprapen in de reportage van Márquez. Eerst roemde hij de toespraken van Castro: 'Dank zij die geweldige gesproken reportages is het Cubaanse volk een van de best geïnformeerde volkeren ter wereld over zijn eigen werkelijkheid.'
Verderop gaf hij schoorvoetend toe 'dat het met het probleem van de informatieverschaffing moeilijk ligt', omdat de media allemaal gecontroleerd worden door de communistische partij. Maar, zo verzekerde hij ons, het komt allemaal goed: 'Het enige dat men zonder aarzeling kan voorspellen, is dat het een democratische, levendige en oorspronkelijke pers zal zijn.'
Márquez over Cuba, Ivens over China, Shaw over de Sovjetunie, Theun de Vries over Hongarije ‑ de lijst is lang en het is een tamelijk treurig stemmende opsomming van invloedrijke kunstenaars die met gesloten ogen door het land van hun politieke voorkeur reisden. Inmiddels is er nog maar één belangrijke West Europese schrijver die Cuba ‑ evenals Márquez ‑ nog steeds 'het paradijs' noemt: Harry Mulisch. Misschien moeten zijn kansen op de Nobelprijs niet langer onderschat worden.
Piet Piryns, Vrij Nederland, 18 december 1982
Hoe komt het toch dat schrijvers van literaire fictie zo vaak troebele taal uitslaan, zodra ze de politieke werkelijkheid moeten beoordelen! Neal Ascherson, correspondent van de Observer, constateert het weer eens in een recensie van een boek met bijdragen van schrijvers over de Falkland‑oorlog: 'Er valt weinig te leren van de meesten, behalve het bewijs van de zeer schrikbarende onwetendheid en politieke stupiditeit van onze culturele intellectuelen in 1982.'
[L]
Wie van Gabriel Garcia Márquez, Nobelprijswinnaar voor literatuur, méér politiek benul had verwacht, moet ernstig teleurgesteld' zijn door zijn rede In Stockholm. Márquez begaf zich met veel retorisch geweld in het drijfzand van Latijns‑Amerikaans zelfbeklag over de progressieve intellectuelen in Europa. 'Waarom, 'zo' riep hij uit, 'wordt de originaliteit die ons zo gemakkelijk wordt toegekend In de literatuur, ons zo wantrouwig onthouden bij onze moeizame poging tot sociale verandering? Waarom denkt men dat de sociale rechtvaardigheid die wordt nagestreefd door progressieve Europeanen voor hun eigen landen, niet ook een doel kan zijn in Latijns-Amerika met verschillende methoden voor verschillende situaties?'
Verschillende methoden voor verschillende situaties?
Dat hebben we vaker gehoord. Van linkse tot rechtse dictatoren, van Castro tot Pinochet, en nu weer Bouterse ‑ ze scharen zich allemaal achter dezelfde quasi-revolutionaire leus en ze bedoelen er ook hetzelfde mee: minder democratische methoden om te voorkomen dat er al te veel verschillende situaties ontstaan. (Delicate vraag: is Bouterse nu een linkse of rechtse dictator en voelt menig Cuba‑sympathisant al het hart in de keel kloppen bij de gedachte dat Castro hem te hulp snelt?)
Het is duidelijk waar Márquez vooral op doelde: de revolutie op Cuba die door de West-Europese intellectuelen met groeiende argwaan wordt gevolgd. In 1975 schreef Márquez in een euforische reisreportage over Cuba: ‘De naakte waarheid, dames en heren, is dat er tegenwoordig op Cuba (...) geen enkele soort discriminatie bestaat (...) 'dat het niemand verboden wordt een boek te kopen (...) en dat het niemand onmogelijk gemaakt wordt om deze rechten te laten gelden via het aantekenen van protest en het kenbaar maken van bezwaren, die zonder omwegen terechtkomen waar ze horen terecht te komen, zelfs tot de hoogste niveaus van,de leiding van de staat.'
[L]
Márquez onstmoette in 1967 de Peruaanse scrhijver Vargas Llosa.
Llosa zou zich fel keren tegen de onvrijheid in Cuba.
Het kontkruiperige proza van de doorsnee fellowtravelIer. De gevangen genomen dichters Heberto Padilla en Armando Valladares, Fldels ex‑compaan Huber Matos en drieduizend andere politieke gevangenen (rapport Amnesty International in 1978) en een onbekend aantal vervolgde homoseksuelen konden het ermee doen. Maar de innerlijke tegenstrijdigheden lagen ook toen al voor het oprapen in de reportage van Márquez. Eerst roemde hij de toespraken van Castro: 'Dank zij die geweldige gesproken reportages is het Cubaanse volk een van de best geïnformeerde volkeren ter wereld over zijn eigen werkelijkheid.'
Verderop gaf hij schoorvoetend toe 'dat het met het probleem van de informatieverschaffing moeilijk ligt', omdat de media allemaal gecontroleerd worden door de communistische partij. Maar, zo verzekerde hij ons, het komt allemaal goed: 'Het enige dat men zonder aarzeling kan voorspellen, is dat het een democratische, levendige en oorspronkelijke pers zal zijn.'
Márquez over Cuba, Ivens over China, Shaw over de Sovjetunie, Theun de Vries over Hongarije ‑ de lijst is lang en het is een tamelijk treurig stemmende opsomming van invloedrijke kunstenaars die met gesloten ogen door het land van hun politieke voorkeur reisden. Inmiddels is er nog maar één belangrijke West Europese schrijver die Cuba ‑ evenals Márquez ‑ nog steeds 'het paradijs' noemt: Harry Mulisch. Misschien moeten zijn kansen op de Nobelprijs niet langer onderschat worden.
Piet Piryns, Vrij Nederland, 18 december 1982
Piet Piryns: de pijnlijke relatie in Cuba tussen het geweer en de pen (3)
donderdag 1 mei 2008 18:01
De waarheid van
Valladares
Twee jaar geleden schreef ik in VN een stukje over de Cubaanse dichter Armando Valladares, die sinds 1960 de gevangene was van het Castro‑reg1me. Dat kwam mij toen op een reprimande van het Volksdagblad De Waarheid te staan: die Valladares was misschien een derderangsrijmelaar, maar hij was vooral een ordinaire misdadiger, die nog voor de politieke politie van de Cubaanse dictator Batlsta had gewerkt. Hij leidde daar in de gevangenis een luizenleven en al die verhalen over de mishandelingen waarvan Valladares het slachtoffer was, waren voornamelijk gebaseerd op CIA-propaganda. Het oude liedje.
[L]
Fidel neemt afscheid van Gabriel Garcia Marquéz
Toen Armando Valladares vorig jaar, na bemiddeling van onder meer George Marchais (1)en Gabriel Garcia Marquéz, werd vrijgelaten heeft hij een tijd lang elk commentaar geweigerd. Hij zou zijn memoires wel opschrijven. Deze week publiceert het Franse weekblad L'Express (2) een eerste uittreksel daaruit:
Volgens Valladares zitten in Cuba honderdveertigduizend mensen gevangen. Dat is veel voor een land waar de criminaliteit officieel niet meer voorkomt. In de meeste gevallen gaat het om ‘vijanden van de revolutie'. Dat zijn bij voorbeeld homoseksuelen, Getuigen van Jehovah, maar ook een jongen van twaalf die een pistool van een militair gejat heeft of een bejaarde vrouw die een kerstboom (zoals bekend een contrarevolutionair symbool) in huis heeft gehaald. Valladares beschrijft zijn eigen eigen gevangeniservaringen op het beruchte lsla de Pinos - ironisch genoeg het eiland dat model heeft gestaan voor Treasure Island van Robert Stevenson. Hij noemt een groot aantal namen van politieke gevangenen die hij met eigen ogen heeft zien executeren. En hij onthult het bestaan van regelrechte concentratiekampen. Het is een verpletterend requisitoir. Zoals de Franse minister van Buitenlandse Zaken Claude Cheysson, die de afgelopen week op bezoekt was bij Fidel Castro, al zei: 'Wij hebben niet helemaal dezelfde opvattingen over mensenrechten.'
Piet Piryns Vrij Nederland 13 augustus 1983
Noten:
1) George Marchais was in de jaren tachtig leider van de invloedrijke en Moskougetrouwe Franse Communistische Partij.
2) Cuba: Enfer ou Paradis par Armando Valladares. L'Expresse, 12 augustus 1983
3) Against all Hope, The prison memoirs of Armando Valladares. Uitgeverij Alfred A. Knopf. New York 1987
4) In de riolen van de revolutie door Vladimir Boekovski. Bespreking van het boek van Armando Valladares Against All Hope. NRC Handelsblad, 18 oktober 1986.
5) Persona non Grata, Jorge Edwards 1973.
De diplomaat Jorge Edwards werd door president Allende naar Havana gestuurd als eerste diplomatieke vertegenwoordiger van Chili in Cuba. Hij was getuige van de radicalisering van de communistische dictatuur in de wereld van de kunsten en was ooggetuige van het proces tegen Heberto Padilla. In 1971 werd hij uitgewezen, mede opdat hij deel uitmaakte van de jury die ondanks heftige druk van Fidel Castro, toch besloot Padilla de Cubaanse Prijs voor de Poëzie toe te kennen. Tussen de vele boeken die in Nederland over Cuba verschenen, ontbreekt jammerlijk Persona non Grata.
Twee jaar geleden schreef ik in VN een stukje over de Cubaanse dichter Armando Valladares, die sinds 1960 de gevangene was van het Castro‑reg1me. Dat kwam mij toen op een reprimande van het Volksdagblad De Waarheid te staan: die Valladares was misschien een derderangsrijmelaar, maar hij was vooral een ordinaire misdadiger, die nog voor de politieke politie van de Cubaanse dictator Batlsta had gewerkt. Hij leidde daar in de gevangenis een luizenleven en al die verhalen over de mishandelingen waarvan Valladares het slachtoffer was, waren voornamelijk gebaseerd op CIA-propaganda. Het oude liedje.
[L]
Fidel neemt afscheid van Gabriel Garcia Marquéz
Toen Armando Valladares vorig jaar, na bemiddeling van onder meer George Marchais (1)en Gabriel Garcia Marquéz, werd vrijgelaten heeft hij een tijd lang elk commentaar geweigerd. Hij zou zijn memoires wel opschrijven. Deze week publiceert het Franse weekblad L'Express (2) een eerste uittreksel daaruit:
Volgens Valladares zitten in Cuba honderdveertigduizend mensen gevangen. Dat is veel voor een land waar de criminaliteit officieel niet meer voorkomt. In de meeste gevallen gaat het om ‘vijanden van de revolutie'. Dat zijn bij voorbeeld homoseksuelen, Getuigen van Jehovah, maar ook een jongen van twaalf die een pistool van een militair gejat heeft of een bejaarde vrouw die een kerstboom (zoals bekend een contrarevolutionair symbool) in huis heeft gehaald. Valladares beschrijft zijn eigen eigen gevangeniservaringen op het beruchte lsla de Pinos - ironisch genoeg het eiland dat model heeft gestaan voor Treasure Island van Robert Stevenson. Hij noemt een groot aantal namen van politieke gevangenen die hij met eigen ogen heeft zien executeren. En hij onthult het bestaan van regelrechte concentratiekampen. Het is een verpletterend requisitoir. Zoals de Franse minister van Buitenlandse Zaken Claude Cheysson, die de afgelopen week op bezoekt was bij Fidel Castro, al zei: 'Wij hebben niet helemaal dezelfde opvattingen over mensenrechten.'
Piet Piryns Vrij Nederland 13 augustus 1983
Noten:
1) George Marchais was in de jaren tachtig leider van de invloedrijke en Moskougetrouwe Franse Communistische Partij.
2) Cuba: Enfer ou Paradis par Armando Valladares. L'Expresse, 12 augustus 1983
3) Against all Hope, The prison memoirs of Armando Valladares. Uitgeverij Alfred A. Knopf. New York 1987
4) In de riolen van de revolutie door Vladimir Boekovski. Bespreking van het boek van Armando Valladares Against All Hope. NRC Handelsblad, 18 oktober 1986.
5) Persona non Grata, Jorge Edwards 1973.
De diplomaat Jorge Edwards werd door president Allende naar Havana gestuurd als eerste diplomatieke vertegenwoordiger van Chili in Cuba. Hij was getuige van de radicalisering van de communistische dictatuur in de wereld van de kunsten en was ooggetuige van het proces tegen Heberto Padilla. In 1971 werd hij uitgewezen, mede opdat hij deel uitmaakte van de jury die ondanks heftige druk van Fidel Castro, toch besloot Padilla de Cubaanse Prijs voor de Poëzie toe te kennen. Tussen de vele boeken die in Nederland over Cuba verschenen, ontbreekt jammerlijk Persona non Grata.
De opstellen, reportages en interviews uit het weekblad
Vrij Nederland en Humo die Piet Piryns (Gent
1948) publiceerde, hebben een ding gemeen: weerzin tegen politieke
dogma's en papegaaiepraat. Het triomfalisme ter linkerzijde (Ho Ho
Ho Tsji Minh!!) maakte in de jaren zeventig plaats voor verwarring
en ontmoediging. Franco stierf in zijn bed, de Portugese
Anjerrevolutie mislukte en Mao bleek postuum toch feilbaar te zijn
geweest. In Cambodja en Afghanistan werd in de naam van de
revolutie gemoord en gemarteld. Piet Piryns was in die dagen een
van de weinige journalisten ter linkerzijde die de houding van
linkse intellectuelen in het westen tegenover het revolutionair
geweld in de Derde Wereld durfde kritiseren.
‘Juist de linkerzijde, die gedemonstreerd heeft tegen de Amerikaanse oorlogsmisdaden in Vietnam, heeft het recht en de plicht de stem te verheffen, ook al zijn de slachtoffers van gisteren in sommige gevallen de beulen vandaag.'
[L]
Piryns's interviews met o.a. Jean Ellenstein, Jorge Semprun, André Glucksman, Norodom Sihanoek en de tekenaar Wolinski werden in 1980 gebundeld in De erfenis van Oompje Ho en uitgegeven bij Lotus Tijdsbeeld.
In april 1982 interviewde hij Harry Mulisch ‘een interview met een schrijver die nergens spijt van heeft.' Hij spreekt met Mulisch over de situatie van de vervolgde Cubaanse schrijver Heberto Padilla. Padilla werd in 1961 in opdracht van van Fidel Castro gearresteerd. Na vijf weken werd Padilla al op vrije voeten gesteld en tot verbijstering van de vele Cuba‑bewonderaars aan de overzijde van de oceaan wentelde hij zich in het stof en oefende zogeheten zelfkritiek.
links heeft meningen. rechts heeft belangen. links moet meningen hebben omdat het geen belangen heeft. rechts kan het stellen zonder meningen omdat het belangen heeft. links heeft zijn mening als belang. rechts heeft zijn belang als mening. links is daarom te goeder trouw. rechts is daarom te kwader trouw.
Zo simpel was de wereld nog in mei 1970 toen Harry Mulisch tijdens de manifestatie Schrijvers voor Vietnam in het Amsterdamse Frascati‑theater zijn Meningen in marstempo voordroeg. Het strijdtoneel was overzichtelijk. De Verenigde Staten waren de incarnatie van het kwaad, op Cuba was de Nieuwe Mens opgestaan die onder het lustig zingen van strijdliederen suikerriet hakte, en Nederlandse schrijvers hadden meningen. Zij waren dus links.
In de daaropvolgende jaren besloten de Nederlandse schrijvers hun meningen, als ze die al hadden, binnenskamers te houden. Cambodjaanse boeren stierven niet langer onder de bommentapijten van Amerikaanse B‑52's, ze werden met een hakmes door de Rode Khmers het hoofd ingeslagen. Anders dan in Frankrijk bij voorbeeld, leidde dat in Nederland niet tot een gewetensonderzoek bij linkse schrijvers. Hier waren andere kwesties aan de orde: de hoogte van de stipendia en de vraag of de vrouw wel of niet bestaat.
Welke meningen had Harry Mulisch in de jaren zeventig? Willem Frederik Hermans maakte zich daar enige tijd geleden (in een interview in Het Parool) nog vrolijk over: ‘Mulisch als denker, dat is ongeveer het vreselijkste wat je kunt verzinnen. Mulisch heeft elke dag stilzwijgend een andere mening, net als een journalist. Een serieuze denker moet de ontwikkeling van zijn denken blootleggen, die moet vertellen waarom zijn lofzang op Fidel Castro verstomd is. Er schijnt ook een soort interviewbundel, zoals Scheppend nihilisme op stapel te staan, ik ben zeer benieuwd of hij ook al die tegenstrijdige uitspraken laat staan, misschien een mooie kluif voor een tekstkritische neerlandicus.' Die bundel is intussen verschenen (onder de titel De mythische formule) en er is geen enkele aanwijzing om te veronderstellen dat Mulisch zijn politieke uitspraken uit het verleden heeft verdonkeremaand. Met Mulisch volgen wij het spoor terug.
[R]
In 1968 schreef u een ode aan de Cubaanse revolutie Het woord bij de daad. In 1971, na de arrestatie van de dichter Heberto Padilla, voegde u daar een nawoord aan toe. Waarom heeft u nooit meer een nawoord bij dat nawoord geschreven? Daar was toch alle aanleiding toe?
‘Ik ben drie keer op Cuba geweest, in 1967, 1968 en 1969, en toen lag er om dat eiland niet alleen een economische blokkade, zoals ook nu nog, maar een blokkade van zwijgen. Die blokkade heb ik doorbroken. Op een propagandistische manier, dat weet ik ook wel, maar lelijke dingen over Cuba stonden al in alle kranten en objectiviteit is nu eenmaal niet mijn ideaal. Ook tóén al zag ik op Cuba dingen die mij niet bevielen, maar ik was bezig de Cubanen te helpen en die dingen heb ik dus achterwege gelaten. Natuurlijk wist ik dat iedereen de situatie op Cuba, die ik enthousiast beschreef, zou gaan vergelijken met de situatie in Nederland en vervolgens zou gaan insinueren dat ik zeker ook wilde dat het in Nederland net zo werd als in Cuba. Ik moest zwart gemaakt worden. Ik heb de Cubaanse revolutie altijd vergeleken met toestanden in vergelijkbare landen in Latijns‑Amerika zoals toen nog Bolivia en nu El Salvador. Vergeleken met El Salvador is Cuba ook nu nog het Paradijs. Er zijn tienduizenden mensen gevlucht vorig jaar. Toen zei Fidel Castro: dat zijn allemaal misdadigers.'
Hij zei: het zijn misdadigers, homoseksuelen en parasieten.
‘Goed, hij praatte dus in die machistische stijl van Zuid‑Amerika. Homoseksuelen zijn voor mij nu ook niet het hoogste mensentype. Ik bedoel: het zijn óók mensen, net als vrouwen en schrijvers en negers en andere minderheidsgroeperingen. Fidel Castro zei: ze deugen niet. Niemand geloofde dat. Maar wat lees ik nu in de krant? De Amerikanen hebben in Miami de grootste problemen met die Cubaanse vluchtelingen omdat het inderdaad voor het grootste gedeelte boeven blijken te zijn. Nu de Amerikanen het zeggen, gelooft iedereen het ineens wel.'
Voor de meeste Europese Cubabewonderaars was de affaire‑Padilla in 1971 een schok die hen van hun geloof deed vallen. Niet voor u.
‘Padilla ging de bak in op beschuldiging dat hij met buitenlanders had gepraat en andere malligheid. Een aantal Franse intellectuelen ‑ K.S. Karol, Sartre, Enzensberger, Semprun, noem ze allemaal maar op ‑ heeft toen een manifest opgesteld om daartegen te protesteren en dat heb ik niet ondertekend. Het tóóntje dat daar werd aangeslagen beviel mij niet, dat onuitstaanbare cartesiaanse Franse toontje van: eens hebben wij de revolutie op Cuba gezien als een model ‑ en nù... Ik kreeg daar vreselijk de pest over in omdat ik wist dat al die mensen veel voor Padilla hadden kunnen bereiken als ze zich vervoegd hadden in Havana. Ik persoonlijk heb ertoe bijgedragen dat Padilla in Cuba een baantje kreeg in een bibliotheek, dat leek me zinniger. Als je in een Franse krant heel principieel gaat doen over de Cubaanse revolutie is dat toch koren op de molen van de echte reactionairen. Het wordt onmiddellijk door de Amerikaanse radio over Cuba uitgetoeterd. En dáár wil ik niets mee te maken hebben.'
[L]
Toen Padilla in 1980 naar Canada emigreerde, zei hij dat zijn zelfbeschuldigingen, die in 1971 tot zijn vrijlating hadden geleid, het resultaat waren van dwang. Wie ooit een boekje over de Moskouse processen gelezen had, had dat in 1971 al kunnen weten.

'Is dat zo? Ik zal je een voorbeeld geven. Op een gegeven ogenblik had je in de Sovjetunie die dokter Stern die gevangenisstraf had gekregen op aanklacht dat hij christenkindertjes in het paasbrood bakte, of zoiets. Zijn zoon kwam naar Nederland om een actie te ondernemen, en ik heb toen met die zoon gesproken samen met rabbijn Soetendorp en Nico Scheepmaker, die kunnen het getuigen. Ik vroeg hem of het antisemitisme dat in de Sovjetunie heerst nou typisch is voor het communistische regime. Hij zei: natuurlijk niet, het gaat om die kleine provinciale ambtenaren in een uithoek van de Sovjetunie en dat zijn gewoon antisemieten, sinds duizend jaar. Een half jaar later, toen Stern junior begrepen had hoe die zaken in het Westen in elkaar zitten, zei hij dat het antisemitisme in de Sovjetunie een uitwas is van het communisme. Ik bedoel: ik weet hoe die dingen werken. Nú zegt Padilla dat hij onder druk heeft gestaan. Maar tóén zei hij dat Castro gelijk had.'
‘Juist de linkerzijde, die gedemonstreerd heeft tegen de Amerikaanse oorlogsmisdaden in Vietnam, heeft het recht en de plicht de stem te verheffen, ook al zijn de slachtoffers van gisteren in sommige gevallen de beulen vandaag.'
[L]
Piryns's interviews met o.a. Jean Ellenstein, Jorge Semprun, André Glucksman, Norodom Sihanoek en de tekenaar Wolinski werden in 1980 gebundeld in De erfenis van Oompje Ho en uitgegeven bij Lotus Tijdsbeeld.
In april 1982 interviewde hij Harry Mulisch ‘een interview met een schrijver die nergens spijt van heeft.' Hij spreekt met Mulisch over de situatie van de vervolgde Cubaanse schrijver Heberto Padilla. Padilla werd in 1961 in opdracht van van Fidel Castro gearresteerd. Na vijf weken werd Padilla al op vrije voeten gesteld en tot verbijstering van de vele Cuba‑bewonderaars aan de overzijde van de oceaan wentelde hij zich in het stof en oefende zogeheten zelfkritiek.
links heeft meningen. rechts heeft belangen. links moet meningen hebben omdat het geen belangen heeft. rechts kan het stellen zonder meningen omdat het belangen heeft. links heeft zijn mening als belang. rechts heeft zijn belang als mening. links is daarom te goeder trouw. rechts is daarom te kwader trouw.
Zo simpel was de wereld nog in mei 1970 toen Harry Mulisch tijdens de manifestatie Schrijvers voor Vietnam in het Amsterdamse Frascati‑theater zijn Meningen in marstempo voordroeg. Het strijdtoneel was overzichtelijk. De Verenigde Staten waren de incarnatie van het kwaad, op Cuba was de Nieuwe Mens opgestaan die onder het lustig zingen van strijdliederen suikerriet hakte, en Nederlandse schrijvers hadden meningen. Zij waren dus links.
In de daaropvolgende jaren besloten de Nederlandse schrijvers hun meningen, als ze die al hadden, binnenskamers te houden. Cambodjaanse boeren stierven niet langer onder de bommentapijten van Amerikaanse B‑52's, ze werden met een hakmes door de Rode Khmers het hoofd ingeslagen. Anders dan in Frankrijk bij voorbeeld, leidde dat in Nederland niet tot een gewetensonderzoek bij linkse schrijvers. Hier waren andere kwesties aan de orde: de hoogte van de stipendia en de vraag of de vrouw wel of niet bestaat.
Welke meningen had Harry Mulisch in de jaren zeventig? Willem Frederik Hermans maakte zich daar enige tijd geleden (in een interview in Het Parool) nog vrolijk over: ‘Mulisch als denker, dat is ongeveer het vreselijkste wat je kunt verzinnen. Mulisch heeft elke dag stilzwijgend een andere mening, net als een journalist. Een serieuze denker moet de ontwikkeling van zijn denken blootleggen, die moet vertellen waarom zijn lofzang op Fidel Castro verstomd is. Er schijnt ook een soort interviewbundel, zoals Scheppend nihilisme op stapel te staan, ik ben zeer benieuwd of hij ook al die tegenstrijdige uitspraken laat staan, misschien een mooie kluif voor een tekstkritische neerlandicus.' Die bundel is intussen verschenen (onder de titel De mythische formule) en er is geen enkele aanwijzing om te veronderstellen dat Mulisch zijn politieke uitspraken uit het verleden heeft verdonkeremaand. Met Mulisch volgen wij het spoor terug.
[R]
In 1968 schreef u een ode aan de Cubaanse revolutie Het woord bij de daad. In 1971, na de arrestatie van de dichter Heberto Padilla, voegde u daar een nawoord aan toe. Waarom heeft u nooit meer een nawoord bij dat nawoord geschreven? Daar was toch alle aanleiding toe?
‘Ik ben drie keer op Cuba geweest, in 1967, 1968 en 1969, en toen lag er om dat eiland niet alleen een economische blokkade, zoals ook nu nog, maar een blokkade van zwijgen. Die blokkade heb ik doorbroken. Op een propagandistische manier, dat weet ik ook wel, maar lelijke dingen over Cuba stonden al in alle kranten en objectiviteit is nu eenmaal niet mijn ideaal. Ook tóén al zag ik op Cuba dingen die mij niet bevielen, maar ik was bezig de Cubanen te helpen en die dingen heb ik dus achterwege gelaten. Natuurlijk wist ik dat iedereen de situatie op Cuba, die ik enthousiast beschreef, zou gaan vergelijken met de situatie in Nederland en vervolgens zou gaan insinueren dat ik zeker ook wilde dat het in Nederland net zo werd als in Cuba. Ik moest zwart gemaakt worden. Ik heb de Cubaanse revolutie altijd vergeleken met toestanden in vergelijkbare landen in Latijns‑Amerika zoals toen nog Bolivia en nu El Salvador. Vergeleken met El Salvador is Cuba ook nu nog het Paradijs. Er zijn tienduizenden mensen gevlucht vorig jaar. Toen zei Fidel Castro: dat zijn allemaal misdadigers.'
Hij zei: het zijn misdadigers, homoseksuelen en parasieten.
‘Goed, hij praatte dus in die machistische stijl van Zuid‑Amerika. Homoseksuelen zijn voor mij nu ook niet het hoogste mensentype. Ik bedoel: het zijn óók mensen, net als vrouwen en schrijvers en negers en andere minderheidsgroeperingen. Fidel Castro zei: ze deugen niet. Niemand geloofde dat. Maar wat lees ik nu in de krant? De Amerikanen hebben in Miami de grootste problemen met die Cubaanse vluchtelingen omdat het inderdaad voor het grootste gedeelte boeven blijken te zijn. Nu de Amerikanen het zeggen, gelooft iedereen het ineens wel.'
Voor de meeste Europese Cubabewonderaars was de affaire‑Padilla in 1971 een schok die hen van hun geloof deed vallen. Niet voor u.
‘Padilla ging de bak in op beschuldiging dat hij met buitenlanders had gepraat en andere malligheid. Een aantal Franse intellectuelen ‑ K.S. Karol, Sartre, Enzensberger, Semprun, noem ze allemaal maar op ‑ heeft toen een manifest opgesteld om daartegen te protesteren en dat heb ik niet ondertekend. Het tóóntje dat daar werd aangeslagen beviel mij niet, dat onuitstaanbare cartesiaanse Franse toontje van: eens hebben wij de revolutie op Cuba gezien als een model ‑ en nù... Ik kreeg daar vreselijk de pest over in omdat ik wist dat al die mensen veel voor Padilla hadden kunnen bereiken als ze zich vervoegd hadden in Havana. Ik persoonlijk heb ertoe bijgedragen dat Padilla in Cuba een baantje kreeg in een bibliotheek, dat leek me zinniger. Als je in een Franse krant heel principieel gaat doen over de Cubaanse revolutie is dat toch koren op de molen van de echte reactionairen. Het wordt onmiddellijk door de Amerikaanse radio over Cuba uitgetoeterd. En dáár wil ik niets mee te maken hebben.'
[L]
Toen Padilla in 1980 naar Canada emigreerde, zei hij dat zijn zelfbeschuldigingen, die in 1971 tot zijn vrijlating hadden geleid, het resultaat waren van dwang. Wie ooit een boekje over de Moskouse processen gelezen had, had dat in 1971 al kunnen weten.
'Is dat zo? Ik zal je een voorbeeld geven. Op een gegeven ogenblik had je in de Sovjetunie die dokter Stern die gevangenisstraf had gekregen op aanklacht dat hij christenkindertjes in het paasbrood bakte, of zoiets. Zijn zoon kwam naar Nederland om een actie te ondernemen, en ik heb toen met die zoon gesproken samen met rabbijn Soetendorp en Nico Scheepmaker, die kunnen het getuigen. Ik vroeg hem of het antisemitisme dat in de Sovjetunie heerst nou typisch is voor het communistische regime. Hij zei: natuurlijk niet, het gaat om die kleine provinciale ambtenaren in een uithoek van de Sovjetunie en dat zijn gewoon antisemieten, sinds duizend jaar. Een half jaar later, toen Stern junior begrepen had hoe die zaken in het Westen in elkaar zitten, zei hij dat het antisemitisme in de Sovjetunie een uitwas is van het communisme. Ik bedoel: ik weet hoe die dingen werken. Nú zegt Padilla dat hij onder druk heeft gestaan. Maar tóén zei hij dat Castro gelijk had.'
[L]
Piet Piryns
Allicht. Een andere Cubaanse dichter Armando Valladares, die zich niet in het stof wilde wentelen, zit nu al meer dan twintig jaar gevangen.
‘Ik weet het niet, dat kan best. Maar wat bedoel je nou. Bedoel je dat dit opweegt tegen het moorden wat in Cuba nog altijd zou plaatsvinden als Batista niet door Fidel Castro was verjaagd. In dat perspectief wil ik het zien.'
Het oude deuntje: de vrijheid wordt beknot door de rechtvaardigheid.
'Dat is toch het abc, niet? Als ik vrij ben om jou dood te slaan, ben jij niet vrij om te leven. Dus de rechtvaardigheid is een hoger beginsel dan de vrijheid, en de vrijheid moet daar onder bepaalde omstandigheden voor wijken.'
Jawel, maar welk ingewikkeld solisme is er dan nodig om daaruit te concluderen dat een rechtvaardige maatschappij niet mogelijk is zonder boeken te verbranden en schrijvers in een gekkenhuis te stoppen?
‘Dat komt omdat de hele samenleving in die landen is gebaseerd is op boeken. Dat zeg ik ook niet voor het eerst hoor. Karl Marx en Mao waren schrijvers. Bij Pegasus zie ik ook altijd een meter boeken van Breznjev staan, ik heb ze niet gelezen, maar Ik weet wel dat ze in die landen doordrongen zijn van het besef dat. boeken de wereld kunnen veranderen. Op de parade in november in Moskou hangt daar, tien meter bij tien, het portret van een schrijver. Bij ons is dat anders. Onze samenleving is gegroeid als een boom en toen onze samenleving nog op een boek gebaseerd was ‑ de bijbel ‑ stierven hier ook schrijvers op de brandstapel. Er is nog het bijkomende perspectief dat boeken in die landen ontzaglijk gesubsidieerd zijn. Hier kost een boek 23,50, daar 3,50. Daaraan ontlenen zij het recht om te zeggen: wij brengen jouw boeken onder het volk en dan moet je niet tégen ons gaan schrijven. Dat is ook de teleurstelling van alle dissidente schrijvers als ze naar het westen gaan. Ze denken dat boeken hier net zo belangrijk zijn als ginds. Daar waren ze de grote mannen, ze worden er uit gedonderd en hier zijn ze niemand meer. Waar is Solzjenitsyn? Waar zijn ze allemaal? Weg. Ze zitten bij elkaar in Parijs en ze mopperen.'
Ik begrijp het nog steeds niet. Ik kan me voorstellen dat sommige boeken voor een regime bedreigend zijn, maar, er worden ook boeken van wufte schrijvers als Antoine de Saint-Exupéry en André Malraux verboden. Welk gevaar gaat daar van uit?
'Het gaat om het feit dat ze zich überhaupt door boeken bedreigd voelen. Dat kan best ten onrechte zijn, en natuurlijk protesteer ik ook en onderteken ik een manifest als ze Amalrik de bak stoppen. Hoewel dat Gerard van het Reve niet belemmert om te zeggen dat ik er achter sta als ze die schrijvers opsluiten?'
[L]
Een ander citaat, uit een interview met Boudewijn Buch in 1980: ‘Politiek nog actief bezig? Zoiets als mijn achter Cuba gaan staan indertijd? Ik zou nog best eens zo iets kunnen doen - maar er doet zich op het ogenblik niets voor om achter te gaan staan.'
‘Schrijven is bij mij een mechanisme dat eigenlijk alleen maar goed aan het werk wordt gezet als ik ergens enthousiast over ben, niet als ik kwaad ben over iets. Bij andere schrijver, bij Celine bijvoorbeeld, is dat weer heel anders. Ik ben niet over Cuba gaan schrijven omdat ik zo kwaad was over die Amerikanen, maar omdat ik zo enthousiast was over wat die Cubanen daar hadden bewerkstelligd. Die zes jongens die daar in hun bootje aankomen, en moet je kijken, tien jaar later kan bijna iedereen lezen en schrijven, er zijn overal schooltjes, de kinderen hebben schoenen aan hun voeten en er wordt niet meer gemoord. Ik vond het zulke aardige mensen. En de zon schijnt er de hele dag, dat is ook belangrijk natuurlijk. Hoe kun je nou enthousiast raken over een land als Polen, waar het aldoor regent? Ik heb er wel een mening over en als ik daarom gevraagd word, zal ik die geven. Maar ik zal er nooit een dik boek over schrijven, ik heb het er niet ex cathedra over, net zo min als over Vietnam. Daarover heb ik alleen maar kleine stukjes geschreven die ik voorlas op protestvergaderingen, tegen de aard van mijn talent in.'
Vrij Nederland, 4 april 1982
Piet Piryns
Allicht. Een andere Cubaanse dichter Armando Valladares, die zich niet in het stof wilde wentelen, zit nu al meer dan twintig jaar gevangen.
‘Ik weet het niet, dat kan best. Maar wat bedoel je nou. Bedoel je dat dit opweegt tegen het moorden wat in Cuba nog altijd zou plaatsvinden als Batista niet door Fidel Castro was verjaagd. In dat perspectief wil ik het zien.'
Het oude deuntje: de vrijheid wordt beknot door de rechtvaardigheid.
'Dat is toch het abc, niet? Als ik vrij ben om jou dood te slaan, ben jij niet vrij om te leven. Dus de rechtvaardigheid is een hoger beginsel dan de vrijheid, en de vrijheid moet daar onder bepaalde omstandigheden voor wijken.'
Jawel, maar welk ingewikkeld solisme is er dan nodig om daaruit te concluderen dat een rechtvaardige maatschappij niet mogelijk is zonder boeken te verbranden en schrijvers in een gekkenhuis te stoppen?
‘Dat komt omdat de hele samenleving in die landen is gebaseerd is op boeken. Dat zeg ik ook niet voor het eerst hoor. Karl Marx en Mao waren schrijvers. Bij Pegasus zie ik ook altijd een meter boeken van Breznjev staan, ik heb ze niet gelezen, maar Ik weet wel dat ze in die landen doordrongen zijn van het besef dat. boeken de wereld kunnen veranderen. Op de parade in november in Moskou hangt daar, tien meter bij tien, het portret van een schrijver. Bij ons is dat anders. Onze samenleving is gegroeid als een boom en toen onze samenleving nog op een boek gebaseerd was ‑ de bijbel ‑ stierven hier ook schrijvers op de brandstapel. Er is nog het bijkomende perspectief dat boeken in die landen ontzaglijk gesubsidieerd zijn. Hier kost een boek 23,50, daar 3,50. Daaraan ontlenen zij het recht om te zeggen: wij brengen jouw boeken onder het volk en dan moet je niet tégen ons gaan schrijven. Dat is ook de teleurstelling van alle dissidente schrijvers als ze naar het westen gaan. Ze denken dat boeken hier net zo belangrijk zijn als ginds. Daar waren ze de grote mannen, ze worden er uit gedonderd en hier zijn ze niemand meer. Waar is Solzjenitsyn? Waar zijn ze allemaal? Weg. Ze zitten bij elkaar in Parijs en ze mopperen.'
Ik begrijp het nog steeds niet. Ik kan me voorstellen dat sommige boeken voor een regime bedreigend zijn, maar, er worden ook boeken van wufte schrijvers als Antoine de Saint-Exupéry en André Malraux verboden. Welk gevaar gaat daar van uit?
'Het gaat om het feit dat ze zich überhaupt door boeken bedreigd voelen. Dat kan best ten onrechte zijn, en natuurlijk protesteer ik ook en onderteken ik een manifest als ze Amalrik de bak stoppen. Hoewel dat Gerard van het Reve niet belemmert om te zeggen dat ik er achter sta als ze die schrijvers opsluiten?'
[L]
Een ander citaat, uit een interview met Boudewijn Buch in 1980: ‘Politiek nog actief bezig? Zoiets als mijn achter Cuba gaan staan indertijd? Ik zou nog best eens zo iets kunnen doen - maar er doet zich op het ogenblik niets voor om achter te gaan staan.'
‘Schrijven is bij mij een mechanisme dat eigenlijk alleen maar goed aan het werk wordt gezet als ik ergens enthousiast over ben, niet als ik kwaad ben over iets. Bij andere schrijver, bij Celine bijvoorbeeld, is dat weer heel anders. Ik ben niet over Cuba gaan schrijven omdat ik zo kwaad was over die Amerikanen, maar omdat ik zo enthousiast was over wat die Cubanen daar hadden bewerkstelligd. Die zes jongens die daar in hun bootje aankomen, en moet je kijken, tien jaar later kan bijna iedereen lezen en schrijven, er zijn overal schooltjes, de kinderen hebben schoenen aan hun voeten en er wordt niet meer gemoord. Ik vond het zulke aardige mensen. En de zon schijnt er de hele dag, dat is ook belangrijk natuurlijk. Hoe kun je nou enthousiast raken over een land als Polen, waar het aldoor regent? Ik heb er wel een mening over en als ik daarom gevraagd word, zal ik die geven. Maar ik zal er nooit een dik boek over schrijven, ik heb het er niet ex cathedra over, net zo min als over Vietnam. Daarover heb ik alleen maar kleine stukjes geschreven die ik voorlas op protestvergaderingen, tegen de aard van mijn talent in.'
Vrij Nederland, 4 april 1982
De kerkvervolging uit het begin van de Cubaanse
revolutie werd en wordt soms nog verklaard uit het hechte
bondgenootschap dat er zou hebben bestaan tussen dictator Batista
en de katholieke kerk. Aldert Schipper schreef in 1986 in het
dagblad Trouw dat voor de Cubaanse guerrillastrijders die de bergen
introkken ‘christendom, kerk, kolonialisme en uitbuiting zo'n
beetje een pot nat waren.'

In het tijdschrift Volzin (30 november 2007) zegt dominee Han Dijk van de studiegroep Ronde Tafel Christendom Marxisme over de onderdrukking van de kerken destijds: ‘Dat is zeker in de beginjaren van de revolutie het geval geweest, hoewel men nooit het geloof als zodanig bestreed, maar wel antirevolutionaire uitingen of praktijken in kerkelijke kring.'
Fidel Castro zelf zei echter tijdens een televisie-uitzending in 1959: 'Niemand kan de houding van deze leiders van de katholieke kerk in twijfel trekken, van wie bekend is dat ze in moeilijke momenten duidelijk positie kozen.' Toen de katholieke kerk zich achter de Wet op de Landhervorming schaarde, zei Castro: 'Met deze verklaringen heeft de Cubaanse kerk zich werkelijk revolutionair getoond; de katholieke kerk is op sociaal gebied de meest revolutionaire......'

Fidel Castro tekent op 17 mei 1959 de landhervormingswet
Kees van Kortenhof (nu Glasnost in Cuba, toen CLAT Nederland) schreef in 1986 in het tijdschrift Latijns Amerika dat de katholieke kerk veel geloofwaardiger was dan sommigen toen en nu voor mogelijk hielden. Dit artikel wordt hier overgenomen .
Ook is een artikel geplaatst dat in december 1970 in het tijdschrift Bijeen werd geplaatst onder de titel We hebben het eerlijk geprobeerd. Het is een interview met drie Vlaamse missionarissen die enthousiast raakten over de revolutie in Cuba. Zij vertrokken in 1964 naar dit land maar keerden in 1970 ontgoocheld terug. Een van hen zegt in het interview: ‘Communisten spreken alleen over een dialoog in die landen waar ze niet aan de macht zijn. Waar zij wel de macht in handen hebben, zijn zij zo strak dogmatisch dat er niet mee te praten is, en dat terwijl zij juist ons katholieken dogmatisme verwijten.'

In het tijdschrift Volzin (30 november 2007) zegt dominee Han Dijk van de studiegroep Ronde Tafel Christendom Marxisme over de onderdrukking van de kerken destijds: ‘Dat is zeker in de beginjaren van de revolutie het geval geweest, hoewel men nooit het geloof als zodanig bestreed, maar wel antirevolutionaire uitingen of praktijken in kerkelijke kring.'
Fidel Castro zelf zei echter tijdens een televisie-uitzending in 1959: 'Niemand kan de houding van deze leiders van de katholieke kerk in twijfel trekken, van wie bekend is dat ze in moeilijke momenten duidelijk positie kozen.' Toen de katholieke kerk zich achter de Wet op de Landhervorming schaarde, zei Castro: 'Met deze verklaringen heeft de Cubaanse kerk zich werkelijk revolutionair getoond; de katholieke kerk is op sociaal gebied de meest revolutionaire......'

Fidel Castro tekent op 17 mei 1959 de landhervormingswet
Kees van Kortenhof (nu Glasnost in Cuba, toen CLAT Nederland) schreef in 1986 in het tijdschrift Latijns Amerika dat de katholieke kerk veel geloofwaardiger was dan sommigen toen en nu voor mogelijk hielden. Dit artikel wordt hier overgenomen .
Ook is een artikel geplaatst dat in december 1970 in het tijdschrift Bijeen werd geplaatst onder de titel We hebben het eerlijk geprobeerd. Het is een interview met drie Vlaamse missionarissen die enthousiast raakten over de revolutie in Cuba. Zij vertrokken in 1964 naar dit land maar keerden in 1970 ontgoocheld terug. Een van hen zegt in het interview: ‘Communisten spreken alleen over een dialoog in die landen waar ze niet aan de macht zijn. Waar zij wel de macht in handen hebben, zijn zij zo strak dogmatisch dat er niet mee te praten is, en dat terwijl zij juist ons katholieken dogmatisme verwijten.'
Direct nadat Fidel Castro de macht had overgenomen, maakte
hij bekend dat al diegenen die niet met de revolutie wensten mee te
doen het land konden verlaten. In het begin gebeurden veel
ongelukken met scheepjes waarmee men probeerde de Verenigde Staten
van Amerika te bereiken. Om deze mensenlevens te sparen kwam Fidel
met de Amerikanen overeen dat er iedere dag twee gratis vluchten
van Cuba naar de Verenigde Staten mochten worden uitgevoerd.
Volgens schattingen zijn er op het ogenblik 800.000 Cubanen in
Amerika. In februari van dit jaar vertrok gezin nummer 155.000.
Volgens gegevens van het regime wachten er nog altijd 100.000
gezinnen op hun vertrek naar Amerika. Op 31 mei maakte Fidel Castro
bekend dat al diegenen die het land wilden verlaten zich voor 31
juli aangemeld moesten hebben. Daarna was het niet meer
mogelijk.
Filmaffiche uit de eerste
jaren van de revolutie over de strijd van de slaven
Sjef Serdons vertelt over deze mensen: ‘Tot 1968 leefden zij die op transport naar Amerika wachtten in concentratiekampen, anders kan ik het niet noemen. Daarna zijn onder druk van het buitenland de omstandigheden in deze kampen beter geworden. Maar het leven is er toch nog altijd erg hard. Er moet tussen de twaalf en vijftien uur per dag gewerkt worden. Verder moeten er lessen gevolgd worden in de marxistisch-leninistische doctrine. Over het algemeen moet men twee jaar wachten voordat men aan de beurt is. Het enige wat meegenomen mag worden, is dertig kilo bagage. Vanaf de dag dat de Cubanen zich bij de autoriteiten gepresenteerd hebben voor vertrek, vervallen alle eventuele bezittingen aan de staat.'

Cubaanse jongeren doen mee aan de alfabetiseringscampagne
Tenslotte is er nog de categorie kampen waar jongeren vrijwillig zich inzetten voor het suikerriet. Sjef Serdons: ‘Hier is in het geheel geen sprake van een vrijwillige deelname. Het zijn jongeren die zogenaamd gerehabiliteerd moeten worden. In mijn gebied waren er dertig van deze kampen waar gemiddeld honderd jonge mensen zaten. Het zijn homoseksuelen, prostituees, jonge katholieke activisten die voor de keus gesteld worden naar zo'n kamp te gaan of de gevangenis in. Ook in deze kampen is het leven erg hard. Er moet veel en langdurig gewerkt worden en de jongelui krijgen onderricht in de communistische leer. In mijn parochie waren verschillende jongeren die geweigerd hebben om naar zo'n kamp te gaan. Een aantal van hen werd eerder vrijgelaten dan ze eigenlijk volgens hun veroordeling tegoed hadden. Sommigen waren door martelingen geheel verminkt, verloren hun spraakvermogen of raakten gedeeltelijk verlamd. Over deze martelingen heb ik documenten die de gevangenis zijn uitgesmokkeld.'
Secretaresse als spion
Alle drie de Belgische missionarissen stonden uitvoerig stil bij de vormen van psychische terreur, die zij persoonlijk hadden ondervonden. Vooral het laatste jaar van hun verblijf op Cuba werden zij op de meest onmogelijke tijden verzocht op het politiebureau te komen voor een verhoor dat soms uren kon duren. Vaak werden zij midden in de nacht uit hun bed gebeld. Soms met de mededeling dat men alleen wilde weten of zij wel thuis waren, of met het verzoek om onmiddellijk voor een verhoor naar het bureau te komen. Reeds na het verblijf van een jaar op Cuba hadden verschillende Cubanen hen verteld dat zij over alles wat zij besproken hadden met de pastoor, rapport moesten uitbrengen aan de partij. Ook de secretaressen en de huishoudsters bleken in opdracht van de communistische partij bij hen in dienst getreden te zijn.

Cartoon in het weekblad Bohemia (1961) over de katholieke kerk die 'reactionair onderwijs' onderricht waar 'contra-revolutionairen'uitgroeien. Bohemia was voor 1959 een gezaghebbend tijdschrijft geweest dat in positieve zin aandacht schonk aan de strijd en de ideeen van Fidel Castro. Zo weerstond het weekblad de censuur van rechtse dictator Batista. (zie cover uit 1957)
Maar al snel nadat Fidel de macht overnam moest het blad zich onderwerpen aan de censuur van de linkse machthebbers, ditmaal de revolutionairen. Hoofdredacteur Quevedo schoot zich daarom een kogel door het hoofd
Aloys Mertes: ‘Na mijn terugkomst heeft het zeker vijf tot zes maanden gekost voordat ik weer vrij met iedereen durfde spreken'. Sjef Serdons heeft het er nog altijd moeilijk mee: ‘Zodra er meer dan twee mensen bij een gesprek aanwezig zijn, betrap ik mezelf er nog op dat ik niet vrijuit durf te spreken'. Tijdens de gesprekken was deze angst nog duidelijk voelbaar. Alle drie missionarissen moesten duidelijk eerst aan ons wennen voordat zij over hun verblijf op Cuba wilden vertellen. Het mag wellicht verwondering wekken dat ieder van hen toch begon over de dialoog. Hun diepe teleurstelling komt het best tot uiting in een uitspraak van Lucien de Wulf: ‘Over al mijn inspanningen om een goede verstandhouding met het regime tot stand te brengen voel ik mij volledig ontgoocheld.
c
Combinado del Este gevangenis
Ik heb o. a. zes jaar lang met een directeur van een middelbare school gediscussieerd over de mogelijkheid van een dialoog. Achteraf bleek dat hij alle gesprekken doorgaf aan de partij. Al mijn uitspraken in gesprekken met hem gedaan, werden in hun tegendeel omgezet en tegen mij gebruikt.' Niet alleen de missionarissen stonden aan deze bespionering bloot. Ook verschillende vooraanstaande katholieken worden nauwlettend gevolgd en soms zelfs vervolgd. Sjef Serdons: ‘Een van de beste landhuishoudkundigen die Cuba heeft en die algemeen erkend en aanvaard werd door zijn collega's op het bureau dat de rietsuikercampagne leidt, is onlangs ontslagen omdat hij katholiek was. Dit is hem met evenveel woorden gezegd. De man is vervangen door een goede betrouwbare revolutionair, die van landbouw niets afweet, omdat Fidel Castro eens gezegd heeft: Ik heb liever een goede revolutionair, dan een bekwame ingenieur.'
Het mag wellicht verwondering wekken dat ieder van hen toch begon over de dialoog. Hun diepe teleurstelling komt het best tot uiting in een uitspraak van Lucien de Wulf: ‘Over al mijn inspanningen om een goede verstandhouding met het regime tot stand te brengen voel ik mij volledig ontgoocheld. Ik heb o. a. zes jaar lang met een directeur van een middelbare school gediscussieerd over de mogelijkheid van een dialoog. Achteraf bleek dat hij alle gesprekken doorgaf aan de partij. Al mijn uitspraken in gesprekken met hem gedaan, werden in hun tegendeel omgezet en tegen mij gebruikt'
Niet alleen de missionarissen stonden aan deze bespionering bloot. Ook verschillende vooraanstaande katholieken worden nauwlettend gevolgd en soms zelfs vervolgd. Sjef Serdons: ‘Een van de beste landbouwdeskundigen die Cuba heeft en die algemeen erkend en aanvaard werd door zijn collega's op het bureau dat de rietsuikercampagne leidt, is onlangs ontslagen omdat hij katholiek was. Dit is hem met evenveel woorden gezegd. De man is vervangen door een goede betrouwbare revolutionair, die van landbouw niets afweet, omdat Fidel Castro eens gezegd heeft: 'Ik heb liever een goede revolutionair, dan een bekwame ingenieur'.
De pauselijke nuntius in Havana, Zacchi ( in het wit) had een vriendschappelijke relatie
met Fidel Castro waar veel Cubaanse priesters grote moeite mee hadden
Aloys Mertes ziet de mogelijkheid tot een dialoog aldus: ‘Communisten spreken alleen over een dialoog in die landen waar ze niet aan de macht zijn. Waar zij wel de macht in handen hebben, zijn zij zo strak dogmatisch dat er niet mee te praten is, en dat terwijl zij juist ons katholieken dogmatisme verwijten.
We proberen het nog eenmaal met de opmerking dat de bisschoppen vorig jaar toch een brief hebben geschreven waarin de katholieken werden aangespoord om met het regime van Fidel Castro samen te werken.
Unaniem ontsteken de drie missionarissen bijna in woede. Lucien de Wulf: ‘Deze brief was gedicteerd door de nuntius. Hij werd zaterdags bij ons bezorgd, zodat discussie erover niet meer mogelijk was. De taal waarin de brief gesteld was, was voor vele katholieke intellectuelen niet eens te verstaan. Vele pastoors hebben hem dan ook niet voorgelezen. Waar niet alleen bij de Belgische pastoors maar ook bij de Cubanen de meeste ergernis over ontstond was de slotpassage, die voor iedereen verstaanbaar was. Daarin werd gezegd dat de slechte toestand waarin het land en het volk verkeerden uitsluitend te wijten was aan de Amerikaanse blokkade.
‘Begrijpt u mij goed: ik ben geen vriend van de Amerikanen, verre van dat. Maar deze uitspraak was toch wel ver bezijden de waarheid. Ik wil niet ontkennen dat de blokkade van grote invloed.'Is en dat ze met grote efficiëntie wordt uitgevoerd, maar er zijn - en dat is u hopelijk toch wel duidelijk geworden uit ons verhaal even zovele factoren op binnenlands gebied die de vooruitgang tegenwerken'.
Dolf Reijmers
Bijeen, december 1970
Filmaffiche uit de eerste
jaren van de revolutie over de strijd van de slavenSjef Serdons vertelt over deze mensen: ‘Tot 1968 leefden zij die op transport naar Amerika wachtten in concentratiekampen, anders kan ik het niet noemen. Daarna zijn onder druk van het buitenland de omstandigheden in deze kampen beter geworden. Maar het leven is er toch nog altijd erg hard. Er moet tussen de twaalf en vijftien uur per dag gewerkt worden. Verder moeten er lessen gevolgd worden in de marxistisch-leninistische doctrine. Over het algemeen moet men twee jaar wachten voordat men aan de beurt is. Het enige wat meegenomen mag worden, is dertig kilo bagage. Vanaf de dag dat de Cubanen zich bij de autoriteiten gepresenteerd hebben voor vertrek, vervallen alle eventuele bezittingen aan de staat.'

Cubaanse jongeren doen mee aan de alfabetiseringscampagne
Tenslotte is er nog de categorie kampen waar jongeren vrijwillig zich inzetten voor het suikerriet. Sjef Serdons: ‘Hier is in het geheel geen sprake van een vrijwillige deelname. Het zijn jongeren die zogenaamd gerehabiliteerd moeten worden. In mijn gebied waren er dertig van deze kampen waar gemiddeld honderd jonge mensen zaten. Het zijn homoseksuelen, prostituees, jonge katholieke activisten die voor de keus gesteld worden naar zo'n kamp te gaan of de gevangenis in. Ook in deze kampen is het leven erg hard. Er moet veel en langdurig gewerkt worden en de jongelui krijgen onderricht in de communistische leer. In mijn parochie waren verschillende jongeren die geweigerd hebben om naar zo'n kamp te gaan. Een aantal van hen werd eerder vrijgelaten dan ze eigenlijk volgens hun veroordeling tegoed hadden. Sommigen waren door martelingen geheel verminkt, verloren hun spraakvermogen of raakten gedeeltelijk verlamd. Over deze martelingen heb ik documenten die de gevangenis zijn uitgesmokkeld.'
Secretaresse als spion
Alle drie de Belgische missionarissen stonden uitvoerig stil bij de vormen van psychische terreur, die zij persoonlijk hadden ondervonden. Vooral het laatste jaar van hun verblijf op Cuba werden zij op de meest onmogelijke tijden verzocht op het politiebureau te komen voor een verhoor dat soms uren kon duren. Vaak werden zij midden in de nacht uit hun bed gebeld. Soms met de mededeling dat men alleen wilde weten of zij wel thuis waren, of met het verzoek om onmiddellijk voor een verhoor naar het bureau te komen. Reeds na het verblijf van een jaar op Cuba hadden verschillende Cubanen hen verteld dat zij over alles wat zij besproken hadden met de pastoor, rapport moesten uitbrengen aan de partij. Ook de secretaressen en de huishoudsters bleken in opdracht van de communistische partij bij hen in dienst getreden te zijn.

Cartoon in het weekblad Bohemia (1961) over de katholieke kerk die 'reactionair onderwijs' onderricht waar 'contra-revolutionairen'uitgroeien. Bohemia was voor 1959 een gezaghebbend tijdschrijft geweest dat in positieve zin aandacht schonk aan de strijd en de ideeen van Fidel Castro. Zo weerstond het weekblad de censuur van rechtse dictator Batista. (zie cover uit 1957)
Maar al snel nadat Fidel de macht overnam moest het blad zich onderwerpen aan de censuur van de linkse machthebbers, ditmaal de revolutionairen. Hoofdredacteur Quevedo schoot zich daarom een kogel door het hoofd
Aloys Mertes: ‘Na mijn terugkomst heeft het zeker vijf tot zes maanden gekost voordat ik weer vrij met iedereen durfde spreken'. Sjef Serdons heeft het er nog altijd moeilijk mee: ‘Zodra er meer dan twee mensen bij een gesprek aanwezig zijn, betrap ik mezelf er nog op dat ik niet vrijuit durf te spreken'. Tijdens de gesprekken was deze angst nog duidelijk voelbaar. Alle drie missionarissen moesten duidelijk eerst aan ons wennen voordat zij over hun verblijf op Cuba wilden vertellen. Het mag wellicht verwondering wekken dat ieder van hen toch begon over de dialoog. Hun diepe teleurstelling komt het best tot uiting in een uitspraak van Lucien de Wulf: ‘Over al mijn inspanningen om een goede verstandhouding met het regime tot stand te brengen voel ik mij volledig ontgoocheld.
c

Combinado del Este gevangenis
Ik heb o. a. zes jaar lang met een directeur van een middelbare school gediscussieerd over de mogelijkheid van een dialoog. Achteraf bleek dat hij alle gesprekken doorgaf aan de partij. Al mijn uitspraken in gesprekken met hem gedaan, werden in hun tegendeel omgezet en tegen mij gebruikt.' Niet alleen de missionarissen stonden aan deze bespionering bloot. Ook verschillende vooraanstaande katholieken worden nauwlettend gevolgd en soms zelfs vervolgd. Sjef Serdons: ‘Een van de beste landhuishoudkundigen die Cuba heeft en die algemeen erkend en aanvaard werd door zijn collega's op het bureau dat de rietsuikercampagne leidt, is onlangs ontslagen omdat hij katholiek was. Dit is hem met evenveel woorden gezegd. De man is vervangen door een goede betrouwbare revolutionair, die van landbouw niets afweet, omdat Fidel Castro eens gezegd heeft: Ik heb liever een goede revolutionair, dan een bekwame ingenieur.'
Het mag wellicht verwondering wekken dat ieder van hen toch begon over de dialoog. Hun diepe teleurstelling komt het best tot uiting in een uitspraak van Lucien de Wulf: ‘Over al mijn inspanningen om een goede verstandhouding met het regime tot stand te brengen voel ik mij volledig ontgoocheld. Ik heb o. a. zes jaar lang met een directeur van een middelbare school gediscussieerd over de mogelijkheid van een dialoog. Achteraf bleek dat hij alle gesprekken doorgaf aan de partij. Al mijn uitspraken in gesprekken met hem gedaan, werden in hun tegendeel omgezet en tegen mij gebruikt'
Niet alleen de missionarissen stonden aan deze bespionering bloot. Ook verschillende vooraanstaande katholieken worden nauwlettend gevolgd en soms zelfs vervolgd. Sjef Serdons: ‘Een van de beste landbouwdeskundigen die Cuba heeft en die algemeen erkend en aanvaard werd door zijn collega's op het bureau dat de rietsuikercampagne leidt, is onlangs ontslagen omdat hij katholiek was. Dit is hem met evenveel woorden gezegd. De man is vervangen door een goede betrouwbare revolutionair, die van landbouw niets afweet, omdat Fidel Castro eens gezegd heeft: 'Ik heb liever een goede revolutionair, dan een bekwame ingenieur'.
De pauselijke nuntius in Havana, Zacchi ( in het wit) had een vriendschappelijke relatie
met Fidel Castro waar veel Cubaanse priesters grote moeite mee hadden
Aloys Mertes ziet de mogelijkheid tot een dialoog aldus: ‘Communisten spreken alleen over een dialoog in die landen waar ze niet aan de macht zijn. Waar zij wel de macht in handen hebben, zijn zij zo strak dogmatisch dat er niet mee te praten is, en dat terwijl zij juist ons katholieken dogmatisme verwijten.
We proberen het nog eenmaal met de opmerking dat de bisschoppen vorig jaar toch een brief hebben geschreven waarin de katholieken werden aangespoord om met het regime van Fidel Castro samen te werken.
Unaniem ontsteken de drie missionarissen bijna in woede. Lucien de Wulf: ‘Deze brief was gedicteerd door de nuntius. Hij werd zaterdags bij ons bezorgd, zodat discussie erover niet meer mogelijk was. De taal waarin de brief gesteld was, was voor vele katholieke intellectuelen niet eens te verstaan. Vele pastoors hebben hem dan ook niet voorgelezen. Waar niet alleen bij de Belgische pastoors maar ook bij de Cubanen de meeste ergernis over ontstond was de slotpassage, die voor iedereen verstaanbaar was. Daarin werd gezegd dat de slechte toestand waarin het land en het volk verkeerden uitsluitend te wijten was aan de Amerikaanse blokkade.
‘Begrijpt u mij goed: ik ben geen vriend van de Amerikanen, verre van dat. Maar deze uitspraak was toch wel ver bezijden de waarheid. Ik wil niet ontkennen dat de blokkade van grote invloed.'Is en dat ze met grote efficiëntie wordt uitgevoerd, maar er zijn - en dat is u hopelijk toch wel duidelijk geworden uit ons verhaal even zovele factoren op binnenlands gebied die de vooruitgang tegenwerken'.
Dolf Reijmers
Bijeen, december 1970
Drie uit Cuba uitgewezen Vlaamse priesters vertelden in 1970 in het decembernummer van het maandblad Bijeen hoe ze hadden geprobeerd met het regime van Fidel Castro samen te werken. En van hen, de ‘rode pastoor' Lucien de Wulf zegt in het interview: ‘Wij geloofden in de mogelijkheid van een eerlijke samenwerking met als gemeenschappelijk doel de vooruitgang van Cuba. Over al mijn inspanning om een goede verhouding met het regime tot stand te brengen voel ik mij volledig ontgoocheld.' Aloys Mertes ziet de mogelijkheid tot een dialoog aldus: ‘Communisten spreken alleen over een dialoog in die landen waar ze niet aan de macht zijn. Waar zij wel de macht in handen hebben, zijn zij zo strak dogmatisch dat er niet mee te praten is, en dat terwijl zij juist ons katholieken dogmatisme verwijten'.

In 1958 wordt Fidel Castro door de bevolking van Camaguey enthousiast binnengehaald
De revolutie op Cuba onder aanvoering van Fidel Castro kent felle tegenstanders en hartstochtelijke aanhangers. Nu de suikerrietoogst dit jaar niet de gestelde opbrengst van 10 miljoen ton gehaald heeft, menen de tegenstanders dat het eind van de revolutie in zicht komt. Voorstanders zeggen dat Fidel Castro toch maar openlijk heeft durven toegeven dat er fouten gemaakt zijn en dat hijzelf heeft aangeboden om af te treden. Door voor- en tegenstanders wordt naarstig gespeurd naar de diepere achtergronden van de tegenslag. Hoe ervaren de Cubanen zelf de ontwikkelingen op hun eiland, vroegen wij aan drie Belgische wereldheren waarvan er twee gedurende zes jaar en de ander drie jaar op Cuba hebben gewerkt. In februari 1964 vertrokken Lucien de Wulf (47 jaar), Sjef Serdons (41 jaar) en Aloys Mertes (31 jaar) naar Cuba. In '67 kwamen zij voor een paar maanden met verlof naar België. Aloys Mertes werd na zijn verlof geen toegang meer tot het eiland verleend. De beide anderen gingen terug naar Cuba. Begin dit jaar kwamen zij wederom met verlof.
Bij hun vertrek uit Havana, de hoofdstad van Cuba, kregen zij te horen dat hun terugkomst niet meer op prijs werd gesteld. Lucien de Wulf vertrok onlangs naar Peru. Kort daarvoor hadden wij in Nederland een gesprek met hem. Sjef Serdons, die thans aan de Pauselijke Missie Werken verbonden is, en Aloys Mertes, werkzaam als kapelaan, zochten wij in België op. Na een oproep van de paus in 1963 aan de priesters in Europa om zich ter beschikking te stellen van de kerk in Latijns Amerika, meldden zij zich aan bij hun bisschoppen. Een cursus aan de universiteit van Leuven bracht hun voor het eerst in aanraking met de problemen van Latijns Amerika. De instelling waarmee de missionarissen vertrokken komt het best tot uiting in een brief die Lucien de Wulf (‘men noemt mij de rode pastoor') aan Dom Helder Camara schreef. Daarin zegt hij o.a.: ‘Wij zijn vertrokken met het grote idee om een begin te maken met de dialoog. Wij geloofden in de mogelijkheid van een eerlijke samenwerking met als gemeenschappelijk doel de vooruitgang van Cuba, hoewel ons uitgangspunt verschilde van het regime, maar uit naam van de christelijke liefde voelden wij ons tot deze inspanning verplicht'.

Een kaars opsteken voor Fidel
De aankomst op Cuba heeft op alle drie een onvergetelijke indruk gemaakt. Van de ruim 800 priesters van voor de revolutie (waarvan meer dan de helft in het onderwijs werkzaam was) waren er in 1961 minder dan 200 op het eiland over. Onder de 120.000 Cubanen, verspreid over 13 parochies in een gebied zo groot als de Belgische provincie Luik, heerste grote vreugde omdat er voor hen weer priesters kwamen. De eerste ontdekking die de drie deden was een gruwelijke achterstand in de godsdienstige vorming van de mensen. Sjef Serdons zegt daarover:‘Het geloofsleven zoals wij dat aantroffen kan ik het best karakteriseren door te zeggen dat iedereen gedoopt wilde worden, want als je gedoopt bent kun je kerkelijk trouwen en begraven worden in gewijde aarde. En dat is alles wat je nodig hebt om zalig te worden' Er waren echter verspreid over verschillende plaatsen, in totaal 1.200 mensen, ‘die kleine in liefde verbonden gemeenschappen vormden, zoals u die aantreft in de Handelingen van de apostelen', aldus Aloys Mertes.
Niet alleen bij deze mensen maar ook bij de grote massa en zelfs bij de leden van de communistische partij van Cuba leefde de overtuiging dat de Belgische priesters, ‘communistische pastoors' waren. Dit maakte het aanvankelijk erg moeilijk om met de Cubanen in contact te komen. Na zes tot negen maanden was deze weerstand evenwel geheel overwonnen. De Belgische missionarissen voerden ook nieuwe vormen in de liturgie in die door dezelfde geest geïnspireerd leken te zijn als een aantal maatregelen van Fidel Castro op godsdienstig gebied. Zo heeft Castro bijvoorbeeld de pompeuze processies, die voor de doorsnee Cubaan een belangrijk element bij zijn geloofsbeleving vormden, afgeschaft. Toen Lucien de Wulf dan ook in zijn parochie het altaar afbrak en een nieuw neerzette waaraan hij met zijn gezicht naar het volk de mis kon celebreren en alle overdreven heiligenbeelden, die in zilver waren uitgevoerd, verwijderde, werd hij openlijk door zijn parochianen ervan beschuldigd ‘alle schone stukken en het zilver naar Rusland te sturen'.
Toch zijn de drie Belgische missionarissen positief over de ontwikkeling van het geloofsleven op Cuba. Aloys Mertes zegt het zo: ‘De revolutie van Fidel Castro heeft een halt toegeroepen aan alle uiterlijk vertoon van de kerk. Dat is een groot goed. Daardoor werden de katholieke Cubanen teruggebracht naar de werkelijke boodschap van het evangelie. De Cubanen die dit verstaan hebben zeggen dan ook: ‘Wij moeten een kaars op steken uit dankbaarheid voor Fidel dat wij echte christenen zijn geworden'. Voor zichzelf voegt hij daar nog aan toe: ‘Ik heb mijn eigen christen zijn pas ontdekt door het communisme. Zij zeggen dat je door iets te doen, verandert. Dat is juist, daar zit een diepe waarheid in. Daarom als ge als christen niets doet, zijt ge geen echte christen. Dat is ook hier in Europa de hoofdzaak'. De conclusie van de drie is dan ook eensluidend: Het zou een ideale situatie zijn voor de kerk, als de economische omstandigheden waarin het land verkeert niet steeds slechter en de druk van de communisten niet voortdurend sterker werd.
Onderbroek verloot
Tussen 1964 en 1970 zijn de rantsoenen voor het levensonderhoud alsmaar schraler geworden. Om dit te illustreren vertelt Sjef Serdons dat in 1967 iedere Cubaan o.a. per maand 50 gram boter, 50 gram kaas, 2 kilo rijst, en 75 gram koffie kreeg toebedeeld. Toen hij begin van dit jaar in België aankwam, had hij sedert anderhalf jaar geen boter en geen kaas meer gezien. Verder heeft ieder Cubaan recht op een paar schoenen, een broek, een shirt en een onderbroek per jaar. Hemden heeft Fidel Castro afgeschaft. ‘In de hoofdstad Havana', zegt Sjef Serdons, ‘krijgen de mensen misschien dit textielrantsoen, maar in het gebied waar ik gezeten heb was begin '67 geen zending nieuwe schoenen meer aangekomen'. Voor zijn vertrek heeft hij al wat hij nog had onder zijn parochianen verloot. De hoofdprijs was een nieuwe onderbroek, die hij enkele maanden tevoren uit België had gekregen. Drie maanden na zijn terugkomst was Sjef Serdons 15 kilo aangekomen. Dit steeds soberder wordende leven, stelt het geloof van de Cubanen in de revolutie zwaar op de proef.
Duizenden internacionalistas hielpen bij de suikerrietoogst van 1969 maar de tien miljoen ton
werden niet gehaald. Op de foto Alberto Perez Martinez, Chileens kunsthistoricus en directeur van het Museum van Santiago in Chili
In het afgelopen jaar kwam daar nog bij dat ten koste van alles de tien miljoen ton suiker gehaald moest worden. Maatregelen die hiervoor genomen werden deden de eenvoudige Cubaan verbijsterd de vraag stellen of ‘Fidel zot geworden was.'
‘In mijn gebied', vertelt Lucien de Wulf, ‘heb ik het op meerdere plaatsen meegemaakt dat rijstvelden die nog maar twee weken moesten staan voordat ze geoogst konden worden, in zijn geheel omgeploegd en met suikerriet beplant werden.' Sjef Serdons voegt hieraan toe dat hele sinaasappelplantages eveneens werden herschapen in suikerrietvelden.
Het leven in de kampen
Onvermijdelijk kwam in het onderhoud met de drie missionarissen het gesprek op de vrijwillige deelname van de Cubanen aan de suikerrietoogst. De ideeën die hierover in Nederland leven en o.a. door de schrijver Harry Mulisch in zijn boek Het woord bij de daad verkondigd worden, vinden ze romantisch en feitelijk onjuist. Iedereen die naar school gaat of studeert moet gedurende een bepaalde periode werken op de suikerrietplantages. ‘Daarover kwamen ouders in het begin nog wel eens bij mij klagen', zegt Lucien de Wulf, ‘maar ik heb altijd gezegd dat ik het niet meer dan billijk vond dat ook de kinderen hun aandeel in de opbouw van Cuba leveren. Bovendien is het volgens mij zeer goed voor de Cubaanse kinderen. Over het algemeen worden ze erg verwend door hun ouders. Er is echter wel een ernstig bezwaar aan te voeren. Op praktisch alle scholen wordt een groot deel van het onderwijs via de televisie gegeven.
Terwijl de ene school in de suikerriet werkt, gaan de lessen voor de andere scholen gewoon door. Herhalingen van de gemiste lessen zijn er niet. Daardoor ontstaat een achterstand'. Sjef Serdons vult aan: ‘Ik heb het verschillende keren meegemaakt dat afgestudeerde studenten die getrouwd waren voor vier, vijf maanden moesten gaan werken in de suikerrietplantages waarbij man en vrouw van elkaar gescheiden werden en op enkele honderden kilometers van elkaar verwijderd waren. Bovendien is het voor mij een hele grote vraag of de studenten wel bekwaam zijn om het werk goed te doen. Die twijfel geldt ook voor die Cubanen, die het land willen verlaten, waar veel artsen, juristen, journalisten, ingenieurs, onderwijzers, etc. onder zijn. Vanaf het moment dat zij zich aangemeld hebben, moeten zij op de plantages werken.'
Sinds Fidel Castro in 1959 aan de macht kwam is er enkele
malen sprake geweest van een dialoog tussen de Cubaanse regering en
de katholieke kerk in dit land. In 1974 ging daartoe de Vaticaanse
minister van Buitenlandse Zaken Casaroli naar Havanna om
met bisschoppen en regeringsfunctionarissen besprekingen te voeren
over de vrijheid van de kerk en de uitvoering van pastorale en
sociale activiteiten.
In 1977 ontstond er nieuwe hoop toen Fidel Castro in Jamaica uitvoerig sprak met kerkelijke leiders uit Latijns Amerika over de dialoog tussen marxisten en christenen. Bij die gelegenheid beloofde hij ook de invoer van bijbels toe te staan. In werkelijkheid gebeurde dit niet, bleven actieve katholieken uitgesloten van openbare functies en bleven de media gesloten voor godsdienstige informatie. Slechts de Oecumenische Raad van Kerken die nogal in de pas loopt met de regeringspolitiek,heeft mogelijkheden zich publiekelijk te uiten. Zij is meestal de gastheer van de vele buitenlandse theologen, priesters en dominees die de afgelopen jaren conferenties in Havanna bijwoonden.
Vijandelijkheden
In het buitenland toonde Fidel Castro zich open en tolerant tegenover de kerk en de godsdienst. Binnenlands had de kerk sinds het begin van de jaren zestig met veel tegenwerking te kampen. De Cubaanse staat duldt sinds die periode geen kerk naast zich die een zelfstandige rol speelt in de media, sociale organisaties en de politiek. Dat was ook één van de redenen dat er tussen 1960 en 1962 sprake was van openlijke vijandelijkheden en wederzijds wantrouwen waarbij meer dan 500 priesters en 2000 vrouwelijke religieuzen het land verlieten. Priesters behoorden tot de slachtoffers van de campagne P3 die het regime in 1960 inzette en waarbij duizenden prostituees, homoseksuelen, partij activisten, kunstenaars en ander gespuis tijdens nachtelijke razzia's werden opgepakt en in concentratiekampen terecht kwamen.
Wedden op verkeerde paard

In verschillende Nederlandse kranten wordt, nu er opnieuw een dialoog op gang komt, die vervolging nogal eens verklaard uit het hechte bondgenootschap wat er zou hebben bestaan tussen dictator Batista (zie foto) en de katholieke kerk. Aldert Schipper schrijft in Trouw (8-1-1986) dat voor de Cubaanse guerrillastrijders die de bergen introkken ‘christendom, kerk, kolonialisme en uitbuiting zo'n beetje één pot nat waren.' De katholieke kerk overleefde echter de Batista-periode veel geloofwaardiger dan sommigen voor mogelijk hielden.


Bisschop Serrantes van Santiago begroet commandant Hubert Matos (1959)
Castro zelf heeft in het verleden herhaaldelijk verklaard dat zijn leven in 1953 werd gered door bisschop Pérez Serrantes van Santiago de Cuba. (zie foto) Hij en zijn strijdmakkers waren toen gevangen gezet na een mislukte aanval op de Moncada-kazerne. De bisschop kwam bij Batista tussenbeide waardoor Castro vrij kwam.
Toen het Cubaanse weekblad Bohemia kort daarop foto's publiceerde van de wijze waarop Batista zijn politieke tegenstanders folterde, protesteerde Bisschop Serrantes opnieuw en werd de situatie in de gevangenis tijdelijk verbeterd. Castro heeft er enkele malen op gewezen dat de openlijke veroordeling van Batista door kerkelijke autoriteiten er de oorzaak van was dat in de katholieke middenklasse het begrip voor de guerrillastrijd groeide.

De houding van de communistische partij stond daarmee in schrille tegenstelling. Zij veroordeelde de aanval op de Moncadakazerne en verweet de deelnemers aan deze actie ‘op valse en steriele wijze' de held uit te hangen. Pas in 1958 - één jaar voor Batista's val - veranderde de Cubaanse communistische partij haar houding tegenover de 26-Juli-Beweging van Fidel en zijn aanhangers. Ook binnen de kerk waren er trouwens enkelen die tot aan het einde toe op het verkeerde paard bleven wedden. De bisschop van Cienfuegos bleef Batista tot in 1959 trouw en onder de uit Spanje afkomstige missionarissen waren verschillende priesters met sympathieën voor generaal Franco. Ook enkele middelbare en hogere katholieke onderwijsinstellingen- waar Fidel Castro zelf zijn opleiding had genoten - waren exclusief en conservatief en slechts toegankelijk voor de Cubaanse 'upper ten'.
Revolutionaire kerk
Daar tegenover stonden een katholieke jongerenbeweging als Juventud Acción Católica en de werkende jongerenbeweging JOC, Juventud Obrera Católica evenals een bloeiend lekenapostolaat op het platteland. Velen uit deze groepen waren anti-Batista en zouden de rebellen metterdaad steunen. De penningmeester van Castro's beweging in Santiago de Cuba, Enrique Canto kwam uit zo'n beweging voort. Vier leden van een katholieke studentenbond, Javier Calvo Formoso, José Ignacio Santa Cruz Pacheco, Julian Martinez Inclan en Ramon Pérez Lima, werden vermoord toen ze in Pinar del Rio een derde front wilde openen. Reinol González, voorzitter van de Katholieke Werkende Jongerenbeweging JOC, werd door Batista gevangengezet. Na bemiddeling van de kardinaal van Havanna werd hij het land uitgewezen. Samen met José Plana trok hij vervolgens in opdracht van de 26e Julibeweging naar Midden Amerika om wapens voor de guerrilla's te krijgen. Beiden maakten deel uit van de CLAT-beweging op Cuba.


De priester Jose Sardinas sloot zich bij de gewapende troepen van Castro aan
Enkele priesters zouden zich op verzoek van Fidel en Cecilia Sánchez als aalmoezenier aansluiten bij de strijdende rebellen. Verzetsbladen werden vaak in kloosters of kerken gestencild en guerrilleros vonden daar een plek om zich te verbergen. De rebellenzender Radio Rebelde zond enige tijd zijn programma's uit vanuit een bekend Maria-bedevaartsoord. Castro zelf had in het eerste j aar van de overwinning ook geen twijfels over de rol van de kerk. Voor de televisie sprak hij in juni 1959: ‘Niemand kan de houding van deze leiders van de katholieke kerk in twijfel trekken, van wie bekend is dat ze in moeilijke momenten duidelijk positie kozen' en naar aanleiding van de positieve reacties van kerkelijke zijde op de Wet op de Landhervorming, zei hij: ‘Met deze verklaringen heeft de Cubaanse kerk zich werkelijk revolutionair getoond; de katholieke kerk is op sociaal gebied de meest revolutionaire.'
Groeiende problemen
Toen op 25 juli 1959 de overval op de Moncadakazerne werd herdacht luidden in het hele land de kerkklokken en woonden Fidel Castro en president Mordicus de mis bij in de kathedraal van Havanna. De toekomst beloofde veel goeds. Zo besloten drie Belgische priesters daarop in Cuba te gaan werken. In 1970 gaven zij het op. Naast waardering voor de tot stand gekomen vooruitgang, veroordeelden zij de toenemende macht van de communistische partij, de verregaande sociale controle van de staat en dezelfde partij, de dwang op burgers en de martelingen waar veel van hun jongere parochianen aan werden blootgesteld. (Zie Bijeen, december 1970).*
Priesters staan de ter dood veroordeelden bij die in de eerste jaren
van de revolutie werden geexecuteerd
Aldert Schipper constateert in Trouw ook nog dat Castro in 1965 ‘spijt' kreeg van de vele concentratiekampen en ze liet sluiten. Vele politieke gevangenen hebben daar echter nooit iets van gemerkt. Integendeel, het aantal gevangenissen waar Castro zijn tegenstanders in opsloot, is sinds 1965 alleen maar gegroeid. De kerkelijke leiding kwam voor het eerst in 1960 openlijk in conflict met het regime nadat 400 personen ter dood waren veroordeeld wegens oorlogsmisdaden onder Batista. De terechtstellingen werden veroordeeld - sommigen werden voltrokken in een stadion en per televisie uitgezonden -, niet de processen tegen deze schuldigen.
Vakbondsmensen zoals de eerder genoemde Reinol González en José Plana hadden soortgelijke ervaringen als de Vlaamse missionarissen. Wat het eerste vrije vakbondscongres moest worden in 1959, leidde tot een overname van de Cubaanse vakcentrale CTC door sympathisanten en aanhangers van de communistische partij. Bij voorafgaande voorverkiezingen in de bedrijven leden de communistische vakbondsstromingen nederlaag na nederlaag ten gunste van democratische groeperingen, verenigd in het Humanistisch Arbeidersfront.
Nieuwe dialoog
De dialoog die nu begonnen is, verschilt van vorige pogingen. Vooraanstaand is deze maal de rol die het Cubaanse episcopaat zelf speelt. Castro heeft hen duidelijk erkend als gesprekspartner en de kerk heeft verklaard de sociale doelstellingen van de regering te onderschrijven. De nieuwe wetgeving die iedere burger het recht geeft een. geloof naar eigen keuze te belijden en de oprichting van een Bureau voor Godsdienstzaken verbonden aan de partij, worden ook gezien als duidelijke vooruitgang. Toch dient dan in het oog te worden gehouden dat begin zestiger jaren een vergelijkbaar Bureau voor Kerkelijke Zaken was ingesteld en dat de grondwet van 1976 de godsdienstvrijheid ook al vastlegde. In de praktijk kwam daardoor geen einde aan de discriminatie tussen partijleden en actieve gelovigen. Het moment dat de katholieke kerk zich zoals in andere Latijns Amerikaanse landen publiekelijk zal uitspreken over het fundamentele recht op vrije meningsuiting of de mensonterende situatie in Cubaanse gevangenissen kan aanklagen, is nog ver weg.

Fidel nam in 1998 deel aan de misviering tijdens het bezoek van de paus
Toch dringt de tijd. Fidel Castro heeft zich op bekwame wijze meester gemaakt van de discussie over communisme en christendom. In Cuba verscheen in boekvorm een serie vraaggesprekken met hem van de hand van Braziliaanse dominicaner pater Frei Betto getiteld Fidel en de godsdienst. Die titel is tekenend voor de huidige situatie op Cuba waar naast Fidel weinig andere autoriteiten oorspronkelijke gedachten hebben over de godsdienst. Fidel's aangewezen opvolger, zijn broer Raúl, is zeker niet in staat, op dezelfde wijze gedachten te formuleren en de discussie aan te gaan. Hij is een orthodoxe partijman voor wie een gelijkwaardige gedachtewisseling met de kerk een gruwel moet zijn. Het is niet uitgesloten dat dit weinig rooskleurige toekomstbeeld de Cubaanse bisschoppenconferentie er toe heeft aangezet snelle en tastbare resultaten te willen behalen.
KvK
* Het artikel uit Bijeen staat elders op deze Cubablog
In 1977 ontstond er nieuwe hoop toen Fidel Castro in Jamaica uitvoerig sprak met kerkelijke leiders uit Latijns Amerika over de dialoog tussen marxisten en christenen. Bij die gelegenheid beloofde hij ook de invoer van bijbels toe te staan. In werkelijkheid gebeurde dit niet, bleven actieve katholieken uitgesloten van openbare functies en bleven de media gesloten voor godsdienstige informatie. Slechts de Oecumenische Raad van Kerken die nogal in de pas loopt met de regeringspolitiek,heeft mogelijkheden zich publiekelijk te uiten. Zij is meestal de gastheer van de vele buitenlandse theologen, priesters en dominees die de afgelopen jaren conferenties in Havanna bijwoonden.
Vijandelijkheden
In het buitenland toonde Fidel Castro zich open en tolerant tegenover de kerk en de godsdienst. Binnenlands had de kerk sinds het begin van de jaren zestig met veel tegenwerking te kampen. De Cubaanse staat duldt sinds die periode geen kerk naast zich die een zelfstandige rol speelt in de media, sociale organisaties en de politiek. Dat was ook één van de redenen dat er tussen 1960 en 1962 sprake was van openlijke vijandelijkheden en wederzijds wantrouwen waarbij meer dan 500 priesters en 2000 vrouwelijke religieuzen het land verlieten. Priesters behoorden tot de slachtoffers van de campagne P3 die het regime in 1960 inzette en waarbij duizenden prostituees, homoseksuelen, partij activisten, kunstenaars en ander gespuis tijdens nachtelijke razzia's werden opgepakt en in concentratiekampen terecht kwamen.
Wedden op verkeerde paard

In verschillende Nederlandse kranten wordt, nu er opnieuw een dialoog op gang komt, die vervolging nogal eens verklaard uit het hechte bondgenootschap wat er zou hebben bestaan tussen dictator Batista (zie foto) en de katholieke kerk. Aldert Schipper schrijft in Trouw (8-1-1986) dat voor de Cubaanse guerrillastrijders die de bergen introkken ‘christendom, kerk, kolonialisme en uitbuiting zo'n beetje één pot nat waren.' De katholieke kerk overleefde echter de Batista-periode veel geloofwaardiger dan sommigen voor mogelijk hielden.

Bisschop Serrantes van Santiago begroet commandant Hubert Matos (1959)
Castro zelf heeft in het verleden herhaaldelijk verklaard dat zijn leven in 1953 werd gered door bisschop Pérez Serrantes van Santiago de Cuba. (zie foto) Hij en zijn strijdmakkers waren toen gevangen gezet na een mislukte aanval op de Moncada-kazerne. De bisschop kwam bij Batista tussenbeide waardoor Castro vrij kwam.
Toen het Cubaanse weekblad Bohemia kort daarop foto's publiceerde van de wijze waarop Batista zijn politieke tegenstanders folterde, protesteerde Bisschop Serrantes opnieuw en werd de situatie in de gevangenis tijdelijk verbeterd. Castro heeft er enkele malen op gewezen dat de openlijke veroordeling van Batista door kerkelijke autoriteiten er de oorzaak van was dat in de katholieke middenklasse het begrip voor de guerrillastrijd groeide.
De houding van de communistische partij stond daarmee in schrille tegenstelling. Zij veroordeelde de aanval op de Moncadakazerne en verweet de deelnemers aan deze actie ‘op valse en steriele wijze' de held uit te hangen. Pas in 1958 - één jaar voor Batista's val - veranderde de Cubaanse communistische partij haar houding tegenover de 26-Juli-Beweging van Fidel en zijn aanhangers. Ook binnen de kerk waren er trouwens enkelen die tot aan het einde toe op het verkeerde paard bleven wedden. De bisschop van Cienfuegos bleef Batista tot in 1959 trouw en onder de uit Spanje afkomstige missionarissen waren verschillende priesters met sympathieën voor generaal Franco. Ook enkele middelbare en hogere katholieke onderwijsinstellingen- waar Fidel Castro zelf zijn opleiding had genoten - waren exclusief en conservatief en slechts toegankelijk voor de Cubaanse 'upper ten'.
Revolutionaire kerk
Daar tegenover stonden een katholieke jongerenbeweging als Juventud Acción Católica en de werkende jongerenbeweging JOC, Juventud Obrera Católica evenals een bloeiend lekenapostolaat op het platteland. Velen uit deze groepen waren anti-Batista en zouden de rebellen metterdaad steunen. De penningmeester van Castro's beweging in Santiago de Cuba, Enrique Canto kwam uit zo'n beweging voort. Vier leden van een katholieke studentenbond, Javier Calvo Formoso, José Ignacio Santa Cruz Pacheco, Julian Martinez Inclan en Ramon Pérez Lima, werden vermoord toen ze in Pinar del Rio een derde front wilde openen. Reinol González, voorzitter van de Katholieke Werkende Jongerenbeweging JOC, werd door Batista gevangengezet. Na bemiddeling van de kardinaal van Havanna werd hij het land uitgewezen. Samen met José Plana trok hij vervolgens in opdracht van de 26e Julibeweging naar Midden Amerika om wapens voor de guerrilla's te krijgen. Beiden maakten deel uit van de CLAT-beweging op Cuba.

De priester Jose Sardinas sloot zich bij de gewapende troepen van Castro aan
Enkele priesters zouden zich op verzoek van Fidel en Cecilia Sánchez als aalmoezenier aansluiten bij de strijdende rebellen. Verzetsbladen werden vaak in kloosters of kerken gestencild en guerrilleros vonden daar een plek om zich te verbergen. De rebellenzender Radio Rebelde zond enige tijd zijn programma's uit vanuit een bekend Maria-bedevaartsoord. Castro zelf had in het eerste j aar van de overwinning ook geen twijfels over de rol van de kerk. Voor de televisie sprak hij in juni 1959: ‘Niemand kan de houding van deze leiders van de katholieke kerk in twijfel trekken, van wie bekend is dat ze in moeilijke momenten duidelijk positie kozen' en naar aanleiding van de positieve reacties van kerkelijke zijde op de Wet op de Landhervorming, zei hij: ‘Met deze verklaringen heeft de Cubaanse kerk zich werkelijk revolutionair getoond; de katholieke kerk is op sociaal gebied de meest revolutionaire.'
Groeiende problemen
Toen op 25 juli 1959 de overval op de Moncadakazerne werd herdacht luidden in het hele land de kerkklokken en woonden Fidel Castro en president Mordicus de mis bij in de kathedraal van Havanna. De toekomst beloofde veel goeds. Zo besloten drie Belgische priesters daarop in Cuba te gaan werken. In 1970 gaven zij het op. Naast waardering voor de tot stand gekomen vooruitgang, veroordeelden zij de toenemende macht van de communistische partij, de verregaande sociale controle van de staat en dezelfde partij, de dwang op burgers en de martelingen waar veel van hun jongere parochianen aan werden blootgesteld. (Zie Bijeen, december 1970).*
Priesters staan de ter dood veroordeelden bij die in de eerste jaren
van de revolutie werden geexecuteerd
Aldert Schipper constateert in Trouw ook nog dat Castro in 1965 ‘spijt' kreeg van de vele concentratiekampen en ze liet sluiten. Vele politieke gevangenen hebben daar echter nooit iets van gemerkt. Integendeel, het aantal gevangenissen waar Castro zijn tegenstanders in opsloot, is sinds 1965 alleen maar gegroeid. De kerkelijke leiding kwam voor het eerst in 1960 openlijk in conflict met het regime nadat 400 personen ter dood waren veroordeeld wegens oorlogsmisdaden onder Batista. De terechtstellingen werden veroordeeld - sommigen werden voltrokken in een stadion en per televisie uitgezonden -, niet de processen tegen deze schuldigen.
Vakbondsmensen zoals de eerder genoemde Reinol González en José Plana hadden soortgelijke ervaringen als de Vlaamse missionarissen. Wat het eerste vrije vakbondscongres moest worden in 1959, leidde tot een overname van de Cubaanse vakcentrale CTC door sympathisanten en aanhangers van de communistische partij. Bij voorafgaande voorverkiezingen in de bedrijven leden de communistische vakbondsstromingen nederlaag na nederlaag ten gunste van democratische groeperingen, verenigd in het Humanistisch Arbeidersfront.
Nieuwe dialoog
De dialoog die nu begonnen is, verschilt van vorige pogingen. Vooraanstaand is deze maal de rol die het Cubaanse episcopaat zelf speelt. Castro heeft hen duidelijk erkend als gesprekspartner en de kerk heeft verklaard de sociale doelstellingen van de regering te onderschrijven. De nieuwe wetgeving die iedere burger het recht geeft een. geloof naar eigen keuze te belijden en de oprichting van een Bureau voor Godsdienstzaken verbonden aan de partij, worden ook gezien als duidelijke vooruitgang. Toch dient dan in het oog te worden gehouden dat begin zestiger jaren een vergelijkbaar Bureau voor Kerkelijke Zaken was ingesteld en dat de grondwet van 1976 de godsdienstvrijheid ook al vastlegde. In de praktijk kwam daardoor geen einde aan de discriminatie tussen partijleden en actieve gelovigen. Het moment dat de katholieke kerk zich zoals in andere Latijns Amerikaanse landen publiekelijk zal uitspreken over het fundamentele recht op vrije meningsuiting of de mensonterende situatie in Cubaanse gevangenissen kan aanklagen, is nog ver weg.

Fidel nam in 1998 deel aan de misviering tijdens het bezoek van de paus
Toch dringt de tijd. Fidel Castro heeft zich op bekwame wijze meester gemaakt van de discussie over communisme en christendom. In Cuba verscheen in boekvorm een serie vraaggesprekken met hem van de hand van Braziliaanse dominicaner pater Frei Betto getiteld Fidel en de godsdienst. Die titel is tekenend voor de huidige situatie op Cuba waar naast Fidel weinig andere autoriteiten oorspronkelijke gedachten hebben over de godsdienst. Fidel's aangewezen opvolger, zijn broer Raúl, is zeker niet in staat, op dezelfde wijze gedachten te formuleren en de discussie aan te gaan. Hij is een orthodoxe partijman voor wie een gelijkwaardige gedachtewisseling met de kerk een gruwel moet zijn. Het is niet uitgesloten dat dit weinig rooskleurige toekomstbeeld de Cubaanse bisschoppenconferentie er toe heeft aangezet snelle en tastbare resultaten te willen behalen.
KvK
* Het artikel uit Bijeen staat elders op deze Cubablog

In De
ontdekking van de Hemel(1992) gaan Max Delius en Onno Quist
naar Cuba zoals Mulisch zelf in 1967 Cuba bezocht. Vandaar dat zijn
Cubaanse verleden ook nu nog aan de schrijver kleeft. Mulisch in
een interview: ‘In het algemeen geldt dat je in een rechts
fascistisch land niet geweest hoeft te zijn om te kunnen zeggen hoe
het er is, terwijl je in een links kommunistisch land geweest moet
zijn om te kunnen zeggen hoe het er is.’ (De tekening is
van Joost Veerkamp )
De Zuid
Afrikaanse zangeres Miriam Makeba zei in 2005 tijdens een bezoek
aan Havana: ‘Ik had het geluk dat hij een van mijn
concerten in 1972 bijwoonde, toen ik Cuba voor de eerste maal
bezocht. Ik zong voor president Fidel Castro (…) hij is een
van mijn sterren.’
Ariel
Hidalgo, universitair docent werd in 1980 gearresteerd toen men een
manuscript van hem in beslag nam met de titel Cuba, de marxistische
Staat en de nieuwe Klasse. Hij werd veroordeeld wegen
‘vijandige propaganda’en zat korte tijd in het
Psychiatrisch Ziekenhuis van Havana opgesloten tussen zieken,
geestelijke gestoorden en zware criminelen. ‘Ik was
socialist. Ik geloofde – en ik geloof - in de oorspronkelijke
doelen van de revolutie. Waar ik niet meer geloof is in het
leiderschap van de revolutie.’(…) ‘Veel
gevangenen zaten om veel onschuldiger dingen in de cel. Er zat een
marineofficier Francisco Benites Ferrer bij mij in de cel omdat hij
deze uitspraak van José Martí op een muur gekalkt had:
‘Iedere keer als een mens wordt beperkt in zijn recht om vrij
te denken, lijkt het alsof een van mijn kinderen wordt
gedood’.
'Een
katholiek vervolgen omdat hij katholiek is, een protestant
vervolgen omdat hij protestant is, een vrijmetselaar vervolgen
omdat hij vrijmetselaar is, de rotary vervolgen omdat iemand lid
van rotary is, La Marina (een groot Cubaans ochtendblad) vervolgen
omdat het een rechtse krantis, iemand vervolgen omdat hij links is,
een ander omdat hij radicaal ter linker of ter rechterzijde is, dat
kan ik me niet voorstellen en dat zal de Revolutie nooit doen......
Wij doen wat democratisch is; alle ideeen respecteren. Als iemand
begint met de sluiting van een krant, kan geen krant zich meer
veilig voelen. Als men een mens vervolgt vanwege zijn politieke
opvattingen, kan niemand zich meer veilig voelen.'
De Franse
filosoof en schrijver Sartre bezocht Cuba in 1960 en was verrukt
van de zogeheten ‘directe democratie’ die Fidel en Che
Guevara daar praktiseerden tijdens bijeenkomsten met tienduizenden
Cubanen. Carlos Franqui, toen nog eindredacteur van het blad
Revolución probeerde Sartre uit te leggen dat ‘hier sprake
was van een voorbijgaand fenomeen dat volledig afhankelijk was van
Fidel Castro, dat geen enkele organische of structurele basis
‘bezat maar puur revolutionair theater was, dat in de
dagelijks praktijk niet functioneerde.’
'In naam
van het anti-amerikanisme hebben velen een van de langst- durende
dictaturen gesteund.Die mensen zullen zich straks moeten
verantwoorden; Ignacio Ramonet, hoofdredacteur van Le Monde
Diplomatique, Gerard Depardieu, Daniele Mitterand en Christian
Poncelet, de voorzitter van de Franse senaat. Ik heb ze nog nooit
de repressie horen veroordelen die de tegenstanders van Fidel heeft
getroffen.' De Cubaanse schrijver Jacobo Machover vorig
jaar in L'Expresse


