
We vinden dat er wat aan de opwarming van de aarde moet worden gedaan, maar we willen ook onbeperkt auto blijven rijden. We vinden dat er iets aan de files moet worden gedaan, maar we geloven niet in rekeningrijden. We vinden dat allochtonen zich aan onze cultuur moeten aanpassen, maar we weten niet wat onze cultuur is. We zijn tegen de islam omdat die intolerant zou zijn, maar we accepteren een net zo intolerant christendom. We moeten nieuwe spullen kopen om de economie er weer bovenop te helpen, maar we moeten een behoorlijke stap terug doen vanwege het milieu. En zo kan ik nog wel even doorgaan. We willen van alles, maar of het wel met elkaar te verenigen is, dat ontgaat ons.
Californië is op een haar na bankroet. Men heeft daar ooit vastgesteld dat als het volk dat wil, er een bindend referendum moet komen over ieder gewenst onderwerp. Maar nu hebben de kiezers gestemd voor verbetering of invoering van allerlei voorzieningen, maar tegen verhoging van de belastingen. En governator Arnold Schwarzenegger is dan wel rijk, maar ook hij kan alle wensen van de inwoners van zijn staat niet betalen. Rita Verdonk heeft ook zo iets gedaan. Op een gegeven moment zat ze met een eigen partij, maar zonder programma. Wat te doen? Haar idee was om iedereen op te roepen zijn of haar wensen toe te voegen aan het partijprogramma van haar partij. Of dat tot een uitvoerbaar beleid zou kunnen leiden, daar maakte ze zich maar niet druk over.
Regeren is keuzes maken. Het is de vraag of alle partijen in de tweede kamer wel willen regeren, al roepen ze dat wel. Want het is onvermijdelijk dat een regerende partij dingen moet doen die de kiezers niet leuk vinden. En dat kost kiezers. Wil je populair blijven, dan kun je maar beter in de oppositie blijven zitten, en de leden van de regeringspartijen uitschelden voor “zakkenvullers” of “islamvrienden”. Het vervelende is nu echter dat de regeringspartijen ook geen keuzes durven maken. Men wil wel natuurbehoud, maar de boeren moeten wel kunnen uitbreiden. Men wil wel energiebesparing, maar het wegennet moet wel worden uitgebreid. Men wil zich wel aan zijn beloften houden, maar toch ook in Uruzgan blijven. Met zo'n regering, wie heeft dan nog een oppositie nodig?
Gisteren de Kandinsky-tentoonstelling gezien in het Haags gemeentemuseum. Heel kleurig, heel beweeglijk, al zijn het dan schilderijen. Kandinsky was min of meer de ontdekker van het abstracte schilderen. Je vraagt je af: hoe komt iemand daarop? Zelf heeft hij er wel een uitleg bij. Volgens hem is er naast de visuele indruk nog iets dat je innerlijk roert. Een soort muziek bij wat je ziet. Niet voor niets noemt hij zijn schilderijen vaak impressies, improvisaties of composities. En in zijn schilderijen probeert hij die muziek zichtbaar te maken. Je ziet dat in de werken van rond 1911 gebeuren: hij beeldt nog wel iets af, mensen, landschappen, maar hij reduceert ze tot composities van vlekken. De mensen hebben geen gezicht, bomen en huizen zijn platte vlakken. Het zijn dan geen afbeeldingen meer maar vlakvullingen. Maar geen decoratieve vlakvullingen, geen abstracte patronen in een prettig ogend arrangement. Kandinsky probeert te schilderen zoals een dichter dicht. Zoals een dichter schildert met woorden, zo dicht Kandinsky met kleurvlekken.
Als je probeert je een beeld voor de geest te halen, dan is dat geen foto. Je ziet het beeld niet echt, maar je kunt er wel een beschrijving van geven. Op de een of andere manier heeft je geheugen iets geregistreerd dat de essentie voor jou van dat beeld bevat. Wat je toen zag is vastgelegd in de taal van de herinnering. Dat is niet een beschrijving in woorden, want die treft niet de kleuren en vormen zoals je ze toen zag. Het woord 'groen' is niet groen. Sterker nog, het woord 'groen' kan van alles betekenen, een heel scala van kleuren, naast zaken als weiden en bossen. Maar de kleur die je zag was een specifieke kleur. En juist het specifieke ervan kun je reproduceren. Waar het op neerkomt is dat je een voorstelling hebt van wat je zag die niet hetzelfde is als wat je hebt gezien, maar die ook geen beschrijving is. Ik denk dat wat Kandinsky probeerde te doen is die voorstelling zichtbaar maken. Weergeven van wat de essentie was van dat beeld. Laten zien wat je ziet als je je iets herinnert. Je zou zoiets technisch een interne representatie kunnen noemen.
Kandinsky schilderde interne representaties. Hij gaf niet weer wat zijn ogen zagen, maar welke indruk dat op hem maakte. En daarmee probeerde hij de taal van de herinnering te achterhalen. Die taal laat ons zien wat we zien. En wat die taal niet uitdrukt is heel moeilijk waar te nemen. Die taal maakt dat bijvoorbeeld de compositie zo'n belangrijke rol speelt in de schilderkunst. Sommige schilderijen spreken je meteen aan, en andere niet. Van sommige abstracte schilderijen zeg je: dat gaat ergens over, terwijl je andere als niets anders dan collecties van kleurvlekken en lijnen kunt zien. De laatste zijn dan ongrammaticaal. En net als met spreektaal weet je zonder die grammatica geleerd te hebben wat wel en wat niet klopt. En dat sommige schilderijen wel kloppen en andere niet heeft de zelfde reden als waarom sommige verhalen aanspreken en andere niet: het valt niet mee om precies te zeggen wat je zeggen wilt. Herinneringen vertalen naar verf op een doek is een kunst.
Soms blijven dingen in je geheugen hangen. Dingen waar je niets bijzonders aan hebt opgemerkt en waarvan je je afvraagt waarom je ze niet meteen bent vergeten, zoals met de meeste dingen. Ze hebben blijkbaar een speciale betekenis, een betekenis die niet speciaal is in de spreektaal, maar wel in de taal van je geheugen. Soms ook kun je een herinnering niet terug vinden terwijl je toch weet dat die nog ergens in je geheugen rondzwerft. Je proeft als het ware de smaak ervan, je hoort de klank, maar je mist het beeld. Je kunt de essentie niet te pakken krijgen, maar er is toch iets blijven hangen. Blijkbaar hebben essenties ook essenties. Blijkbaar bevat je geheugen niet alleen herinneringen, maar ook herinneringen aan herinneringen, in de taal van de herinnering. Je herkent als het ware een impressie van een impressie. Soms heeft enkel een kleur, een klank of een geur al een speciale betekenis. Je verstand weet niet waarom, maar je geheugen wel. Een goede schilder kan je dingen laten zien, in de afbeelding van een mens of van een landschap, waarvan je verstand niet wist dat die erin te zien waren. Maar ze zijn er wel, zoals je geheugen je soms vertelt.
Is Kandinsky nou zo'n goede schilder? Ik vind eigenlijk van niet. Zijn schilderijen missen samenhang. Ze zijn te willekeurig, te druk. Alleen in de kleinere werken vind je soms iets van een alles omvattende spanning, van een balans die het tot meer maakt dan een kleurig plaatje. Maar mag je een pionier kwalijk nemen dat hij niet perfect is?
Vandaag heb ik op mijn website een e-book gepubliceerd, getiteld “Filosofie in twintig tegenpolen”. Het is een beschrijving van twintig begrippenparen die in het filosofische denken een grote rol spelen. Met elkaar omspannen ze de hele geschiedenis van de filosofie en vertegenwoordigen ze verschillende filosofische stromingen. Ik denk dat een absolute beginner voor dit boek nog wat kennis mist, maar iemand die zich al wat meer met filosofie heeft bezig gehouden wordt hier op een originele manier een overzicht geboden van het filosofische denken. In dit boek heb ik een reeks artikelen die ik heb geschreven voor dit blog verder uitgewerkt. Het is gratis te downloaden op
http://www.wijsgeer.nl/Tegenpolen.pdf
In de eerste jaren van je leven worden je weinig keuzes gelaten. Je mag misschien af en toe kiezen wat voor ijsje je wilt hebben, maar je ouders beslissen eerst hoe je heet, dan waar je mee speelt en vervolgens naar welke school je gaat. Wat je daar doet, bepaalt de juf of de meester. En die heeft ook een dikke vinger in de pap bij je volgende schoolkeuze. Daarna krijg je geleidelijk meer vrijheid, maar of dat tot betere keuzes leidt is maar zeer de vraag. De keuzes die je als puber maakt zijn meestal niet zo rationeel. De hormonen gieren door je lijf, je verandert in een zodanig tempo dat je soms jezelf niet meer herkent. Als je dan kiest, spelen de emoties daarbij een grotere rol dan de ratio.
En feitelijk blijft het zo. De keuze van een studie of van een baan berust grotendeels op toeval. Wat valt er te kiezen als je totaal geen ervaring hebt met de dagelijkse praktijk van een bepaald vak? Laat staan dat je inzicht hebt in wat voor bedrijf het is waar je uiteindelijk belandt. Toch groei je min of meer vanzelf in je rol. En op een gegeven moment is het of je nooit iets anders hebt gedaan.
Leven is keuzes maken. Maar als je het goed nagaat dan valt er niet zoveel te kiezen. Bij je geboorte zijn er al heel wat keuzes gemaakt waarop je feitelijk niet terug kunt komen. Bijvoorbeeld je geboortestreek en je familie, en de cultuur die je van daar uit mee krijgt, en die de achtergrond zal vormen van alle beslissingen die je neemt, zelfs als die ermee in strijd zijn. Er zijn mensen die al heel jong uit die achtergrond worden weggerukt, iets wat ook een zwaar stempel op hun leven drukt. Wat betreft je genetische opmaak heb je helemaal niets te kiezen. Ook die vormt een achtergrond bij alles wat je doet.
Je leven voltrekt zich als een blad dat van een boom dwarrelt en in de beek terecht komt. De stroom drijft het dan weer naar deze, dan weer naar de andere oever. Totdat het blijft hangen in wat boomwortels die door het water zijn uitgegraven. En daar composteert het langzaam, totdat de losse vezels zich weer mengen met de stroom. Die beek bepaalt je lot. En vanaf het moment dat je redelijk op je plek bent terecht gekomen, begint de lange weg naar de vergetelheid.
Een film kan spannend zijn, ontroerend of aangrijpend. Een film kan angst oproepen, blijdschap, of opwinding. Een film kan om meeleven vragen, maar niet om persoonlijke betrokkenheid. Want wat ik zie, in die film, is niet echt. Het kan zijn dat die film verslag doet van gebeurtenissen die echt hebben plaatsgevonden, maar die gebeurtenissen spelen zich dan niet hier en nu af, maar op een andere plaats en op een andere tijd. En ik, als kijker, ben geen acteur in die film. Ik sta buiten het verhaal. Wat er in die film gebeurt, gebeurt anderen.
Mijn leven is geen film die ik op mijn gemak kan bekijken. Het is hooguit een film in het stadium van de opname. In de film van mijn leven speel ik de hoofdrol. Wat er in die film gebeurt, overkomt mij. De ervaringen die de film van mijn leven mij presenteert zijn mijn ervaringen, niet die van anderen. Ik ben er op mijn manier bij betrokken, en anderen kunnen er niet op dezelfde manier bij betrokken zijn. Alles wat jij meemaakt komt bij mij toch anders over dan wanneer ik het zelf zou meemaken. Er is, met andere woorden, sprake van twee verschillende perspectieven. Ik kan niet, op de zelfde manier als jij dat beleeft, beleven wat jij beleeft. Ik kan dat wat jij beleeft alleen van buitenaf bekijken. Wat voor jou ervaringen zijn, zijn voor mij maar observaties. En hoe jij dingen ervaart, daar kan ik alleen maar naar raden. Mijn eigen ervaringen, daarentegen, onderga ik vanuit een eerste persoonsperspectief. Daar zijn het ervaringen voor.
Ergens iets over vertellen is iets anders dan het ervaren. De manier waarop ik het rood van een tomaat ervaar is niet onbeschrijfelijk, maar wel onuitspreekbaar. Ik kan er nooit zeker van zijn dat wat ik beschrijf bij de toehoorders dezelfde ervaring oproept als die welke ik probeerde te beschrijven. Bij een kleurenblinde zal dat bijvoorbeeld beslist niet het geval zijn. Er gaapt een kloof tussen het beschrijven en het ervaren.
Descartes geloofde dat er twee rijken zijn die hij respectievelijk noemde res extensa en res cogitans. Het res extensa was het rijk van de materie die massa had en ondoordringbaar was. En het res cogitans was het rijk van de geest die vrij was van die eigenschappen. Descartes was een dualist. Waar het in het dualisme feitelijk om gaat is niet om het onderscheid materie / geest, maar het onderscheid tussen het eerste en het derde persoonsperspectief. Waar het op aan komt, is de beleving, net zoals bij het zien van kleuren. En het res extensa van Descartes komt in feite overeen met het derde persoonsperspectief. Het is een bedacht verhaal dat de wereld beschrijft alsof die zich presenteert als een materieel systeem, met krachten en massa's, terwijl het noodzakelijkerwijs enkel is gebaseerd op verschijnselen zoals wij die ervaren, met spierspanningen en pijnimpulsen.
Het determinisme stelt dat alles is voorbeschikt. Iedere gebeurtenis is het resultaat van voorgaande gebeurtenissen, en wordt door de aard van die gebeurtenissen volledig bepaald. Vanaf de eerste gebeurtenis, de Big Bang, lag het lot van de wereld volledig vast, tot in het meest minieme detail. Dat geldt ook voor het gedrag van de mens. Wat jij nu gaat doen, was al bij de Big Bang bepaald. Toeval bestaat niet.
Toeval wil zeggen: er is geen reden voor een bepaalde gebeurtenis. Het gebeurt gewoon spontaan. Veel mensen vinden dat moeilijk te geloven. Toch zal iedereen moeten toegeven dat er veel dingen gebeuren waar je geen controle over hebt, toevallige ontmoetingen, ongelukken, noem maar op. Determinisme is enkel een kwestie van geloof. Een determinist durft het toeval niet onder ogen te zien en klampt zich vast aan een onbewezen en onbewijsbaar waanidee. Want hoe zou je ooit kunnen vaststellen wat de reden is voor alles wat je overkomt, laat staan dat je dat zou kunnen doen voor het hele heelal?
Hoe kan iemand iemand die regelmatig dingen meemaakt die hij niet heeft zien aankomen, zoals wij allemaal, vasthouden aan het idee dat het allemaal is voorbeschikt? Ik kan me heel goed voorstellen dat alles op toeval berust. Ik ga uit van toeval als basisprincipe. Dat wil niet zeggen dat er geen een-op-een oorzaak - gevolgrelaties bestaan. Alleen kun je, dank zij die toevalsfactoren de toekomst principieel niet tot in alle eeuwigheid voorspellen. Volgens de hedendaagse fysica zou, als je de film van het heelal zou terugdraaien, en vervolgens de wereld weer zijn gang zou laten gaan, die wereld zich anders ontwikkelen dan voorheen. Puur toeval dus, zij het dat de kansen op de verschillende mogelijkheden bekend zijn.
Van veel gebeurtenissen die we dagelijks meemaken kunnen we niet achterhalen wat ze heeft veroorzaakt. Waarom dan toch aannemen dat er zo'n oorzaak is? Dat is niet meer dan een op niets berustende veronderstelling. Toeval daarentegen veronderstelt geen verborgen oorzaken, wat determinisme wel doet. Dat laatste is dus complexer, en die extra complexiteit levert niets op, omdat je meestal toch niet kunt nagaan wat die oorzaken waren. Dus zegt het scheermes van Ockham: weg met het determinisme.
Wat maakt een verhaal tot een verhaal? Op de eerste plaats het feit dat het verteld wordt. Dat wil zeggen: het is geen belevenis, maar iets dat je door een ander wordt meegedeeld. En dat mededelen gebeurt in de een of andere taal. Verhalen zijn geen gebeurtenissen, maar ze kunnen wel over gebeurtenissen gaan. Daarbij bevinden ze zich in een eigen wereld, met eigen regels en gebruiken. De wereld van verhalen bestaat uit begrippen, niet uit dingen. En wat ze beschrijven hoeft niet te corresponderen met iets dat echt beleefd zou kunnen worden. Wat dat betreft zijn verhalen puur virtueel, al bestond dat begrip nog niet in de tijd toen de eerste verhalen ontstonden.
Verhalen kiezen zich een positie tussen andere verhalen in de verhalenwereld. Ze laten zich inspireren door andere verhalen en verwijzen daar ook naar. Personages, landschappen, ja complete virtuele werelden worden ontleend aan eerdere vertellingen. Dat bespaart de moeite om zelf een nieuwe wereld te creëren. Dat hoeft geen fantasiewereld te zijn, het kan ook een eigen kijk zijn op de wereld van onze dagelijkse belevenissen. Zoals die van de natuurkunde, met zijn krachten en energieën. Maar het kan ook een irreële wereld zijn, zoals die van de sprookjes. We weten allemaal dat er in sprookjes getoverd kan worden, en dat er schepsels in rondlopen die je in het dagelijks leven niet tegenkomt, zoals kabouters en elfen. Een nieuw sprookje hoeft dat niet eerst duidelijk te maken voordat het zijn verhaal vertelt. Het hoeft maar te beginnen met “Er was eens....” en we weten wat ons te wachten staat.
Waar gaat het in verhalen om? Worden ze in donkere grotten in de wand gekerfd om duistere waarheden vast te leggen, of worden ze aan mensen verteld om die bepaalde dingen te laten beleven, geloven of duidelijk te maken? Verhalen ontlenen hun betekenis aan de toehoorders. Zonder toehoorders heeft een verhaal geen bestaansrecht. En als niemand zich erdoor aangesproken voelt, dooft het uit en verdwijnt in de mist van de geschiedenis. Verhalen zijn er om gehoord te worden, en alleen doordat ze gehoord worden kunnen ze invloed uitoefenen. Dat geldt niet alleen voor sprookjes, maar ook voor wetenschappelijke theorieën. Als een verhaal iets met de werkelijkheid heeft te maken, dan alleen door mensen die zich erdoor hebben laten motiveren. Een verhaal werkt door mensen, en zonder mensen geen verhaal.
Wij mensen hebben ons onafhankelijk gemaakt van het weer en overwinteren nu op de zuidpool. We hebben ons door medische ingrepen en genetische manipulatie bevrijd van de dwang van de evolutie. We zetten de natuur naar onze hand voor de productie van voedings- en genotmiddelen. We hebben de eerste stappen in de ruimte gezet. Als je een diersoort bent die zich grotendeels heeft vrijgemaakt van zijn natuurlijke milieu en die zijn eigen wereld schept, heb je een goed verhaal nodig om jezelf in de hand te houden. Er is immers niets of niemand anders die dat doet. Als we willen voorkomen dat we door eigen toedoen ons eigen bestaan onmogelijk maken hebben we behoefte aan een aangepaste ethiek.
Toen we ons vrij maakten van de natuurlijke omgeving waarin we ontstonden kregen we behoefte aan een ethiek. Voor een samenleven in stamverband was het voldoende om onze instinctieve neigingen te volgen. Maar voor een samenleven in legerkampen of in steden moesten expliciete regels worden bedacht, omdat je niet meer een directe relatie had met elk van de anderen in jouw omgeving. En onbekend maakt onbemind. We missen het instinct om met groepen, groter dan 150 personen om te gaan. Op steden had onze evolutie ons niet voorbereid. Dus moesten er regels worden bedacht.
Nou gaat het niet meer om steden, maar om de aarde als geheel. Dus moeten er nieuwe regels worden bedacht. In het verleden hebben we naast vele andere diersoorten zelfs onze eigen broeders, de Neanderthalers, uitgeroeid. Nu lopen we het risico onszelf uit te roeien. Er is geen instantie die ons beschermt tegen eigen handelen. Dat moeten we helemaal zelf doen. En ons sociale instinct is daarvoor niet meer voldoende. Bovendien lijkt de rol van de religie als dwingende morele macht nu uitgespeeld. Toch accepteren we nog steeds de noodzaak van een moraal en blijven we op zoek naar een ethiek, naar een verhaal dat ons vertelt waarom we niet elkaar op grote schaal moeten mishandelen, verkrachten en vermoorden.
Zonder ons natuurlijke ethische gevoel hadden we ons niet in onze huidige biologische vorm kunnen handhaven. Maar dat is niet het hele verhaal. En we hebben langs rationele lijnen een ethiek geconstrueerd die ons moet helpen onszelf te overleven. Zonder die rationele aanpak hadden we nooit kunnen realiseren wat onze beschaving ons nu biedt. Maar ook dat is niet het hele verhaal. Die beschaving staat nu onder druk door vervuiling, vernietiging van natuurlijke hulpbronnen en een onevenwichtige verdeling van rijkdom. Zonder de beschaving die we hebben opgebouwd kunnen we niet alle 6 miljard mensen die nu leven ook in leven houden. De grote vraag is of het met die beschaving dan wel gaat lukken. We zullen in de komende tijd al ons sociale gevoel en al onze rationaliteit nodig hebben om onszelf in stand te houden.
Morgen in de Volkskrant, vandaag al op de website:
Het aantal superrijken is vorig jaar door de crisis wereldwijd met bijna een kwart gedaald tot 8,6 miljoen particulieren. Hun gezamenlijke vermogen slonk met bijna een vijfde tot 32.800 miljard dollar. Dat blijkt uit het woensdag gepresenteerde World Wealth Report van de Amerikaanse bank Merrill Lynch en adviesorganisatie Capgemini.
Superrijken kunnen ten minste 30 miljoen dollar besteden. Het aantal ‘gewone’ rijken, met een vrij besteedbaar bedrag van minimaal 1 miljoen dollar, daalde vorig jaar wereldwijd met 14,9 procent. Nederland telde vorig jaar bijna 106.000 miljonairs, ruim 12 procent minder dan in 2007."
Waar komt zo'n definitie toch vandaan? Is er een objectieve, absolute maat die bepaalt wie er superrijk is? Is er een grens waar niet aan getornd mag worden, of wordt zo'n bedrag van 30 miljoen simpelweg gekozen omdat dat een redelijk overzichtelijk groepje superrijken oplevert? In het laatste geval is er eigenlijk niets aan die superrijken veranderd. Tien jaar geleden zal die grens van 30 miljoen ook wel lager hebben gelegen. Het enige dat er uit dit bericht is af te leiden is dat het besteedbaar inkomen van de rijkste groep mensen door de crisis is teruggelopen. Nauwelijks een krantenbericht waard, zou ik zeggen. Dat hadden we zo ook op onze vingers kunnen uittellen. En die daling met een kwart kunnen we gemakkelijk compenseren door die 30 miljoen tot, zeg 25 miljoen, te verlagen.
De filosofie kent vele verhalen. Verhalen die allemaal proberen ons zijn in de wereld te verhelderen. De filosofie is een uitgebreide collectie verhalen over de wereld, de mens, en over het denken, spreken en handelen van die mens. Eigenlijk is het een collectie verhalen over verhalen. En die metaverhalen beschrijven manieren om de wereld, de mens, enzovoort, te beschrijven. Filosofische verhalen gaan over hoe het is. Maar ze gaan ook over hoe het zou moeten zijn, en over waarom het niet zo is als het zou moeten zijn. En ook over het perspectief van waaruit je dat allemaal beschrijft. Filosofische verhalen zijn divers en veelomvattend, wijs en vernuftig, diepgaand en breed.
Eigenlijk is wat wij filosofie noemen een metaverhaal van metaverhalen. Het verhaal van de filosofie vertelt over hoe we de wereld moeten beschrijven. De wereld waarin de alledaagse verhalen van alledaagse mensen zich afspelen. Filosofische verhalen schilderen het achterdoek van de gebeurtenissen van alledag, en de filosofie vertelt hoe die schildering moet plaatsvinden. Maar de filosofie vertelt niet wat zich concreet voor dat achterdoek afspeelt. Een filosofisch verhaal vertelt niet wat er gebeurt, maar wel waarom er gebeurt wat er gebeurt. Daarbij legt de filosofie tevens vast hoe filosofen tegen die alledaagse gebeurtenissen zouden moeten aankijken. Maar filosofen laten zich niet graag wat voorschrijven. Wat dat betreft zijn het net kunstenaars. Veel filosofische verhalen proberen niet alleen nieuwe gezichtspunten aan te dragen, maar ook een nieuwe vocabulaire te definiëren. En net zoals kunstenaars doen door zich af te zetten tegen andere kunstenaars leveren filosofen daarbij vooral commentaar op andere filosofen.
Van oudsher is de filosofie een verzamelplaats voor vrije geesten, op zoek naar nieuwe manieren van denken. De filosofie is dan ook heel divers. Het enige gemeenschappelijke is eigenlijk dat serieuze filosofen zich in een gemeenschappelijke traditie plaatsen. Ze beschouwen zich als erfgenamen van Plato en Aristoteles, al zullen de meesten het niet volledig met die voorgangers eens zijn. En ze gaan ook uit van een bepaalde redelijkheid, in ieder geval in zoverre dat ze denken dat onderlinge onenigheid door een dialoog kan worden opgeheven. Maar verder? Filosofie is alleen filosofie als er filosofie op staat.
Gelovige mensen hoor je vaak beweren dat zonder de invloed van hun religie mensen zich niet ethisch zouden gedragen. Maar juist onder de vlag van zulke religies zijn en worden er grote misdaden gepleegd. Denk aan de kruistochten, de inquisitie en het verbranden van heksen. Aan de andere kant heb je de filosofie, die ook min of meer het alleenrecht claimt op ethische principes. Het klopt dat verschillende filosofen verschillende ethieken hebben bedacht, maar dat heeft niet geresulteerd in een uniforme, algemeen geaccepteerde ethiek. En ook hier kun je je wel afvragen of die bedenksels wel de invloed hebben gehad die er door filosofen aan wordt toegekend. Was er voor het tot stand komen van de tegenwoordige religieuze en filosofische ethieken dan geen sprake van ethisch gedrag? Er is niets dat daar op wijst. Ook voor de opkomst van christendom en filosofie was er sprake van onderlinge hulp tussen mensen, en was mishandeling en moord geen dagelijkse praktijk. Zijn we nu ethisch geworden dank zij profeten en filosofen, of hebben die enkel een (rationeel) kader bedacht voor het gedrag dat we van nature al vertoonden? En zijn wij de enige diersoort die zich aan ethische normen onderwerpt?
Mishandeling, verkrachting, moord, het zijn misdaden die waarschijnlijk de mens gedurende een groot deel van zijn evolutie hebben begeleid. Maar zijn ze ook altijd al als misdaad beschouwd? Of is dat pas iets van de laatste paar millennia? Hadden de mensen uit het paleolithicum al een gevoel van rechtvaardigheid? En zo ja, waarop was dat gebaseerd? Het zijn niet de wetten die definiëren wat misdaad is. Ze leggen enkel een opinie vast, de opinie van een heerser of de opinie van een volk. De notie van misdaad bestaat buiten de wetten om. Voordat er wetten zijn, hebben mensen al een idee over goed en slecht. Voordat er wetten zijn, zijn er al gedragsnormen. En het uitgangspunt daarvan is een mensenmaatschappij, waarin mensen samen wonen en werken. Dat is niet een doordachte keus, maar iets dat voortkomt uit de natuurlijke neiging van de mens. Mensen zijn van nature sociale dieren, net als hun neven, de chimpansee en de gorilla. We zijn er mentaal en fysiek op gebouwd om in groepen te leven. Dat maakt deel uit van onze ecologische niche. Ons gedrag is daaraan aangepast door middel van instincten. Die zorgen voor bepaalde neigingen, maar ze verhinderen ons niet ons tegen die neigingen te verzetten. Dat resulteert in misdaden die tijdelijk en individueel voordeel kunnen opleveren, al zal het vaak op langere termijn de hele groep schade berokkenen.
Het verhaal van de ethiek vertelt dat ethiek is bedacht door filosofen of geopenbaard is aan profeten. Maar het verhaal van de ethologie vertelt dat ethisch gedrag in de aard van het beestje zit. Over ethiek zijn er dus zeker drie verhalen, dat van de religie, dat van de filosofie en dat van de wetenschap.
Voor elk van de bovengenoemde suggesties is wel wat te zeggen, en dat is ook gedaan in de geschiedenis van de menselijke cultuur. Feit is dat we onszelf als iets aparts beschouwen, naast de dieren, de planten en de dode dingen die enkel worden bewogen door elementaire natuurkrachten. Maar dat doen andere dieren misschien ook. Feit is ook dat we onze eigen omgeving naar onze hand proberen te zetten, en dat doen op een schaal en met een vernieuwingsdrang die je verder nergens tegenkomt. Maar misschien is dat allemaal slechts een gevolg van onze egocentrische kijk op de wereld, die meet met eigen criteria voor succes en blind is voor de impact van andere soorten, zoals insecten en eencelligen, die zich in veel grotere aantallen manifesteren en zich in veel gevarieerdere biotopen weten te handhaven.
Als wij onszelf moeten definiëren, dan zijn er twee aspecten die we van belang vinden: uitzicht en inzicht. Uitzicht: wij zijn in staat om verder te kijken dan het hier en nu. We kunnen alternatieve mogelijkheden overwegen en we kunnen trends extrapoleren. We kunnen dus tot op zekere hoogte in de toekomst kijken. En inzicht: we onderscheiden krachten en machten achter de dingen die gebeuren. We kunnen dus als het ware een blik werpen in de motor van de werkelijkheid. Maar wat die toekomst ons biedt jaagt ons vaak angst aan. We leven in de schaduw van onze eigen dood. En ook ons inzicht stelt ons vaak teleur. We zijn gedwongen om een grote plaats in te ruimen voor het toeval als drijvende kracht van de wereld.
Onze pretenties verdragen zich niet met onze vermogens. We voelen ons de heersers van de wereld, en in de bijbel worden we aangesteld tot rentmeesters van de aarde. Maar als we eerlijk zijn beseffen we dat we die opdracht onmogelijk kunnen waarmaken. Laat staan dat we ook maar enige invloed kunnen uitoefenen op dat hele grote onbereikbare heelal.
De metafysica gaat uit van een wereld achter de wereld die zelf onzichtbaar is, maar die wel de gebeurtenissen in de wereld bepaalt. En de wetenschap probeert die wereld dan zichtbaar te maken. De wetenschap probeert de regels en wetten te achterhalen die die onzichtbare wereld aan de zichtbare wereld oplegt. Maar voortdurend blijkt dat de zichtbare wereld zich niet altijd even strikt aan die wetten en regels houdt. Er zijn blijkbaar krachten die in de wereld van de fenomenen afbreuk doen aan wat de wereld van de wetten en regels bepaalt. Dat is de opvatting van veel filosofen, waaronder Plato, die zich een volmaakte ideeënwereld voor ogen stelde waarvan de zichtbare wereld een onvolmaakte afspiegeling is. Maar waarom moet onze leefwereld toch aan regels voldoen en wat maakt die wereld dan onvolmaakt?
De wereld is wat hij is, en als hij niet is zoals wij ons dat voorstellen, dan ligt dat aan onze voorstelling en niet aan de wereld. Mocht morgen blijken dat zware voorwerpen niet meer naar beneden vallen, dan valt dat niet aan de wereld te verwijten, maar aan de manier waarop wij daar tegen aankijken, en moeten we op zoek naar een nieuwe regelmaat. Onze metafysica wijst op een gebrek aan aanpassing van de mens aan de wereld waarin hij leeft. Kennelijk kunnen wij moeilijk leven met een autonome wereld. Kennelijk willen we hem op de een of andere manier zelf construeren. Zouden dieren dat nou ook hebben?
Het verhaal van de waarheid vertelt van een soort anker, een vast punt, dat de wereld op zijn plaats houdt. Je kunt er wel omheen draaien, maar je kunt hem niet verschuiven. Het verhaal vertelt van onthulde en van verborgen waarheden en suggereert dat er waarheden zijn die wellicht nooit aan het licht zullen komen. En misschien zijn er wel waarheden waarmee de mens niet zou kunnen leven. Maar wat is die waarheid dan? Wat maakt dat dat begrip zo'n belangrijke rol speelt? Waardoor onderscheidt een ware bewering zich van een die niet de pretentie heeft waar te zijn? Een ware bewering geldt absoluut. Hij duldt geen tegenspraak. Hij verdraagt geen uitspraken die er strijdig mee zijn. De waarheid is universeel. Hij geldt ongeacht de omstandigheden die er heersen. En als hij nu geldt, dan is dat ook morgen nog het geval. Verder mag het niet uitmaken op welke plaats de uitspraak betrekking heeft. Er is voor wat betreft de waarheid geen verschil tussen hier en daar, tussen toen en nu. En andere waarheden hebben zich er maar naar te schikken. Ieder mens zou diezelfde waarheden moeten accepteren. Maar waarheid is een onbruikbaar begrip. Waarheid werkt verstarrend. Waarheid discrimineert. De waarheid zet je oogkleppen op en verstoort je onbevangenheid.
Wordt ons de waarheid gedicteerd door de werkelijkheid? Verbergt zich ergens in de wereld een waarheid die erop wacht om gevonden te worden? Is de waarheid onafhankelijk van de naar waarheid zoekende mens? Of moeten we het allemaal niet zo letterlijk nemen, niet zo absoluut, niet zo onveranderlijk? Is 'waarheid' wellicht niet meer dan een karikatuur van iemands persoonlijke overtuiging?
De vraag: wat kan ik weten? reflecteert de verwondering over de wereld in ons hoofd, die dat wat we ondergaan en meemaken probeert te plaatsen in een landschap met duidelijk gemarkeerde objecten en gebeurtenissen, die met elkaar zijn verbonden door ruimtelijke en tijdelijke verbanden, en door oorzaak-gevolg relaties. Het landschap van de kennis toont een orde die de ervaringswereld van zintuiglijke flitsen en flarden, en van handelingen die vaak al voorbij zijn voordat we ons kunnen realiseren wat we hebben aangericht, hanteerbaar moet maken.
De vraag: wat moet ik doen? weerspiegelt de onzekerheid van het individu dat zich geconfronteerd ziet met de verantwoordelijkheid voor de uitwerking van zijn handelen op een ondoorgrondelijk complexe omgeving, die bestaat uit andere onzekere individuen, maar ook uit krachten en machten met vaak onoverzienbare uitwerkingen die meestal niet achteraf kunnen worden teruggedraaid.
Dan is er de vraag: wat mag ik hopen? die zoekt naar houvast ten aanzien van ontwikkelingen die zich onvermijdelijk gaan voltrekken, en die zich niet laten sturen door intenties en wensdromen. De toekomst is onzeker, maar zal toch niet enkel negatieve ontwikkelingen bieden?
Dat alles wordt samengevat door de vraag: wat is de mens? die de persoonlijke beleving van het individu confronteert met zijn positie temidden van andere schepsels en de invloed die die hebben op zijn welzijn en gemoedsrust. Die mens, dat is het individu dat tegenover de complexiteit, de uitgebreidheid en de ondoordringbaarheid van zijn leefwereld alleen maar een feilbare en onstandvastige geest vindt die beseft dat alles waar hij van uit gaat, ook best wel eens volledig anders zou kunnen zijn.
Ons past verlegenheid, en wie zich dat niet realiseert, die kent zichzelf niet.
Aan de andere kant kun je ook stellen dat het in principe niet mogelijk is om de mens geheel in fysische termen te beschrijven. Maar dan heb je het over een ander paradigma. Dan stel je je niet op als fysicus, maar als bijvoorbeeld een menswetenschapper, die niet spreekt in fysische termen, maar in termen van gedragscomponenten of mentale vaardigheden. Je bezigt dan een heel ander taalgebruik, met heel andere uitgangspunten. En je gaat uit van andere verschijnselen. Het punt is dat het helemaal niet interessant is om het te hebben over wat in principe kan of niet kan. Dat is een eindeloze discussie, die niet door uitvoerbare experimenten is te beslissen. Het interessante is: wat levert een paradigma op? Met andere woorden: welke uitspraken kun je nou concreet doen en welke niet?
Betekent nou spreken over God dat God bestaat? Als je een taalgebruik hanteert waarin God een betekenisvol woord is heb je het bestaan van God al als uitgangspunt van je spreken genomen. Het alternatief is te betogen dat God geen betekenisvol woord is. Waar het bij dit alles om gaat is dat er geen algemeen geldend, overkoepelend uitgangspunt is. Een uitgangspunt is een zaak van keuzes die je maakt en er is geen standpunt mogelijk zonder een uitgangspunt. Sommige mensen gaan uit van openbaringen waaraan niet getwijfeld mag worden, maar ook dat is een persoonlijke keuze. Er is geen objectieve manier om te beslissen tussen een wereld waarin het geestelijke een rol speelt en een puur materialisme. Er zijn alleen verschillende manieren van benaderen. En elke manier heeft zijn eigen uitgangspunten, met elk het daarbij passende vocabulair.
Nou zullen slimmeriken zeggen: jij stelt je toch op als iemand die boven de partijen staat en die wel een overkoepelende visie heeft. Maar ook mijn visie is niet absoluut. Het gaat erom of je je aangesproken voelt door mijn argumenten. En ik kan me voorstellen dat dat niet het geval is. Vooral als je uitgaat van goddelijke openbaringen.
Nadat we de tempel hadden bekeken liepen we terug naar het plein met de paarden, en natuurlijk passeerden we weer een hele rij winkeltjes met opdringerige kooplui die luidkeels hun waar aanprezen. Als je ook maar enige belangstelling toonde, kwam je niet meer van ze af. Maar we hadden ons voorgenomen om nergens op in te gaan. Totdat een stevig gebouwde man in een zwart gewaad en met een kleurige tulband op zijn hoofd onze weg blokkeerde met over zijn arm een geborduurd crèmekleurig jurkje, roepende: "One euro, one euro". Pauli stopte en zei: "Is that really one euro? If it is only one euro, I will buy it." en dat had ze beter niet kunnen doen. Voor we het wisten waren we het winkeltje binnengeloodst. En hoewel ik geen enkele belangstelling toonde werd mijn pet van mijn hoofd gepakt, mijn fototas en fototoestel van mijn schouder getrokken en mij een traditioneel ogende witte mantel met borduurwerk omgehangen, een sjaal om het hoofd gebonden en een kaftan voorgehouden. De verkoper zei: "nine hundred, Egyptian money". Hoewel er die avond op de boot een gecostumeerd Egyptisch feest zou zijn, was ik niet van plan negenhonderd pond, ofwel honderdzeventien euro te betalen voor een passende costumering.
Dat was ook Pauli's idee. Ze zei: "Kom, laten we gaan. De koetsjes staan klaar om te vertrekken." Waarop de verkoper begon te roepen: "Don't listen to the wife. Don't listen to the wife." Toen ik aanstalten maakte om te vertrekken blokkeerde hij de uitgang met zijn lichaam. Of ik naar links ging of naar rechts, telkens ging hij voor me staan, terwijl hij iets riep als: "This is trade." Ik bedacht dat hij daarmee misschien een punt had. Per slot hadden wij, in casu Pauli, belangstelling getoond voor zijn koopwaar. Waarom wilden we dan daar niet over onderhandelen? Dus noemde ik een prijs die ik eventueel nog bereid was te betalen: twintig euro. De verkoper verlaagde zijn prijs tot achthonderd pond, maar toen ik daar niet op inging en aanstalten maakte om weg te lopen hield hij mij weer tegen. Hij begon van alles te roepen, prijzen in euro's en in Egyptische ponden, maar ik probeerde alleen maar weg te komen. Ik was kwaad dat hij zo minachtend over mijn vrouw had gedaan en dat hij probeerde mij fysiek tegen te houden. Maar de handelaar raakte steeds meer opgewonden. Hij begon door elkaar allerlei prijzen te roepen, hoog en laag, euro's en ponden. "Fifty euros, five hundred pounds, three hundred pounds, two hundred pounds, hundred and fifty pounds, thirty euros, ..", waarop ik zei: "OK, one hundred and fifty pounds." Maar hij deed of hij dat niet gehoord had en zei: "Twohundred, twohundred". Ik herhaalde "hundredfifty" en haalde mij portemonnee uit mijn zak. Toen ik daar een bundeltje Egyptische pondsbiljetten uithaalde griste hij een biljet van tweehonderd uit mijn handen en stopte dat meteen in zijn zak.
Dat liet ik me niet aandoen. Ik voelde een kille woede in mij opkomen. Laag en dreigend zei ik: "Give me back my money", maar hij maakte geen aanstalten. Het enige dat hij deed was telkens herhalen "twohundred". Waarop ik zei: "You said 'one hundred and fifty'". Toen dat spelletje zich een aantal keren had herhaald, greep hij uiteindelijk in zijn zak en gaf mij twintig pond. In een normale situatie had ik dat waarschijnlijk geaccepteerd, maar vanwege zijn agressieve optreden gunde ik hem nu niets meer. Ik bleef de prijs herhalen die hij had genoemd, en hij gaf me na veel traineren nog tien pond. De situatie was inmiddels nogal veranderd. Nu was ik het, die hem in een hoek drong, en niet omgekeerd. Het leek zelfs alsof hij bang voor me begon te worden. Na lang aandringen gaf hij me tenslotte ook de laatste twintig pond terug. Ik pakte pet, fototoestel, fototas en de plastic zak met het jurkje, het gewaad, de mantel en de sjaal, en liep zonder verder wat te zeggen de winkel uit. In mijn kwaadheid had ik tot een zesde van het oorspronkelijke bedrag afgepingeld. Ik wist niet dat ik het in mij had. We waren te laat voor het koetsje, maar gelukkig had de reisleider dat laten wachten.
Wat zijn logica, wiskunde en wetenschap anders dan verhalen die we elkaar vertellen? Ja, we hebben het gevoel dat ze werken. Ze verschaffen ons uitspraken waar we wat aan hebben. Maar daarvoor moet je er wel mee om kunnen gaan. Je moet weten welke methode je in welke situatie moet toepassen, wat voor variabelen je moet kiezen en welke regels je daarop moet toepassen. Ook dat heb je van je leraren geleerd. Zo leven we niet in een wereld van objecten en van feiten, maar van verhalen. Wat de objecten zijn die we moeten onderscheiden en wat we een feit mogen noemen hebben we geleerd van leraren, net als de tafels van vermenigvuldiging en de juiste spelling. Maar als morgen de objecten zich niet gedragen zoals ze zich zouden moeten gedragen en de feiten niet meer blijken te kloppen, dan mogen we dat niet de objecten en de feiten verwijten, maar alleen onszelf, en de verhalen die we altijd als juist hebben geaccepteerd.
We leven in een zelfgeschapen wereld, een wereld van verhalen, van gewoonten en gebruiken die zonder veel problemen heel anders zouden kunnen zijn dan ze zijn. Ze zijn ook niet altijd geweest wat ze nu zijn en ze zullen vrijwel zeker in de nabije of verdere toekomst ook wel weer veranderen. Wij geloven niet meer in goden en demonen. We hebben nu de wetenschap. Maar waarom zouden mensen van over duizend jaar nog in de wetenschap moeten geloven? Voor ons lijkt dat het beste verhaal van dit moment, maar waarom zou dat dan nog zo moeten zijn?
Met de grondleggende verhalen van onze cultuur sluiten we onszelf op in een kooi van eigen maaksel. Een bouwsel dat ons een zekere ruimte biedt, maar ons ook beperkt in onze bewegingsvrijheid. We kunnen het met eigen middelen inrichten, zodanig dat het voldoet aan onze verwachtingen. Blijkbaar hebben we zoiets nodig. We willen een wereld die zich richt naar ons, in plaats van andersom. Deze zelfgebouwde kooi verschaft ons zekerheid, maar houdt ons ook gevangen. We hebben zicht op onze eigen bedenksels, maar wat ons daartoe motiveerde, dat willen we niet zien. Het liefst zouden we de sleutel weggooien, maar zover zijn we nog niet. We blijven ons realiseren dat er ergens nog een wereld is die onafhankelijk van ons bestaat, die op ons leven en werken reageert, die zich een houding aanmeet met betrekking tot onze activiteiten, maar die zich niet conformeert aan onze normen en uitgangspunten.
Vanzelfsprekend is dat wat niet ter discussie wordt gesteld. Maar dan moet het wel zijn opgemerkt. Het overgrote deel van de wereld dat niet vanzelfzwijgend is, is vanzelfsprekend. Naast de vanzelfzwijgende en vanzelfsprekende dingen heb je dan nog de dingen die noch het een, noch het ander zijn. We kunnen vanzelfsprekende dingen tot deze status verheffen door er vragen bij te stellen. Als je zulke vragen serieus neemt, blijkt dat er weinig echt vanzelfsprekend is. Mensen noemen dingen vaak vanzelfsprekend omdat ze er niet over willen nadenken. Filosofen daarentegen willen over alles nadenken. Daarom stellen ze voortdurend vragen. Ze beginnen vaak met zich af te vragen of dingen wel zijn wat ze lijken en stellen zich dan de vraag wat ze ook zouden kunnen zijn. Dat leidt in de meeste gevallen tot interessante overwegingen, niet omdat dingen niet zijn wat ze lijken te zijn, maar vooral omdat ze ook zoveel anders kunnen zijn.
Zo kun je je afvragen of je vader wel je vader is. Dat leidt dan tot vragen over de deugdzaamheid van je moeder en tot de vraag wie dan wel je vader zou kunnen zijn. Maar het leidt ook tot de vraag wat voor rol je vader in je leven speelt en zou kunnen spelen. Je hebt daarmee een heel nieuw gebied van exploratie geopend dat interessant blijft, ook als je tot de conclusie komt dat je vader inderdaad je vader is.
Maar hoe zit het nou met het vanzelfzwijgende? Kun je dat ook tot onderwerp van beschouwing maken? Stop volgende keer als je op de fiets zit gewoon eens onderweg midden op het fietspad en neem een van de tegels in beschouwing. Als er dan niet spontaan allerlei vragen in je opkomen, ben je niet geschikt voor de filosofie.
Maar voldoet de wereld wel aan voorschriften? Wie moet ze die dan hebben opgelegd? Heeft de schepper eerst tijden lang zitten puzzelen op de regels waaraan zijn schepping zou moeten voldoen? Natuurlijk is het omgekeerd. De wereld is wat hij is. Er is gewoon geen alternatief, hoe mooi wij dat ook kunnen verzinnen. En die voorschriften zijn er door ons bij verzonnen. Maar die wereld zal zich door ons geen diktaten laten voorschrijven. En wij kunnen ons niet van onze als onvolmaakt ervaren wereld bevrijden. Er zijn dingen die gebeuren omdat wij het willen. Maar die gebeuren niet doordat wij de wereld tegenwerken, maar juist omdat we meewerken, ze gebeuren omdat we adequaat inspelen op de manier waarop de wereld zich gedraagt. En vaak ook falen we daarin. De wereld is niet goed of slecht, niet volmaakt of onvolmaakt. De wereld is gewoon wat hij is.
Is het niet vreemd dat wij, als wezens die zijn ontstaan op aarde, die het product zijn van miljarden jaren evolutie, en voor wie het van levensbelang is dat ze goed overweg kunnen met de omstandigheden die er op die aardbol heersen, er een beeld van die aarde op nahouden dat niet met de realiteit in overeenstemming is? Dat wij uitgaan van iets dat feitelijk niet het geval is, van een wereld die alleen maar in onze fantasie bestaat? Hoe komt het dat we onze wereld als onvolmaakt ervaren terwijl we geen reëel alternatief kennen? En waar we onze wereld zelf ontwerpen, waar we actief volmaaktheid kunnen nastreven met behulp van onze techniek, blijkt dat keer op keer problemen op te leveren.
Waarom zijn wij zo onaangepast?

