buitenlust

Tijdens het opruimen stuit ik op een oud persbericht. Het betreft
een uitnodiging voor het minisymposium 'groene glazenmaker'.
De groene glazenmaker, dat is een bedreigde libellensoort.
Het programma van de dag, aldus de tekst:
10.15 Symbolische afsluiting van het beschermingsplan door de heer Krol, gedeputeerde provincie Utrecht.
10.20 Filmbeelden van het leven van een groene glazenmaker met toelichting door de heer Kievit van de provincie Utrecht.
10.30 'Zonder krabbenscheer geen groene glazenmakers', door de heer De Vries van De Vlinderstichting.
11.00 Koffiepauze.
11.15 'De griene glêzebiter in FryslÃn', door de heer De Boer van Bureau FaunaX.
12.00 'Wat is de rol van een waterschap bij de groene glazenmaker?' door de heer Twisk van het Hoogheemraadschap...¦
Heel hard om gelachen, vorig jaar juli. Vermoedelijk had ik het bericht daarom bewaard.
Nu, bij herlezing, moet ik hooguit wat gniffelen. Ja, ik weet het, dat getut van die mensen met die beestjes en die plantjes die alleen zij kennen, het is best lachwekkend.
En, inderdaad, het gaat ver, al die dure bescherming voor die onbekende soorten die, als het aan henzelf lag, rustig zouden uitsterven.
Dat is normale dynamiek: er komen soorten bij en er gaan soorten af; op de Holterberg houden de laatste Nederlandse korhoenders het bijna voor gezien, intussen trekken Franse cetti's zangers vrolijk de Biesbosch binnen. Let it be, laissez faire, laat de natuur gewoon zijn gang gaan, dat scheelt een hoop gedoe, en geld bovendien.
Maar zo werkt het niet. Want intussen gaan bouwers, boeren en burgers ook hun gang. Geef ze de vrije hand en weg zijn de bloemrijke akkers, het kruidige grasland, de vlinders en de libellen. Voor je het weet is het gezang van de veldleeuwerik herinnering. En zitten we opgescheept met louter grauwe ganzen.
Ik moet me dus toch maar gelukkig prijzen met het bestaan van 'habitatrichtlijnen', flora en faunawetten, biodiversiteitsverdragen en honderden beschermingsplannen voor evenzovele Rode Lijstsoorten.
En beseffen dat de groene glazenmaker niet op zichzelf staat, dat ie in zijn voortbestaan exclusief afhankelijk is van krabbenscheer, de waterplantjes waarop ie zijn eitjes legt. En dat krabbenscheer op haar beurt alleen floreert in schone, niet te voedselrijke sloten en moerassen in laagveengebied.
Daar komt de heer Twisk om de hoek kijken; hij en zijn waterschap kunnen een rol van betekenis spelen.
De heren Twisk, De Vries, De Boer en Kievit, ze hebben namen die passen bij het op de bres staan voor krabbenscheer en groene glazenmaker (griene glêzebiter).
Het klinkt, al met al, heel geruststellend.
De groene glazenmaker, dat is een bedreigde libellensoort.
Het programma van de dag, aldus de tekst:
10.15 Symbolische afsluiting van het beschermingsplan door de heer Krol, gedeputeerde provincie Utrecht.
10.20 Filmbeelden van het leven van een groene glazenmaker met toelichting door de heer Kievit van de provincie Utrecht.
10.30 'Zonder krabbenscheer geen groene glazenmakers', door de heer De Vries van De Vlinderstichting.
11.00 Koffiepauze.
11.15 'De griene glêzebiter in FryslÃn', door de heer De Boer van Bureau FaunaX.
12.00 'Wat is de rol van een waterschap bij de groene glazenmaker?' door de heer Twisk van het Hoogheemraadschap...¦
Heel hard om gelachen, vorig jaar juli. Vermoedelijk had ik het bericht daarom bewaard.
Nu, bij herlezing, moet ik hooguit wat gniffelen. Ja, ik weet het, dat getut van die mensen met die beestjes en die plantjes die alleen zij kennen, het is best lachwekkend.
En, inderdaad, het gaat ver, al die dure bescherming voor die onbekende soorten die, als het aan henzelf lag, rustig zouden uitsterven.
Dat is normale dynamiek: er komen soorten bij en er gaan soorten af; op de Holterberg houden de laatste Nederlandse korhoenders het bijna voor gezien, intussen trekken Franse cetti's zangers vrolijk de Biesbosch binnen. Let it be, laissez faire, laat de natuur gewoon zijn gang gaan, dat scheelt een hoop gedoe, en geld bovendien.
Maar zo werkt het niet. Want intussen gaan bouwers, boeren en burgers ook hun gang. Geef ze de vrije hand en weg zijn de bloemrijke akkers, het kruidige grasland, de vlinders en de libellen. Voor je het weet is het gezang van de veldleeuwerik herinnering. En zitten we opgescheept met louter grauwe ganzen.
Ik moet me dus toch maar gelukkig prijzen met het bestaan van 'habitatrichtlijnen', flora en faunawetten, biodiversiteitsverdragen en honderden beschermingsplannen voor evenzovele Rode Lijstsoorten.
En beseffen dat de groene glazenmaker niet op zichzelf staat, dat ie in zijn voortbestaan exclusief afhankelijk is van krabbenscheer, de waterplantjes waarop ie zijn eitjes legt. En dat krabbenscheer op haar beurt alleen floreert in schone, niet te voedselrijke sloten en moerassen in laagveengebied.
Daar komt de heer Twisk om de hoek kijken; hij en zijn waterschap kunnen een rol van betekenis spelen.
De heren Twisk, De Vries, De Boer en Kievit, ze hebben namen die passen bij het op de bres staan voor krabbenscheer en groene glazenmaker (griene glêzebiter).
Het klinkt, al met al, heel geruststellend.
Ik ben weer eens in de Biesbosch en dat is een rare gewaarwording.
Met een bootje ben ik de Ruigt overgestoken, en nu loop ik in
polder De Dood richting Gat van de Zuiderklip, niet ver van het Gat
van den Turfzak, in polder Turfzakken.
Er is veel veranderd. Dijken zijn doorgestoken, voormalige akkers staan onder water; het nationaal park wordt een almaar groter zoetwatergetijdegebied, nog paradijselijker voor spindotters, steltvogels en bevers.
Allemaal prima, maar ik zoek een kastanjeboom, de kastanjeboom. De boom bij het huisje waar ik tot voor een paar jaar terug weleens kwam. Het huisje is afgebroken, maar de boom, die ver boven alle wilgenbosjes van de Biesbosch uitstak, moet er nog staan.
Het huisje bij de boom was jarenlang in bruikleen bij een groepje Groningse natuurliefhebbers. Omdat ik bevriend ben met een van hen, gingen we er regelmatig naartoe.
Dat vergde de nodige inspanning. In het huisje was geen elektriciteit en geen stromend water. Wel was er een waterpomp. Om er te komen, stapten we bij de jachthaven in Hank in een of twee roeibootjes, we laadden jerrycans met water, een gasfles, onze tassen en dozen vol eten en drinken in en bereikten dan na anderhalf uur roeien door de ondiepe, smalle, met wilgen overgroeide kreken van de Biesbosch een aanlegpunt niet ver van het huisje.
Met een beetje geluk zagen we onderweg een ijsvogeltje overvliegen.
Vanaf het aanlegpunt was het nog enkele honderden meters lopen, een paar keer op en neer met spullen. Dan moesten de luiken nog van het huis, de door ratten aangerichte schade geïnspecteerd en, als het koud was, de houtkachel aan.
We namen rommelend en stommelend bezit van het huis.
En daarna kon het feest beginnen. Het uitzicht op de polder, de stilte, het idee dat er geen plek zo onbereikbaar was als deze...
Eten, roken, drinken, buiten in het gras voor het huisje, als het even kon. Avondlicht, nog meer roken en drinken, oeverloze discussie, melancholiek gemijmer.
En dan in het donker naar boven, in de klamme slaapzak, altijd een moment om uit te stellen. De volgende dag: rondlopen, kijken, varen. Geen mens zien.
Ha, daar is de boom. Onmiskenbaar. Zonder huis eronder kloppen de proporties niet meer. Het huis stond op een plateautje, de kruin van de boom kwam daar weer bovenuit, dat was mooi.
Waarom het huisje weg moest, ja, ik begrijp het wel, alles moet hier wijken voor de natuur. Maar toch: wat zou het mooi zijn om als natuurliefhebber, na een dag varen en struinen, opeens te stuiten op een huisje. Een huisje op een dijkje, onder een kastanjeboom, middenin de Hollandse wildernis.
Ze hadden er een primitief cafeetje van moeten maken. Met een paar matrasjes om op te overnachten.
Er is veel veranderd. Dijken zijn doorgestoken, voormalige akkers staan onder water; het nationaal park wordt een almaar groter zoetwatergetijdegebied, nog paradijselijker voor spindotters, steltvogels en bevers.
Allemaal prima, maar ik zoek een kastanjeboom, de kastanjeboom. De boom bij het huisje waar ik tot voor een paar jaar terug weleens kwam. Het huisje is afgebroken, maar de boom, die ver boven alle wilgenbosjes van de Biesbosch uitstak, moet er nog staan.
Het huisje bij de boom was jarenlang in bruikleen bij een groepje Groningse natuurliefhebbers. Omdat ik bevriend ben met een van hen, gingen we er regelmatig naartoe.
Dat vergde de nodige inspanning. In het huisje was geen elektriciteit en geen stromend water. Wel was er een waterpomp. Om er te komen, stapten we bij de jachthaven in Hank in een of twee roeibootjes, we laadden jerrycans met water, een gasfles, onze tassen en dozen vol eten en drinken in en bereikten dan na anderhalf uur roeien door de ondiepe, smalle, met wilgen overgroeide kreken van de Biesbosch een aanlegpunt niet ver van het huisje.
Met een beetje geluk zagen we onderweg een ijsvogeltje overvliegen.
Vanaf het aanlegpunt was het nog enkele honderden meters lopen, een paar keer op en neer met spullen. Dan moesten de luiken nog van het huis, de door ratten aangerichte schade geïnspecteerd en, als het koud was, de houtkachel aan.
We namen rommelend en stommelend bezit van het huis.
En daarna kon het feest beginnen. Het uitzicht op de polder, de stilte, het idee dat er geen plek zo onbereikbaar was als deze...
Eten, roken, drinken, buiten in het gras voor het huisje, als het even kon. Avondlicht, nog meer roken en drinken, oeverloze discussie, melancholiek gemijmer.
En dan in het donker naar boven, in de klamme slaapzak, altijd een moment om uit te stellen. De volgende dag: rondlopen, kijken, varen. Geen mens zien.
Ha, daar is de boom. Onmiskenbaar. Zonder huis eronder kloppen de proporties niet meer. Het huis stond op een plateautje, de kruin van de boom kwam daar weer bovenuit, dat was mooi.
Waarom het huisje weg moest, ja, ik begrijp het wel, alles moet hier wijken voor de natuur. Maar toch: wat zou het mooi zijn om als natuurliefhebber, na een dag varen en struinen, opeens te stuiten op een huisje. Een huisje op een dijkje, onder een kastanjeboom, middenin de Hollandse wildernis.
Ze hadden er een primitief cafeetje van moeten maken. Met een paar matrasjes om op te overnachten.
Gekwetter, in een boompje, langs de Amstel. Ik kijk, al hardlopend, op. Blijkbaar hoor ik - en dat kan alleen maar onbewust zijn - dat dit geen vink of koolmees is. Een geel streepje in de flank, in een flits, het zal toch niet waar zijn...?
Ik stop. De man in de tuin van het huis waarvoor het boompje staat, kijkt me verbaasd aan. Een jogger die in een boom staat te turen, dat is nieuw.
Het is waar: een putter. Twee putters zelfs. Ze springen elkaar opgewonden achterna, van tak naar tak. Ik zie nu duidelijk de roodwit- zwarte kopjes. 'Scharlaken rood' moet dat zijn, lees ik later in mijn vogelgidsje.
Kinderlijke blijdschap. Putters. Voor het eerst helemaal zelf ontdekt, zomaar op een zonnige namiddag in april.
Ik loop verder. Het is niet de bedoeling voortdurend te stoppen tijdens het hardlopen.
Op de weg, in de polder Onder Amstelveen, staat een vijftiger in een enorme regenjas, met enorme baard, met een enorme verrekijker naar weidevogels te kijken. Blijkbaar heeft hij iets belangwekkends gezien, want hij laat zich niet afleiden door een jogger meer of minder.
Bijna houd ik opnieuw halt, om te vragen waarnaar hij kijkt, maar ik beheers me. Doortrainen, doelen halen!
Een paar kilometer verder, achter de molen aan de Amstel, bij een rietkraagje aan een miniwatertje, staat een flink voorlichtingsbord met een afbeelding van een vogeltje. Tientallen keren ben ik hier al voorbij gerend en altijd weer die vraag: welk vogeltje zou het zijn? Altijd doorgelopen.
Maar nu stop ik. Ik ben toch al uit mijn ritme, vanwege de putters.
Het is de kleine karekiet. Een rietvogel. Ik kijk om het bord heen. Blijkbaar verwacht ik het vogeltje meteen te zien, bovenin een rietpluim.
Dat komt: vorig jaar fietste ik in de buurt van de Vinkeveense Plassen. Daar stond opeens een groot bord met een krooneend erop. Nog nooit gezien, de krooneend. Ik stapte af en warempel, 10 meter achter het bord dobberde precies dezelfde, tamelijk zeldzame krooneend op het water, zijn snavel in precies dezelfde richting als op het bord.
Het beest was niet van plastic, het was geen grap, want toen ik de waterkant naderde, zwom hij weg.
Nu nog de echte kleine karekiet. Ik zie of hoor niets. Veel kunnen er ook niet zitten, in dit kleine stukje riet. Misschien zit er maar een eenzaam karekietje. Een kleine karekiet, met een heel groot voorlichtingsbord, helemaal over hem alleen.
Ik wandel verder naar huis.
De balkondeuren open, voor het eerst weer. De deuren kraken en
veroorzaken grote paniek. Meesjes, vinkjes, ekster en houtduif
weten niet hoe snel ze moeten wegkomen. Het mooie van een balkon op
één hoog in de stad is dat je een hele stadstuin tot je
beschikking hebt, terwijl je er niets voor hoeft te doen. Beneden
schoffelen, planten, bouwen, zaaien, maaien en wieden de
tuinbezitters, wij schenken nog eens in en genieten met volle
teugen van de vruchten van hun werk.
En we zitten op ooghoogte met de vogeltjes, ook dat nog.
Rechts beneden van ons is het werk alweer begonnen. Vorig jaar volgden we met bewondering de aanleg van de tuin. Vooral de werkzaamheden aan de enorme vijver maakten indruk. Elke dag weer was een nieuw laagje gemetseld van wat een rechthoekig bouwwerk zou worden. Maar opeens lag het werk stil. Terwijl de goudvissen al weken doorbrachten in plastic bakken elders in de tuin. We informeerden, al leunend over de reling van het balkon, naar de stand van zaken. Er waren twee complicaties opgetreden.
1. Een bepaald type natuursteen, waarvan ze nog maar een paar exemplaren nodig hadden, was op.
2. De hovenier lag in scheiding en had alles, ook zijn werk, uit handen laten vallen. Een paar weken later ging de buurman zelf aan de slag. Nog een paar weken later werden de vissen te water gelaten.
Weer twee weken later zag ik een reiger neerstrijken op de rand van de vijver. Hij keek wat om zich heen en hapte vervolgens de ene na de andere vis uit het water. Ik overwoog om wegjagende gebaren en geluiden te maken. Maar ja, je moet de natuur zo min mogelijk verstoren, vind ik. De vorige buurman had ook een vijver, een andere vijver. Hij had er, ter bescherming van de vissen, een groot net overheen gespannen. Dat hielp, maar de vissen waren nagenoeg onzichtbaar geworden.
Nu zijn de buren bezig met een nieuwe grasmat. De vorige, nog door de hovenier aangelegd, had er inderdaad nooit echt gezond uitgezien.
Wij inspecteren ons eigen balkon. De lege flessen moeten weg. En de vuilniszak. En het netje met nootjes, dat er al drie jaar hangt voor de meesjes.
De blauwe regen van de onderbuurman, die meer dan de helft van onze balkonreling beklommen heeft, laten we ongemoeid. Daar komen zelfs al knoppen in. Dat gaat allemaal vanzelf.
Nog een plantje erbij en we zijn weer klaar voor de lente en de zomer.
En we zitten op ooghoogte met de vogeltjes, ook dat nog.
Rechts beneden van ons is het werk alweer begonnen. Vorig jaar volgden we met bewondering de aanleg van de tuin. Vooral de werkzaamheden aan de enorme vijver maakten indruk. Elke dag weer was een nieuw laagje gemetseld van wat een rechthoekig bouwwerk zou worden. Maar opeens lag het werk stil. Terwijl de goudvissen al weken doorbrachten in plastic bakken elders in de tuin. We informeerden, al leunend over de reling van het balkon, naar de stand van zaken. Er waren twee complicaties opgetreden.
1. Een bepaald type natuursteen, waarvan ze nog maar een paar exemplaren nodig hadden, was op.
2. De hovenier lag in scheiding en had alles, ook zijn werk, uit handen laten vallen. Een paar weken later ging de buurman zelf aan de slag. Nog een paar weken later werden de vissen te water gelaten.
Weer twee weken later zag ik een reiger neerstrijken op de rand van de vijver. Hij keek wat om zich heen en hapte vervolgens de ene na de andere vis uit het water. Ik overwoog om wegjagende gebaren en geluiden te maken. Maar ja, je moet de natuur zo min mogelijk verstoren, vind ik. De vorige buurman had ook een vijver, een andere vijver. Hij had er, ter bescherming van de vissen, een groot net overheen gespannen. Dat hielp, maar de vissen waren nagenoeg onzichtbaar geworden.
Nu zijn de buren bezig met een nieuwe grasmat. De vorige, nog door de hovenier aangelegd, had er inderdaad nooit echt gezond uitgezien.
Wij inspecteren ons eigen balkon. De lege flessen moeten weg. En de vuilniszak. En het netje met nootjes, dat er al drie jaar hangt voor de meesjes.
De blauwe regen van de onderbuurman, die meer dan de helft van onze balkonreling beklommen heeft, laten we ongemoeid. Daar komen zelfs al knoppen in. Dat gaat allemaal vanzelf.
Nog een plantje erbij en we zijn weer klaar voor de lente en de zomer.
Zelf heb ik natuurlijk kilo's boter op mijn hoofd. In Vakantie (1)
voorspelde ik dat Paris-Dakar over tien jaar niet meer bestaat,
vanwege verregaande verspilling en decadentie bijvoorbeeld. Maar
ja, ik ben zelf natuurlijk ook naar Argentinie (waar ik stuitte op
het enorme wagen- en motorpark van Paris-Dakar) gevlogen.
Sterker: ik heb er nog een binnenlandse vlucht aan vastgeplakt en ik heb twee weken lang rondgereden in een huurauto. Voorwaar een wezenlijke bijdrage aan onze ondergang. En toch denk ik dat Paris-Dakar eerder zal zijn afgeschaft dan het reizen per vliegtuig.
Ik vroeg me af, in Argentinie: is toerisme altijd slecht voor natuur en milieu? Ja, zou je zeggen. Alleen al vanwege dat massale vliegen. Maar toch. Ik zag tegenstrijdige dingen. Het aantal nationale en provinciale natuurparken neemt almaar toe in Argentinie en Chili, mede dankzij het toerisme. De mooiste gebieden in Argentinie zijn vaak zo afgelegen dat natuurschoon de belangrijkste economische factor is. In een lokale krant las ik: toeristen komen alleen als we de natuur niet vernielen. In toeristendorp Villa la Angostura (inderdaad: daar heeft Maxima's broer een restaurant) voerden de bewoners actie. Cameones no, turistas si, stond er op posters. Anderzijds: op onze hotelkamer in Mendoza werden flesjes Evian mineraalwater gepropageerd als heel natuurlijk. Het drinkwater in Argentinie is prima, het water uit flesjes ook en het mineraalwater evengoed. Een heel raar idee, zei mijn vriendin, dat die plastic flesjes water in Frankrijk in een vliegtuig worden geladen om - na een overstap - in een hotel in Mendoza aan (Europese) toeristen als natuurlijk worden verkocht.
In Chili daalden we de kust af. In bijna alle plaatsjes met kusttoerisme was de verpesting van de kust voortvarend ter hand genomen. Lelijke huizen, protserige hotels, rommelige campings, auto's tot op het strand, het zicht werd er niet mooier op. Tot we bij Buchupureo kwamen, een mooi, moeilijk bereikbaar kustdorpje aan de monding van een riviertje. Daar was een ‘natuurcamping' van een Chileen. De eigenaar had zelf al jaren geleden de bomen geplant voor de camping. Hij wilde het anders doen dan de meeste campings in Chili, die doorgaans nogal vies zijn. Hier was het mooi en schoon en er was een maximum aan kampeerplaatsen. Maar ja, het is een wankel evenwicht. Even verderop lag een schitterend hotel, La Joya del Mar, van een leuk Amerikaans echtpaar. Uitzicht, voorheen: de zee en de moerasachtige, vogelrijke monding van de rivier. Maar op een dag, vorig jaar, waren de eigenaren wakker geworden van het geluid van bulldozers. Dorpsgenoten hadden bedacht om het moeras vol te storten met grond. Om het bouwrijp te maken met het oog op toekomstig toerisme.
Weg uitzicht, weg vogels, weg natuur. En weg toeristen, vermoedelijk. Het goede nieuws: een Chileense milieu-organisatie heeft een procedure aangespannen om de zandhoop weer weg te krijgen.
Sterker: ik heb er nog een binnenlandse vlucht aan vastgeplakt en ik heb twee weken lang rondgereden in een huurauto. Voorwaar een wezenlijke bijdrage aan onze ondergang. En toch denk ik dat Paris-Dakar eerder zal zijn afgeschaft dan het reizen per vliegtuig.
Ik vroeg me af, in Argentinie: is toerisme altijd slecht voor natuur en milieu? Ja, zou je zeggen. Alleen al vanwege dat massale vliegen. Maar toch. Ik zag tegenstrijdige dingen. Het aantal nationale en provinciale natuurparken neemt almaar toe in Argentinie en Chili, mede dankzij het toerisme. De mooiste gebieden in Argentinie zijn vaak zo afgelegen dat natuurschoon de belangrijkste economische factor is. In een lokale krant las ik: toeristen komen alleen als we de natuur niet vernielen. In toeristendorp Villa la Angostura (inderdaad: daar heeft Maxima's broer een restaurant) voerden de bewoners actie. Cameones no, turistas si, stond er op posters. Anderzijds: op onze hotelkamer in Mendoza werden flesjes Evian mineraalwater gepropageerd als heel natuurlijk. Het drinkwater in Argentinie is prima, het water uit flesjes ook en het mineraalwater evengoed. Een heel raar idee, zei mijn vriendin, dat die plastic flesjes water in Frankrijk in een vliegtuig worden geladen om - na een overstap - in een hotel in Mendoza aan (Europese) toeristen als natuurlijk worden verkocht.
In Chili daalden we de kust af. In bijna alle plaatsjes met kusttoerisme was de verpesting van de kust voortvarend ter hand genomen. Lelijke huizen, protserige hotels, rommelige campings, auto's tot op het strand, het zicht werd er niet mooier op. Tot we bij Buchupureo kwamen, een mooi, moeilijk bereikbaar kustdorpje aan de monding van een riviertje. Daar was een ‘natuurcamping' van een Chileen. De eigenaar had zelf al jaren geleden de bomen geplant voor de camping. Hij wilde het anders doen dan de meeste campings in Chili, die doorgaans nogal vies zijn. Hier was het mooi en schoon en er was een maximum aan kampeerplaatsen. Maar ja, het is een wankel evenwicht. Even verderop lag een schitterend hotel, La Joya del Mar, van een leuk Amerikaans echtpaar. Uitzicht, voorheen: de zee en de moerasachtige, vogelrijke monding van de rivier. Maar op een dag, vorig jaar, waren de eigenaren wakker geworden van het geluid van bulldozers. Dorpsgenoten hadden bedacht om het moeras vol te storten met grond. Om het bouwrijp te maken met het oog op toekomstig toerisme.
Weg uitzicht, weg vogels, weg natuur. En weg toeristen, vermoedelijk. Het goede nieuws: een Chileense milieu-organisatie heeft een procedure aangespannen om de zandhoop weer weg te krijgen.
Vakantie (1)
Heerlijke stad, Buenos Aires, stad ook met de mooiste naam (vrij vertaald: goede luchten) van alle steden. Geen schone luchten, dat dan weer niet. Als ik 's ochtends ga hardlopen tref ik honderden andere joggers die met de stromen auto's mee richting park rennen.
Het went verbazingwekkend snel.
Op mijn route richting park stuit ik op een enorm terrein waar alle auto's, motoren, vrachtwagens en ander benzineslurpers en bijbehoren staan opgesteld voor Parijs-Dakar, dat bizarre evenement dat vanwege de onveiligheid in de Afrikaanse woestijn dit jaar richting Argentinie en Chili is verplaatst.
Dat hebben wij weer.
Het hele wagen- en motorenpark is in de afgelopen maand verscheept naar Argentinie, dat moet een soort militaire, peperdure operatie zijn geweest.
In de dagen dat wij in Buenos Aires zijn laten de auto's (enorme 4-wheeldrives) zich regelmatig zien in de stad. Argentijnse mannen maken driftig foto's, terwijl de bestuurders van de auto's (meestal kale veertigers en vijftigers), de motor nog eens extra laten ronken bij het stoplicht. De kranten staan vol van het evenement. In de weken die volgen (dit speelt zich allemaal af in januari) gaan de machines lekker door Argentine en Chili crossen, over de pampa, door de woestijn, over zandwegen en door de bergen.
Uiteraard zal er weer een dode vallen, maar dat mag het evenement natuurlijk niet in de weg staan.
Pas als de ralley al lang en breed dagenlang onderweg is zie ik in een krant het eerste, kleine berichtje over ecologen die zich verzetten tegen het motorische geweld in de Chileense woestijn. Het berichtje valt weg in paginalange wedstrijdverslagen, maar mij lucht het op.
Ik weet ook zeker dat deze ralley een van de laatste uitspattingen is in tijden van economische, energie- en klimaatcrisis. Parijs-Dakar is een relict uit het verspillende verleden. Dat dacht ik toen ik langs honderden meters motoren en auto's rende in Buenos Aires. Over tien jaar zal de ralley niet meer bestaan, voorspel ik hardop tegen mezelf. Dan vragen we ons af hoe we zo decadent konden zijn om puur voor de lol duizenden machines de oceaan over te sturen om daarmee drie weken lang door een land te crossen.
Eenmaal terug in Nederland het bericht dat ING stopt als formule 1-sponsor. Een paar dagen later trekt ook Mitsubishi zich terug uit de autosport.
Het gaat de goede kant op. Misschien gaat Paris-Dakar al komend jaar niet door.
Heerlijke stad, Buenos Aires, stad ook met de mooiste naam (vrij vertaald: goede luchten) van alle steden. Geen schone luchten, dat dan weer niet. Als ik 's ochtends ga hardlopen tref ik honderden andere joggers die met de stromen auto's mee richting park rennen.
Het went verbazingwekkend snel.
Op mijn route richting park stuit ik op een enorm terrein waar alle auto's, motoren, vrachtwagens en ander benzineslurpers en bijbehoren staan opgesteld voor Parijs-Dakar, dat bizarre evenement dat vanwege de onveiligheid in de Afrikaanse woestijn dit jaar richting Argentinie en Chili is verplaatst.
Dat hebben wij weer.
Het hele wagen- en motorenpark is in de afgelopen maand verscheept naar Argentinie, dat moet een soort militaire, peperdure operatie zijn geweest.
In de dagen dat wij in Buenos Aires zijn laten de auto's (enorme 4-wheeldrives) zich regelmatig zien in de stad. Argentijnse mannen maken driftig foto's, terwijl de bestuurders van de auto's (meestal kale veertigers en vijftigers), de motor nog eens extra laten ronken bij het stoplicht. De kranten staan vol van het evenement. In de weken die volgen (dit speelt zich allemaal af in januari) gaan de machines lekker door Argentine en Chili crossen, over de pampa, door de woestijn, over zandwegen en door de bergen.
Uiteraard zal er weer een dode vallen, maar dat mag het evenement natuurlijk niet in de weg staan.
Pas als de ralley al lang en breed dagenlang onderweg is zie ik in een krant het eerste, kleine berichtje over ecologen die zich verzetten tegen het motorische geweld in de Chileense woestijn. Het berichtje valt weg in paginalange wedstrijdverslagen, maar mij lucht het op.
Ik weet ook zeker dat deze ralley een van de laatste uitspattingen is in tijden van economische, energie- en klimaatcrisis. Parijs-Dakar is een relict uit het verspillende verleden. Dat dacht ik toen ik langs honderden meters motoren en auto's rende in Buenos Aires. Over tien jaar zal de ralley niet meer bestaan, voorspel ik hardop tegen mezelf. Dan vragen we ons af hoe we zo decadent konden zijn om puur voor de lol duizenden machines de oceaan over te sturen om daarmee drie weken lang door een land te crossen.
Eenmaal terug in Nederland het bericht dat ING stopt als formule 1-sponsor. Een paar dagen later trekt ook Mitsubishi zich terug uit de autosport.
Het gaat de goede kant op. Misschien gaat Paris-Dakar al komend jaar niet door.
Een kinderlijke wens ging onlangs in vervulling: over een ecoduct
lopen. Voor een verhaal over twintig jaar ecoducten in Nederland
(eind 1988 openden de wildviaducten Terlet en De Woeste Hoeve over
de A50 op de Veluwe) mocht ik op het doorgaans strikt voor beesten
bestemde ecoduct de Borkeld, over de A1 in Overijssel (zie verhaal:
Ecoducten zijn een succes). Het verkeer raasde voort, op de ecoduct
was geen leven te bekennen, het was niet bepaald een sensationele
ervaring. Maar het besef dat dat ‘s avonds en ‘s nachts
een levendige toestand was vond ik leuk genoeg. Natuurorganisaties
zouden webcams moeten installeren op ecoducten, opdat iedereen kan
volgen wat daar ‘s nachts gebeurt.
In mijn verhaal gaat het ook even over de’langste ecoduct ter wereld’ (800 meter), de ‘natuurbrug Zanderij Crailoo’ die tussen Bussum en Hilversum over een provinciale weg, over de spoorlijn, over een bedrijventerrein en over (door) een sportcomplex loopt. Zo dichtbij huis, toegankelijk voor mensen, maar nooit geweest. Schande.
Twee weken later loop ik er dan toch. Vanaf de parkeerplaats bij restaurant Robert op de rand van het Spanderswoud loop je in tien minuten naar de brug. Een wat kale bedoening die ieder laatste restje romantisch idee over weelderige, gezellige natuur met een ark vol met beesten doet verdwijnen. Wel zie ik het sporenbed met behulp waarvan het Wageningse instituut Alterra de maandenlang de niet-menselijke bezoekers van de brug hebben betrapt, er is een spoor voor paarden, een spoor voor fietsers en wandelaars en een (breder) spoor voor beesten.
Wat vooral opvalt is het ingenieuze systeem van hekken en roosters om, rond en op de brug, om iedere verkeersdeelnemer (mens en dier) in goede banen te leiden (bv, in het geval van de beesten: niet het spoor, de openbare weg, of de sportvelden op).
14,5 miljoen euro kostte de brug ( in mijn verhaal schreef ik abusievelijk 13 miljoen), veel geld, volgens een infobord op de brug, maar met dat geld is er wel verbinding gelegd (voor alle soorten dieren) tussen de de Bussemerheide (en verder) en het Spanderswoud (en verder) en als allerlei andere verbindingen af zijn (in 2018) kan iedere ree met gemak vanaf het hoofdkantoor van Natuurmonumenten in ‘s Graveland naar de Veluwe lopen.
Nu bereiken we de overkant als de bewolking wegtrekt, de zon zakt en een rode gloed de heide betoverend mooi maakt. In de verte de televisietoren van Hilversum en verder overal vlakte en heide. Sciencefictionlandschap met televisietoren en reetjes. Overal duiken ze nu op, een weinig schuchter maar. En ja: ze staan ook midden op de brug. Zo dichtbij huis, zoveel schoonheid. De parkeerplaats (en de pannenkoeken) om de hoek. Ziehier het wonder e Nederlandse knip- en plaknatuur.
In mijn verhaal gaat het ook even over de’langste ecoduct ter wereld’ (800 meter), de ‘natuurbrug Zanderij Crailoo’ die tussen Bussum en Hilversum over een provinciale weg, over de spoorlijn, over een bedrijventerrein en over (door) een sportcomplex loopt. Zo dichtbij huis, toegankelijk voor mensen, maar nooit geweest. Schande.
Twee weken later loop ik er dan toch. Vanaf de parkeerplaats bij restaurant Robert op de rand van het Spanderswoud loop je in tien minuten naar de brug. Een wat kale bedoening die ieder laatste restje romantisch idee over weelderige, gezellige natuur met een ark vol met beesten doet verdwijnen. Wel zie ik het sporenbed met behulp waarvan het Wageningse instituut Alterra de maandenlang de niet-menselijke bezoekers van de brug hebben betrapt, er is een spoor voor paarden, een spoor voor fietsers en wandelaars en een (breder) spoor voor beesten.
Wat vooral opvalt is het ingenieuze systeem van hekken en roosters om, rond en op de brug, om iedere verkeersdeelnemer (mens en dier) in goede banen te leiden (bv, in het geval van de beesten: niet het spoor, de openbare weg, of de sportvelden op).
14,5 miljoen euro kostte de brug ( in mijn verhaal schreef ik abusievelijk 13 miljoen), veel geld, volgens een infobord op de brug, maar met dat geld is er wel verbinding gelegd (voor alle soorten dieren) tussen de de Bussemerheide (en verder) en het Spanderswoud (en verder) en als allerlei andere verbindingen af zijn (in 2018) kan iedere ree met gemak vanaf het hoofdkantoor van Natuurmonumenten in ‘s Graveland naar de Veluwe lopen.
Nu bereiken we de overkant als de bewolking wegtrekt, de zon zakt en een rode gloed de heide betoverend mooi maakt. In de verte de televisietoren van Hilversum en verder overal vlakte en heide. Sciencefictionlandschap met televisietoren en reetjes. Overal duiken ze nu op, een weinig schuchter maar. En ja: ze staan ook midden op de brug. Zo dichtbij huis, zoveel schoonheid. De parkeerplaats (en de pannenkoeken) om de hoek. Ziehier het wonder e Nederlandse knip- en plaknatuur.
Over de jacht gesproken: een vriend geeft me twee boeken te leen.
Het boekje Ommen in oude ansichten bevat een foto, uit 1918, van
een geschoten everzwijn in de sneeuw, omringd door vijf trotse
mannen met geweren. Een van die mannen is de opa van mijn vriend.
Hij is rentmeester van het landgoed Eerde en is nogal koket gekleed
in vergelijking met de andere vier mannen op de foto. Hij is ook,
zo staat volledigheidshalve vermeld, de daadwerkelijke schutter. De
rentmeester lijkt, als je zijn enorme snor wegdenkt, sprekend op
zijn kleinzoon, een verklaard
natuurliefhebber.
Dat het imago van de jacht - en de jager - in de laatste vijftig jaar volledig is omgeslagen blijkt vooral uit het tweede boek, Ein Jägerparadies, een indrukwekkend fotoboek uit 1962 uit het communistische Tsjechoslowakije. De foto's zijn van ene Jaroslav Holecek, ‘Tierfänger, Fotograf, Jäger und Kameramann', de tekst is van Karel Vintika. Hij schrijft onder meer dat het boek de bedoeling heeft om het beeld van Tsjechoslowakije als jagersparadijs te ‘bekräftigen'. Ook voor buitenlanders, gezien de Duitse vertaling van het boek en de buitenlandse jagers die in het boek figureren tijdens voor communistische begrippen uitbundige wildmaaltijden. Op de laatste foto van het boek wordt de auteur afgebeeld voor zijn Skoda, met een wolf op het dak en twee vossen achterop. Het boek - antiquarisch nog te verkrijgen - is van een wrede schoonheid. Het bevat schitterende portretten van beesten die aan het begin van de zestiger jaren blijkbaar nog overvloedig te schieten waren in Slowakije: beren, lynxen, wolven, wilde katten, herten, bokken, vossen, dassen en wilde zwijnen. Natuurliefhebbers in Nederland zouden een moord doen - bij wijze van spreken - om sommige van deze beesten in de Nederlandse semi-natuur terug te krijgen. Het boek bevat verder macabere foto's van velden vol met keurig gerangschikte hazen en fazanten, met daaromheen blije dorpsbewoners en foto's van mannen en - opvallend veel - vrouwen die poseren met geweer, met hertengewei, moeflonram of met een bos geschoten fazanten op de arm.
De sfeer - in het hele boek - raakt aan het sacrale. De schrijver en de fotograaf vereren zonder enige terughoudendheid totaal onverenigbare zaken - gezien vanuit het huidige, Nederlandse perspectief. In alles onderstrepen de auteurs hun liefde en ontzag voor zowel de jacht, de jagers, het wild en de natuur. Een paradijselijke wereld inderdaad, uiteraard alleen mogelijk onder het communisme. Zelf bleef ik zitten met in ieder geval twee vragen? 1. als er al die jaren zo uitbundig is doorgeknald in Slowakije, hoeveel wild is er dan nog over? 2. Waren de makers van het boek werkelijk zo naïef over de goede inborst van de jager en de ‘Bedeutung' van de jacht voor de ‘Tier- und Naturschutz?'
Hoe dan ook: nog geen dertig jaar later riepen fanatieke dierenbeschermers jagers uit tot gewetenloze ‘moordenaars'.
Zelf zie ik meer in de enige foto in het boek met een knipoog richting kritische lezer: een jager staat met zijn geweer in aanslag in het veld, achter hem komt een zwijn vervaarlijk snel op hem toegerend.
Commentaar bij die foto: ‘Kommt das Wild jedoch von hinten, dann gibt es ein heilloses Durcheinander auf beiden Seiten.'
Dat het imago van de jacht - en de jager - in de laatste vijftig jaar volledig is omgeslagen blijkt vooral uit het tweede boek, Ein Jägerparadies, een indrukwekkend fotoboek uit 1962 uit het communistische Tsjechoslowakije. De foto's zijn van ene Jaroslav Holecek, ‘Tierfänger, Fotograf, Jäger und Kameramann', de tekst is van Karel Vintika. Hij schrijft onder meer dat het boek de bedoeling heeft om het beeld van Tsjechoslowakije als jagersparadijs te ‘bekräftigen'. Ook voor buitenlanders, gezien de Duitse vertaling van het boek en de buitenlandse jagers die in het boek figureren tijdens voor communistische begrippen uitbundige wildmaaltijden. Op de laatste foto van het boek wordt de auteur afgebeeld voor zijn Skoda, met een wolf op het dak en twee vossen achterop. Het boek - antiquarisch nog te verkrijgen - is van een wrede schoonheid. Het bevat schitterende portretten van beesten die aan het begin van de zestiger jaren blijkbaar nog overvloedig te schieten waren in Slowakije: beren, lynxen, wolven, wilde katten, herten, bokken, vossen, dassen en wilde zwijnen. Natuurliefhebbers in Nederland zouden een moord doen - bij wijze van spreken - om sommige van deze beesten in de Nederlandse semi-natuur terug te krijgen. Het boek bevat verder macabere foto's van velden vol met keurig gerangschikte hazen en fazanten, met daaromheen blije dorpsbewoners en foto's van mannen en - opvallend veel - vrouwen die poseren met geweer, met hertengewei, moeflonram of met een bos geschoten fazanten op de arm.
De sfeer - in het hele boek - raakt aan het sacrale. De schrijver en de fotograaf vereren zonder enige terughoudendheid totaal onverenigbare zaken - gezien vanuit het huidige, Nederlandse perspectief. In alles onderstrepen de auteurs hun liefde en ontzag voor zowel de jacht, de jagers, het wild en de natuur. Een paradijselijke wereld inderdaad, uiteraard alleen mogelijk onder het communisme. Zelf bleef ik zitten met in ieder geval twee vragen? 1. als er al die jaren zo uitbundig is doorgeknald in Slowakije, hoeveel wild is er dan nog over? 2. Waren de makers van het boek werkelijk zo naïef over de goede inborst van de jager en de ‘Bedeutung' van de jacht voor de ‘Tier- und Naturschutz?'
Hoe dan ook: nog geen dertig jaar later riepen fanatieke dierenbeschermers jagers uit tot gewetenloze ‘moordenaars'.
Zelf zie ik meer in de enige foto in het boek met een knipoog richting kritische lezer: een jager staat met zijn geweer in aanslag in het veld, achter hem komt een zwijn vervaarlijk snel op hem toegerend.
Commentaar bij die foto: ‘Kommt das Wild jedoch von hinten, dann gibt es ein heilloses Durcheinander auf beiden Seiten.'
Ik krijg een foto toegestuurd van een doodgeschoten wild zwijn,
hangend aan een ladder. Enorm beest. Het gekke is dat-ie voor een
groot deel wit is met een paar zwarte vlekken. De jager staat
ernaast, trots poserend in vol ornaat, geweer onder de arm.
Bijgevoegde tekst van de tipgever: Het zwijntje Sneeuwvlokje is een
flink zwijn geworden en is verhuisd naar de koelkast van een jager
(...)>
Reacties ter redactie:
"Jezus zeg."
"Wat een beest."
"Kijk hem trots zijn, die vent."
"Zou dat echt sneeuwvlokje zijn?"
Sneeuwvlokje, dat was dat arme, jonge witte zwijntje met zwarte vlekjes dat de gemoederen in de zomer van 2005 zo bezig hield. Het zwijntje was aangetroffen op de Veluwe, iemand had een foto gestuurd naar dagblad De Stentor en een jager gaf als commentaar: "Als ik het beest zie, dan schiet ik hem dood."
Want lichtgekleurde zwijntjes zijn niet populair bij jagers. De afwijkende kleur - wilde zwijnen horen zwart te zijn - duidt vermoedelijk op vroegere vermenging met tamme varkens. En daar houden jagers niet van. Het witte big moest zich maar bergen. Want, zo zei een van hen, "anders kunnen we hier wel tamme varkens gaan houden."
Maar de jagers hadden niet gerekend met Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren. Zij doopte het schattige, lichtgekleurde zwijntje tot Sneeuwvlokje en maakte het tot symbool van alle weerloze zwijnen die ieder jaar weer werden afgeschoten door brute jagers op de Veluwe. Discjockey Giel Beelen belde met Dafne Westerhof van de varkensopvang Het Beloofde Varkensland. Zij wilde sneeuwvlokje graag opnemen in haar "Familie Bofkont." Maar dat ging niet door. Wettelijk kun je niet zomaar een wilde zwijn vangen en opsluiten. Doodschieten mocht wel, in het jachtseizoen.
Maar ook dat ging niet door, vermoedelijk. De jagers zegden toe om sneeuwvlokje te sparen in het eerste jachtseizoen van zijn leven. En daarna bleek dat sneeuwvlokje helemaal niet uniek was, dat er op de Veluwe wel meer lichtgekleurde zwijntjes en zwijnen rondliepen.
En nu dus die foto.
Zou dit echt sneeuwvlokje zijn, drie jaar oud inmiddels en nu dus wel dood?
De tipgever weet het ook niet, zegt hij desgevraagd. En Gerrit Jan Spek van de Vereniging Wildebeheer Veluwe moet hard lachen: "Ha, er zijn al heel wat sneeuwvlokjes geschoten in de afgelopen jaren. Er zijn namelijk tientallen van dit soort zwijntjes. De kans dat dit dan sneeuwvlokje is, is dus statistisch heel klein."
De jager, die wellicht uitkomst zou kunnen bieden, blijft almaar onbereikbaar.
En dan ben ik toevallig, voor een ander verhaal, op bezoek bij Dafne Westerhof, in Het Beloofde Varkensland. "Sneeuwvlokje is dood," zegt Westerhof resoluut. "Die is al in het eerste jaar van zijn leven doodgeschoten." Hoe ze dat weet, dat weet ze niet meer, maar ze weet het, zegt ze. Het is jammer, maar de foto kunnen we - vooralsnog - niet plaatsen. Daarom als alternatief: sneeuwvlokje in betere tijden. (zie boven)
Reacties ter redactie:
"Jezus zeg."
"Wat een beest."
"Kijk hem trots zijn, die vent."
"Zou dat echt sneeuwvlokje zijn?"
Sneeuwvlokje, dat was dat arme, jonge witte zwijntje met zwarte vlekjes dat de gemoederen in de zomer van 2005 zo bezig hield. Het zwijntje was aangetroffen op de Veluwe, iemand had een foto gestuurd naar dagblad De Stentor en een jager gaf als commentaar: "Als ik het beest zie, dan schiet ik hem dood."
Want lichtgekleurde zwijntjes zijn niet populair bij jagers. De afwijkende kleur - wilde zwijnen horen zwart te zijn - duidt vermoedelijk op vroegere vermenging met tamme varkens. En daar houden jagers niet van. Het witte big moest zich maar bergen. Want, zo zei een van hen, "anders kunnen we hier wel tamme varkens gaan houden."
Maar de jagers hadden niet gerekend met Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren. Zij doopte het schattige, lichtgekleurde zwijntje tot Sneeuwvlokje en maakte het tot symbool van alle weerloze zwijnen die ieder jaar weer werden afgeschoten door brute jagers op de Veluwe. Discjockey Giel Beelen belde met Dafne Westerhof van de varkensopvang Het Beloofde Varkensland. Zij wilde sneeuwvlokje graag opnemen in haar "Familie Bofkont." Maar dat ging niet door. Wettelijk kun je niet zomaar een wilde zwijn vangen en opsluiten. Doodschieten mocht wel, in het jachtseizoen.
Maar ook dat ging niet door, vermoedelijk. De jagers zegden toe om sneeuwvlokje te sparen in het eerste jachtseizoen van zijn leven. En daarna bleek dat sneeuwvlokje helemaal niet uniek was, dat er op de Veluwe wel meer lichtgekleurde zwijntjes en zwijnen rondliepen.
En nu dus die foto.
Zou dit echt sneeuwvlokje zijn, drie jaar oud inmiddels en nu dus wel dood?
De tipgever weet het ook niet, zegt hij desgevraagd. En Gerrit Jan Spek van de Vereniging Wildebeheer Veluwe moet hard lachen: "Ha, er zijn al heel wat sneeuwvlokjes geschoten in de afgelopen jaren. Er zijn namelijk tientallen van dit soort zwijntjes. De kans dat dit dan sneeuwvlokje is, is dus statistisch heel klein."
De jager, die wellicht uitkomst zou kunnen bieden, blijft almaar onbereikbaar.
En dan ben ik toevallig, voor een ander verhaal, op bezoek bij Dafne Westerhof, in Het Beloofde Varkensland. "Sneeuwvlokje is dood," zegt Westerhof resoluut. "Die is al in het eerste jaar van zijn leven doodgeschoten." Hoe ze dat weet, dat weet ze niet meer, maar ze weet het, zegt ze. Het is jammer, maar de foto kunnen we - vooralsnog - niet plaatsen. Daarom als alternatief: sneeuwvlokje in betere tijden. (zie boven)
En daar, midden op het voetpad, onbeweeglijk, zat een vos. De
eerste vos van mijn leven. In mijn herinnering keken we elkaar wel
drie minuten aan, daarna verdween het schitterende beest langzaam,
flegmatiek het struikgewas in. Het was een van mijn
indrukwekkendste ervaringen ooit in de natuur, het afgelopen
voorjaar in de Kroondomeinen. En, om het typisch Nederlands te
houden, ik was niet de enige met deze ervaring. Her en der hielden
wandelaars stil en stapten fietsers af om de vos te bewonderen. Wel
betrapte ik me op de gedachte, de vraag: is een vos eigenlijk
gevaarlijk? Wat doet dit prachtige beest als hij in paniek raakt?
Bijten, krabben, aanvallen? Overleef ik dat? En wat moet je doen?
Weglopen? Van je af slaan? Heel even, een seconde lang, voelde ik
een kleine oprisping van angst.
Later die dag overkwam het me nog een keer, in iets sterkere mate nog. In een wat donker, dichtbegroeid gedeelte van het bos stak plotseling een jong wild zwijn over. Dat was waar ik op had gehoopt, maar behalve opwinding voelde ik ook angst. Een jong zwijn? Dan kan de moeder nooit ver weg zijn. En zwijnenmoeders met kroost willen nog weleens agressief en aanvallerig zijn tegenover mensen. In Nijmegen was onlangs nog een vrouw honderden meters achtervolgd door een wild zwijn, wist ik. Opgewonden, maar ook waakzaam nu, liep ik door.
Toen ik nog geen half jaar geleden begon met het schrijven over natuur was ik geneigd om te denken dat de Nederlandse natuur: A. Niets voorstelde. B. Vooral heel gezellig was. C. Vooral heel veel zei over de Nederlandse mens. Dat laatste vind ik nog altijd. Over iedere vierkante meter natuur in Nederland is nagedacht en echt ieder plantje is gedetermineerd. Daarin is Nederland uniek in de wereld.
Maar zo totaal onschuldig is de Nederlandse natuur ook weer niet. Ik was aanvankelijk geneigd om alle initiatieven om de ‘wildernis' terug te brengen in Nederland te steunen. Dus: de wolf, de lynx, de eland moesten vooral weer terugkomen in Nederland, de hekken rondom natuurgebieden moesten vooral weg en zwijnen, herten, vossen en nog veel meer wild moest vooral vrijuit door heel Nederland kunnen banjeren. Totdat ik begreep dat er zo ook ongelukken kunnen ontstaan. Dat dergelijke beslissingen averechts kunnen werken. Een ongeluk, een kind dat door een wild zwijn bij een veluwse camping wordt gebeten en het verder uitbreiden van natuurgebieden staat weer jaren op een laag pitje. En inderdaad: er zijn nu al gebieden in Nederland waar het er behoorlijk ruig aan toe gaat.
Vier jaar geleden waarschuwde de Wageningse ‘omgevingspsychologe' Agnes van den Berg in haar proefschrift over de ‘verborgen angst voor de natuur' al voor onderschatting van dit fenomeen. "Ik heb sterk de indruk dat mensen zich schamen om hun angst voor de natuur toe te geven," zei ze in de Volkskrant. En: "Ze mogen van zichzelf niet bang zijn, omdat de natuur in Nederland is getemd en dus als veilig geldt." Volgens Van den Berg moesten overheden en natuurbeschermingsorganisaties het grote publiek voorlichten over de gevaren van de natuur. "Er hoeft maar iets te gebeuren en de goede stemming onder de bevolking slaat om."
Sindsdien wordt de natuur in Nederland, volgens plan, almaar ruiger. En het aantal zoogdieren neemt flink toe. Het is bijna wachten op een incident dat erger is dan een aanrijding op de Veluwe. Misschien moet iemand maar eens gaan roepen dat al die beesten levensgevaarlijk zijn. Niet om die beesten weg te krijgen, maar om onze ‘natuurlijke' angst en alertheid in de natuur weer volop de ruimte te geven. Leve de angst in de natuur!
Later die dag overkwam het me nog een keer, in iets sterkere mate nog. In een wat donker, dichtbegroeid gedeelte van het bos stak plotseling een jong wild zwijn over. Dat was waar ik op had gehoopt, maar behalve opwinding voelde ik ook angst. Een jong zwijn? Dan kan de moeder nooit ver weg zijn. En zwijnenmoeders met kroost willen nog weleens agressief en aanvallerig zijn tegenover mensen. In Nijmegen was onlangs nog een vrouw honderden meters achtervolgd door een wild zwijn, wist ik. Opgewonden, maar ook waakzaam nu, liep ik door.
Toen ik nog geen half jaar geleden begon met het schrijven over natuur was ik geneigd om te denken dat de Nederlandse natuur: A. Niets voorstelde. B. Vooral heel gezellig was. C. Vooral heel veel zei over de Nederlandse mens. Dat laatste vind ik nog altijd. Over iedere vierkante meter natuur in Nederland is nagedacht en echt ieder plantje is gedetermineerd. Daarin is Nederland uniek in de wereld.
Maar zo totaal onschuldig is de Nederlandse natuur ook weer niet. Ik was aanvankelijk geneigd om alle initiatieven om de ‘wildernis' terug te brengen in Nederland te steunen. Dus: de wolf, de lynx, de eland moesten vooral weer terugkomen in Nederland, de hekken rondom natuurgebieden moesten vooral weg en zwijnen, herten, vossen en nog veel meer wild moest vooral vrijuit door heel Nederland kunnen banjeren. Totdat ik begreep dat er zo ook ongelukken kunnen ontstaan. Dat dergelijke beslissingen averechts kunnen werken. Een ongeluk, een kind dat door een wild zwijn bij een veluwse camping wordt gebeten en het verder uitbreiden van natuurgebieden staat weer jaren op een laag pitje. En inderdaad: er zijn nu al gebieden in Nederland waar het er behoorlijk ruig aan toe gaat.
Vier jaar geleden waarschuwde de Wageningse ‘omgevingspsychologe' Agnes van den Berg in haar proefschrift over de ‘verborgen angst voor de natuur' al voor onderschatting van dit fenomeen. "Ik heb sterk de indruk dat mensen zich schamen om hun angst voor de natuur toe te geven," zei ze in de Volkskrant. En: "Ze mogen van zichzelf niet bang zijn, omdat de natuur in Nederland is getemd en dus als veilig geldt." Volgens Van den Berg moesten overheden en natuurbeschermingsorganisaties het grote publiek voorlichten over de gevaren van de natuur. "Er hoeft maar iets te gebeuren en de goede stemming onder de bevolking slaat om."
Sindsdien wordt de natuur in Nederland, volgens plan, almaar ruiger. En het aantal zoogdieren neemt flink toe. Het is bijna wachten op een incident dat erger is dan een aanrijding op de Veluwe. Misschien moet iemand maar eens gaan roepen dat al die beesten levensgevaarlijk zijn. Niet om die beesten weg te krijgen, maar om onze ‘natuurlijke' angst en alertheid in de natuur weer volop de ruimte te geven. Leve de angst in de natuur!

