Admin: Thera
Met kinderen
Kindgerelateerde onderwerpen en bijdragen van kinderen zelf.
Lief en ik gaan bijna nooit uit.
Een keer per jaar naar een voorstelling.
En daar tussendoor heel af en toe naar een cafeetje. Zeg een keer per twee, drie maanden.
Zo erg dus.
Gister had hij daar genoeg van en sleurde me nog net niet aan de haren het huis uit. We waren op zoek naar een drinkgelegenheid. We vonden een gezellig restaurantje waar je ook gewoon een kopje koffie mocht drinken. We lieten de conventionele tafels links liggen en ons oog viel op een ottomaans zithoekje...midden in het restaurant.
Het was een beetje onwennig in het begin en lief keek overal behalve naar mij. Ik moest hem een paar keer stevig bij zijn kin pakken om hem eraan te herinneren...dat ik ook een gezicht had.
Langzaam aan ontspande hij en uiteindelijk hadden we een heerlijke avond. Toen we ons huis verlieten en in de auto stapten waren we moe, versleten, kapot.
Maar op het moment dat we dachten, we moeten toch maar weer eens op huis aan...liepen we zowat huppelend door de halflege straten van het slechtverlichte centrum.
Uitgaan. Ik raad het iedereen aan. Je krijgt er energie van. Zeg ik. Huismus.
Maar nu komt het.
Vanmorgen vroeg begon mijn oudste zoon plotseling zomaar te huilen. Hij was aan het treuzelen met aankleden en dus zat ik gewoontegetrouw een beetje te mopperen. Ik dacht dat hij daarom huilde. Maar nee.
-Niemand is verliefd op mij, niemand neemt mij mee naar het café!
copyright assyke
Ik heb het filmpje al tig
keer gezien, het staat ook op mijn site.
Blijft een wow filmpje.
How can you encourage a child?
Use your imagination.
Dorien Kok
http://www.I-CARUS.info
Ik moest erheen. Zo dichtbij en zo afschuwelijk. In een wijk waar mijn dochter (15) soms op de fiets, ook nog wel eens vertoeft. Een vriendin, waar ze pas was, woont daar vlakbij. De terugfietstocht is altijd zo rond middernacht. Daar maak ik me altijd zorgen over. Gelukkig is er nog nooit iets onherstelbaars gebeurd. Maar dat er nooit iets misgaat, kan ik ook niet zeggen.
Maar dit?
De buurman belt, omdat hij uit zijn raam kan zien dat een buurmeisje thuiskomt, aan, wetend dat haar ouders niet thuis zijn. Neemt haar mee op klaarlichte dag, hoe is nog niet
bekend, en vermoordt haar in zijn rijtjeshuis. Daarna begraaft hij haar in zijn tuin die aan de straatkant ligt. Een tuin van een meter of 6 diep, omheind door een hekwerk van verspringend betimmerde latten. Je kent ze: als je schuin staat kun je door de openingen naar binnen kijken.
Het is een bevolkte wijk, waar
huizen op labyrintische wijze aaneen gebouwd. Aan de buitenkant
is niet te zien hoe de afzonderlijke huizen eruit zien.
De speciale architectuur heeft dat deel van de wijk Sterrenburg de bijnaam LEGODORP bezorgd.
Met het hart in de keel heb ik rondgewandeld, tot ik, nog onverwachts, op de afzetting stuitte. Politieauto's reden af en aan, politieagenten alom. De aarzeling sloeg toe. Kon dit wel? Ik moest gewoon. Daar was een meisje van 12 vermoord en net uit het stadstuintje opgegraven. Niks afgelegen plek, niks vooringerichte plaats, gewoon naast de rijweg. Gruwelijk. Onwaarschijnlijk.
Daar staan de schotelwagens van de verschillende omroepen, de camera's naast de schijnwerpers, waarvoor de verslaggevers met blocnootje in de hand af en toe zwijgen en dan weer als tegen zichzelf staan te praten.
Ondertussen schuifelen mensen langs om bloemetjes neer te leggen op de daarvoor ingerichte plek. Er heerst een vervreemdende sfeer, het is stil...ondanks de bedrijvigheid.
En toch, als de Belgische verslaggever nog eens zegt, dat de motieven nog onbekend zijn en dat de uitslag van de sectie pas vrijdag komt, verbreekt hij met zijn cameraman de breekbare sfeer. Ze beginnen gewoon te kletsen, lachen af en toe en breken de boel af. Ze gaan naar huis. Als met een harde knal een lamp springt, wordt er alom gelachen.
De verslaggeefster van SBS, die net weer terug is in de uitzending, verklaart de knal met een lachje...
Ik verstout me in de schijnwerpers even bij de bloemen en de foto van Milly te gaan kijken. Ik heb niets bij me.
Als ik weg ga, loop ik op met drie buurtbewoonsters, alledrie met een hondje, die me vertellen dat ze altijd langs de huizen kwamen op hun rondje. Ze wijzen me, het is inmiddels donker, op een verlichte kamer die behoort tot het huis van de moordenaar. De jongste trekt een krantenknipsel uit haar kontzak met een luchtfoto. De afstand tussen de huizen blijkt zo'n 20 meter...
Ik probeer, als ze weg zijn, het huis te fotograferen.
Ik ben aangedaan.
Vrijdag een 'stille tocht'.
“Ik vind je lief”
en mijn jongste van acht vlijt zich genoeglijk tegen me aan. We
zoeven over de snelweg, het schemert, de lantaarnpalen zijn net
aangefloept en we moeten nog dik een half uur voor we thuis zijn.
Gezellig zo samen in de auto. “Ik vind jou ook lief”
Het komt uit mijn tenen. Ik doe mijn best om dit soort woorden
niet op de automatische piloot uit mijn mond te laten rollen.
Soms ontkom je er niet aan maar deze keer is het echt helemaal
echt. Konden we nog maar uren zo doorrijden, weg van alle
dagdagelijkse gedoe. Waarom vind ik haar eigenlijk zo lief? Laat
me dat eens hardop uitspreken al ben ik dat van huis uit niet
gewend. Aarzelend zoek ik woorden die haar recht doen en die
tegelijkertijd geen druk veroorzaken want daar is ze op dit
moment megagevoelig voor. “Ik vind jou zo lief om je lieve
lach, om je vrolijkheid, om je muzikaliteit, om hoe je gegrepen
kunt zijn door een boek, om je grappige gehuppel, om je
behulpzaamheid, om je slimheid, om je zelf opstaan met de wekker
en je heerlijke geknuffel” liefkoosplaag ik haar. Ze
wentelt zich behaaglijk in al dat heerlijks.
Ze hoeft niks terug te zeggen, maar ze doet het wel. “En ik vind jou lief om je lieve lach, om je halfvolle glas, om je krulharen, om je mooie ogen en dat je je bril alleen in de auto opdoet want ik hou zo van je ogen en zonder bril zie ik ze beter, om je werk dat je doet met ouders want het is ook voor ons belangrijk dat je zo leert hoe je moet opvoeden, om je man want anders had ik niet zo’n leuke papa, omdat je kinderen wilde krijgen want anders was ik nooit geboren, om je agressiviteit vanbinnen die als vuurwerk kan ontploffen want ik hou van vuurwerk, ja zelfs hou ik van je boosheid want je bent mijn mama en ik hou van alles wat bij jou hoort. ”
Pff, wat een portret. Dat kind van mij en haar rake beschrijving. Ik schrik van haar laatste ontboezeming maar meer nog gloei ik van geluk. Onvoorwaardelijke liefde.
Dat is wat het is.
Onderzoek heeft aangetoond (Webb & Latimer, 1993)) en het blijkt ook uit mijn eigen praktijk dat er kinderen zijn die de diagnose ADHD krijgen, terwijl ze slechts hoogbegaafd zijn. Ze reageren op een ongeschikte onderwijsaanbod.
De sleutel om ADHD en hoogbegaafdheid te onderscheiden is algemeen verspreid “acting out” gedrag (Engelse term voor gedrag waarbij een persoon destructief en agressief handelt, zonder rekening te houden met de negatieve gevolgen daarvan – een grote mond opzetten, stoer doen en andere kinderen pesten).
Als dit gedrag betrekking heeft op een bepaalde situatie, kan het gedrag van het kind meer gerelateerd zijn tot hoogbegaafdheid; terwijl als het gedrag consistent is tijdens alle situaties, kan het gedrag gerelateerd zijn aan ADHD. Het is ook mogelijk dat het kind zowel hoogbegaafd is als ADHD heeft. De volgende opsomming geeft de overeenkomsten tussen hoogbegaafdheid en ADHD weer:
Karakteristieken van hoogbegaafde leerlingen die zich vervelen
* slechte concentratie en dagdromen
* lage doorzettingsvermogen bij taken die irrelevant lijken
* start met veel projecten, maakt weinig af
* ontwikkeling van oordeelvorming loopt achter bij de intellectuele groei
* diepe concentratie kan leiden tot machtstrijd met de leerkracht
* hoge activiteitsniveau; kan vaak toe met minder slaap
* vindt het moeilijk te zwijgen (wil blijven praten); kan verstorend zijn
* raakt zijn werk kwijt, vergeet huiswerk, is ongeorganiseerd
* lijkt zorgeloos
* erg gevoelig voor kritiek
* vertoont niet altijd probleemgedrag
* meer consistente mate van presteren bij een redelijk consistente tempo
Bron: Cline, 1999; Webb & Latimer, 1993)
Karakteristieken van leerlingen met ADHD
* slechte aanhoudende concentratie
* verminderde doorzettingsvermogen bij opdrachten die niet onmiddellijke consequenties hebben
* wisselen vaak van een onafgemaakte taak naar een andere
* impulsiviteit, slecht in uitstel van bevrediging
* houdt niet van opdrachten die het gedrag in sociaal context regulieren of verbieden
* meer actief, rustelozer dan andere kinderen
* praat vaak overdreven veel
* verstoort vaak of onderbreekt anderen
* moeite zich te houden aan regels en voorschriften
* verliest vaak dingen die nodig zijn voor taken of activiteiten thuis of op school
* kan lijken dat hij geen aandacht voor detail heeft
* heel gevoelig voor kritiek
* probleemgedrag bestaat in iedere omgeving, maar in sommige omgevingen is het gedrag erger
* veranderlijkheid in taakuitvoering en de tijd die gebruikt wordt om taken af te krijgen
Bron: Barkley, 1990; Cline, 1999; Webb & Latimer, 1993) (Barkley, 1990; Cline, 1999; Webb & Latimer, 1993
Nog meer over ADHD en hoogbegaafdheid lezen?
Heb je vragen, stuur mij een e-mail. Je kunt je ook abonneren op mijn nieuwsbrief Krabbelz. Dat ontvang je regelmatig relevante artikelen in je mailbox plus het gratis e-boek “Onderpresteren – een nationale epidemie”.
Heel Nederland praat erover. Op de voorpagina van elke krant gaat het erover. Alle internet-nieuwssites hebben het erover. Op de radio gaat het hierover. Ik heb het erover. Vrachtwagenchauffeurs rijden rond met haar poster. Mensen flyeren. En terecht. Waar is Milly? Sinds woensdag 10 maart wordt de 12-jarige Milly vermist.. Dit lijkt me de ergste nachtmerrie als ouders/familie zijnde, dat je niet weet waar je dochter/zusje/kleindochter etc. is..
Ik hoop dan ook met heel mijn hart dat ze snel gevonden wordt, en alles goed met haar gaat. Elke dag die voorbijgaat zonder een teken van Milly, is een dag meer in angst en onzekerheid voor haar ouders, familie en vrienden.. verschrikkelijk..
Ik wil hierbij dan ook de ouders, familie, vrienden en naasten veel sterkte wensen.
Wie weet wie Percy is?
(Hint: de tags)
Vanwege de Boekenweek mochten we vandaag gratis met de trein. Je
moest alleen het Boekenweekgeschenk bij je hebben, en dan lag de
wereld voor je open. Nou ja, Nederland dan. We besloten om niet
standaard naar Groningen of Maastricht af te reizen, maar een
keer naar Tilburg te gaan.
Ik wilde al een tijdje naar het Textielmuseum, maar het kwam er
steeds niet van. Dit was een goede gelegenheid. Gewapend met
Joost Zwagerman en mijn compactcameraatje gingen we op
pad.
Super was het. Een museum als dit loopt het risico te verstoffen
met muffe wandkleden en het favoriete uitje van de plaatselijke
plattelandsvrouwenvereniging te worden. Om dit voorkomen, hebben
ze aansluiting gezocht met hippe ontwerpers als Kiki van Eijk en
Studio Job. Het resultaat: een verrassend leuk museum, met een
textiellab met de mooiste machines. Ik word sowieso blij van
alles wat met textiel te maken heeft, maar ook Man en Zoon
vermaakten zich gelukkig. Man vanwege het monumentale pand, en
Zoon vanwege het kinderpakketje dat hij bij de ingang had
gekregen, met onder andere een speurtocht, en een
borduursetje.
En zo zaten we samen braaf te borduren op de terugweg. Volgens
Zoon het leukste dat hij ooit gedaan had. Voordat u zich zorgen
gaat maken, dat zegt hij gemiddeld twee keer per dag. En thuis
ging hij er weer vol in met de Lego Powerminers.
Om vervolgens Studio Sport te gaan kijken met zijn papa.
Maar misschien blijft er toch iets hangen.
Midden op het minischoolpleintje, achter onze school, staat een eenzame jackfruitboom.
Voortdurend klimmen de kinderen erin maar toch hangen er een paar kilo’s zware vruchten ongestoord te rijpen. Kennelijk hebben de kinderen respect voor de natuur (...) en is de controle van de leerkrachten voldoende om de fruitballen te laten hangen tot ik toestemming geef om ze te plukken.
Want ze vallen er niet vanzelf uit nee, en de spelende kinderen lopen geen gevaar. Denk ik. Terwijl je regelmatig berichten hoort over mensen die gedood zijn door een vallende kokosnoot, heb ik nog nooit iets over slachtoffers van een ‘knol’ vernomen.
Want zo heten de reusachtigste vruchten ter wereld in het Khmer: knol. Makkelijk te onthouden voor ons Nederlanders. ‘Knol’ was dan ook één van de eerste woorden die bij mij in het begin zijn beklijft. Logisch. Net als ‘pom’ (appel) of ‘strohberry’ (aardbei.)
Toen ik hier kwam wonen, kreeg ik van een moeder een knol mee. Thuis gekomen nam ik een groot en scherp mes uit de keuken, sneed het gevaarte overlangs in tweëen en fileerde er de gele vruchtjes uit. De slijmerige vezels waarmee die vastzitten aan de kern en de schil, zo ontdekte ik, zijn behoorlijk kleverig. Kleverig?! Mijn vingers bleven als met tweesecondenlijm aan elkaar plakken en aan alles wat ik aanraakte! Ons keukenpersoneel lag in een deuk. Met geen water en zeep, noch met terpentine kreeg ik mijn handen schoon.
Totdat de kokkin me schaterend meenam de keuken in, naar de rijstkist. Ik moest mijn handen met droge rijst wrijven tot alle kleefstof van mijn vingers af was; weer wat geleerd.
De vruchtjes zijn heerlijk sappig en zoet. Je kunt ze ook kopen in zakjes, gedroogd, maar vers zijn ze het lekkerst.
Onthoudt: knol. Voor als je naar Cambodja komt.

Zoon had vandaag weer een Viering op school. Jenaplan hè,
dan hebben we een paar keer per jaar een voorstelling, waar
ouders ook hun kroost mogen bewonderen.
Zoon was een rood krokusje. Het thema was lente, een krokus vindt
hij een leuke bloem en rood is zijn lievelingskleur. Wij vinden
dat allemaal prima. Het blijft Jenaplan tenslotte.
Tot zover prima. Hartstikke leuk. Ik stond al buiten om hem op te
halen, tot een moeder zei: jij woont toch vlak bij school, jij
kunt nog even naar huis. Ik keek op mijn horloge. Nog een
kwartier. Toen ging het mis.
Ik snelde naar huis, en bedacht dat ik dan nog net even de foto's
kon inladen. Met mijn jas nog aan, hield ik in de ene hand mijn
cameratas (met camera), en met de andere probeerde ik het
fotokaartje in mijn computer te wurmen. Nog even aandrukken, en
toen hoorde ik een harde knal. Mijn mooie spiegelreflexcamera lag
op de grond, uit de cameratas gevallen. Kapot.
En ik ook. Want fotograferen is een van mijn grootste passies. En
voor u lief gaat meedenken, nee, de verzekering dekt het niet.
Dat heb ik al geïnformeerd.
Ik vertel Zoon dat ik verdrietig ben. 'Dan moet je er niet meer
aan denken mama. Loslaten.'
En zo krijg je je eigen adviezen als een boemerang terug.
Ik probeer er dus niet meer aan te denken. En los te laten.
Maar dat valt niet mee.
Zonder het uit mijn duim te zuigen kan ik mij bij de aanzwellende groep scharen die decennialang geleden het slachtoffer was van machtsmisbruik en seksuele intimidatie door de clerus op katholieke internaten.
Ik was erbij en mag dus hardop zeggen dat het op mij nogal hyperig overkomt. Zelf heb ik jarenlang op twee in de pers met naam en toenaam genoemde locaties doorgebracht, gezeten, gestudeerd, of hoe je het noemen wilt.
Net als de man die als ‘slachtoffer’ samen met twee medestudenten bij Matthijs van Nieuwkerk zijn verhaal kwam vertellen, tegenover pater Antoine Bodar met het zweet op zijn voorhoofd, moest ik met zachte drang van mijn ouders op elfjarige leeftijd naar de priesteropleiding. En dát heb ik geweten!
(Hoe traumatisch kan het overigens zijn om als je –zoals de man vertelde- bij een broeder op schoot te bladeren in een Elseviers encyclopedie en naar blote negermannen moet kijken...)
Ieder jongetje droomt op de leeftijd die ik toen had over een rooskleurige toekomst en fantaseert daarbij hoe het zou zijn om kapitein van een oceaanstomer te zijn of om een mijter te dragen in je eigen basiliek. Zo ook ik. Mijn droom keerde echter al op dag twee in een nachtmerrie.
Zaten ze ‘aan me’? Nee, of het moest de pater muziekleraar zijn, die met een dirigeerstok op mijn gespreid op de bank gestrekte vingers sloeg als ik een noot miste. Die pijn vergeet je. Of de pater prefect die wel eens op je strakke billen sloeg en in je wang kneep –dat waren uitingen van affectie die je zo node moest missen van thuis. Nee, veel ingrijpender was de intimidatie door de Latijnse leraar, die me op een grove manier uitschold bij een onvoldoende, of de pater surveillant die me voor de hele studiezaal voor schut zette en blafte dat ‘Het beter voor jou ware geweest dat je moeder niet geboren was’. Mea culpa.
Het neerbuigende toontje van de leraren en hun Spartaanse dwangmaatregelen, braken elk restje eigenwaarde dat ik nog bezat. Nadat ik het laatste restje heimwee –waar ik vreselijk onder heb geleden en dat volkomen genegeerd werd-, had weg gehuild in de betrekkelijke beschutting van mijn chambrette op de slaapzaal, leefde ik verder als een soort zombie-in-korte-broek. Met eindeloos gebed en stilzwijgen werden we in het gareel gestampt. Ik noem –met de wijsheid en kennis van nu- dát misbruik. Maar we schreven 1956 en de meeste lieten ons de discipline aanleunen –je had geen keus en je moest door. Buiten de muren van het juvenaat was het ook niet alles –vertelde men ons.
Dat sommige studenten op vriendschappelijke voet stonden met een leraar of biechtvader, lag voor de hand en iedereen vond dat volkomen normaal; sterker nog, je was jaloers op zo’n (knappe) jongen, én zijn puntenlijst. Niet onderschat mag worden dat de sociale controle op de instituten enorm was en de doodzonde der onkuisheid soms onherroepelijk tot overplaatsing van de pater of broeder leidde, maar het kwam vaker voor dat als er een confrère of de rector lucht kreeg van een ‘geheime liefde’, niet de dader maar het slachtoffer naar huis werd gestuurd.
Mijn biechtvader was een uiterst aimabele pater die ‘het beste met mij en mijn geestelijke leven voor had’. Voor de absolutie op vrijdagavond gaf hij er de voorkeur aan om dat op zijn kamer te doen. Niks mis mee. Dat pater L. een bijzondere belangstelling aan de dag legde voor mijn lichamelijke ontwikkeling in het algemeen en die tussen mijn benen in het bijzonder, nam ik voor lief. Dat het wel zou horen bij de seksuele voorlichting die ik thuis nooit had gehad. Dat mijn biechtvader daarbij aan mijn knie zat om me op mijn gemak te stellen ervoer ik niet anders dan als vanzelfsprekend. Dáár heb ik niks aan ‘overgehouden’, net zomin als die keren dat de surveillant mijn douchecabine binnenkwam om ‘me te controleren.’

Spinazie vloog door de keuken, spatte uiteen tegen witgesauste muren.
Ik
schrok.
Caramel, hoewel al bijna twaalf, begon hysterisch te
huilen.
Zijn gehuil was voor mijn lijf een startsein.
Ik pakte mijn bestek weer op en hervatte mijn warme maal. Gebakken rijst, wilde spinazie, een hoop pittige kruiden en knoflook. Het was het lievelingsgerecht van ons allemaal.
Onze lieve moeder, de duizendpoot in ons gezin, had zichzelf weer overtroffen. Koppig slikte ik het groene spul door. Dat deed pijn. Wil en lichaam werken elkaar soms tegen.
Toen mijn vader zijn stoel naar achter schoof om een fles bier uit de koelkast te halen zag ik het weer: hij ging onderuit en viel met zijn gezicht in de scherven die zijn vuisten zojuist hadden gemaakt.
Maar ik zag ook dat hij overeind bleef en met het flesje in mijn richting zwaaide.
Wat zei hij? Ik moest luisteren. Alles wat hij zei was belangrijk.
-Morgen na schooltijd.
Dat was wat hij zei. Een dreigement.
Ik keek hem recht aan.
Onze lieve
moeder, de duizendpoot, krioelde met haar vele pootjes. Maar
papa, negeerde haar.
Op weg naar boven, draaide hij zich nog eenmaal om.
-Morgen na schooltijd, meisjelief!
Ik knikte. Dat
moest ik. Alleen dan ging hij weg.
Ik at mijn bord leeg terwijl mijn moeder de keuken leegruimde. Bij de keukendeur bleef ze staan. Het gebroken glas in de deur had gevaarlijke punten. Er was niets aan te doen.
Stil veegde ze
de scherven bij elkaar, poetste ze de spinazie van de muren en
legde de vaat op het aanrecht.
Welterusten mam, ik ga naar bed. Ik gaf haar een zoen en liep ook
naar boven.
Ik hield mijn adem in, de laatste treden waren het
zwaarst.
Eenmaal op mijn
eigen kamer viel alles op zijn plek.
geinspireerd door dianne en door plato
'De meiden komen woensdag', kondigde Zoon een paar dagen geleden
quasi-nonchalant maar o-zo-trots aan. 'Help, meiden', dacht ik
nog. 'Waar moeten die mee spelen?' Met mij, ben ik inmiddels
achter.
Daarnaast hadden we nog een vriendje over de vloer, dus dat
betekende vier kleuters. Respect voor alle kleuterjuffen van
Nederland. Eerst moest er gegeten worden (wat kunnen die
kleintjes eten, de oven draaide ovenuren!). Dat laatste woord is trouwens geen tikfout
maar een hele leuke woordspeling. Na drie uur op kleuterniveau
gepraat te hebben, ben ik even toe aan een taalkundige
vingeroefening.
Nadat alle buikjes vol zaten met croissantjes, tosti's en
wat al niet meer, vervielen we in een ouderwets staaltje
klassieke rolverdeling. De dames speelden met huisjes, de heren
vielen aan met straaljagers. Af en toe ontstond er een kleine
crisis als de aanval iets ruiger was dan gepland, maar dan bracht
een grote zak paaseitjes al snel vrede. Geweldig, al die kids in
huis.
Ik ben bekaf.
Intimideren is moeilijk, hoor!
Overal waar Fafa komt stelt hij zich voor met de volgende mededeling: Hallo! ik ben POLITIE!
Hij heeft een wat vervormd beeld van politiemensen, want hij kijkt de man/vrouw/kind nors aan en probeert ze te intimideren.
Gelukkig weet hij niet hoe belachelijk en ongeloofwaardig hij eruit ziet. Iedereen weet en zelfs nieuwe mensen hebben het al binnen 60 seconden door: dit jongetje is een ongelooflijk vriendelijk mannetje, neigend naar het softe....
Gisteren zouden we bezoek krijgen. Door de telefoon had de kennis gezegd, dat ze haar dochter ook mee zou nemen. Nu was het lang geleden dat Faf de dochter had gezien.
Hé, dacht ik, dat is leuk! Want de dochter werkt bij de politie. Voor Faf een uitstekende gelegenheid om even onder ons te zijn.
De voorpret mocht er zijn: heeft zij ook een eche Pet? Ja.... O en kijkt ze ook streng? En gaat zij mij ook zo een boete geven, als ze binnenkomt? Nee, dat denk ik niet...en zo gaat het door, tot de bel gaat.
En dan komt ze binnen, in een roze truitje en het haar in een paardenstaart. HIj kijkt verbluft naar deze Nep Agent.
-Waar is jouw pet, vraagt hij argwanend.
-Die ligt in de auto, want ik heb nu geen dienst.
-O!
Ik vertel het meisje dat Fafa ook bij de politie is. Ze heeft meteen belangstelling en wil met hem nieuwtjes uitwisselen als collega's onder elkaar.
Maar nu wordt het Fafa toch wel een beetje teveel. Hij voelt zich klein naast deze beroeps.
Het wordt tijd voor het echte werk. Hij verdwijnt in de wasruimte, is daar even bezig en komt dan zelfverzekerd binnenstappen.
Het is dan wel géén politiepet daar op mijn hoofd, maar wat dacht je hiervan?
Over onvermogen, zeggenschap van kinderen en sentimentele liedjes
Het onvermogen van beide ouders. Een te snelle en gemakkelijke keuze, de biologische klok tikt immers door, ineens heb je haast. Het onvermogen er samen iets van te maken. Heeft het zin om stil te staan bij de schuldvraag? En daar sta je dan als kind. Je houdt van allebei. Je weet niet beter, ze zijn jouw wereld. Opgroeien in een huis vol ruzie en disrespect is wel het ergste dat je kan overkomen. Maar hoe dan ook verlies je, ook als je van een ouder gescheiden bent. Het kan ook anders en soms kan dat ook niet.
Dat zijn de gedachten die bij mij opkomen, wanneer ik dit liedje hoor.
Het laatste couplet veroorzaakt nu onbegrip, zo werkt het natuurlijk niet, maar dat viel mij als klein meisje niet op. Ik moest altijd huilen van dit liedje. Stiekem, want in een huis vol nozems moest ik wel een beetje stoerder doen nietwaar? Daar was niet veel consideratie voor de gemakkelijke sentimenten en al helemaal niet door dit soort muziek. En een sentimentele draak is dit liedje natuurlijk. Maar voor mij was het geen gemakkelijk sentiment en dat is het nog steeds niet.
Ik vraag me ineens af, of dit liedje me ook een beetje heeft gevormd? Mijn later handelen heeft beinvloed? Of was het, dat ik toch altijd al was doordrongen van de rol van kinderen en hun gebrek aan zeggenschap in hun directe leefomgeving? Als ouder probeer je normaal gesproken je kind verdriet te besparen, zoveel mogelijk, want je hebt niet alles onder controle. Sommige dingen gebeuren gewoon en daarmee moet je het doen, er het beste van maken. De lessen van het leven beginnen al vroeg...
Ja…. het kan nu eenmaal vreemd lopen.
Kinderen met een gedragsstoornis willen volgens mij heel erg lief zijn. Maar door hun hersenfuncties lukt dat niet altijd. Zo werkte dat tenminste bij mij. Elke dag weer opnieuw probeerde ik het, maar te vergeefs. Toen er deskundigen bij kwamen die mijn ouders vermaanden veel harder te zijn tegen me, voelde ik me nog slechter. Zonder die deskundigen had ik heus wel begrip gehad voor alle kritiek die ik van mijn ouders kreeg. Tenslotte zijn het ook maar mensen. En ik deed erg lastig. Ik was zeer prikkelgevoelig. Ik was als kind waarschijnlijk enigszins autistisch, ik denk aan een Aspergerachtige PDDNOS.
Ik wilde dus wel heel erg lief zijn, en steeds faalde ik. Ik dacht dus heel erg slecht over mezelf. Die woede op mezelf reageerde ik af op anderen, omdat de spanning zich elke dag meer opbouwde. De gedragsstoornis was geboren. Er bestaan meer dan genoeg kinderen met autisme zonder boze gedragsstoornis, en hebben ze er een, dan worden ze vermoedelijk overvraagd, weet ik nu. Of gepest op school, of elders, misschien. In die tijd wisten deskundigen dat allemaal niet.
Het was ook de tijd van de keiharde opvoeding, soms nog veelvuldig geprezen. Die had misschien ook nadelen. Thuis was er natuurlijk niet altijd ruzie, en als mijn moeder me uitzwaaide zei ze elke dag: "Doe je de groeten aan de meester?". Een vaste gewoonte is prima voor een kind zoals ik was. Maar mijn schuldgevoel groeide, ik kon dat groeten niet opbrengen. Ik dacht dat ze dat echt wilde. Waarschijnlijk meende mijn moeder het ook niet, want de meester, die ik twee jaar had omdat leerlingen weg liepen van de school (hoe zou dat komen??), was een engerd. Letterlijk in elk geval.
Hij vertelde de griezeligste verhalen, en met name over kanker. Bijna dagelijks. Ik kreeg in die tijd al last van zeer ernstige hypochondrie. Mijn ouders moesten die overigens van de hulpverlening negeren, het was een vorm van negatieve aandacht vragen.
Verder stond er op het bord altijd een ezelskop. Wie een woord voor de tweede keer fout spelde zag zijn naam daar een week lang onder staan. Wie zijn rapport vergat te laten ondertekenen door de ouders ook. Kinderen uit bepaalde families werden de hele dag afgekraakt en als gevolg daarvan gepest of genegeerd door de kinderen. Goed, het waren geen opzienbarende fouten, maar het was niet zo gezellig.....
Ik moet nog steeds een beetje met angst om leren gaan, vroeger had ik een zeer ernstige angststoornis. Ik wil die man niet de schuld geven, het zal mijn aanleg geweest zijn dat ik zo bang was. Maar ik denk dat we met zijn allen misschien iets minder geld aan GGZ-zorg voor mij kwijt waren geweest als hij niet zo eng had gedaan.....
Toen mijn zus vervolgens die man drie jaar zou krijgen, omdat de school nog verder leeg was gelopen, hebben mijn ouders meteen een andere school voor haar gezocht. Door de verzuiling kwam je vroeger niet meteen op dat idee. Er waren op die school ook hele leuke leraren. Een paar jaar geleden ontmoetten we hen tijdens een reunie. Die jongste leuke, beginnende juf was intussen al tien jaar schoolhoofd. De meester waar ik over schreef leeft al lang niet meer.
Er waren wel meer voordelen aan die school. Veel structuur, 'erg saai' zeiden mijn vroegere leerkrachten. Ik vond dat echter heerlijk. Ik voelde me er veilig, behalve bij die ene meester dan. Een klas van twintig leerlingen. Mijn voorstel is eigenlijk om hier een daar een saaie school met iets kleinere klassen op te richten, speciaal voor leerlingen die 'anders' zijn.
Erwin Krol zou zeggen: ‘Verschrik-ke-lijk warm is het nu ook weer niet maar omdat er geen zuchtje wind staat...’
Als ir. A. en ik des morgens om half negen –eerder is de sleutelbeheerder van het plaatselijke centre court nog niet wakker-, staat de zon al ruim boven de onbeweeglijke kokospalmen en liggen de twee betonbaantjes zó te blakeren dat je er met gemak een ei op kunt bakken.
Na een kwartiertje inslaan schommelt mijn gevoelstemperatuur ergens tussen Sahara- en Dead Valley-waarden. Het zweet gutst vanonder mijn pet en de ervaring leert dat door het verlies van zoveel vocht je hier behoorlijk snel uitgeput kunt raken. Hoe doen die profs dat toch bij de Australia Open? Drinken ja. Ik drink tijdens ieder partijtje een liter water. Het is niet zozeer vermoeidheid –mijn conditie is redelijk op peil-, maar de combinatie met de hitte is behoorlijk uitputtend waardoor ik niet iedere crossbal meer haal, en dat is wennen.
In december en januari was het nog dragelijk en als de lucht betrokken is of bij wind van zee gaat het ook nog wel. Maar zonder die verzachtende omstandigheden is mijn handdoek een dweil en krijg ik het niet aangedronken.
‘Even een pauze, A.’
Ik geef toe, deze foto’s
slaan nergens op maar geven wel mooi weer (‘mooi
weer’, dat past dan weer wel in het verhaal) hoe
voorspoedig het op Pinokkioschool gaat en dat ik daar akelig
trots op ben. ('Verschrikkelijk', zou Erwin
zeggen.)

Een gemene griepvirus houdt ons kleine gezin sinds geruime tijd in haar rottige maar vooral snotterige greep.
Fafa en Sassa hoesten hun arme longetjes uit hun lijf, snotbelletjes brengt ze midden in de nacht in paniek en haalt mama uit haar slaap.
Uit angst voor zware middelen voor kleine zieltjes bestaat mijn huisapotheek, voornamelijk uit doormidden gesneden uien (nee, je moet ze pellen, wassen, doormidden snijden en dan pas...grrrrrr...) en daar tussendoor een enkel druppeltje vsm.
Manlief vraagt dan ook elk half etmaal of het niet wat minder kan met die uien...vooral omdat er het weekend nogal aanloop was en hij zich geneerde voor de onmiskenbare stank...
Nee, het kan niet minder...dan ben ik maar een stinkmoeder, maar een baby die midden in de nacht naar adem hapt omdat zijn neusje of keeltje verstopt zit met slijm, vind ik veel erger dan een paar mensen die hun verwende neus ophalen bij binnenkomst.
Zondagochtend werd ik echter ook plotseling gegrepen door die gemenerik en had ik zoiets van oké, bekijk het maar, zoek het maar uit, met zijn allen, ik kruip onder de wol...
voor manlief zat er niets anders op, dan maar hulptroepen in te schakelen. Het huis moest vóór de avond spic en span zijn, omdat we bezoek kregen die we niet meer konden afbellen...
Ik moet zeggen, het is ze gelukt!
Een geweldige prestatie. Het huis zag eruit alsof je het door een ringetje kon halen. De kids waren bevoederd en bemest en hadden zich behoorlijk vermaakt met deze geweldige nieuwe papa.
Nog wel aardig stijf van de griep, maar goed uitgeslapen en uitgerust kon ik s´avonds de enigszins perfecte gastvrouw spelen...
hoewel perfect...bij elke benauwd hoestje en huiltje moest ik me even excuseren...en uiteindelijk, geheel tegen mijn principes in, heb ik de baby uit bed gehaald en gezellig mee laten doen, nu maar hopen, dat hij dit niet in zijn selectieve geheugen opslaat...
De stank van de uien?
ik heb niemand horen klagen...maar er is waarschijnlijk ijverig met de allesreiniger gesopt en geboend toen ik in dromenland was...dus alles rook heerlijk citroentjesfris...
Rest mij nog een enkele vraag:
Wie heeft ooit beweerd dat moeders onmisbaar zouden zijn?
uit mijn archief
Onze zoon gaf aan dat hij vrij dringend behoefte had aan bijles Latijn. De leraar is, afgaand op de verhalen, zeer hoogbegaafd en legt te summier uit. Dat soort docenten had ik vroeger ook wel eens, waardoor ik zelf (als het om exacte vakken ging) bijles nodig had. "Je moet ook wel die rijtjes uit je hoofd leren", zei ik, "anders lukt het niet". Dat kreeg hij echter niet op als huiswerk, vertelde hij. Nu heeft hij besloten om ze toch in het hoofd te stampen, en wel in de zomervakantie. Een goed streven, want je moet de naamvallen toch herkennen. En het zal vast wel eens regenen.
Omdat ik het goedkoper vind om zelf het huiswerk te begeleiden, en ook nog erg leuk, besloot ik zelf het vak op te halen. Ook al heb ik vroeger het gymnasium niet af gemaakt, en in plaats daarvan Havo examen gedaan, en een propadeuse HBO gehaald.
Na anderhalf uur flink ploegen met een extra dosis visolie achter de kiezen had ik de stof van het eerste jaar doorgewerkt. Nu nog de rest, maar het grootste deel is ingehaald.
Natuurlijk moet ik de woorden nog twee maal herhalen, en de naamvallen nog een maal, maar het scheelt dat ik ze al geregeld overhoord heb. Daar leer je veel van. Ik vind dat stuk van huiswerk begeleiden ook helemaal niet erg, maar juist leuk. Het enige dat ik erg vind aan huiswerk begeleiden is het moment dat onze zoon emotioneel zeer van slag raakt. Dit houdt in dat ik hem er vooral van moet overtuigen dat hij wel aanleg voor talen heeft, al gelooft hij van niet....(zijn verbale IQ is 150, en hij blijft onzeker).
Voor een vrouw is het zeer not-done om iets te schrijven over wat je makkelijk vindt. Maar ik bekritiseer mijn tekortkomingen hier zo vaak, dat ik vind dat ik ook de zonnige kant van mijn leerprofiel moet beschrijven. Ik ben mijn hersenen erg dankbaar, ook al kun je met de vaardigheid om zeer snel talen te leren geen nuttige baan vinden. Immers, als leraar moet je met dertig leerlingen tegelijk bezig zijn, en een is al meer dan genoeg voor mij.....
En het geld kan ik nu in de knip houden tot hij ooit vastloopt met wiskunde, dat kan ik echt niet.
Dit stuk is ook wel iets voor Vrouwendag. Als vrouw heb ik geleerd mijn talent te verstoppen. Ik deed dat een keer niet, en toen heb ik er stevig van langs gekregen op het werk.
Mijn kind wordt groot.
Ooit was hij verzot op zoentjes en knuffeltjes. Hoe vaak geneerde ik mij niet in de winkel, als hij spontaan op een ander kind afliep en hem of haar een kusje gaf, dit soms tot ongenoegen van moeder en kind, moeder trok haar wenkbrauwen dan op en het kind zette het op een huilen. Ik heb Fafa nooit goed kunnen uitleggen dat niet iedereen verzot was op dit soort blijken van genegenheid...
Dat was Fafa, ons knuffelbeertje, mijn gevoelige ventje...
Maar hij wordt groot en ontwikkelt zich lichamelijk, geestelijk en emotioneel. Het gaat mij soms te snel. En als moeder ben ik er nog lang niet aan toe.
Soms laat ik me een beetje gaan in mijn momenten van onstuimigheid en dan merk ik dat hij zich ongemakkelijk begint te voelen.
Zulke momenten doen pijn; voelt als afscheid van een zeer intieme fase die we samen hebben gedeeld. De fase van baby zijn. De fase van mama ´s kindje wíllen zijn.
Nu lijkt de fase aangebroken dat hij vooral zich zelf wil leren zijn.
En dat is goed. Dat is een emotionele stap in zijn ontwikkeling die noodzakelijk is om verder uit te groeien tot een zelfbewuste individu.
Vandaag merkte ik dat ik Sassa uitbundigder knuffelde dan normaal en intens genoot van zijn geschater en zijn plezier. Want als Fafa nu in de terugtrekfase is, is Sassa nu in de fase dat hij op weg is naar mij toe...het is alsof hij mij onlangs pas heeft ontdekt en niet meer van plan is mij te laten gaan.
Dank je wel Sassa voor je onvoorwaardelijke babyliefde. We hebben gelukkig nog een zee van tijd vóór jij ook een eigenzinnige kleuter wordt...
En wat mijn oudste betreft...
ach, lieverd, mama doet haar best je te volgen in je behoeften. Het is niet altijd makkelijk. Maar het moet. Want jij hebt het voor het zeggen.
Het is jouw lijfje en het zijn jouw gevoelens en niemand mag die forceren.
Zelfs een liefhebbende moeder niet.
Oftewel, ‘Ik bolwerk het hier niet, taa Cees,’ belde Bonna gisteren vanuit de provincie Takeo –waar de familie in arrenmoede naar is teruggekeerd, met uitzondering van zus Thom (ik schreef er al eerder over.)
Het water staat de familie tot aan de lippen, vertelde Bonna, hij moet meewerken op het land, mag niet naar school en hij en zijn broertjes hebben heimwee. Ze missen mij en de school, voegde hij eraan toe.
Of Bonna belde omdat hij me echt mist, of in opdracht van zijn ouders, om te polsen of ik nog een keer de familie een toelage wil geven wanneer Bonna terugkeert om weer hier naar school te gaan, weet ik niet, maar ik kan er naar gissen.
Zo te horen is er ook in Takeo geen droog brood te verdienen en het is de vraag hoe lang ze dat jo-jo-en nog volhouden, want behalve het reizen/verhuizen is het een publiek geheim dat moeder nogal goklustig is en vader vreemd gaat. Droevig dat de (8) kinderen die van de rekening zijn, en dat mijn naam onder de optelstreep staat.
Dilemma’s zat hier. Ik voel me heen en weer geslingerd tussen mededogen en boekhouden. Omdat ik besef dat er aan de afhankelijkheid van deze familie pas een eind komt als Bonna (14), Sanghaa (7) en Rawi (5) de Don Boscoschool hebben afgemaakt. Als ik naar het jongste broertje kijk, dan ben ik onderhand 79.
En of ik dát bolwerk, weet ik niet.

Kroonprins Jannarat van Ochidée Guesthouse is vijf geworden.
Op dezelfde dag dat zijn halfzus Den is getrouwd. Daarom hebben we de viering van zijn eerste kroonjaar gisteren nog eens dunnetjes overgedaan, met taart en een cadeautje van 'oom Cees'.
'Happy birthday to me', zong hij de hele avond.
Maandagavond. 'Mama,
vanavond is het kijkavond op school!'.
O nee hè. Net thuis van een dag hard werken.
'Weet je het zeker schat, ik heb er niets over gehoord', probeer
ik nog voorzichtig. Schat weet het zeker. Want hij heeft vandaag
omcirkeld wat hij leuk vindt (de smileys) en wat hij niet leuk
vindt (de verdrietige gezichtjes). En hij vond alles leuk. En
smileys omcirkelen, dat betekent kijkavond.
We hebben nog een kwartier voor het afgelopen is, dus er is geen
tijd meer om te twijfelen.
Met z'n drieën lopen we een donkere school binnen. Een
eenzame schoonmaker maakt de volgeplaste wc's schoon.
En stug vol blijven houden hè. 'Ik denk dat ze nog niet
begonnen zijn, mama.' Op de schoolagenda (had ik natuurlijk
meteen op moeten kijken!!!) zie ik dat de kijkavond op
dinsdagavond zal plaatsvinden.
Dinsdagavond. Vanavond
branden de lichten op school. Trots laat Zoon ons zijn portfolio
zien. Met zijn mooiste werkjes. De juf vertelt dat hij samen met
nog een klasgenootje twee keer in de week naar een andere groep
gaat om te leren lezen en schrijven. Mijn kleuter. Ik slik een
brok weg en kijk naar een tekening in de portfolio van
Sinterklaas in bad.
Nog even en hij wil een brommer.

Ik hoop dat je het me niet kwalijk neemt, Tineke, dat ik een paar foto’s van je lievelingetje plaats. Het is met veel plezier dat ik ze heb gemaakt en ik weet zeker dat je ze zult koesteren tot je in het vliegtuig zit.
Zondagmiddag 16 uur. Ik parkeer mijn motor in de blakerende zon voor de naaischool, het loopt tegen de veertig graden. Om het brood dat is overgebleven van het ontbijt in Orchidée wordt gevochten, maar Oehe bemachtigt ook een boterham voor zijn zusje Kapoklok. Ze volgen me naar het computerklasbalkon; ‘We willen tekenen taa Cees’. Daarvoor moeten eerst de sleutels worden opgehaald om de drie sloten van de hermetische deur te openen, de ventilator aangezet, de thee opgeschonken (mét citroen, hé Tineke), pleisters geplakt en andere noden geledigd. Het tekenpapier is op en het schoolkantoor is dicht: oja, het is zondag.
Kapoklokje laat haar enige paar slippers zien: ze zijn kapot. Kapotlok. Broertje Oehe breekt een lans bij mij voor nieuwe. Ik laat me vermurwen maar om te voorkomen dat andere kinderen de rest van de middag aan mijn hoofd blijven zeuren, geef ik Kapoklok een paar dollar voor nieuwe schoentjes en zeg erbij dat Tineke ze haar had beloofd. Gemeen hé?

‘Nee, zo’n beestje heb ik nog nooit gezien jongens. Hoe heet hij?’
‘Chorrut, taa Cees, chor-rut.’
In de Khmertaal dus en dat zegt me niks. Het lijkt op een kruising tussen een rat en een eekhoorn, met die lange pluizige staart.
In de val waarmee hij is gevangen ligt iets te rotten.
‘Wat eet hij jongens?’
‘Fruit, taa, kijk maar.’
En zo gaat het hier vaak. Ik zie een plant, een typische bloem of vrucht, een vreemde kever. Of men zet me een groente voor, een handje noten of een vrucht. ‘Wat is dat?’ Een Khmerwoord is mijn deel maar ik kan er geen Engels of Latijns touw aan vastknopen, laat staan een Nederlands. Ik Google me een slag in de rondte, maar vind het niet.
‘Proef eens taa Cees.’
‘Was da?’
‘Prohut.’
‘Verrek, dat smaakt naar frikadel!’ Het kost bijna niks, de stukjes gemalen vlees(?) zijn heet dus net gebakken en daarom veilig om op te eten. Alleen de (verse) groente die erbij zit kunnen wij westerlingen maar beter opzij schuiven omdat het gewassen is in water uit de regenton of van de rivier. Oké, als je af wilt vallen door een dag of zeven aan de race te gaan, dan zou je kunnen overwegen het erbij op te eten; beter van niet.
De val waarmee het dier gevangen is ziet er behoorlijk professioneel uit. Waarmee me aangetoond lijkt dat wat ze erin vangen eetbaar moet zijn, of in ieder geval anderszins niet geliefd is, dan wel bijt. Als ik die oogjes zo zie, durf ik het bijna niet te vragen: wie is hij, Ramirezi?

“We willen graag overstappen omdat we denken dat het beter is voor
ons kind. Kunt u mij zeggen hoe dat in zijn werk gaat?” De
dame van de polikliniek begrijpt het niet. Zou er nooit iemand
van kinderpsychiater wisselen dan? Ik leg het nogmaals uit. Dat
we behoefte hebben aan een plek waar meer kennis voorhanden is,
dat onze dochter de diagnose asperger heeft maar ook bijkomende
problemen op het gebied van stemmingswisselingen en soms stemmen lijkt te horen. Dat we daar niet goed raad
mee weten en hopen dat de gespecialiseerde autismeafdeling van
het ziekenhuis ons daarbij kan gidsen. “Maar we hoeven dus
geen diagnosetraject op te starten?” vraagt de
telefoondame. “Niet perse, ik denk dat we met de huidige
diagnose wel goed zitten. Maar ze wordt groter, er veranderen
dingen, het wordt heftiger en ik zou graag alvast op de goede
plek zitten. Zodat jullie haar kennen.” Of ze me mag
terugbellen? Tuurlijk.
Een half uur later belt ze al, dat is vlot, dat schept vertrouwen. Dat het natuurlijk wel kan, overstappen, maar dat er een wachtlijst is. Van tien maanden. Slik. “Dan wil ik haar graag alvast aanmelden. In de tussentijd blijven we dan gewoon waar we zijn. We hebben geen ruzie of zo, dus dat kan best.” Waarom we het niet bij de regionale ggz-instelling proberen? Wil ze me alsnog afschepen of wat is dit voor strategie? Ze neemt haar taak als poortwachter wel heel serieus. Die ggz-instelling heeft trouwens ook een wachtlijst van minimaal 4 maanden, een half jaartje meer of minder maakt dan ook niet meer uit. “Ik heb heel goed rondgekeken en lang nagedacht op welke plek mijn dochter het beste af is. Dat is bij u. Ik wil heel graag mijn kind bij u aanmelden. Als we daar tien maanden op moeten wachten, dat is dan maar zo.” Ik doe mijn best om niet beslist, maar niet boos, te klinken. “Nou goed”, gaat ze overstag “belt u dan morgen met de telefonische intakelijn, die zal een en ander met u doornemen en de papieren toesturen.”
“Naar aanleiding van de intake die u een paar weken geleden hebt gedaan voor uw dochter, heb ik een paar vragen, komt het uit dat ik u bel?” Het is een psychiatrisch verpleegkundige, verrassend. Zouden we te licht bevonden zijn? Maar nee, zijn vragen spitsen zich al snel toe op het al dan niet stemmen horen en onze zorg daarover. Er blijkt een nieuw team geformeerd dat zich bezighoudt met de dwarsverbanden tussen autisme, psychoses, stemmingswisselingen en schizofrenie. Of het goed is om onze dochter daar voor uit te nodigen? Goed? Ik spring een gat in de lucht! Want hoe eng het allemaal ook aandoet, en hoezeer ik ook hoop dat het loos alarm is, dit is precies waar ik naar op zoek ben. We maken een afspraak. Voor over drie weken. Dan is er van mijn eerste telefoontje tot de eerste afspraak drie maanden verstreken. Da’s toch een stuk minder dan de tien maanden waarmee gedreigd werd. Wat ben ik blij dat ik op dat moment heb durven volhouden. Duizendmaal dank aan de intuïtie weer.
Zouden mannen nou echt denken dat je een baby in de winkel kan kopen?
Dat je vervolgens het product kan terugbrengen als het je teveel wordt?
Of zie ik het verkeerd?
En zijn mannen gewoon behept met een teveel aan romantiek?
Nummer twee is nu zes maanden en slaapt pas sinds kort door (belangrijke informatie!!!) en papa begint nu al over nummer drie.
-Fafa, zeg eens, zou je graag een zusje willen hebben?
(...????...)
Mijn mond valt open van verbazing: Fafa, zeg eens? Sinds wanneer beslissen kinderen over dit soort zaken?
Natuurlijk ziet fafa een zusje wel zitten. Want dat broertje, tja, dat broertje, daar is hij toch wel een beetje in teleurgesteld, misschien dat een meisje wel met hem kan spelen en praten.
-Ja!!! Dat is een goed idee!!!
-Mama, Mama!
-Wanneer krijg ik nou mijn zusje?
En nu is het aan mama om uit te leggen dat er geen zusje komt.
Want als 1,5 kind het gemiddelde is, dan zit ik met 2 toch al aan de hoge kant. Nu maar hopen dat fafa vandaag en de rest van de week veel spannende dingen meemaakt.
Nog altijd het beste medicijn tegen goede ideeen...
sept. 2008
Daan 1
Mijn zoontje zweeft
Tussen wolken
in de blauwe lucht
Voelen mijn handen
Zijn ribbetjes
Zijn lach daalt
In druppels van plezier
Op mij neer
Mijn enkels ankeren het geluk
In de vreemde zee
Tomas Jansma (23-02-2010)
Dankzij onze donateurs uit Brandwijk, Groningen en Den Bosch krijgen onze leerlingen eindelijk (weer) computerles.
Nadat de vorige manager twee jaar geleden pc’s had gekocht die onherstelbaar stuk gingen, inbrekers er twee hadden gestolen en de computerjuffrouw er de brui aangaf, hield het voor ons even op.
Nu, een jaar later, kunnen we vol goede moed en beslagen ten ijs herbeginnen. Niet op de laatste plaats omdat mijn nieuwe manager Pich op de Don Boscoschool alhier automatisering en communicatie heeft ‘gedaan.’ Op het programma staat Word en Excel, -waarmee tegelijk Engels wordt opgedaan.
We hebben de stroomtoevoer versterkt, net als de vloer met multiplex en nieuw zeil. Er staan acht computers met UPS (omdat de elektriciteit nogal eens uitvalt), een scannerprinter en een laptop voor de leerkracht. Tafels, bureaustoelen (handig omdat de leerlingen nogal verschillend van grootte zijn) en een paar door meneer Pha getimmerde kasten completeren de nieuwe inventaris.
Over de inbraakvrije deur van de computerklas schreef ik al eerder: een knappe inbreker die hier nog inkomt.
Trouwens, meneer Kay is teruggekeerd uit Kampot en hij heeft zijn intrek genomen achterin de handenarbeidruimte, van waaruit hij de hele school gaat bewaken. (Kay is voormalig bodyguard van Hun Sen en amateur-bokser.)
Ik hoop dat hij nooit in het geweer hoeft te komen maar in een land dat zoveel armoede kent, drijft de nood sommigen tot een wanhoopsdaad.
Pich heeft er zin in en de leerlingen (zestien per dag een uur) ook. Ze zien aan hem hoe belangrijk het is om je goed voor te bereiden op vervolgonderwijs en om voor later de kans op een goede baan te vergroten.

