Admin: Antoine Robbesom
Bloggers in het Buitenland
Eenieder die vanuit een locatie in het buitenland blogt kan meedoen
FRED VAN DER WAL: ARTISTIEKE HERINNERINGEN DEEL 34
FRED VAN DER WAL; ARTISTIEKE HERINNERINGEN DEEL 34
JANNA VAN ZON OPENING "DIEUWKE BAKKER IN MEMORIAM EXPOSITIE" NAJAAR 2005, GALERIE MOKUM. PRIJS UITREIKING AAN JASPER VAN PUTTEN.
LINKS OP DE FOTO DE HUIDIGE GALERIE EIGENAAR RUTGER BRANDT DIE NIET BEPAALD EEN VRIEND VAN FRED VAN DER WAL IS EN NEGATIEVE BERICHTEN AAN EEN COLLEGA UIT HET ZUIDEN DES LANDS OVER ONZE OMSTREDEN KUNSTENAAR F.V.D.W. ROND MAILDE
FLASH BACK: BEZOEK AAN JANNA VAN ZON , EIGENARESSE GALERIE MOKUM 1986
Woensdag 15 okt.1986
Om negen uur vertrokken vanuit Garijp naar Amsterdam, parkeren de auto in de Euro parking, brengen het textiel objekt van Ina naar de Lange Leidsedwarsstraat en als blijkt dat Galerie Stov nog gesloten is, lopen we de Kerkstraat in naar de zeefdrukkerij van Hans Jansen.
De werkruimte van Hans is groot.
Hij laat ons fotos zien van zijn tweede huis in Zweden, daarna toont hij trots zijn nieuwste tentoonstelling naar de laatste mode van het ogenblik in de stijl van de nieuwe wilden.
Ik vind het helemaal niets maar wil beleefd blijven. Een zeefdruk van Jean Paul Vroom hangt aan de achterkant van een expositieschot achter een scheidingswand.
Prima plaats voor de zouteloze, krijterige, vlak geschilderde modieuze onzin van Jean Paul,volgens Els Bouma, echtgenote Prof. Dr. Pierre Vinken “een kleine zelf standige in de kunst,”een “soort SRV man”, die elke keer als hij haar tegenkomt zanikt of hij niet een portretje van haar kan schilderen of van een andere medewerker van Elsevier.
Jean Paul is vaste gast bij Pierre Vinken, directeur Elseviers Uitgevers.
Ina gaat terug naar Galerie Stov en ik breng de tijd door in een paar boekhandels en antiquariaten, loop even de Looier binnen, daarna de Oude Manhuispoort langs de boekenstalletjes, maar vind niets van mijn gading en loop vervolgens naar Galerie Mokum, waar als ik binnenkom de dikste schilder van Groningen, Wout Muller, me wantrouwig zit aan te kijken met een uitgesproken vijandige, sjaggerijnige varkenskop, zijn brilleglazen ter dikte van colafles bodems maken hem er niet fotogenieker op, zijn gerafelde peper- en zoutkleurige, gore befbaard is vettig en ongewassen, hij is een nietszeggende figuur, letterlijk en figuurlijk, ik geloof niet eens dat hij behoorlijk kan praten, hij heeft ook niets te zeggen, net als zijn schilderijen, goedkope, flauwe, smerige Melle imitaties van wijd opengesperde kutten, buitengaatse bovenmaatse tieten en King Size lullen die op iedere cover van een homo fiksieboekje een ereplaats in de serie De Grootste Ter Wereld zouden kunnen krijgen.
De broek van Wout uiteraard een versleten levis jeans vol verfvlekken, ongepoetste wetkmansschoenen en een donkerblauwe acryl schipperstrui met een half openstaande rits doen reeds van een kilometer afstand vermoeden dat we met een provinciaaltje te maken hebben.
”Wout Mulles maakt vulles”, zei een antiquaar op de Spiegelgracht mij laatst nog en ik vroeg mij af waar zijn agressie tegen deze onbetekenende epigoon vandaan kwam. In Galerie Mokum hangen nog steeds dezelfde truttige schilderijtjes als twintig jaar geleden. Er zit geen enkele ontwikkeling in het expositiebeleid.
Kleurige, glad geschilderde commerciële plaatjes van vette trollen met zes dikke tieten onder elkaar waar een stoot trollen koters aan dikke koeien spenen hangen te lebberen moeten de klant verleiden tot kopen. Zum Kotzen dus. Nep- en namaak Surrealisme voor eigentijdse en toch moderne mensen met een Avenue interieur.
Schilderijtjes op gordijnring formaat.
Ik geef Janna van Zon, die er ook allemaal niks aan kan doen als opvolgster van de jam merlijk omgekomen vorige galerie eigenaresse Dieuwke Bakker, een warme hand.
Ze begroet me heel hartelijk.
We hebben elkaar jaren niet gesproken. De laatste keer was in het Stedelijk Museum in 1974. Even diplomatiek als angstig had ze in het konflikt tussen Dieuwke Bakker en mij instinktief de kant van haar werkgeefster gekozen, ondanks dat ze wist dat Dieuwke ongelijk had.
Inmiddels is Dieuwke dood en heeft het konflikt daarmede zijn bestaansgrond al lang verlo ren en ik kende geen rancunes ten opzichte van Janna, integendeel .
Ik mocht haar graag.
Ik krijg van Janna koffie en jus d’orange en daarna een waterglas vol jonge jenever.
Janna weet wat goed voor een artiest is!
Dat is zeker!
Ze vertelt met medelijden in haar stem over de begaafde schilder Wout van Vliet die na de dood van Dieuwke tot volledige lethargie is vervallen en niet meer kan schilderen, anders gaat zijn hand trillen. Inmiddels heeft zijn wijf, Marry, hem verlaten, de kinderen te bang om hem ooit nog te willen zien en is de eens zo voorspoedige carrière van de weldoorvoede kunstenaar op het nulpunt beland, sinds hij als enige artistieke bezigheid wasknijpers mag maken op de arbeidstherapie van de psychiatriese inrichting waar hij intern vertoeft.
De laatste keer dat we Wout en Marry zagen was in Galerie 51 te Ede. Zij een gebogen gestalte; hij maf geslagen door de antidepressiva met een pens zo groot als een oversizede bokszak.
De zelfingenomen schilders die in de Telegraaf “De Mokumbabies” werden genoemd door Ed Wingen, kunstschilders die zo zeker wisten carrière in Amerika gingen maken, maar geen woord Engels spraken en in New York totaal onthand bleken; waar is hun arrogantie en zelfverzekerdheid gebleven?
De Zeeuwse schilder Teun Nijkamp die een Linguaphonecursus van het Waterlooplein haalde om Engels te leren voor zijn aanstaande carrière in de Verenigde Staten.
OLIEVERF OP PANEEL, ZELFPORTRET WOUT VAN VLIET 1972, WEESP
Aan de rechtermuur van de galerie hangen een paar snel in elkaar geveegde krijt tekeningen van Cornelis Doolaard, die geen schijn meer is van wat hij ooit geweest is. Gelukkig voor hem heeft zijn echtgenote Loes (maar één keer vreemd gegaan, net als Cornelis, die het lieve, slanke, donkerharige vrouwtje van een nu al lang overleden Amsterdamse surrealist, die in de Watergraafsmeer woonde eenmalig tot de zijne maakte, beschroomd de schaamte van mej. K. opende en toen na afloop van de daad van schrik snel terug gefladderd naar het veilige, echtelijke nestje in Zeeland) een zeer goede baan bij de asociale dienst van Terneu zen.
Nog even komt de volgens Janna van Zon onbetrouwbaarheid van Chris van Geest ter sprake en daarna het lievelingsonderwerp van Janna; alternatieve geneeswijzen, Japanse massage en biologies-dynamies geneeswijzen en daarna de veel te vroege dood van haar echtgenoot Egbert, die als fotograaf binnen korte tijd kwalitatief steeds beter werd na zijn vertrek bij het Vrije Volk.
In 1970 bezochten we Janna en Egbert van Zon eenmalig in hun nieuwbouwwoning in Amstelveen.
Egbert werd weg geroepen voor een spoedklusje.
“We zullen nooit iets van jou kopen” zei Janna zonder enige aanleiding. Ik negeerde haar opmerking.
Ik loop om half zes naar Arti et Amicitiae aan het Rokin, tien minuten later komt Ina met Natasja binnen en twee minuten later komt Janna binnen. We spreken af elkaar gauw terug te zien, samen eten met ons in Arti kan niet, ze moet naar een cursus shiatsu. Jammer, hoor. Ina, Natasja en ik eten een kogelbiefstuk met een paar struikjes lof, kiwi, frites, een rode wijn en voor toe de onvermijdelijke dame blanche zoals altijd.
Ik koop op de terugweg naar de garage waar de auto staat een biografie van Jack Nichol son in de Amerikaanse boekhandel in de Kalverstraat.
De kerkklokken beierden door het dorp. De kerkdeuren gingen open. Pastoor voorop en daarachter de dragers met de kist, vervolgens familie en belangstellenden.
Het waren er maar weinig. Te voet op weg naar de begraafplaats een paar honderd meter verderop.
Gisteren had de aanzegger het overlijdensbericht in het dorp verspreid. Elize was overleden, half in de zeventig. Uitgemergeld door de kanker, had de aanzegger er bij gezegd.
De kleine zwartgeklede stoet stopte bij de vers gegraven kuil. De pastoor prevelde een gebed en zegende het graf. Zoon Stephan draaide zenuwachtig met zijn hakken in het schelpenpad, knikte naar het graf, draaide zich om en liep weg. Zijn zwarte colbert spande om zijn rug.
Dochter Virginie keek ijzig naar de kist, schuin naar de pastoor en schichtig om zich heen. Ook zij verdween.
Elize woonde in één van de kleinste huisjes van het dorp. Oud, scheef en vervallen, net als Elize zelf.
Haar man had zichzelf een kapotte lever gezopen en was al vroeg overleden. Drinken en slaan kon hij. Slaan bij alles en iedereen die hem in de weg liep.
Zoon Stephan was geen haar beter. Al vroeg de deur uit om nooit meer terug te komen.
Virginie had tot grote schaamte van haar moeder met een vrouw samengewoond, nota bene in het ouderlijk huis. Werken deden die vrouwen nauwelijks. Drinken, dat konden ze goed, zeker van moeders pensioentje.
Elize had een muur om zich heen gebouwd had de pastoor gezegd, een muur om haar hart. Schichtig had zij haar kleine boodschapjes gedaan om vervolgens binnen te zijn.
Het dorp kende Elize's verhaal, maar kende Elize niet.
Het was weer snel stil op het kerkhofje.
Iemand had een bosje narcissen achtergelaten.
Institut Néerlandais ligt aan het eind van Rue de Lille, vlakbij museum d’Orsay. Tegenover het gebouw, hoe kan het ook anders, een lange rij fietsen in hun standaards van het witte fietsenplan van Parijs.
Het instituut werd in 1957 opgericht met het doel de Nederlandse cultuur uit te dragen. Zij organiseren hiervoor allerlei evenementen en de Fransen kunnen er ook Nederlands leren. Op de derde verdieping, waar een ruime lift hen in de mooie stalen kooi naar toe brengt. Verder is er een goede bibliotheek waar gewerkt kan worden aan o.a. kunsthistorisch onderzoek.
Met het kopen van een klein friemelkaartje heb je recht op toegang tot drie tentoonstellingen die verspreid in het gebouw te zien zijn. Er is er één die een aanvulling is op de tentoonstelling van Charley Toorop in het Musée d’Art Moderne. Hier zijn kiekjes en correspondentie uit haar privé archief te zien. Het geeft een intiem beeld van haar leven en werken. Het geeft ook rugpijn, omdat je de hele tijd voorovergebogen de brieven in de vitrines staat te lezen. Grappig is het briefpapier van vegetarisch hotel-restaurant Pomona uit Den haag met de vermelding geen fooien. Kom daar nu maar eens om.
Uitgerekt bezoek ik de tweede tentoonstelling van de grafische Studio Thonik uit Amsterdam. Bekend van die goede, maar afstotende reclame spot van de SP over de thuiszorg. Tegen de wanden zijn grote grafische afbeeldingen opgehangen, die wel een uitleg verdienen.
De derde expositie zijn prenten uit de enorme collectie van Frits Lugt. De in 1970 overleden kunstkenner en verzamelaar, tevens de oprichter van het instituut Néerlandais. Hier hangen prenten van grote Franse kunstenaars, zoals Prud’hon, Corot, Delacroix, Ingres en Degas. Hoe moeilijk moet het niet geweest zijn om een keuze te maken uit de meer dan 35.000 prenten en tekeningen die de collectie omvat. Het is een mooie kleine bloemlezing geworden.
Achter de voorgevel van het instituut bevindt zich het hôtel Turgot, waar de stichting Custodia de collectie van Frits Lugt beheert. Bij uitzondering is er toevallig deze zaterdag een rondleiding . Telefonisch reserveer ik een plaatsje.
Met een klein groepje gaat Marijke ons voor door de vertrekken. Leuke blauwe ogen achter een brilletje verteld ze in mooi Frans en met haar handen over de dingen die we zien. Dat er geen bewaker in elk vertrek aanwezig is, mag uitzonderlijk heten. Het is ongelofelijk wat hier hangt aan topschilders. Een Saerendam, Ruysdael, Jan Steen, van de Velden, Jan van Gooyen, Wouwermans, het houdt niet op. Wat een schitterende collectie, hoe veel kan een mens aan kwaliteit verzamelen? Het is een kunst op zich.
Je verlaat het hotel en de vierkante betegelde binnenplaats, via de hoge deuren van het voorhuis waar vroeger de koetsen zo naar binnen konden rijden. Er zijn veel van deze hôtels in Parijs en bij geopende deur geeft het interessante inkijkjes. Soms ligt de binnenplaats wel een meter of vijftien achter het diepe voorhuis. Een enkele keer staat er een auto of een scooter. Soms zie je beplanting en je ziet deuren en ramen waarachter gewoond of gewerkt wordt en alles in een grillig daglicht, dat van heel hoog naar beneden moet vallen.
Woedend was de gouverneur van de deelstaat Rio de Janeiro Sérgio Cabral. De wereldkampioenschappen voetbal van 2014 en de Olympische Spelen van 2016 in Rio zijn volgens hem niet haalbaar, als de deelstaat een deel van de olie-inkomsten van Brazilië misloopt.
Brazilië heeft een paar jaar geleden grote olievelden gevonden voor de kust van de deelstaten Rio de Janeiro, São Paulo en Espírito Santo. Daar wordt al olie gewonnen, maar op nog grotere diepte, onder de daar liggende zoutlagen zit nog veel meer van het ‘zwarte goud’. In Brazilië duiden ze deze olie daarom aan met de term pré-sal (vóór het zout). Over een paar jaar moet de winning beginnen.
Het Braziliaanse parlement vond dat een goede gelegenheid om de verdeling van de opbrengsten te herzien. Tot nu kregen de olieproducerende deelstaten een flink deel van de oliewinsten. Het parlement nam een wet aan om zowel voor de al bestaande oliewinning en mijnbouw als voor de nieuwe olievelden de verdeelsleutel te veranderen, zodat alle deelstaten ervan profiteren.
In beginsel een rechtvaardige keuze, want waarom zouden voornamelijk de deelstaten, waar toevallig olie of mineralen zitten, daarvan profiteren? De olie zit zelfs niet in die deelstaten in de grond, maar in de zeebodem voor hun kust op respectabele afstand.
Echter, Rio de Janeiro en andere staten zien hierdoor ineens een streep gehaald door een belangrijke inkomstenbron. De deelstaat Rio de Janeiro krijgt de zwaarste klap. Als het door gaat ontvangt Rio ongeveer twee miljard euro per jaar minder.
De vraag is nu of president Lula het voorstel van het parlement met een veto zal tegen houden. Overigens, de Brazilianen laten de wereldkampioenschappen voetbal en de Olympische Spelen natuurlijk niet aan hun neus voorbij gaan. Die dreiging is onderhandelingstactiek.
Reageren via link rechts of via website
I PRAY WHAT I SAW AIN'T TRUE, WALKING DOWN 5TH AVENUE ...289
(Vervolg op ‘IK BEN MISBRUIKT’)
Hoorden wij op het Klein Seminarie zelden of nooit verhalen over paters die ‘iets’ met leerlingen hadden, des te meer werd er ‘gesmiespeld’ over ‘verboden vriendschappen’ onder studenten.
Op het juvenaat waar ik zat had je een ‘Grote-‘ en een ‘Kleine kant.’ Het was studenten van beide kanten ten strengste en op straffe van heenzending verboden om met elkaar om te gaan. Ieder had zijn eigen slaapzaal, eigen refter en eigen studiezaal. Zelfs het je begeven op een van de gebrandschilderde gangen van 'de andere kant' was al strafbaar.
Zat je in de klassen 1 tot en met 3, dan behoorde je tot de ‘kleine kant’: de junioren, vanaf 4, 5 en 6 heette het de senioren.
Desondanks waren heimelijke vriendschappen tussen jongere en oudere knapen niet zeldzaam en onder de studenten een publiek geheim. De vindingrijkheid van sommige juvenisten kende geen grenzen. (Lees hierover het boek ‘De Kleine Republiek’ van Lodewijk van Deyssel uit 1888. Ondanks dat er 60 jaren waren verstreken sinds het verschijnen van de roman, vond ik de overeenkomst tussen het Rolduc uit het boek qua sfeer en feitenrelaas pijnlijk herkenbaar en vergelijkbaar met het seminarie van mijn eigen jeugd, halverwege de vijftiger jaren.)
Dat het in de verboden vriendschappen uit mijn tijd soms tot seksueel contact kwam, was een internaatgeheim, en de acceptatie daarvan zal wel te maken hebben gehad met het geringe leeftijdsverschil tussen de jongens, ten opzichte van dat met een pater/leraar.
Zelf ben ook ik ternauwernood ontsnapt aan een dergelijke ervaring.
In de vijftiger jaren heette het bij ons, als je een vriendje had: ‘Hij is zwaar pik’, oftewel: ‘Henk is het pikkie van die en die.’
‘Die van mij’ kreeg het voor elkaar dat ik hem uitnodigde om in de grote vakantie bij ons thuis te komen logeren. Mijn ouders stelden geen kritische vragen toen ze zagen dat mijn ‘vriend’ een stuk ouder was dan ik (drie jaar), en ook ik was zo naïef dat ik zijn bijbedoelingen niet doorzag; ik was vervuld van mijn belofte om hem onze mooie provincie te laten zien op de fiets en genoot ervan dat ik het middelpunt was van zijn belangstelling.
Omdat wij thuis met zijn zevenen waren, mocht ik zelfs met mijn grote beschermer in hetzelfde logeerledikant slapen zodat we ongestoord nog ‘wat na konden praten’, zoals mijn moeder het noemde.
Maar ‘van het één kwam niét het ander’. Want al was ik dan een uit de klei getrokken polderjongetje dat nog niet droog was achter de oren, laat staan dat ik wist waaruit Abraham de mosterd spoot, sloeg ik na een vermoeiende dag zijn zoekende handen weg en toen dat niet hielp, liep ik boos weg en kroop naast mijn broertje in bed.
Het is er in die vakantie ‘niet van gekomen’ omdat tot mijn verbazing de lol er voor mijn weldoener opeens vanaf was en hij zijn rieten logeerkoffertje pakte en de volgende ochtend vroeg zonder nog wat te zeggen naar de bushalte liep.
Het werd september. En teruggekeerd op het internaat bleek dat de chocoladerepen en ongestempelde postzegels die ik op ons rendez-vous –tussen de klamme jassen in het souterrain-, ooit van hem kreeg in ruil voor een kus en een omhelzing, opeens waren gestopt.
Het begon me op te vallen dat er soms een jongen voorgoed naar huis werd gestuurd. Wij die achterbleven kregen nooit te horen waarom, al hadden we wel een vermoeden: dat het iets te maken had met zijn uitdagende gedrag en vrijmoedige omgang met een leraar of een ouderejaars. Ik realiseerde me dat ik zelf door het oog van de naald was gekropen, ook al besefte ik toen nog altijd niet waarover de paters en broeders zich zo bezorgd toonden.
Ik werd veertien en zoals de meeste leeftijdgenoten kreeg ik overdag last van een vervelende erectie die in mijn korte broek soms schaamteloos zichtbaar was. Tot overmaat van ramp kreeg ik last van een hardnekkige vorm van acné waardoor mijn ‘marktwaarde’ kelderde tot het dieptepunt.
Wat mij echter nog het meest verwarde was dat ik zélf oog begon te krijgen voor sommige nieuwelingen, met name voor Eugéne! Wat kon die jongen voetballen en wat had hij mooie benen en kontje! De hormonen gierden door mijn aderen en ik kreeg mijn eerste natte droom.
Als ervaringsdeskundige pakte ik het subtieler aan dan mijn oude vriend en verstopte liefdesgedichtjes aan Eugéne in zijn missaaltje. Ik probeerde hem in studiezaal en kapel te hypnotiseren. Daarover had ik gelezen, maar Frits gaf geen enkele sjoege, hooguit schonk hij me soms een verpletterende glimlach, en daar moest ik het mee doen. Ik was vreselijk jaloers op de jongens waarvan ik vermoedde dat zij meer succes hadden dan ik.
Tot zover een beknopte poging om de omstandigheden en de spanning te schetsen uit de donkere jaren vijftig, over jonge jongens die hermetisch van de buitenwereld afgesloten, ‘aan hun trekken’ moesten zien te komen, en waar meisjes en vrouwen niet bestonden (behalve de Heilige Maagd Maria.)

Op donderdag stonden we haar vader te begraven en vrijdag waren we op weg naar Italië. Ze wilde het zo graag. Om de paar uur stopten we bij een tankstation. Ik vond dat ze wat moest eten, maar ze zei dat ze geen hap door haar keel kreeg. Ze wilde alleen drinken om haar tranen aan te vullen. Haar tranen dienden als benzine.
Op het dashboard stond het bidprentje. Nooit had ik mijn schoonvader als een engel gezien, maar nu leidde hij ons de weg. Zijn blik beschermde ons en dat gaf me een ongemakkelijk gevoel. Toch durfde ik het niet weg te halen. Zij had het daar neergezet. Ik stelde voor om een hotel te zoeken, zodat ze wat bij kon komen. Het rijden putte haar uit. Ik wist dat haar tranen zouden stoppen, als we uit zouden stappen.
Maar ze wilde door, ze moest door. Na het overlijden van haar vader, was ze ontroostbaar. Sinds ons huwelijk was ze nog nooit zo afstandelijk geweest. De dood had een muur om haar heen gebouwd die hoger was dan onze ergste ruzies. Iedere arm die ik om haar schouders legde, duwde ze weg. Ieder zakdoekje om haar tranen te deppen, werd afgewezen. Toen ze zei dat ze naar Italië wilde, kon ik alleen maar instemmen. Eindelijk mocht ik iets voor haar doen.
Gelukkig had ik haar uit het hoofd kunnen praten dat we omstebeurt zouden rijden. Haar wimpers zouden zelfs op de hoogste stand niet als ruitenwissers voor haar tranen kunnen dienen. Het was een regenbui die menig dijk zou laten overstromen. Ze had niet gehuild toen ze het slechte nieuws hoorde, had zelfs geen druppel gelaten op de begrafenis. Pas toen we in de auto stapten, was het begonnen en niet meer gestopt. Alsof het verlies pas na de begrafenis echt definitief was geworden.

Francis Bacon - Study from a
human body
Ondertussen was het diep in de nacht en we reden nog altijd over de snelwegen. Het donker van de nacht werd afgewisseld met het duister van de Gotthard tunnel en ik had me moeite me te concentreren op de weg. Mijn ogen waren moe, maar de strenge blik van het bidprentje voorkwam dat ze dichtvielen. Ook zij sliep niet, onverstoord biggelde de tranen over wangen, geluidloos.
Ze was bang voor de dood, had ze me ooit gezegd. Niet bang voor de pijn of het lijden, nee, ze was bang voor het idee dat er hierna niets zou zijn. Ik had die angst nooit begrepen. Voor mij was ‘dood’ een leeg woord, vier letters zonder betekenis. Als kind dacht ik te weten wat liefde was en gebruikte ik het woord als ieder ander. Toch zou het duren tot mijn eerste echte liefde, voordat ik echt wist wat liefde betekende. Met de dood was het volgens mij hetzelfde. Je moet dood gaan om echt te begrijpen wat het woord inhoudt, maar geen mens die dat kon navertellen.
Het was haar doodsangst die ons had aangezet tot deze reis. Uit een innerlijke wanhoop greep ze naar het geloof. De kerk was de enige instantie die haar vader een hiernamaals beloofde. Om deze hemelvaart kracht bij te zetten, zouden we een kaarsje voor hem opsteken. We reden naar Toscane om een kaarsje op te steken, als haar tranen de vlammen tenminste niet zouden doven.
Tientallen jaren geleden was ze ook in Italië geweest voor een vakantie. Haar opa was net overleden en samen met haar vader had ze in de plaatselijke kerk een kaarsje opgestoken. We waren op weg naar dezelfde kerk als toen, het enige gebedshuis waar ze voor haar vader een kaarsje wilde branden. Net zoals haar vader voor zijn vader had gedaan.
Het ochtendgloren verdreef mijn slaap, iedere lichtstraal gaf mij nieuwe energie. De kilometeraantallen op de borden langs de weg werden steeds minder. Het heuvellandschap van de Toscane deed haar herinneringen weer scherp op het netvlies staan en dus dronk ze extra water. Ik volgde de bordjes naar Pistoia.

Duomo - Pistoia
Het was in de loop van de dag, toen we het provinciestadje binnenreden. Vanaf de parkeerplaats aan de rand van de stad, was het een kwartier lopen naar het centrum. Zij ging voorop en koerste ons in een rechte lijn op de kerk af, alsof ze iedere dag door de straten liep. Verwonderde Italianen keken naar haar tranen, maar zij liet zich niet afleiden.
Ik had niet verwacht dat de kerk van binnen zo licht zou zijn. Het Romaanse bouwwerk had kale muren waarin bovenin kleine venstertjes zaten. Het meest in het oog springend was het barokke altaar, dat later aan de kerk moet zijn toegevoegd. Zij had intussen een kaarsje aangestoken. Ik liet haar, want ik voelde dat ik hierbij niet gewenst was. Vanuit een nis zag ik hoe ze voor het kaarsenrek neerknielde.
Vijf minuten later vond ik haar terug in de kerkbanken. Haar tranen waren gestopt, ze had haar ogen gesloten. Ook voor haar was het een lange nacht geweest. Ik ging naast haar zitten en sloeg een arm om haar heen. Ik werd niet weggeduwd. Zonder haar ogen te openen, kroop ze dichter tegen me aan. Even later voelde ik haar ademhaling regelmatig worden. Eindelijk had ze rust gevonden.
Ik keek naar het kaarsje en toen sloot ook ik mijn ogen.
Ik zoek de warme stalen huid van de pont op voor mijn overtocht naar de bewoonde wereld . Het is een ijzig koude ochtend , en de pont , die ons fietsers moet verlossen uit de greep van Amsterdam - Noord , loopt langzaam vol. Niemand spreekt , maar allen willen zo dicht als mogelijk naar die warme kant van de pont want het is je enige warme pauze opweg tussen je huis en je werk. De stadsbus neemt ook plaats op de pont en de klep gaat omhoog voor de 2 minuten oversteek naar het Centraal Station. Terwijl de klep omhoog gaat zie ik fietsers in de remmen knijpen omdat men net deze pont niet heeft gehaald , en dus op de volgende moeten wachten die reeds onderweg is vanaf het Centraal Station. De klep gaat neer en het Centraal Station zwelgt de meeste fietsers op terwijl ik links af buig voor de 5 minuten rit naar het Lloyd Hotel , daar waar ongetwijfeld de gevolgen op me wachten van de vuurdoop.
" Is dit wat er volgens jou heeft plaats gevonden ? " en een rapport , de eerste in een lange lijn , is in mijn handen gedrukt . Ik bevindt me in het kantoor van het hoofd der groepsleiders die zich van het gebeuren een kompleet beeld vormen wil. " Ja , dat klopt wel zo'n beetje " zeg ik 'm , niet echt wetende wat eventueel de gevolgen kunnen zijn van mijn " ja ". Maar als ik het wil maken in dit werk zal ik zo dicht als mogelijk bij de waarheid moeten blijven. Daarbij zal later blijken dat ik daarbij niet altijd de oorzaak en gevolgen onder controle zal hebben. Dus op m'n 2de dag moet ik een indruk achter laten die model moet zijn voor waar ik in geloof . En in het rapport staat , in grote lijnen , weergegeven hoe de zaken waren verlopen . Dus dat was niet zo'n opgave voor me. Ik kon dus met een gerust hart het document ondertekenen onder de reeds aanwezige hanepoten w.o die van de hangsnor die , buiten het open doen van de deur , zich niet echt had ingespannen , maar wel getuigen was van het geheel . Het is goed dat er een systeem in plaats is die rekenschap geeft van zaken die er binnen de muren van een inrichting plaats vinden. En zeker als je van doen hebt met minderjarigen.
Op groep 3 was de puinhoop verdwenen want die hebben ze voor het ontbijt gezamelijk moeten opknappen , en stond de boom weer overeind. Wat scheef , en zonder een aantal ballen , maar weer met de lichtjes aan. Ik liep de groep op om te kijken of er een soort van na-gesprek nodig was. Per slot van rekening was het een behoorlijke explosie van geweld , en er verder niet meer over praten leek me geen goed idee . Ik zelf had namelijk nog het een en ander toe te voegen , en ik dacht dat de jongen in kwestie ook wel even kwijt wilde wat hij van mij dacht die avond dat zijn ego , samen met de ballen , in duizende stukjes op de vloer van zijn groep belanden. De boom stond er weer , en nu kijken of zijn schade een zelfde oprijzen had ondergaan. Ik trof 'm niet aan want de groepsleiding had besloten , om als straf , hem voor een aantal dagen van de groep te verwijderen. In de isolatie dus. En de groepsleider verzocht mij verder de zaak even te laten voor wat het was om de rust op de groep te laten wederkeren. Het was zijn groep.
Een groepsleider is een persoon die de groep jongeren dus begeleiden moet tijdens hun verblijf in de inrichting om het zo soepel als mogelijk te laten verlopen . Als het mis loopt zoals de avond ervoor , om welke reden dan ook , komt de AID in het plaatje om de boel te sussen en eventueel op te treden zodat de groepsleider zich niet schuldig hoeft te maken aan het toepassen van de " zachte dwang " om de zaken voor elkaar te krijgen. De groepsleiders zijn dus personen , zoals gevraagd in de vacature , die zo dicht als mogelijk in de buurt van de leeftijd van de jongeren blijven moet . Een AID'er heeft deze beperking dus niet omdat men denkt , en ik schrijf " denkt " , dat een AID'er geen pedagogische kwaliteiten in zich hoeft te hebben maar eigenlijk de " stoottroepen ' zijn als de groepsleider de controle verloren heeft. Hoe mis kan je het hebben als beleidmakers bij de overheid is te zien in het Lloyd Hotel waarin de AID'ers een onmisbare schakel daarin zijn. Vaak soms nog belangrijker en makkelijker een voet tussen de deur krijgen om bij een jongen zijn muur te laten zakkken . Immers , zij zijn reeds jarenlang door allerlei instanties door de mangel gehaald en dat waren allemaal dus mensen met een hoge opleiding en dat is nu juist iets wat hun ontbreekt in het leven.
Derhalve was mijn taak bij het Lloyd Hotel die van de AID geworden , en niet die van een groepsleider waarvoor mij de jaren en de opleiding ontbraken. Voor mij maakte het niets uit want het vooruitzicht om 8 uur tussen 4 muren te zitten is ook niet voor mij weggelegd. Hoofdzaak was dat ik in de runnig was. Een AID'er is : Ambtenaar Interne Dienst , met andere woorden , de interne veiligheids en orde dienst die voor het veilige verloop binnen de inrichting verantwoordelijk is.
De beveiliging van het het Lloyd was verassend simpel in opzet , geen hi-tech , maar behoorlijk effectief. Het bestond uit stralies rondom , en verder een strikte routine van handelingen die ervoor zorgde dat ontsnappen eigenlijk uitgesloten was. Eigenlijk schrijf ik , omdat een gevangene altijd het gevoel moet blijven houden te kunnen ontsnappen. Maar wij moeten het hem zo moeilijk mogelijk maken , en daar wordt je een " meester " in hoe langer je er werkt . Ik had reeds een voorsprong omdat bij de Marine ook altijd van je verwacht wordt vooruit te denken en eigen initiatief te nemen daar waar nodig. En verder was het eigenlijk een geval van logisch denken om fouten te voorkomen die zouden kunnen aangegrepen worden om te ontsnappen . Vandaar mijn 1000 ogen gevoel.
Een ontsnapping die ook daadwerkelijk was gelukt heb ik in 3 jaar slechts 1 keer meegemaakt. En dan ook nog via een weg waar niemand , maar dan ook niemand , buiten de jongen zelf dan , bij stil gestaan had . De wijze waarop hij het voor elkaar gekregen had heeft vooral bij de AID'ers groot respect af gedwongen. Als het moest , dan graag op die wijze en zonder de andere mogelijkheden die wel eens werden aangewend maar die allemaal een boel geweld als basis hadden.
Het is tijd om te " luchten ". Luchten is een bij de wet vastgelegd recht van iedere gevangene om iedere dag in de vrije buitenlucht te zijn. De luchtplaats bevind zich op de begane grond , aan het einde van de glimmende gang , en bestaat uit een ommuurde binnenplaats van zo'n 15 bij 15 meter schat ik en die door een trap van 5 treden naar beneden te betreden is . Een van de muren is gelijk verbonden aan de voorkant van het gebouw welke direkt aan de weg ligt. Niet een van de beste stekken dus om een luchtplaats te hebben waarvan de muren ook niet al te hoog zijn. Hoe laag die muren zijn blijkt uit de vele pogingen om via die muren te ontsnappen wat ook een aantal malen is gelukt. Aanwezig op de luchtplaats voor de orde zijn minstens 2 AID'ers die bij de ingang van de luchtplaats bovenaan de trap toezicht moeten houden.
De groepen gaan niet allemaal tegelijk luchten maar in delen om e.e.a. handelbaar te houden en jongens in isolatie worden appart gelucht.
Voorts is er een speaker naast de deur gemonteerd die tevens als microfoon dienst doet. Deze staat aan als er gelucht wordt en staat in direkt kontakt met de portiers loge die , op zijn beurt weer in verbinding staat met de rest van het aanwezige personeel. De jongens mogen tijdens het luchten niet de trap op komen want anders is het eigenlijk gelijk over met het luchten daar ontsnappingen of pogingen daartoe vaak begonnen met het de trap op komen van een aantal jongens. [later deel meer]
Ik sta naast mijn collega te wachten als de eerste groep jongens door de gang hun aankondiging maakt . Dat moet altijd , zoals als dat hoort in die leeftijd , gepaard gaan met een enorm kabaal . Een voor een passeren die jongens mij en kijken mij recht in mijn ogen aan wat ik vremd vindt , maar zijnde de nieuwe wellicht bij het ritueel van het " kicken " hoort. Wie weet. Later zal blijken dat de gebeurtenissen van de avond ervoor al , voordat ik binnen was voor een volgende dag , al door het huis waren gegaan. En het interessante daaraan was dat deze jongen door de rest van de jongeren op de nummer 1 stek in de pikorde stond , Capo di tutti capi zogezegd. Ik wist dat nog niet toen men diep in mijn ogen starend de luchtplaats betrad . Maar het was een gegeven die ervoor heeft gezorgd dat ik de komende 3 jaar zo goed als nimmer het principe verbale oplossing moest inruilen voor een aanpak als tussen de puinhopen de dag ervoor.
Copyright 2010: The_Saint
Opeens is hij er weer. Oude Raymond. Dikke jas, kraag omhoog, sjaal drie keer omgeslagen en zijn handen diep in zijn zakken. Sloffend komt hij het straatje inlopen. De zon probeert haar eerste warmte uit en Raymond maakt zijn eerste wankele ommetje van dit jaar.
" Hé Raymond, de winter overleefd ?" probeer ik plagerig.
Hij stopt en kijkt me met waterige ogen vanachter zijn brilleglazen glimlachend aan.
" Het was lang Simon, veel te lang. Lang en doodstil, zeg maar doods " en hij zucht.
" Tja, de winter hè, iedereen blijft binnen " meen ik onnozel.
" Heb niemand gezien. Alleen de bakker en de slager aan de deur. Niemand was er. "
" En je kinderen dan ?"
" Eén woont er in de Elzas en die andere ... ach, de laatste keer dat ik die sprak ... " en hij zucht weer.
" Nee Simon, als je zo oud bent als ik dan wordt je wereldje steeds kleiner. Ik ben 87 moet je weten. Er zijn er niet veel meer ... "
Raymond haalt een grote zakdoek uit zijn broek en snuit omstandig zijn neus.
" Ik heb verder niemand meer, geen familie, al m'n kameraden zijn dood of ziek. En m'n benen willen ook niet meer, zeker in de winter. En de telefoon gaat ook nooit. Ik pak de hoorn wel eens op om te kijken of ie het nog wel doet."
" Dan ben je zeker dubbel blij dat het een beetje voorjaar aan het worden is " opper ik.
Hij kijkt me aan, of hij kijkt hij nou langs me heen ?
" Als je zou oud bent als ik, dan krimpt de wereld ...... "
Ik herinner opeens mijn vader. Die zei, op gezegende leeftijd: "Alles snijdt zich af ".
Ik vertel die opmerking aan Raymond. Hij denkt, hij knikt en zegt : " Wijze man ".
Poltseling gaat de schuurdeur van oude buurman Bernard open, hij is pas 82.
Hij ziet ons staan, zet zijn kruiwagen neer en loopt op ons af. Ik krijg een klap op m'n schouder. Hij begroet Raymond met " Hé jongeman, ben je weer aan het trainen ? "
De twee mannen schakelen in dialect over; ik trek me zachtjes terug en ga naar binnen.
Een half uur later staan ze nog steeds te kletsen.
Vandaag wordt er niets afgesneden.
President Obama bezoekt binnenkort Indonesië. Obama heeft als kind een paar jaar in Indonesië gewoond. Zijn vader diende gedurende de tweede wereldoorlog als soldaat in Nieuw-Guinea, nu de Indonesische provincie West Papua.
De bevolking van West Papua heeft het slecht onder het Indonesische bewind, dat ze te danken hebben aan de frauduleuze volksstemming van 1963.
Het zou president Obama sieren als hij het lot van de Papua’s zou aankaarten bij de Indonesische president Susilo Bambang Yudhoyono. Alleen al vanwege de mensenrechtenschendingen in het gebied. Het is bovendien een Amerikaans bedrijf dat in West Papua de grondstoffen weghaalt. De opbrengst gaat maar mondjesmaat naar West Papua, terwijl het gebied wel de wrange vruchten plukt van de Freeportmijn, zoals landonteigeningen en zware milieuvervuiling.
Lees de oproep van Carmel Budiardjo aan het adres van Obama met een korte samenvatting van de situatie in West Papua.
Ook Nederland zou veel meer moeten doen voor de bevolking van West Papua. Het gebied was tenslotte eeuwenlang een Nederlandse kolonie (tot 1962).
Meer over Nederlands Nieuw-Guinea | West Papua
Reageren via link rechts of via website
Op vrijdagavond wordt bij de Opéra Bastille om zeven uur de uitverkochte opera Don Carlo opgevoerd. Ik loop er om half zeven nog even binnen. Bij de kassa een rij voor niet afgehaalde kaarten. Al snel is er één kaartje beschikbaar die mij op de twintigste rij doet belanden. Prima zit en zicht in dit grote theater. Wat meteen opvalt zijn de grote ronde mannen die amper in hun stoeltje passen en veelal vergezeld worden door een petite vrouwtje.
Als de muziek van Verdi begint en het doek gaat op, zien we een groot, naar achteren schuin oplopend podium. Weinig decor en een subtiel uitgevoerde belichting. Er is ook een plafond aangebracht, dat zich op de juiste momenten opent en daardoor weer licht op de spelers en de vloer werpt. Hoog boven aan de voorlijst van het toneel, een autocue, die de Italiaanse gezongen teksten vertaald in het Frans. Het is niet de bedoeling dat de zaal dit Karaokend mee gaat zingen, maar handig is het wel.
De dames zijn geweldig bij stem vanavond, Don Carlo minder. Het is soms een waar spektakel, als de hele groep op toneel staat en de processie uit het verhaal voorbij trekt.
Er zitten ontzettend veel belangrijke mensen in de zaal. Tenminste, te oordelen naar de aantallen mobieltjes die in het halfduister bij de decorchangementen gelijk getrokken worden en oplichten, om te twitteren, te sms’en en de voicemail af te luisteren. Ook doen ze het storend goed om tijdens de voorstelling, in het donker het programmaboekje leesbaar bij te lichten. Om elf uur is het met de muziek en het zingen gedaan en gaan we op weg voor een souper.
Ik had ergens gelezen dat violiste Janine Jansen zondagochtend op zou treden in het théâtre du Châtelet. In Zeeland komt ze weinig, dus ging ik naar het theater voor een kaartje. De mevrouw van de kassa legt uit dat het een inloopconcert is en dat er nu nog geen kaartjes verkocht worden. Onze Janine, een inloopconcert? Ze verteld dat op zondagochtend de kassa om tien uur open gaat voor het concert van elf uur.
Zondagochtend, even voor half tien kom ik de metro uit en voor het theater is nog niemand te zien. In café le Zimmer bestel ik met uitzicht op het theater een dubbele espresso. De stoep begint vol te lopen en er ontstaan twee rijen. Abonnementhouders en degene die nog een kaartje moeten kopen. Als de kassa open gaat zijn we zo binnen en kunnen vrij een plaats in de zaal uitzoeken. Dan is het nog drie kwartier wachten voordat het begint.
Janine en de pianist Golan komen uiteindelijk op voor een volle zaal. Ze beginnen met een stuk van Strawinsky en de glimlach van Janine aan het eind voor Itamar Golan is de liefste die een pianist zich kan wensen. Met haar presence en door haar spel op de Stradivarius weet ze te ontroeren. Soms achter een gordijntje van haren, dat ze nu en dan zachtjes wegblaast. Aan het slot van een sonate van Bartok lijkt ze zelf ontroerd. Ze speelt mij in ieder geval ondersteboven. Haar toegift Na een droom van Gabriel Fauré is dan ook meer dan toepasselijk. Mijn tranen zitten hoog als ik het theater verlaat, dankbaar voor zo’n mooie ochtend.
CLICK ON THIS LINK FOR A BIGGER VERSION OF THIS IMAGE
Times in Space (3)
To Koek that what we observe is not that what is, therefore no camera can capture that what is. Koek shows us that the truth is more than the world we observe. The god of fleeting reality is an illusion we as human beings hold so dear. He questions the validation of the truth as we experience this through the medium of photography. Because a photograph reflects the world with perceptual accuracy doesn’t mean it is proof of what spontaneously transpires. There are gradations of truth in the circumstances that led up to the moment the picture was taken. Koek shows the illusion in the cardinal rule that the presence of the camera must not alter the situation being photographed in order to classify it as truthful. For Koek this discussion undermines the reality of what every image depicts. Koek’s “Times in space” show us the symbiosis of this taboo. His pictures are fact and fiction. His questions about trust and authenticity are replaced by the province of metaphor, where the truth is approximated in renderings of a more poetic or symbolic nature.
(...)
Soms beleeft een mens ongelovelijke verrassingen en dat maakt het
leven zo ontzettend de moeite waard. Vanochtend kwam ik niets
vermoedend bij het ziekenhuis, ik noem het het ziekenhuis ok, is
niet af, maar vind het geen polikliniek, en was vol met kinderen
en ouders. Zaterdag is altijd wel de drukste dag, maar nu was het
wel bijzonder druk.
Bleken de ouders, kinderen en het personeel, een verjaardagsfeest
voor mij te hebben georganiseerd en als Peruanen iets kunnen is
het feestvieren.
Kinderen traden op, zongen, dansten en droegen zelfs een gedicht
voor. Als klap op de vuurpijl had een zeer dankbaar echtpaar,
wonend in het Amazonegebied, maar kwamen enkele jaren geleden via
via met hun baby met een hazelip bij ons terecht en uiteraard
hebben wij hen geholpen, een Mexicaanse muziekgroep
uitgenodigd.
Wow, dat was werkelijk spectaculair en een fantastisch optreden.
Zo'n ochtend doet vele malen meer goed dan allerlei officiele
ceremonies. Fantastisch om al die blije, spelende, rennende
kinderen in het ziekenhuis te zien. Genietend van hun cola, taart
en ijs. Ik heb nog nooit zoveel verjaardagskussen mogen
ontvangen.
Aansluitend had het personeel nog een lunch geregeld in een
typisch Peruaans restaurant en hebben we met zijn allen genoten
van enkele pisco sours en Peruaans eten.
Het feest wat ik in gedachten had, heb ik maar naar volgende week
zaterdagavond verschoven, want werd wel een beetje te veel van
het goede.
Zijn we hier alleen maar aan het feestvieren? Neens, de Gob.Reg.
wordt dagelijks door mij bezocht met een uitermate vriendelijk
gezicht en dito woorden, maar ze voelen de druk wel, dus men is
bezig om de belofte gestalte te geven. Met Cerro Verde schiet het
gelukkig wat meer op, met hen ook een lange vergadering gehad
deze week om alle benodigde apparatuur toe te lichten, men is
nogal gefocust op prijzen in plaats van echte kennis van zaken,
kwaliteit en van die dingen. Maar daar komen we wel uit, kwestie
van argumenteren en duidelijk uitleggen waarom, waar en
waarvoor.
Onderwijl ontgaat mij niet het Nederlandse politieke nieuws,
waarbij ik maar een gedachte heb, nl. Chiquitarijk, wat een
variant is op Bananenrepubliek. Nog even en er moeten EU
waarnemers bij verkiezingen in Nederland toegewezen worden om het
geheel netjes en volgens de regels van het spel te laten
verlopen. Iets wat men in Nederland toch meer gewend waren om in
een land als bijv. Peru te laten plaatsvinden. Dan stapt de een
na de ander ook nog eens op, onder het mom van meer tijd aan het
gezin besteden. Tenminste als je het een beetje sceptisch
bekijkt. De CDA gedachte van het gezin is de hoeksteen van de
samenleving, blijkt niet alleen tot de CDA gezinden beperkt, nee,
zelfs de linksintellectuelen omarmen deze gedachte. Toch
opvallend, zou je zeggen. Gaan ze rentenieren? Parttime werken?
Of????
Enfin, verrassingen en dynamiek ten over in het politieke veld.
En om even terug te grijpen naar een oudejaarsconference van Wim
Kan, Waar gaat het naartoe in het nieuwe jaar?
IN DE NAAM VAN ‘T ORGEL (DEEL 4)
DRANKORGEL MET HOLPIJPEN VOOR DE MAN DIE HET PIJPEN NIET LATEN KAN EN GRAAG NAAR ANDERMANS PIJPEN DANST
DUISTERE NACHTGEBIEDEN
Hoe zal ik U ontvangen? Even een moment van zelfresurrectie...pardon, zelf reflectie als Self Crowned Genius! Ben ik soms een agoog, psycholoog of spiegeloog?
Neen, neen en nogmaals neen driewerf in den Hoge met een bescheiden Halleluha er achter aan!
Gelukkig ben ik dat allemaal niet! Voor psychologen en psychiaters heb ik niet veel achting. Komedianten zijn het. Zij zijn de priester van een wetteloze religie zonder God.
Nee, we moeten ons maar eens wat meer op de Almachtige van de Bijbel richten. Komt het allemaal goed.
Als Hij almachtig is dan zijn Zijn oren dat immers ook, want wie horen wil die hore, aange vuld met een kop koffie caramel van de Hema en versterkt met die sombere einde der tijden stem van de trage gemeentezang op hele noten, zodat de gitzwarte kookkoffie van thuis nog wel even kan blijven door pruttelen in de consistoriekamer op een waxine lichtje en de boter koeken al aardig ranzig beginnen te worden. Er zit een luchtje aan. Kunt U nog stinken, stink dan vooral mee.
Laten wij het liever over het persoonlijke grote lijden in het licht van het Wereldleed heb ben. Toch ben ik niet direct een wereldwijf.
”Wie lijdt verbetert zichzelve,” zei de Amsterdamse duivelse transseksuele hoge priesteres van het sadomasochisme Meesteres Betty Berini uit het Schaamheuvel kwartier, vlak bij de Westergashouder mij altijd met een onheilige ernst en een vurige gloed in haar ogen van waar uit een hels vuur leek te branden en dan kreeg ik me er toch van langs!
Hoe vaak zweeg ik niet bedremmeld als reine jongeling in aanwezigheid van seksjuweel dominante vrouwen.
En hoe ik tussen de bedrijven door ook nog met de losse schildertoets het zilverwit van de berk bezong in mijn peintures, terwijl heel Europa in the sixties één grote matras was en de hemel een zwart geschilderd plafond van een kraakpand, hoe ik dan bloosde bij deze diepe waarheid die klonk als een klok, mijn blik verward terneder sloeg, bleef kijken naar haar aantrekkelijke dankzij hormonen therapie uit het niets op gewekte borstpartij (van transsexu eel Betty , niet van Els of van mijzelf) en keek naar haar modieuze, sneeuwwitte trui, hoe daar links boven een veel betekend sieraad gespeld was: twee glanzende chroomstalen miniatuur handboeien, die mij biologeerden. Signalen en symbolen uit een terra incognita. De duistere nachtgebieden. Een boeiende vrouw.
Het enige geluk ligt in de slavernij.
Deze situatie van de boeiende vrouw een veel zeggende metafoor voor het algemeen betwijfelde vrijgemaakt gereformeerde leven?
Wij weten terdege uit de Schrift dat het religieus leven van de vroege mens allemaal eens in een ver verleden is begonnen met het aan roepen van de Heere Heere.
Je moets dat twee maal zeggen om één keer gehoord te worden. Twee halen, drie betalen. Het staat gescheven, dus het is waar.
Het moet dus een direkt, fysiek, op gehoorsafstand gericht kontakt met het hiernamaals ge weest zijn want verder roepen dan de stem draagt is onmogelijk, dan springen de stem banden los als uitgerekte elastiekjes, net zo min als men verder kan springen dan de polsstok lang is en dat die bij sommige medemensen het formaat van pollepels heeft dondert niet. Doorroeien zul je et je sores en onmin met de buren.
Roepen waar niet gehoord kan worden heeft geen enkele zin.
De mikrofoon was in de voortijd nog niet uitgevonden. Dan maar met de muziek mee.
Gaandeweg bij het teloor gaan van de vitaliteit van de eerste schepselen heeft het orgel de emoties van het kerkvolk verklankt en gekleurd tot een welluidend geheel waar nog iets aan te beleven viel ook en het gaf werk aan een hele stoet komponisten die ook brood op de plank wensten om de kindermondjes thuis te voeden.
Een eerste aanzet tot de otomatisering en flexibilisering van de arbeid onderd de kerkelijke werkers, zo’n orgel.
De noodkreet van de uitzinnige wanhoop werd tot muziek en het orgel werd verbouwd zodat het op ekonomiese wijze een geheel orkest kon vervangen. De eenmalige aan schaf was misschien wat hoog voor de gemiddelde met Miep Kniep gehuwde griffermeer de Jan Modaal, maar vele kleintjes maakten in tegenstelling tot geboortebeperking ook in het verre verleden één grote en het vervangen van een symfonie orkest telde ook aardig aan. Een diepte investering.
Zo werden registers toegevoegd met imitatieklanken van de Viola da Gamba zoals op het orgel van de Hervormde kerk te Scheemda of van klarinet en fagot zoals in de Hippolytus kerk te M.
Het jankende, krakende orgel in de Hervormde kerk te V. slaan wij over met het schaam rood op de kalvinistiese kaken, want die aanfluiting mag niet mee doen, te meer daar het Schriftgezag in de jaren ’70 daar niet in hoog aan zien stond daar waar dominee Hop stond en het evangelie van de toen nog hoog in aan zien staande dwaalleraar, de Heilige Marx verkondigde en heel het slaafse, onwetende volk zei amen. In de jaren zestig en zeventig doortrokken van nostalgie naar het verleden groeide de historiese kennis van het kerk orgel en begon een leger van orgelspecialisten met overheids gelden en orgel fondsen orgels in het Noorden des lands te restaureren.
GEURLOOS GERUISLOOS VEREND KLASSSIEK GEZONDHEIDS ZADEL MET VENTILA TIE GLEUF
MODERN MEDISCH VERANTWOORD GEZONDHEIDSZADEL, IN DE VOLKSMOND GENAAMD : "MODEL DE TWEE KLOOTJES "
In Friesland is iedere ouwe fiets van langer dan tien jaar geleden waar je opoe het be schimmelde, wit uit geslagen gezondheidszadel met ventilatiegleuf stuk heeft gerost met d’r vette reet een museumstuk, laten we dit voor op stellen, dus wij kunnen een leger van vraagtekens zetten bij het kultuur historiese bewustzijn van de doorsnee Fries.
Dankzij de gleuf kunnen we nog eens scheet weg roffelen en een poepie laten ruiken.
Je kreeg trouwens al gauw herrie onder de kenners over wat een histories kerkorgel diende te zijn: mechanies of elektries aangedreven, net als bij het draaiorgel van de orgelman. Sindsdien zijn de orgels als inzet van een nieuwe geloofsstrijd een trekpleister van de eerste orde, in aantal, aard en leeftijd wereld beroemd in Friesland en Groningen.
Ten minste onder de autochtonen!
Allochtonen tellen helemaal niet mee want die hebben de bongo, de olievaten om het Wilhelmus op te trommelen, de djembe en de tomtom.
Laat die ongeletterde heidenen maar op een paar bongos beuken, dan zijn ze van de straat af en al lang tevreden als ze in het voorbijgaan je portefeuille kunnen rollen!
En voor de man in de straat die wel van André Hazes houdt maar niet van het pijporgel en meent dat het instrument uitsluitend te maken heeft met een repressieve achter haalde geloofswereld moet de jaarlijks terug kerende orgelzomer met ontzettend veel Bach in de aanbieding maar eens goed in de gaten houden en niet te veel klagen over het weer of de wederhelft.
Wie wil niet eens huiverend van wellust aan den lijve de fysieke kracht van een orgel voelen?
De bonkende bassen als een regen van vuist slagen voelen in zijn toch al dankzij over matig drankgebruik overgevoelige brandend zure maag en weke onderbuik! De ballen die resoneren op de maat van de voet pedalen.
Vertoeven in hogere sferen tussen het ijlste, geheimzinnige gefluister op zolder en ‘t diepste onder aardse gegrom van uit de vergeten, verzegel de kelders van de mensheid, die schat kamer vol hemelse en helse klanken, verdrongen herinnering en aan eeuwen oude vergeten religieuze rituelen van lust en pijn …Kijk uit! Voor je het weet slaat de vloek van de faraos weer toe en wat dan?
Fred van der Wal, Oldeboorn, 1999.
CLICK ON THIS LINK FOR A BIGGER VERSION OF THIS IMAGE
Times in Space (2)
Koek photographs in the series “Times in Space” are made in honor of Bresson. Koek holds his breath and with a small point and shoot camera searches for the perfect balance between his own interior thinking and the outside world he observes. For Koek what we see is determined by who we are defining our seeing as a psychological and sociological process. Bresson lived in an era where the only modification occurred in the dark room. Now the viewfinder has been replaced by a led screen and the darkroom has been transformed in a personal computer.
(...)
Volgens het World
Meteorological Institute is Bangkok de heetste stad op aarde. Ik
kan dat alleen maar beamen.
Ik haalde zojuist een bierglas uit de keuken. Liet het bijna uit m'n handen vallen, zo heet was het. In de hete tijd, wanneer de temperatuur in de schaduw 24 uur per dag schommelt tussen de 29 en 41 graden is alles wat je aanraakt warm tot gloeiend. Koelte en kou worden een obsessie. Bier kun je alleen maar drinken met 3 of 4 grote klonten ijs in het glas. Een glas ijskoud bier zonder ijsklonten is letterlijk na 5 minuten lauw.
Iedereen klaagt over de hitte, de Thais zeker niet in het minst. "Rawn mai?"- heet he? hoor je overal. Fred en George, 2 Kenyanen waar ik mee werk hebben het praten over de hitte tot een ware kunst verheven.
Nu komen Fred en George toch uit een land wat doorkruist wordt door de evenaar, ze zijn allebij blauwzwart en zouden toch wel gewend moeten zijn aan extreme hitte. Wat blijkt: Fred komt uit een dorpje dat op 3000 meter hoogte ligt. De gemiddelde dagtemperatuur is er het hele jaar 22 graden. 's Nacht altijd lichte vorst. George is in een dorp 200 meter lager ter wereld gekomen.
George liet me vandaag een
foto zien van een van z'n dochters. Supermodel Naomi Campbell in
het kwadraat. Ik vroeg aan George hoe oud ze was. Hij moest
bekennen dat hij het niet precies wist, maar verzekerde me dat ze
niet ouder dan dertig was (George is 46, ziet er uit als 36). Ik
zei: ' George, hoeveel van dit soort kroonjuwelen heb jij in
Kenya rondlopen?' Daarop schoot George in een hoge, aanstekelijke
lach en sloeg zich keihard op z'n dijen. "I can't tell you,
because I don't know', gevolgd door weer een gierende uithaal en
een paar kletsende klappen op z'n knieen.
Mijn baas Chester heeft
Fred en George 3 jaar geleden aangenomen. Beiden zijn hoog
opgeleide Kenyanen die de economische malaise in Kenya
ontvluchtten naar Thailand waar salarissen hoger liggen en waar
ze in staat zijn, dat mag je tenminste aannemen, om maandelijks
een redelijke som naar de familie te sturen.
Dat aannemen van zwarte
werknemers ging niet zonder slag of stoot. Het Thaise onderwijs
is doorspekt met een onverholen racisme. Philippino's en
Afro-Amerikanen hebben grote moeite om werk te vinden in het
Thaise onderwijs, ongeacht de ervaring die sommigen hebben. En
als ze een baan vinden krijgen ze steevast een lager salaris.
Thais kijken neer op mensen met een donkere huid en doen er zelf
alles aan om maar zo maagdelijk wit te blijven of lijken, door
middel van 'Whitening Cream'.
Chester, de man van het 'hiring en firing departement', heeft,
door George en Fred aan te nemen, dat idiote idee van Thais dat
donkere mensen minder zijn, doorbroken, want onze 2 Afrikaanse
werknemers zijn model leraren, zo je wilt. Het Thaise personeel
is ook heel anders over huidskleur gaan denken en geruchten gaan
dat onze vice-directrice een oogje heeft op George. En de
leerlingen zijn dol op ze. Change we can believe
in.
Tuinieren is mijn lust en mijn leven. Het mooie van tuinieren in de tropen is dat je niet hoeft te tuinieren. Alleen af en toe een rondje van de zaak voor de mangoboompkes, de bananenplantekes en de kokospalmkes...
Foto: my unspeakable wife
Midden op het minischoolpleintje, achter onze school, staat een eenzame jackfruitboom.
Voortdurend klimmen de kinderen erin maar toch hangen er een paar kilo’s zware vruchten ongestoord te rijpen. Kennelijk hebben de kinderen respect voor de natuur (...) en is de controle van de leerkrachten voldoende om de fruitballen te laten hangen tot ik toestemming geef om ze te plukken.
Want ze vallen er niet vanzelf uit nee, en de spelende kinderen lopen geen gevaar. Denk ik. Terwijl je regelmatig berichten hoort over mensen die gedood zijn door een vallende kokosnoot, heb ik nog nooit iets over slachtoffers van een ‘knol’ vernomen.
Want zo heten de reusachtigste vruchten ter wereld in het Khmer: knol. Makkelijk te onthouden voor ons Nederlanders. ‘Knol’ was dan ook één van de eerste woorden die bij mij in het begin zijn beklijft. Logisch. Net als ‘pom’ (appel) of ‘strohberry’ (aardbei.)
Toen ik hier kwam wonen, kreeg ik van een moeder een knol mee. Thuis gekomen nam ik een groot en scherp mes uit de keuken, sneed het gevaarte overlangs in tweëen en fileerde er de gele vruchtjes uit. De slijmerige vezels waarmee die vastzitten aan de kern en de schil, zo ontdekte ik, zijn behoorlijk kleverig. Kleverig?! Mijn vingers bleven als met tweesecondenlijm aan elkaar plakken en aan alles wat ik aanraakte! Ons keukenpersoneel lag in een deuk. Met geen water en zeep, noch met terpentine kreeg ik mijn handen schoon.
Totdat de kokkin me schaterend meenam de keuken in, naar de rijstkist. Ik moest mijn handen met droge rijst wrijven tot alle kleefstof van mijn vingers af was; weer wat geleerd.
De vruchtjes zijn heerlijk sappig en zoet. Je kunt ze ook kopen in zakjes, gedroogd, maar vers zijn ze het lekkerst.
Onthoudt: knol. Voor als je naar Cambodja komt.

..EN IN HOLPIJP EN RUGPOSITIEF HUILDE DE WOUDFLUIT
ONHEILSPELLEND
...en in holpijp en rugpositief huilde de woudfluit
onheilspellend als de wind door de geteerde touwen van een
teaclipper!
IN DE NAAM VAN ‘T ORGEL (DEEL 3)
BUIK ORGEL
Tot 1993 ben ik een echte orgelvreemde heiden gebleven tot ik Bach ontdekte. Die ouwe rukker kon d’r wat van met zijn dikke sombermans kop, but not for me. Zware kost. In de loop van de tijd is mijn afschuw van het orgel getemd, maar de woede in mij tegen alles wat streng gereformeerd of EO lid is niet.
Ik koesterde veel liever in de doorgebeuzelde kerk uren tijdens het psalmgemoer onder de gelovigen de geheime gedachten over de tegennatuurlijke lusten van mijn zwarte, verloren ziel in de zestiger jaren met een vreemd sadomasochisties genot onder de kerk dienst, dan te luisteren naar van de kansel geslingerde banvloeken vol hel en verdoem enis.
HOLPIJP OF WEL HET SONORE GELUID VAN BROEKBROMMEN
de Klank van de Holpijp liegt er niet om en gelijkt
op een scheet in de maneschijn
In de holpijpklank zijn minder boventonen aanwezig
dan er in het spectrum van een Prestant voorkomen. Indien een
pijp aan het open einde wordt afgesloten, daalt zijn toonhoogte
tot de helft en verdwijnen de even boventonen uit het spectrum.
De oneven boventonen laten de pijp hol klinken. Een
karakteristieke klank is bij een Holpijp moeilijk er te herkennen
dan bij een Prestant.
De mensuur laat een grote spreiding toe waarbij de klank zich
tussen rond en helder kan bewegen met een grondtoon die meer of
minder sterk kan zijn. In dit brede gebied passen veel klanken
die de naam Holpijp dragen. Vooral voor kleine orgels is het
verleidelijk om een enge mensuur te kiezen, deze pijpen nemen
minder plaats in. De klank wordt bij een engere mensuur wel
boventoonrijker maar hier is dat ongewenst en daarom tracht men
dit met een hogere opsnede te compenseren. De grondtoon van een
enge pijp heeft echter te weinig energie om voldoende draagkracht
te ontwikkelen en de verhouding ten opzichte van de boventonen
geven de klank geen fraai karakter en lijkt op eeen lange
ruft
HELSE VLAMMEN HEMELTERGEND
De helse vlammen van de velerlei tegenstrijdige begeerten van het zondige hart dreven mij als schone jongeling rusteloos voort naar perverse zondaren, overtuigde amateur hoeren, heidense tovenaars, raadplegers van de dode zielen, wichelaars, meedogenlo ze tollenaars, de willige armen van sadomasochistiese homo- en biseksuelen en perverse overspeligen, ronkend van genot in met liefdessappen doordrenkte opblaas bedden waar je op weg dreef naar rozevingerige luchtkastelen!
Als de zondvloed opnieuw zou los breken dobberden wij zo weg. Zo lang je maar gezond bent moest je er profijt van kunnen trekken… Nu zou dat al lang niet meer kunnen met die Aids Welle en kunnen we beter de dijtjes met een preuts mondje bij elkaar houden in plaats van met gepreide achterpoten langs de kant van de weg te gaan liggen wachten op de dingen die komen gaan.
Ooit moest het favoriete instrument der verkrampte kalvinisten met vuist en,voeten en elle bogen in beweging gebracht worden als metafoor voor de handel en wandel van de reforma toriese medemens. Het opgewonden pompen van de blaasbalg deed mij immer denken aan de hel waar legioenen krijsende duivels het hellevuur met blaasbalgen deden oplaaien om de zondaren voor eeuwig te laten branden en met rood gloeiende vorken en wit hete staven te penetreren in hun meest geheime, intieme holtes zoals op een schilderij van Jeroen Bosch. Toch was in mijn optiek het orgel meer mens dan God. Mijn vaste, onwankelb’re overtuiging, mijn schild ende betrouwen (ben ik van Duitschen bloed? Neen!) en die opvatting kan ik staven!Dat kun je zien aan het register met de naam Vox Humana. De menselijke stem. Net zoiets als de Vox Populi die dan vanzelf sprekend uit vele Voxen Humanas zou moeten bestaan, want we houden het demo kraties, maar dat is een gans ander verhaal.
Dan denk ik in mijn Stille Tijd en Beste Momenten als ik naar Highway Sixty One van Bob Dylan luister weer terug aan de Vox humana:
Een Regaal met dubbele kegel en helder snaterende, op de hobo van het orkest gelijkende klank. Ook wel gebouwd als Dulciaanregaal. Waar men de menselijke stem tracht te bena deren, wordt het karakter er meestal niet beter op. Je kunt beter dieren dan mensen hebben trouwens! Voed je een varken dan krijg je spek, voed je een mens dan krijg je drek!
HET ORGELS DES DOODS
Ik wil misschien die kalvinistiese mensenhaters wel toe geven dat de schaduw van Gods eigen stem als His Masters Voice door de ventielen, balgen, windopeningen, windladen, cancel en gorgelende pijpen amechtig jaagt om via alle openingen, al dan niet met tongen gestoffeerd om een enigzins gestabiliseerd, gekanaliseerd, algemeen beschaafd geluid voort te kunnen brengen; toch zijn de windladen en de registerknoppen vergelijkbaar met met de op afstand bestuurde radio aktieve splijt- en regelstaven in een kernreaktor, dat andere orgel des doods dat menig gelovige hetzij ongelovige met gemak in hellevuur en vlam kan zetten zoals in Tsjernobyl zo overtuigend bleek. De Vox Humana is de stem van de mens in doodsnood.
WINDJAMMER
Hoe ouder het orgel, hoe indringender het wind jammer roept: Memento Mori! Krijg allemaal de kolere! Zij die sterven gaan groeten U! Er op of er onder! Luc tor et emergo! Voor anderen zegt de Vox Humana: ”Heer, helpe mij dit besodommieterde leven enigzins te over leven, want voor niets gaat de zon op en treedt de twijfelachtige zegening van een bijstandsuitkering of een Aah & Oooh Weetje, hetzij een Wee Aah Ootje in werking! Spaar mij daar voor Heer of ik betaal de kerkbijdrage ook maar niet langer voor het gemak en dan moet U maar zien hoe U rond komt!” Nooit heb ik Hem of zijn hemelse dienst knechten van aangezicht tot aangezicht aanschouwd! Wie trouwens te vaak de Vox Humana heeft gehoord, -net als Odysseus,vastgebonden aan de mast - met tongen als in een mondharmonica, die in staat van trilling wordt gebracht zodat ze een schril doch pregnant, nasaal geluid voort brengen ongeveer zo als dat van een hond die in het prikkeldraad verward zit en dat zo indringend uit de vroege nummers van Bob Dylan uit de tijd van voor zijn bekering moge blijken toen zijn mu ziek nog luister baar was en iets te vertellen had blijft er naar terug verlangen als een junkie naar de herowiene spuit.
Balsem voor de balzaal van de ziel! Nee, dat vergeet je niet gauw meer omdat het orgel troost en tuchtigt, liefkoost en kastijdt, fluistert en krijst, net als die sadomasochistiese Meesteres die volgens de Panorama alleen wel even tweehonderd vijftig gulden per konsult van slechts één uur berekent!
Men kan in de kerk billijker aan zijn of haar gerief komen, niet waar!
Hoe? Zoals bekend! With a little help from your friends!
DRANKORGELS 2. AFDELING DE NATTE GEMEENTE
Die orgels, in de loop der tijden voor zien van een fraai versierd orgelfront (alsof het een Würlitzer Jukebox is, het miniatuur orgel van de natte gemeente), omdat het oog ook wat wil en het oor toch al na een kwartier verdoofd, verlucht met schitterend goud beslag om de welstand van de gevers te benadrukken en de dofzilveren geciseleerde pijpen waarboven uit torenende bazuinen torsende wellustig ogende roze vlezige engelen en piemelnaakte cherubijntjes (een lust voor het paedophiele oog!
Komt het zien!
Ik zou er bijna zelf nog zin in krijgen, die marsepeinkleurige welgevormde biggetjes met die miniatuur maagdenburger halve bollen) op de hoogste transen, daar waar het orgel bijna dwars door het orgeldak lijkt gelanceerd te gaan worden als een Titan drietraps raket vlak voor de definitieve count down en aldus op falliese wijze bijna de hemel in priemt als een beschuldigende opgestoken middelvinger naar omhoog.
Fuck it, lijkt het te willen zeggen! Als de Heere Heere ons zondige mensen dan niet altijd kan horen via ons voor het eten snel afgeraffelde tamelijk ongeïnteresseerde standaard smeek gebed om de zegen over de aardappelen met een kuiltje sjuu, zoveel kreatieve fantasie heb ik nou ook weer niet, vooral haastig, opdat de piepers niet koud worden of de katten ons storen die het besmette BSE vlees van de borden pogen te kapen als de ogen gesloten zijn en het hoofd onderdanig gebogen zoals het hoort; wellicht kan Hij ons dan horen dank zij de oorverdovende herrie van meer dan 120 decibel die weerkaatst vanuit de immer dorstige, ontuchtige kelen der gelovigen tegen het kerkdak.
Een nutteloze discussie achter de rug over wel , dan wel niet , een stropdas dragen. En de man voor mij in de spiegel kan mij ook niet helpen op mijn steeds groter wordende vragenlijst die ik in mijn hoofd aan het creeren ben . Ik ben behoorlijk nerveus , meer dan dat ik eigenlijk had verwacht toen ik over m'n schrijfblok gebogen zat. De realiteit dat veel , zoniet alles , in mijn huidige stand van mijn leven/huwelijk hangt aan het komende gesprek maakt het er allemaal niet makkelijker op. Ik besluit me zo casual mogelijk te kleden . Want op komen dagen met een stropdas zou ,in mijn optiek althans , het gestelde in mijn brief afvlakken . Mijn vrouw denkt daar klaarblijkelijk anders over en steekt dat niet onder stoelen en banken.
Toch redelijk op m'n gemak zit ik in een comfortabele stoel in een ruim kantoor bekleed met veel donker hout met allerlei frutsels . Tegenover mij een aantal mensen die van mij nu alles willen weten waar ik , samen met de man in de spiegel , me voldoende op voor bereid hoop te hebben . Het wachten is op de Adjunct die wat verlaat was . Dat geeft me wat tijd me te focussen op het aanstaande gesprek waarvan ik hoop dat het vlekkenloos zou verlopen. De Adjunct treed binnen en excuseerd zich voor het te laat zijn . Dan gaat de deur dicht en is er geen terugweg meer. En als het handen schudden vooraf een indicatie moet zijn wacht mij een enigzinds ijzige ondervraging.
Aanwezig zijn : Adjunct direkteur van de inrichting , met een vriendelijke open handdruk - het hoofd personeelszaken , idem - de huis psycholoog - de maatschappelijk werker - en het hoofd van de groepsleiders, verplichte handeling.
Daar tegenover zit een persoon die nu alles op alles moet zetten om deze ploeg ervan te overtuigen dat ik de beste keuze zal zijn.
De adjunct neemt het voortouw met zijn openingsrede dat hij o.a aangenaam verrast om zo'n openhartige brief te hebben ontvangen , zonder al die gebruikelijke franje , en wilde derhalve de schrijver ervan persoonlijk ontmoeten. Als 2de nam de psycholoog het woord met de vraag : Waarom denkt U dat wij U in dienst zouden moeten nemen , en waarom heeft U een baan als Rijksambtenaar bij de PTT , met een levensgarantie , laten varen. Dat waren dus de 2 kern vragen die ik had verwacht en die ik dan u zo goed en kwaad als ik kon onder woorden brengen moest.
Ik zat met een ontspannen houding in de comfortabele stoel en hield mijn betoog over mijn jeugd , het opgroeien zonder vader , het daardoor afbreken van m'n schoolopleiding , en het feit dat ik dus door m'n knieen kon gaan en op gelijke ooghoogte met de jongeren in kontakt kon treden en dus derhalve verbaal de zaken wat makkelijker voor elkaar zou kunnen krijgen. Over de PTT kon ik vrij kort zijn . Een bedrijfsarts , die waarschijnlijk duizenden " rugklachten " bij de PTT te verwerken had gehad nam mijn zaak dus helemaal niet voor vol . Het werdt dus een onderlinge strijd tussen mijn huisarts , die mij vertelde dat , als het erop aan zou komen ,ik beter voor m'n gezondheid zou moeten kiezen. Want stelde hij : " een gezonde rug krijg je maar 1 keer in je leven , ander werk daarintegen kun je altijd vinden " en de bedrijfsarts die mij , kost wat kost , weer op de werkvloer wilde zien . De keuze die ik toen voor mijn gezondheid nam had natuurlijk z'n gevolgen.
Ik was dus heel relaxed toen ik het verhaal van mijn jeugd aan het vertellen was en zag dat de houding achter de tafel ook goed ontspannen was daar men in het begin nog rechtop gezeten in hun stoel mij begonnen aan te horen , en dat men onderling aan het smoezen ging. Ik had er op dat moment bijna alle vertrouwen in de zaak beklonken te hebben mede gelet dus op het onderuit zakken van de adjunct die volgens mij genoeg gehoord had waarom ik me geen jota had aangetrokken van de maximale leeftijdsgrens en het ontbreken van de MBO opleiding.
Vreemd genoeg had ik nog meer vragen verwacht , maar het bleef bij deze 2 die ik dus voorzien had te moeten gaan beantwoorden. De verassing was echter kompleet toen de adjunct op stond uit zijn luie positie en op mij af kwam lopen.
Hij knoopte formeel zijn colbert dicht , stak zijn hand uit met de woorden : " We weten genoeg , komt volgende week beginnen je uit? "
Komt volgende week uit? En ik keek naar zijn uitgestoken hand , en weer naar zijn gezicht , en de tijd die verstreek moet slechts seconden zijn geweest . Maar het was net of ik de grote klok aan de muur , waar mijn blik naar getrokken werdt toen de adjunct op stond om te kijken hoelang het nu werkelijk geduurd had , met elke klik van de seconde wijzer , die als een klokslag in m'n hoofd met een schijnbaar eindeloze pauzes tussen de seconde's in , zijn harde werk deed . De rest stond op , en was bezig het kantoor te verlaten . Ze liepen langst me heen als in slow motion en feliciteerde me als nieuwe medewerker binnen de inrichting .
" Ja, antwoorde ik , morgen kan ook! "
" Nou ", sprak hij , " er moet nog het e.e.a geregeld worden , maar maandag morgen zie ik je graag verschijnen ". En weg was hij weer het gebouw in waarvanuit een kakofonie van geluiden kwam zodra hij zich door de deur naar buiten begaf.
Ik keek naar de volgende uitgestoken hand , en die was van het hoofd personeelszaken , want de rest was al reeds vertrokken en het kantoor verder dus leeg op het donkere hout met de frutsels na , en de klok die ik nu niet meer kon horen tikken.
Hartelijk welkom binnen mijn team.
Copyright 2010: The_Saint
Met grote regelmaat horen we over ‘zelfregulering’. Van bovenaf opgelegde regels zouden niet nodig zijn, omdat de betreffende bedrijven, organisaties en dergelijke zelf wel een gedragscode en regels kunnen opstellen. Het geloof in zelfregulering is volstrekt naïef.
Financiële sector
De financiële sector besteedde in de Verenigde Staten miljarden dollars aan lobbyen voor minder toezicht. Ze hadden succes en veroorzaakten de financiële crisis, ongestoord door een krachtige toezichthouder. Ook in Nederland loopt de sector te hoop tegen regulering.
Enkele jaren terug ontdekten we in Nederland hoe de bouwsector op grote schaal fraudeerde. Ook daar beweerde de brancheorganisatie dat ze goed in staat was zichzelf te reguleren. Niet dus.
Verpakkingsindustrie
Via beloftes en convenanten met de overheid houdt de verpakkingsindustrie al tientallen jaren wetgeving op het gebied van zwerfvuil tegen. Campagnes als Nederland schoon helpen nauwelijks tegen zwerfvuil, maar komen wel in de plaats van wetgeving op dat gebied. Ook deze sector kan het beslist niet zelf.
Katholieke kerk
Op heel andere terreinen gaat het zonder toezicht eveneens ernstig mis. In onder meer de Verenigde Staten, Duitsland, Ierland en ook Nederland misbruikten katholieke religieuzen, van wie we altijd dachten dat ze meer ethiek zouden hebben – die preken ze immers, op grote schaal de jongeren die aan hen waren toevertrouwd. Dat was in veel gevallen al tientallen jaren bekend.
Wat deed de leiding van de religieuzen in al deze landen? De reputatie van de kerk was belangrijker dan de misbruikte jongeren. Geheimhouding was het devies, de doofpot het gangbare middel. De betreffende religieuzen werden hooguit overgeplaatst. Let wel, dit gebeurde systematisch, overal.
Gegeven de schaal van het probleem is er maar een conclusie mogelijk: er heerst een totaal gebrek aan ethiek en moraal. Alles van bovenaf reguleren heeft veel nadelen, een topzware overheid heeft ook weer controle nodig. Het lijkt echter de enige manier om mensen in het gareel te krijgen. Zelfregulering blijkt ijdele hoop.
Reageren via link rechts of via website
Achter de Bastille op de Boulevard Richard Lenoir is elke donderdag en zondag markt. Hier staan vele kramen met groente, fruit, vis en gevogelte en alles even vers. Het begint al goed. Eén van de eerste kramen die mijn aandacht trekt is een viskraam waar ook oesters ter plekke voor je worden opengemaakt om op te eten. Ik neem er drie. Zo sta ik rond twaalf uur, midden in Parijs met een heerlijke zilte smaak in mijn mond. Nu nog een glas witte wijn.
Verderop een kraam met een mooie uitstalling van kruiden, tomaatjes en paddenstoelen. Alles in aluminium bakjes. Ik koop een bakje tomaatjes en paddenstoelen. Die bakjes krijg je niet mee. Ze worden omgekieperd in een bruin zakje wat aan de twee bovenste punten razendsnel een paar keer over de kop wordt gedraaid. Verder maar weer. Tussen de kramen, hier en daar een zigeunervrouw die kleine boeketjes gele bloemen proberen te verkopen. Ook een lange kok met een hoge witte koksmuts van de firma Knorr staat pakjes bouillon uit te delen.
Een eierboer heeft in zijn landelijk ingerichte kraam grote manden met stro en eieren in diverse grootte. Een vrouw neemt er drie los in een zakje mee. Mijn zes eieren laat ik liever veilig tegen extra betaling in een doosje doen. Dan kom ik bij een lange kraam met kazen, worsten en complete maaltijden. Voor mij staat een jonge moeder met haar dochter in de stroller. Ze stelt een maaltijd samen voor één persoon. Vervolgens is ze zo druk met het geknoei van haar dochtertje en een fruithapje, dat ze bijna vergeet het wisselgeld aan te pakken. De grijns van de man achter de kraam is vaderlijk, als hij haar het geld geeft.
Ik stel zelf ook maar een maaltijd samen van huisgemaakte puree, zuurkool en gejaagd konijn. Het ziet er allemaal zo lekker uit. Hij probeert me nog wat worst te verkopen en als dat niet lukt, zegt hij dat ik zondag terug moet komen om dat bij zijn dochter te kopen. Ze staat verderop in de kraam naast haar moeder, lang, leuk en een jaar of veertig te wezen. Ik neem het me voor.
Met de spulletjes in tasjes, zoek ik een fiets bij de Vélib van het witte fietsen plan in Parijs, doe de tasjes in het mandje en zo fiets ik in de zon naar huis. Ik besluit niet meer naar Nederland terug te keren.
Thuisgekomen maak ik voor de lunch een omelet. Ik tik twee eieren in een schaal en zie dooiers die ik in mijn Albert Heijn leven niet eerder zag. Zonde om ze stuk te klutsen, maar de gesneden tomaatjes en paddenstoelen liggen te wachten. Ik proef het land en eindelijk is daar het glas witte wijn.
Het is dan toch een zelfzorg dag vandaag en in de avond zet ik mijn drie bakjes voor de maaltijd in de magnetron. Het konijn valt van het bot en de zuurkool met puree kan ik geeneens op. De halve Saint-Emilion wel.
O ja, over dat niet terugkeren. Soep had ik niet genomen, dus die wordt ook niet zo heet gegeten.
De nieuwe buren hebben een ‘elektrisch hek’
(cerca elétrica) laten plaatsen. Dat wil zeggen dat op
hun muur, boven op het hek aan de voorkant, langs de dakrand en
zo om hun hele huis vier schrikdraden zijn gespannen. Keurig met
om de zo veel meter een bordje met een waarschuwing. Een
inbreker, die er overheen probeert te klimmen, loopt het risico
van een fikse, maar niet dodelijke schok.
Brazilië heeft een veiligheidsprobleem, zoals hieronder al geconstateerd. Iedereen gaat daar anders mee om. De buurman heeft zich helemaal ingedekt met zijn elektrische hek en een alarminstallatie verbonden met een alarmdienst. Sommigen beweren dat je daarmee juist laat merken dat er wat te halen valt. Anderen proberen hun woning er juist niet al te rijk uit te laten zien, bijvoorbeeld door niet alles piekfijn te laten schilderen. Het gebeurt nogal eens dat inbrekers na een schilderbeurt denken “hé, daar zijn nieuwe mensen komen wonen met geld” en hun slag slaan.
Het blijven dilemma’s. Met elke veiligheidsmaatregel schakel je wel een categorie inbrekers uit. De betere, om het maar zo te noemen, ben je niet zo heel gemakkelijk voor. Brazilië heeft een veiligheidsprobleem, zo veel is duidelijk. Ik blijf er aan toevoegen dat het veel minder groot is dan de media en de borrelpraat doen geloven. (Zie hieronder.)
Reageren via link rechts of via website
CLICK ON THIS LINK FOR A BIGGER VERSION OF THIS IMAGE
Times in Space (1)
We can only agree with the legend Henri Cartier Bresson who explained that taking pictures means holding your breath with all your faculties concentrated on capturing a fleeting reality. Bresson’s life and work is a long and inspiring lesson in seeing and living, forever changing the way in which we take our images as well as in the way that we look at photographs today. With the fleeting reality he honored the ancient Greek god Kairos, god of the fleeting moment, a favorable opportunity opposing the fate of man.
(...)
70 jaar geleden eindigde de
Winteroorlog tussen Finland en de Sovietunie. Toen, net als nu,
lag er nog steeds een dik pak sneeuw hier in Lapland en de weg
tussen Finland en Zweden liep over het ijs van de Tornio rivier,
een vaste oeververbinding was er in die dagen nog niet. Deze weg
en de spoorbrug naar Haparanda waren destijds toneel van
intensief verkeer van het vrije Zweden naar het belegerde
Finland.
Toen het Rode leger op 30 November
1939 Finland binnenviel, was de reactie in Zweden
uitgesproken heftig. Een lange
historie van oorlogen tegen de Russen, de nederlaag van
1809 en het
verlies van Finland lagen in het collectieve geheugen. Heel
Zweden zag een spookbeeld van rode Russen aan de grens. De
Zweedse defensie was zwaar verwaarloosd tijdens de crisisjaren en
de herbewapening was nog maar nauwelijks op gang gekomen. Als
Finland zou vallen was Zweden onverdedigbaar.
De Zweden hadden redenen om ongerust te zijn, al had het opperbevel van het Rode leger zijn commandanten op het hart gedrukt om niet in de snelheid van hun opmars per ongeluk de Zweedse grens te passeren. De Soviet luchtmacht had dat bericht echter niet goed begrepen, want meermalen gedurende de Winteroorlog werd ”per abuis” Zweeds grondgebied gebombardeerd. Gelukkig waren de Soviets behalve slechte navigatoren ook bijzonder gebrekkige bommenrichters.
Het was de Zweedse minister van buitenlandse zaken, Günther, die de gevleugelde woorden uitsprak: Finlands sak är vår (”Finlands zaak is de onze”), wat een breuk inhield met de strikte neutraliteitspolitiek van Zweden. De Zweedse regering verklaarde zich ”non-combatant”, wat inhield dat men tot alles bereid was, behalve een directe oorlogsverklaring. Zodra Finland om hulp vroeg werden de arsenalen van de Zweedse strijdkrachten geopend. Het Finse leger had niet genoeg geweren voor alle soldaten. 80.000 geweren en miljoenen patronen werden door Zweden op de trein gezet, samen met anti-tank en luchtafweer kanonnen en munitie waar de Finnen ook gebrek aan hadden. Het leeuwendeel van dit verkeer liep via Tornio en Haparanda, aangezien vervoer over zee door de ijsgang en de dreiging van Sovietonderzeeërs te riskant was.
Naast materiele hulp stuurde Zweden ook mankracht. Al daags na het uitgbreken van de oorlog was er een organisatie opgezet om oorlogsvrijwilligers te werven en te voorzien van winteruitrusting en een treinkaartje naar Haparanda. Animo was er volop. Voor het einde van de oorlog hadden zich meer dan 12.000 man uit alle lagen van de bevolking aangemeld, maar slechts een derde van hen bereikte ook daadwerkelijk het front alvorens de wapenstilstand getekend werd.
De eersten die in actie kwamen was een vrijwilligersverband van de Zweedse luchtmacht, een gemengd squadron van Gloster Gladiator jagers en Hawker Hart bommenwerpers, dubbeldekkers, maar desondanks de modernste vliegtuigen waarover de koninklijke Zweedse luchtmact in 1939 beschikte! Ze opereerden vanaf het vliegveld van Kemi en vanaf de bevroren meren van Lapland met als taak het openhouden van de railverbinding tussen Finland en Zweden. De Finse luchtmacht had geen eenheden in het Noorden dus de Zweedse bijdrage was zeer welkom. Helaas verloor het squadron bij de eerste, overigens successvolle, aanval al meteen drie van de vier bommenwerpers!
De bedreiging van de Zweedse grens en
de spoorweg van Haparanda naar het Zuiden van Finland liet zich
aanvankelijk zeer ernstig aanzien. De Sovietunie had twee grote
legermachten met tanks en zwaar geschut ingezet voor dit doel. De
Noordelijke invasiemacht moest van Salla via Rovaniemi oprukken
naar Kemi en Tornio terwijl de zuidelijke van Raate over
Suomussalmi naar Oulu moest marcheren om Finland in tweeën te
splitsen. De Finnen hadden in het Noorden van Finland slechts
enkele licht bewapende grensbataljons beschikbaar voor de
landsverdediging en de zaak leek bij voorbaat verloren, maar tot
de verbazing van de gehele wereld wist het handjevol Finse
skitroepen deze twee invasiemachten al in December een
catastrofale nederlaag toe te brengen. Tegen de tijd dat de
Zweedse vrijwilligers aan het Salla front arriveerden, eind
Februari 1940, was de strijd in het Noorden reeds gestreden.
Desondanks slaagden enkele tientallen van hen er toch nog in,
voor de wapenstilstand werd gesloten, te sneuvelen voor de goede
zaak. De slachtoffers werden per slede met militaire eer naar
Tornio en vandaar over de rivier naar Haparanda vervoerd.
De Zweedse deelname in Lapland was toch nog van belang voor het verloop van de oorlog omdat het Finse troepen vrijmaakte die daarna konden worden ingezet voor de eindverdediging van de Karelische landengte, waar de Russische hoofdaanval plaatsvond. Op die wijze droeg Zweden bij aan het behoud van de Finse onafhankelijkheid in 1940.
Naast steun met manschappen en materieel bood Zweden ook grote morele en humanitaire steun. De berichten over de Russische terreurbombardementen op Finse steden maakten veel sympathie los en vele tonnen hulpgoederen werden door welwillenden ingezameld en verstuurd. Tegelijkertijd werden tienduizenden Finse kinderen uit de oorlogsgebieden geëvacueerd en in Zweden bij gastgezinnen ondergebracht.
Dankzij het successvolle verzet tegen de Sovietovermacht won Finland veel goodwill in de hele wereld en er waren meerdere landen die tijdens de oorlog materieel leverden, maar het overgrote merendeel kwam niet op tijd aan, doordat de oorlog zo kort van duur was en omdat Nazi-Duitsland, indachtig hun verdrag met de Soviets, alle leveranties zoveel mogelijk probeerden te blokkeren. Baron Bror Blixen, grootwildjager en avonturier (en ex-echtgenoot van Karen Blixen) organiseerde via contacten in de VS bijvoorbeeld een veldhospitaal, maar door de noodzaak via Noorwegen te reizen kwam ook dat te laat om nog in Finland ingezet te worden. In plaats daarvan speelde het een rol bij de slag om Narvik, tijdens de Duitse invasie van Noorwegen een maand later.
Dan krijg je het zonnetje er gratis bij...
|
|
|||
|
Na de verdediging van mijn proefschrift werd
mij het doctoraat
verleend.
|
||
|
Translator/tradutor: click/clique: Maandag 8 maart, 16.30 uur
Tot mijn grote verrassing begon de dag
wit. Er viel lichte sneeuw, de eerste sneeuw die ik zag
sinds eind december. Niet dat ik de sneeuw miste
overigens: de onvermijdelijke kou en verkeersoverlast kan
ik missen als kiespijn. Tegen de middag sneeuwde het nog.
Een van de twee paranimfen, een studievriend die reeds
sinds jaren is gepromoveerd, haalde mij met zijn auto op,
om gezamenlijk naar Nijmegen te reizen. Gelukkig zette de
sneeuw niet door en waren de wegen goed begaanbaar.
Nijmegen werd volgens schema op tijd bereikt.
Repetitie
We arriveerden anderhalf uur voor de
promotieplechtigheid. De familie arriveerde korte tijd na
ons. Om drie uur riep de pedel ons bij haar voor de
laatste instructies en een repetitie. Waar we moesten
gaan staan, en waar en wanneer we moesten gaan lopen. De
andere paranimf, een van mijn drie nichten, oogde
nerveus. Ze wist niet wat haar te wachten zou staan. En
daar stonden we dan, twee in rokkostuum en een in
bijpassende kleding, in zwart-wit. Tien minuten voor tijd
werden de aanwezigen opgeroepen in de Aula plaats te
nemen. De Aula is een moderne zaal met voorin de Corona
waar de opponerende geleerden plaats zouden nemen. Aan de
linkerzijde - vanuit de corona gezien - staat een
katheder waarachtig ik zou gaan staan tijdens mijn
verdediging. Het was bijna half vier. We wachtten op het
seintje van de pedel om de Aula binnen te
schrijden.
Verdediging
Elke Nederlandse universiteit kent
haar eigen rituelen en tradities tijdens de
promotieplechtigheid. In Nijmegen wordt de openbare
verdediging begonnen met een kort gebed, in het Latijn.
“Spiritus Sancti gratia illuminet sensus et
corda nostra". Wij bidden, dat de Heilige Geest ons
verstand en hart verlicht". Daarna mocht ik, na het
uitspreken van een korte formule, mijn voordracht
vertonen. Na deze voordracht, die gelukkig binnen de
tijdslimiet bleef, sprak ik een andere formule uit en
liet het woord aan de rector. Een voor een kwamen de
opponenten aan de beurt. Zeven hoogleraren en
gepromoveerde wetenschappers die elk raakvlakken hadden
met het onderwerp van mijn proefschrift, longemfyseem.
Elke opponent kreeg korte tijd - ongeveer vijf minuten -
om mij aan de tand te voelen over mijn proefschrift. De
vragen kunnen details in het proefschrift betreffen,
filisofisch van aard zijn, of raakvlakken vertonen met de
expertise van de opponent. Deze verdediging ging voort
totdat de pedel arriveerde, met haar rinkelstaf op de
vloer tikte, en sprak: 'Hora Est!'. Ik had geen
gelegenheid meer de laatste vraag van mijn promotor te
antwoorden. De tijd was om.
Doctoraat
Tijdens de verdediging voelde ik me
wel gespannen en nerveus, terwijl ik tot een uur ervoor
nauwelijks last had van de kriebels. Op het eind van de
verdediging, waarbij ik soms mijn antwoord op een vraag
bijna letterlijk uit mijn tenen moest halen ("hoe deed ik
deze telling precies, zo´n tien jaar geleden?". "Het
staat op bladzijde twee, linkerkolom, maar in welk
artikel?". "Ai, een foutje in mijn proefschrift, hoe dat
te verklaren?'), voelde ik de vermoeidheid in me opkomen,
en ik was blij en erg opgelucht, toen ik de pedel "hora
est' hoorde zeggen. Het was voorbij! Het is zeldzaam dat
het doctoraat niet na de verdediging wordt uitgereikt,
maar je weet het nooit, heerste mijn gedachte. Deze
gedachte dreef vlug weg, toen ik de pedel zag arriveren
met de herkenbare koker met daarin de bul. Ik heb het
gered! Nog een groter gevoel van opluchting en
blijdschap. Tijdens de verdediging
Hobbels
Na de promotie werd in besloten familie- en vriendenkring mijn doctoraat gevierd. Thuis bij mijn ouders. De volgende dag kon ik starten met een volgende missie: het nemen van enkele bureaucratische hobbels, die nog in de weg staan voor mijn verblijf en werk in Brazilië. Uittreksel geboorteregister, internationaal model. Ik had nog het geluk dat ik in het stadhuis van Breda arriveerde, na de bommelding en ontruiming. Het verkrijgen van het zogenaamde VOG-document, Verklaring Omtrent Gedrag, is een lastigere hobbel. Hiervoor moest ik naar Rotterdam, naar het Braziliaanse consulaat voor een verklaring waarom ik het document nodig had. De dag erop reisde ik naar Nijmegen, de laatste gemeente waar ik woonde voor ik Nederland verliet. Daar moest ik de aanvraag indienen voor het document. Met een beetje geluk zou ik dit document nog voor mijn vertrek uit Nederland eind maart kunnen legaliseren bij het consulaat in Rotterdam. Het legaliseren van mijn doctoraat is een lastige opgave. Eerst dien ik in Groningen bij de Informatiseringsbank en bij de rechtbank twee stempels te halen. Dan mag ik naar Den Haag, naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor een tweede stempel. De derde stempel wordt door het consulaat in Rotterdam verstrekt. Niet voor niets deze procedure een legalisatietraject genoemd, voor mij een afstand van enkele honderden kilometers in het kleine Nederland.
En dan...
En dan?, vroeg menigeen zich openlijk
af. Wat denk je met je behaalde doctoraat te gaan doen?
Het doctoraat is zonder twijfel een sleutel die veel
deuren op mijn weg wat verder zal kunnen openen. Ik zou
als docent in mijn vakgebied aan de slag kunnen, bij een
particuliere universiteit. Een grote uitdaging, aangezien
ik dan mijn colleges in het Portugees zou moeten geven.
Een andere optie is terug te keren naar het laboratorium,
om onderzoek te leiden in mijn vakgebied. Een derde optie
zou meer in de communicatieve en coördinatieve richting
kunnen zijn, zoals externe relaties met
onderzoeksinstituten buiten Brazilië. Niet ondenkbaar,
gezien mijn uitgebreide talenkennis en mijn
internationale ervaring. In de komende weken en maanden
zal duidelijk worden welke weg ik zal
inslaan.
Eerdere
bijdragen: |
||
Met enige tegenzin blader ik door de krant naar de pagina met de vacatures . Met tegenzin omdat ik zo langzamerhand steeds meer begin te twijfelen bij het nut van de opdracht tot solliciteren mij opgelegd door de Sociale dienst. Twijfels die steeds meer aan kracht opbouwen bij elke brief met de zin " Helaas is onze keuze deze keer niet op U gevallen " waarvan de stapel steeds groter aan het worden is samen met die van allen die niet eens de moeite nemen om mij even terug te schrijven.
Mijn attentie is gelijk getrokken naar een enorme advertentie van " Het Ministerie van Justitie zoekt " . Normaal lees ik vacatures van onderaf aan omdat ik nu wel weet wat men vraagt , en wat men te bieden heeft . Voor mij is altijd van belang , en vaak de deal breker , wat de eisen zijn , want daarover struikel ik namelijk altijd.
Tot aan het , met veel plezier , zijn van een postbode in Amsterdam verliepen mijn sollicitaties altijd als vanzelf en had er nimmer echt moeite voor moeten doen.
Immers , de vermelding van " Koninklijke Marine " in mijn CV , was altijd een reden om zulke procedures snel en met succes te doorlopen.
Een bedrijfsarts van de PTT [daarover in volgend deel meer] toen nog een staatsbedrijf , bracht daar abrupt een einde aan en moest ik aanschuiven in de steeds groter wordende rij der werkzoekenden.
Ik las de eisen toch maar voor alle zekerheid om te kijken wat ik eventueel mis zou lopen.
Functie eisen : Maximaal 28 jaar en minimaal MBO.
Nou , dat kon ik dus wel vergeten om uit het gat te stappen en weer als overheids ambtenaar aan het werk te komen.
Het liet me echter niet los de rest van de dag , en ik vondt mezelf s'avonds achter een schrijfblok terug om wederom maar weer eens een brief de deur uit te sturen.
Ik ging nu anders te werk dan alle voorgaande brieven en liet eigenlijk duidelijk blijken dat , hoe de uitslag ook zijn zou , het m'n leven erdoor verder niet bepaald zou worden en het eventueel gewoon een nieuwe voor de groeiende berg zou zijn.
De leeftijd van 28 was ik reeds ruim gepasseerd , en MBO was iets waar ik als LTS'er , en dan ook nog zonder het te hebben voltooid , slechts van kon dromen.
Ik volstond dus met wie ik was , waar ik voor stond , en wat ik kon bieden aan ervaring.
Met toch een vreemd gevoel van hoop liet ik de brief door de zwarte tanden van het rode monster vallen en keerde huiswaards.
Twee weken gingen voorbij toen een plechtig aandoende envalop half uit mijn brievenbus stak.
Nog net kon ik lezen " Ministerie van Justitie "
Binnen zette ik eerst een kop koffie , stak een sigaret aan , en maakte voorzichtig de envalop open.
Ik bleek toch gevoeliger te zijn voor afkeuring dan dat ik altijd had gedacht schijnbaar . Want wat als dit er weer een is? . Ik trok de brief eruit , en die was zo gevouwen dat ik reeds de laatste regels lezen kon.
" Het is ons een genoegen U derhalve uit te nodigen voor een kennismakingsgesprek "
Wow , zo'n zin had ik in jaren niet meer gelezen , en wat nu?
Het gaf we toch een onbeschrijfbaar gevoel om eindelijk weer eens een kans te hebben jezelf persoonlijk te presenteren in plaats van het via brieven te moeten afhandelen.
Niet alleen begon ikzelf langzaam af te brokkelen door zoveel afwijzingen , maar ook mijn huwelijk stond daardoor onder de nodige spanning. Dus deze brief was dus meer als welkom.
Nu moest ik mezelf weer eens flink onder m'n reet schoppen en kijken of m'n sales pitch nog up to date was om te laten zien waarom het gebrek aan de eisen 28 , en MBO , voor mij geen reden waren niet te reageren , en voor hun schijnbaar niet om mij voor een gesprek uit te nodigen.
Ik had dus nog een berg werk te doen wilde ik de week erop mijn plaats veroveren binnen Justitie.
Copyright 2010: The_Saint
Zou ik het bijna vergeten. Ik was van de week nog even op het boekenbal.
Omdat ik in Frankrijk nog meer lezers van mijn blog heb dan in Nederland was ik uitgenodigd. Uitgenodigd samen met mijn buurman Alain, tevens beheerder van de lokale bibliotheek (238 boeken en 47 tijdschriften) en de burgemeester van ons dorp, uiteraard.
Het was me een drukte van belang toen wij met onze Renault 4 voor kwamen rijden. Verblind door het vele flitslicht wurmden wij ons naar binnen. Nog nooit zo veel schouderklopjes, knipogen, en hé hallo's mogen ontvangen.
" Als je boek uit is, kom je dan in mijn programma ?" vroeg Wim Brands. En die blonde jongen van van Erkel wilde een documentaire over me maken. Alain kwam met zijn agenda tussen beiden en schreef zo'n beetje alle dagen vol.
" Hier, je weet wel waarom " zei Jan Siebelink en hij stopte een viooltje in het knoopsgat van mijn revers.
" Hé franse lullo, wanneer gaan we samen kreeft eten " lalde Herman Koch, ik liet hem verder maar. Ik wist zeker dat ik zijn verkoopcijfers zou vermorzelen.
In het midden van de balzaal stond het 'puik' van de bekende schrijvers en schrijveressen, verkoophits van vrouwenboeken, kwasi thrillers en andere kookboeken. Obers met volle bladen zwermden er om heen en kwamen leeg terug.
" Het helpt echt hè " probeerde Sonja Bakker te zeggen en nam een hapje van een stengel bleekselderij.
Met afgezakte schouderbandjes, getuitte lippen en wijd geopende armen probeerde Heleen van Rooijen op me af te lopen. Tijd om me achter een pilaar te verstoppen, maar daar stonden de uitgevers me op te wachten. Grote grijzen, vette contracten, dikke sigaren.
Net toen ik een hele bitterbal in mijn mond probeerde te stoppen kwam Matthijs van Nieuwkerk op me af. Ik verslikte me in mijn bal en hij in zijn repeterende vragen doorspekt met tienduizenden tussenzinnen.
Harry Mulisch wenkte en maakte aanstalte op mij af te komen.
Ik werd aan mijn mouw getrokken. " Kom even zitten jongen " klonk het bemoedigend. Gerrit Komrij schoof een plaatsje op op de bank. " Even echte schrijvers onder elkaar ".
Mijn twee metgezellen stonden met Pauw en Witteman en Gerrie Polak te praten en wezen in mijn richting.
" Hoe gaat je nieuwe blog heten ? ' vroeg Komrij.
Ik weet niet hoe diep men boren moet om op een onderaardse temperatuur te komen van zo’n 1000 graden Celsius. Het lijkt me sterk dat je daarvoor dieper moet boren dan 10 kilometer.
Duizend graden is meer dan voldoende om water direct in stoom om te zetten, maar weer onvoldoende heet om een metalen pijp te doen smelten.
Het principe, ik heb ooit eens ergens iets dergelijks gelezen, is eenvoudig. Eigenlijk te mooi om waar te zijn. Een diepe metalen pijp de grond in boren, daar vervolgens water in spuiten dat vrijwel onmiddellijk omgezet wordt in stoom onder ook hoge druk. Daarmee drijf je een stoomturbine aan waarmee je bijvoorbeeld elektriciteit opwekt. Een schonere vorm van energieopwekking is er niet.
Waarom wordt het toch niet gedaan en worden er wel dure kerncentrales en of kolengestookte centrales gebouwd?








Zie ook: