Admin: sjaal
Filosofie
Wat valt hierover te zeggen?
Van Dale noemt het de wetenschap vd begrippen, opgevat als basis van alle andere wetenschappen; wijsbegeerte.
Wat is wetenschap zolang geen vraag beantwoord kan worden? Wat is wijsheid?
In Volkskrantblog versie 1.0 ontbrak deze module.
Vandaar nu deze groep.

Als geen enkel oordeel rechtvaardig kan zijn, dan moet je die oordelen ontwarren om te tonen waar het onrecht leeft en hoe er eventueel anders geoordeeld kan worden. Maar wanneer wij de holocaust onrechtvaardig noemen, dan willen we ook dat over dat oordeel geen discussie mogelijk is. Toch geld ook voor dat oordeel dat het niet rechtvaardig hoeft te zijn en discussie zelfs noodzakelijk maakt. Alle beelden kunnen immers aangevallen worden. Er blijkt dan ook een verschil te zijn tussen rechtvaardigheid en recht.
Wetten, recht, kunnen veranderen of verschillend geïnterpreteerd worden. Elk rechtvaardig geval is voor de ervaring een apart geval. Dit houdt in dat algemene regels (wetten) slechts met geweld op de uitzonderlijke omstandigheden toegepast kunnen worden. Om rechtvaardig te kunnen zijn moeten we echter vrij zijn en dat zijn we sinds de verslaving aan alcohol, sinds 6000 jaar, niet meer. Althans niet in rechtvaardige zin want promillagebewustzijn ziet het licht. En een dronkaard is niet rechtvaardig omdat hij de ommekeer van de natuurlijke staat ontkent in woord en daad. Wel is de mens in staat geweest wetten te maken en die hebben de mens diepgaand bepaald in morele zin. “Recht” zijn de wetten en hun toepassingen. Moraliteit is dan ook de verplichting van buitenaf en dient ter indamming van de particuliere vrijheid.
Ik hoef u natuurlijk niet te vertellen als wetten gemaakt worden door slaven dat we dan ook slavenwetten krijgen en slavenmoraal. Recht is zo ontstaan ter bescherming van dat uitzonderlijke gedrag, wat alcohol drinken mogelijk maakte. Noah zegende Sem met die wettelijke macht en niet Cham of Jafet. Sem heeft zich, samen met zijn broer Jafet, bijzonder tactvol gedragen tegenover zijn vader Noach toen deze zich in dronkenschap ontblootte. Sem en Jafet worden hierom bijzonder gezegend en rechten toegekend. De derde zoon van Noach, Cham heeft zijn vader in zijn dronkenschap en naaktheid bespot. Hij wordt hiervoor vervloekt. De zoon van Cham, Kanaän, zou de knecht van Sem worden. Van Jafet staat vermeld dat hij zou wonen in de tenten van Sem. Sem wist dus waar Noah de alcohol vandaan haalde en zette zo de slavengeschiedenis op de kaart als een onderscheid tussen rechtvaardigheid en recht.
Rechtvaardigheid en recht verhouden zich tot elkaar als trouw aan de aarde tot de Platoons-joodse verloochening ervan. Door de drank echter is het zwakkere deel van de mensheid erin geslaagd, dankzij godsdienst en wetenschap (recht) de aardse mens (de rechtvaardige) te knevelen. Deze omwenteling heeft plaats kunnen vinden via alcohol én het oordeel nadien van de werkelijkheid. Dit oordeel spitste zich toe vooral rond het morele begrip “goed”. Zowel de drinker als de niet-drinker appelleerde op de interpretatieschema’s van de werkelijkheid en op wat goed was in die werkelijkheid. Maar “recht” kreeg hierdoor een ander “goed”, dan dat de rechtvaardige “goed” beoordeelde.
Verdisconteren we echter het onderscheid tussen dat ene Goed en dat andere Goed, dan moeten we ook inzien dat de slavenmoraal slechts zwakte, zelfontledingen en medelijden voorgebracht heeft en dus tegenover de rechtvaardige natuur staat. De psychologie is van die zwakte en medelijden een voorbeeld. Met de ommekeer, veroorzaakt door alcohol, die aangevoerd wordt door de joodse priesterklasse en voltooid door het christendom, krijgt het goede niet het slechte tegenover zich, maar het kwaad. En daaronder valt alles wat de drinker van de rechtvaardige mens gespiegeld krijgt. De slaaf krijgt een “ik”.
De slavenmoraal maakt het menselijk handelen tot een reeks beslissingen die genomen worden door een abstract “ik”. Een ik dat niet meer verantwoordelijk gesteld kan worden maar wat daardoor zijn schuld wel ontkent. De slavenmoraal maakt het handelen los van de persoon. Dit verklaard het succes van de joods-christelijke religieuze ideologie, die de rechtvaardigheid ondergeschikt maakte aan een hemels regime, de dronken staat, en dat oordeel. Om rechtvaardig te worden genoemd moet een beslissing in vrijheid genomen zijn. Maar als beslissingen genomen worden in dronken staat, dan is er sprake van onvrije oordelen - van recht dus- en niet van rechtvaardigheid. Want als we zonder alcohol oordelen dan is het moment van dat oordeel exact het moment dat nieuwe regels uitgevonden worden en dat is bij de slaaf niet meer het geval. Daarom kan een beslissing van een slaaf nooit rechtvaardig zijn.
Nemen we deze consequenties in ogenschouw en maken we een onderscheid tussen dronken en niet dronken zijn, dan zien we ook dat mythische geweld in democratieën verborgen wordt gehouden waardoor de democratie onzuiver is. Door mythisch geweld kan bijvoorbeeld de holocaust van de joden zijn én van hun wetten. De rechtvaardige daar tegenover zou in morele zin de holocaust kunnen zien als goddelijk geweld. Maar dat mag niet. Daarom ontneemt Wilders de moslims het geloof en noemt hij het een ideologie en dat houdt hij ons voor op basis van “klare wijn”. Maar de holocaust zou ook juist voor ons slaven aanleiding moeten geven om te kijken of wij persoonlijk medeplichtig zijn.
Slavenmoraal schiep op deze wijze gezamenlijk een tegencultuur die de wereld van de rechtvaardige tenslotte wist te overwinnen. Ook fysiek geweld is nadat David Goliath versloeg tot de wetten gaan behoren. Hoe sterk de rechtvaardigen ook waren, zij legden het af tegen de alcoholdrinkers, de priesterkaste en hun alcohollobby. De zelfgenoegzame en ontremde kaste gebaseerd op alcohol was op den duur sterker dan de rechtvaardige kracht, omdat zij deze laatste door ontwikkeling van promillagebewustzijn ondermijnde. En promillagebewustzijn is de rechtvaardige, die oprechtheid tot zijn grootste deugden rekent, nu eenmaal vreemd.
We hadden met zijn vieren een bootje gehuurd en voeren een heerlijke week lang door de wateren van de Biesbosch. Beetje vissen (wat niet mocht) beetje over het water turen, beetje veel lezen en tegen de avond aanmeren op een rustig plekje. Slapen op het water na een blikje bier. Of twee, of meer. De blikjes bleven koel in een netje dat we achter de boot aansleepten. De Biesbosch was een aaneenschakeling van rustige plekjes, dus geen kunst om die te vinden.
Op een van die flierefluitende zomerdagen kwam er een onweer opzetten en nu wilden we gauw terug naar een veilige plek, maar onze aandacht werd getrokken door een andere boot. Hierop werd paniekerig gezwaaid en we voeren dichterbij. De Belgen, want dat waren het, hadden motorpech en moesten naar een boerderij een eindje verder. Of we hen op sleeptouw wilden nemen. Ja dus. Of nee eigenlijk, want we wilden ook voor het noodweer in veilige haven zijn, maar kom. We sleepten de ongelukkigen een eindje mee en ze waren er ontzettend blij mee. We moesten en zouden daarna toosten op de goede afloop. Een fles van een onbekend merk werd tevoorschijn gehaald, maar wij wilden weg. Nee, dank u, we moeten verder, er komt noodweer. Ik duwde de boot af en viel prompt tussen de beide boten in en verdween onder water. Naar boven gekomen, waren er volgens mijn lief de historische woorden: “Geef toch maar op die borrel!” Ik weet daar zelf niks meer van.
De tweede keer dat ik tussen wal & schip viel, was op een avontuurlijke nachtelijke actie in de gemeentelijk zwemvijver. Wat waren we jong! Na een zondagavondlijke braspartij die duurde tot in de eerste uren van de maandag waren we (drie vrienden) aan de wandel gegaan, waarom en hoezo weet ik niet meer. Je kunt echt niet alles onthouden. Op een ongelukkig, maar ontzettend dapper moment waren we over de hekken van de camping annex zwembad geklommen en wilden volstrekt illegaal gaan varen met het bootje dat daar aangemeerd lag. Bij het afduwen viel ik daar voor de tweede maal tussen wal & schip en verween in de diepte. Daarna gingen we dus maar helemaal uit de kleren om al zwemmend nuchter te worden. Dit tot grote hilariteit van een groepje dames op leeftijd, die de eerste bezoekers van de verse week waren. Een 50 + zwemclubje. Het was blijkbaar zeven uur en nu echt helemaal maandag geworden. We moesten nu wel heel gauw naar het werk toe!
Hoe gebeurt nou zoiets? Hoe val je tussen wal & schip? Volgens mij twijfel je een klein deel van een seconde over blijven & gaan. Over een cruciale beslissing. Over een te nemen belangrijke stap. Je bent nog in het nu en wilt daar ook blijven, maar je moet verder. Je moet die stap nemen, maar je aarzelt een fataal moment, je denkt na en dan gaat het fout. Soms moet je dingen gewoon doen, vertrouwend op je reflexen. Misschien dat ik daardoor jaren later de juiste beslissing nam in een split second. We reden met honderd vijftig (dat mag daar) op een Duitse Autobahn in de buurt van Hamburg. Ik haalde een auto in met een aanhanger met daarop wat slordig vastgebonden meubilair. Toen we naast de auto met aanhanger kwamen, maakte die een plotse manoeuvre naar links, ik schrok me rot en gaf een ruk aan het stuur waardoor ik ook ging slingeren. In een fractie van een seconde wist ik dat ik gas moest bijgeven om uit de slip te komen en het bleek de juiste beslissing.
Dat vond ik daarom de laatste tijd zo mooi van Agnes Kant, Wouter Bos, Camiel Eurlings en Job Cohen. Moedige mensen! Niks van ja maar, tenzij, als de tijd rijp is, op voorwaarde dat en andere misselijke overwegingen. Gewoon doen!
© thrammy 10
"A hero is born among a hundred, a wise man is found among a thousand, but an accomplished one might not be found even among a hundred thousand men." (Plato)
Hoe merk je dat je oud wordt? Aan je kinderen, ze zeggen opeens van die verstandige dingen. En aan je haren, ze glijden langzaam en zeker naar deftig grijs en vervolgens op je schouders. Tja, wanneer je ze weigert te verven, krijg je dat, zegt mijn lief. De haren dus. Ze verklaart dat het heel normaal en helemaal van deze tijd, om die een kleurtje te geven. Ik weiger halsstarrig, wijs op het feit dat alleen vrouwen dat recht hebben en ene heer W.
Hoe weet je dat je heel oud wordt? Aan het feit dat je oud-leerlingen met hun volwassen kinderen in het winkelcentrum signaleert. Aan het feit dat een van die kinderen je even later een parkeerboete oplegt. Het brandt op je lippen om te zeggen dat je hun vader in de klas hebt gehad. Je bent al zo oud en zo wijs (lief waarschuwt je gelukkig!) dat je dat net niet zegt en accepteert je terechte bon.
Hoe weet je dat je te oud wordt? Wanneer je na twee uur wachten in de recreatiezaal een koekje krijgt uitgereikt op je nummertje en er blij mee bent. Als de eerste oud-leerling inmiddels opa is geworden, als je grijze haren opeens zijn verdwenen, als je al heel lang geen bonnen meer krijgt, want je hebt geen auto meer maar een 4W-drive rolstoel met zuster aandrijving. Je komt überhaupt nooit meer buiten en zeker niet meer in een winkelcentrum en ene W. was een politiek mannetje dat zijn haar verfde en lang geleden voor enige ophef zorgde in Nederland.
© thrammy 10
Aldus nu.nl
Wat ik me dan weer afvraag is of de politie lokairbags gaat inzetten om dieven in gebakken lucht in de kraag te vatten....
Vragen, vragen, vragen.....
Verkiezingen in Nederland lieten weer mooi onze pluraliteit zien. We konden kiezen voor tal van partijen. Wij – de meerderheid althans – zijn blij met het pluralisme. Maar vanuit filosofisch oogpunt is pluralisme dubieus. Bestaat pluralisme wel of is er iets anders aan de hand?
globalisering
Met de globalisering komen steeds meer mensen met andere culturen in contact. De andere cultuur, andere levensbeschouwing kan je buren of zelfs je partner betreffen. Hoe moet een samenleving reageren in het omgaan met deze verschillen? Kan een cultuur als hoger worden gekenmerkt dan een andere en uit dat oogpunt waardeprivileges claimen? Een indirect antwoord op het laatste is: ik beschouw mijzelf als een pluralist. Een eerste vereiste voor een pluralist is het bewustzijn van de moeilijkheden die een dergelijke positie oproept.
tolerantie
Het pluralisme houdt in dat er erkenning is voor verschillende levensbeschouwingen, culturen, politieke voorkeuren, dat deze het recht hebben om te bestaan en dat ze elkaar dus minstens moeten tolereren. Het lijkt logisch en simpel. Maar welke levensbeschouwingen zijn acceptabel? Alle? Is racisme toelaatbaar? Wanneer we met een beroep op de mensenrechten racistische levensbeschouwingen willen uitsluiten, koppelen we op een ingewikkelde manier intolerantie aan tolerantie: om de tolerantie te bevorderen, tolereren we geen intolerante levensbeschouwingen. Een levensvatbaar pluralisme kent een paradox in de uitsluiting van een aantal ontoelaatbare levensbeschouwingen. Maar als niet alle levensbeschouwingen acceptabel zijn, is dat dan niet een vorm van monisme dat slechts een beperkte set toelaatbaar acht?
Spinoza
Veel denkers hebben geschreven over het pluralisme. Van hen heeft Spinoza een en ander aardig geformuleerd. Zijn Tractatus Theologico-Politicus gaat in op het pluralisme. Spinoza verbaast zich erover dat aanhangers van het christendom, dat liefde, vreugde, vrede en matigheid predikt, hun medechristenen alsmede aanhangers van andere godsdiensten met een rancuneuze haat bestrijden. De vroomheid die om zeep wordt geholpen, kan volgens Spinoza alleen maar gedijen wanneer mensen voor zichzelf in vrijheid kunnen uitmaken wat waarheid is. Vrijheid is zelfs noodzakelijk voor het floreren van de vroomheid en voor het waarborgen van de publieke vrede. Spinoza's traktaat heet daarom Theologisch-Politiek: het laat zien dat in beide sferen vrijheid niet alleen niet schadelijk is maar zelfs voordelig, en bovendien dat politieke vrijheid bevorderlijk is voor de religie, en religieuze vrijheid bevorderlijk voor de politiek. God is goedertieren en rechtvaardig en hij roept de mensen op tot gehoorzaamheid en naastenliefde. Als ze die oproep volgen, zullen ze bovendien de wetten van de staat, die ertoe strekken om de vrede te garanderen, gehoorzamen, niet uit vrees voor straf, maar vanuit een innerlijke aandrang - hetgeen de publieke vrede bevordert. Spinoza maakt aldus een onderscheid tussen de kern van het geloof, die door iedereen onderschreven kan en moet worden (de al genoemde erkenning van Gods goedertierenheid en rechtvaardigheid en van zijn oproep tot gehoorzaamheid en naastenliefde), en die aspecten ervan waarover iedereen zijn eigen gedachten kan en mag ontwikkelen. Die kern veronderstelt een doctrinaire inhoud, zij het van bescheiden omvang
dilemma over regels
Als het toentertijd heersende christelijke paradigma wordt weggelaten is het meest relevant in Spinoza’s visie het onderscheid tussen een kernopvatting en de vrijheid aan andere opvattingen. Moet er een kernopvatting zijn? In een samenleving hebben mensen een plicht tegenover medemensen. Die plicht wordt uitgedrukt in regels. Regels schragen een samenleving; dat besef leeft bij vrijwel iedereen. Deze regels worden opgelegd door een autoriteit en gehoorzamen aan de regels vergemakkelijkt in principe het samenleven. Het vervelende en zeer menselijke is echter dat autoriteiten hun autoriteit willen doen gelden, meer dan uit hoofde van hun functie nodig is. Daarbij komt nog dat de acceptatie van het systeem van een autoriteit die regels oplegt en die zonder twijfel gehoorzamen een vorm is van gemakzucht en luiheid die voor velen aantrekkelijk is. De existentiële vrijheid waarin een ieder zijn eigen ethische keuzes maakt, is een stuk moeilijker. Uit de geschiedenis blijkt telkens dat autoriteiten proberen een uitgebreid waardesysteem, een groot monistisch systeem op te leggen. Zulke monistische waardesystemen onderdrukken ten eerste de individuele vrijheid en ten tweede hebben ze de neiging de aanhangers van de verschillende systemen elkaar te laten bestrijden, soms zelfs met rancuneuze haat, zoals Spinoza opmerkte. De plicht die mensen tegenover medemensen hebben is niet voor iedereen direct evident. De idee dat men deze plicht zelf inziet en beseft en niet omdat een overheid dit van hen verlangt of afdwingt, is te simpel. Hoe gemakkelijk negeert de mens zijn medemens niet? In het verleden hebben we onder andere de holocaust gekend, waar niet alleen de plicht maar zelfs de medemens verdween. Een waardenset met daaruit afgeleide regels ten aanzien van gelijkwaardige medemensen is essentieel en een autoriteit om ze te handhaven is noodzakelijk. Maar uit de ervaring met de menselijke neiging van autoriteiten tot vorming van monistische, het individu onderdrukkende systemen ligt een inperking van regels en de autoriteit voor de hand. Een dilemma doemt op. Enerzijds bestaat de noodzaak van een aantal regels een anderzijds is inperking van het regulerend systeem gewenst.
paradigma
Als we als uitweg uit het dilemma uitgaan van Spinoza’s kern, welke set van kernopvattingen of consensus zou bruikbaar zijn? De VN hebben al in 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) opgesteld. Kan deze verklaring niet een uitstekende basis voor consensus bieden? De UVRM was een praktisch begin; praktisch omdat het een wereldwijd project betrof. Eerder hadden filosofen natuurlijk wel nagedacht, bijvoorbeeld Immanuel Kant in Zum ewigen Frieden, maar dat waren individuele projecten. De kracht van de UVRM is dat ze in principe universeel opgesteld is, niet alleen door westerse, maar bijvoorbeeld ook door zich marxistisch noemende (Sovjet-Unie) en islamitische landen. De UVRM vervult de rol van paradigma. Thomas Kuhns naam is verbonden met de rol van paradigma’s in de ontwikkeling van de wetenschap. Een paradigma is op te vatten als een set van axioma's van waaruit geredeneerd wordt. Eeuwenlang vormde het christendom in de westerse wereld het paradigma op tal van terreinen. De Renaissance op wetenschapsgebied en de Verlichting op het politieke vlak hebben de rol van het christendom gemarginaliseerd. Op gebied van ethiek is het tijd voor een modern, wereldwijd paradigma. De UVRM is het beste model dat we nu kennen. Als zodanig zal zij - eventueel met modificaties - op termijn door iedereen worden aanvaard.
Derde weg?
Spinoza's opvatting over een kern is niet een derde weg uit het dilemma tussen monisme en pluralisme. Nee, die is een bijzondere opvatting van monisme. De bescheiden omvang van de kern is vanzelfsprekend de crux van het verhaal. Wordt de kern te groot, dan tendeert dat weer naar een alomvattende monistische opvatting. Een radicale oude truc is wellicht nodig om de kern klein te houden: het scheermes van Ockham. Ietwat gemodificeerd zou een leidraad kunnen luiden: bewaak een zo minimaal mogelijke kern voor een zo groot mogelijke meerderheid acceptabel restant aan pluraliteit.
Blijft bij dit alles blijft de term pluralisme aanvaardbaar? Eigenlijk kan zuiver pluralisme niet bestaan, omdat er altijd minstens een monistische kern is. Maar voor het dagelijkse gebruik is pluralisme goed bruikbaar. Het is een bescheiden monisme met een kleine set van kernwaarden. Bovendien zijn die kernwaarden, de waardeprivileges niet cultureel bepaald maar universeel.
Een van de grote problemen in onze samenleving is de enorme doelloosheid van het leven. De grote leegheid van het bestaan. Als die ergens pijnlijk duidelijk wordt, is het zeker in een verzorgingstehuis. Duizenden oudjes hangen maar wat in het rond, ze weten geen inhoud meer te geven aan hun leven. De zorg schreeuwt om creatieve oplossingen, om verse ideeën om hier iets aan te doen. Een van de laatste inzichten was het opstellen van een bushalte vlak buiten de poort. Bejaarden gaan dan in de morgen op een bus staan wachten die nooit komt. In de avond worden ze weer binnengehaald. Zie het stukje ‘bushalte’ in mijn archief.
Het laatste idee wat hier twee dorpen verder in de praktijk wordt gebracht, is inventiever en kan lekker binnenshuis worden uitgevoerd. De elektronische nummertjesautomaat is het helemaal. De oudjes trekken in de recreatiezaal een nummertje uit een automaat en gaan zitten wachten tot hun nummer verschijnt op het elektronisch bord. (‘Dat systeem kennen ze al, daar moet je gebruik van maken’ zei de zuster die het me allemaal uitlegde.) In groepjes van vijf of zes praten ze intussen wat over het weer en over de laatste overleden medebewoner en wachten, het papiertje met het nummer in hun beverige handen. Want wachten dat kunnen ze als de beste. Maar het moet ook een doel hebben, het moet ergens toe dienen en dat is nu het geval.
Als hun nummer op het bord verschijnt begeven ze zich opgetogen naar de balie waar hen een koekje, een snoepje of een appel wordt uitgereikt. Dat laatste aan de oudjes die nog voldoende tanden hebben om de appel de baas te kunnen. Het koekje kan zodoende uren op zich laten wachten, maar daar hebben bejaarden geen boodschap aan. Hun dag is gevuld en wachten deden ze toch al. Maar wachten op niks is echt niks.
Als je vroeg bent kun je soms op een dag wel twee nummertjes halen, mummelde een van de oudjes. De zuster vertrouwde mij toe dat ze broedt op het idee van de volautomatische bingo. Ze wilde er voorlopig nog niets over kwijt.
© thrammy 10
Alle reageerders bedankt en hopelijk ook begrip voor het verwijderen van dit blog. Niet dat het controversioneel of heel fout is maar voor mijn professioneel functioneren kan het mogelijk nadelig zijn. Het is in ieder geval veel gelezen en heeft mensen tot nadenken gestemd. En dat is ook weer winst.
Voor mij is de krankzinnige al lang gerehabiliteerd, ondanks de vele pogingen van anderen om hem onschadelijk te maken. Zijn tegenstanders trekken geen conclusies uit zijn opvatting over metafysica waar alles als illusie verdwijnt. Want de bril waardoor zij kijken tovert slechts een schijnwereld met een toneelachtergrond als “wereld op zich zelf”. En omdat de metafysica gaat over de fundamentele dwalingen van de mens, maar dan zodanig alsof er fundamentele waarden zouden zijn, gaat zij dus ook niet verder dan het sublimeren van een ziekelijk narcisme. Een type van lijden wat alleen kunst kan worden door hysterisch te worden. Zie Wilders met het moslim vraagstuk.
De hysterie, appelleert op de lachwekkende illusie alsof we boven de vergankelijkheid van het leven uit kunnen stijgen. Nietzsche realiseerde zich dat. In zijn boek “menselijk al te menselijk” omschrijft hij het zelf als volgt: “Het hele menselijke leven is diep verzonken in onwaarheid; de enkeling kan het niet uit zijn bron omhoog trekken zonder daarbij in het diepst van zijn hart woedend te worden op zijn verleden, zonder zijn huidige motieven…ongerijmd te vinden en zonder zijn hartstochten….aan hoon en verachting prijs te geven….er zou alleen nog maar een denkwijze overblijven, die als persoonlijk resultaat van wanhoop, als theoretisch resultaat van filosofie van vernietiging met zich mee zou brengen.”
Hieruit blijkt dat Nietzsche zich terdege bewust was van de grondslagen der metafysica, van het lijden eraan, maar ook van het fysiologische karakter ervan. Dat komt omdat Nietzsche bovenal filoloog was en van eeuwige waarden niets moest weten. Want Nietzsche komt zichzelf in de taal te boven, ook in de periode dat hij zelf ziek was. Want niemand wist beter dan Nietzsche zelf wat de rug krommen was en het hoofd buigen voor de macht van de geschiedenis.
Een Chinees jaknikken is van de mechaniek moet hij gedacht hebben en verzette zich tegen dergelijke dubieuze afgoderij van welke geschiedkonstruktie dan ook. Dit betreft mijn inziens ook zijn opvatting over zin en waanzin omdat hij metafysica ziet als een historisch lijdensproces wat als heilsgeschiedenis zich manifesteert en mystificeert. En dat alles vanuit angst voor de dood. Een metafysische dood wel te verstaan. Daarom zullen we metafysisch moeten leren sterven door het op te nemen tegen eigen bepaaldheid. Een te bovenkomen van het zelf waardoor we het ondragelijke en
zinloosheid uit het leven kunnen elimineren.
Januari startte het nieuwe jaar met een aaneengesloten reeks
koude, donkere en lange winterdagen. Maar de guurste dag bewaarde
ze blijkbaar voor het laatst. Het maisveld achter een oeroud
houten kerkje van een kleine, vervallen gemeente is een bevroren
stoppelveld waarover een doodse stilte hangt. Ondanks de
onheilspellende guurheid en zijn versleten en veel te dunne
mantel maakt de dominee zijn vaste ochtendwandeling langs het
bijna spookachtige maisveld. De dominee is een man van rotsvaste
gewoontes en stapt onverstoorbaar naar buiten.
Door er stevige de pas in te houden, houdt de wandelaar zich
warm. De kadans van de beweging van zijn benen laten de dominee
in gedachten verzinken. De knotwilgen langs de kant van de sloot
lijken vanuit zijn ooghoeken net mensen. Tijdens het wandelen
bevroren mensen die straks weer verder lopen als de zon ze heeft
ontdooid. Nee, eentje is niet helemaal bevroren en lijkt de
dominee te wenken. Hij schrikt op uit zijn halve
droomtoestand.
Aan de knotwilg hangt iets dat heen en weer zwaait door de wind,
dat is alles. Maar, dichterbij gekomen blijkt het een lange,
dikke overjas te zijn, en nog in prima staat bovendien. En op de
grond ligt een al even goede broek, een hemd, ondergoed en een
paar goed onderhouden schoenen met dikke wollen sokken erin.
Verbaasd kijkt de dominee om zich heen. Er is niemand te zien
zover hij kan kijken. Hij besluit de kleren mee te nemen, maar
als hij een van de schoenen oppakt ziet hij iets glinsteren op de
grond. Het blijkt een glimmende, rode kidneyboon te zijn dat
precies het licht van de bleke zon die zojuist achter de wolken
vandaan kwam, weerkaatste. Wat en wonderlijk moment!
De gevonden jas blijkt als gegoten te zitten, en de dominee
besluit het zelf te houden. Wat een geluk! En de mysterieuse
kidneyboon bewaart hij eveneens in een klein kistje van gepolijst
rozenhout in een kleine vitrine in zijn kerk. Hij is er namelijk
van overtuigd dat hij deze boon van God persoonlijk heeft
gekregen. Hoe anders had hij deze warme jas kunnen krijgen. De
boon is een duidelijk teken.
De dominee verkondigt dit zelf-ervaren wonder waar en wanneer hij
kan. Vol overtuiging spreekt hij van hoop en de komst van rijkere
tijden voor deze arme streek. Echter, de tijden van beloofde
verbetering breken nimmer aan. De opbrengsten van de omringende
boerderijen nemen alleen maar verder af en meer en meer mensen
trekken weg om hun geluk elders te zoeken.
Jaren later, als de dominee zijn wonder al honderden malen
plichtsgetrouw heeft verteld aan de kerkgangers die zijn diensten
in zijn kleine houten kerk bijwoonden, gaat hij wederom op 31
Januari naar buiten voor zijn vaste ochtendwandeling. Het valt
hem gelijk op dat de weersomstandigheden exact hetzelfde zijn als
10 jaren geleden. Boven het maisveld hangt weer die doodse
stilte. Maar er bekruipt de oude dominee geen gevoel van
onbehagen. Een nieuwe boodschap wacht op hem. Wordt zijn
trouwheid beloond?
Snel en onbevreesd loopt de dominee naar die ene knotwilg waaraan
hij zijn nog steeds warme en schijnbaar onslijtbare jas vond. De
knoestige boom heeft hij sindsdien iedere ochtend begroet. En
vandaag doet hij dat ook. "Goedemorgen, oude vriend", zegt hij.
Tot zijn stomme verbazing krijgt hij antwoord, maar het is een
vreemd antwoord. Een raadselachtig antwoord. Met een stem die
klinkt als een straffe wind die door verdorde rietstengels giert,
zegt de knotwilg: "Alleen door zaaien kunnen de vruchten van het
leven worden geoogst. Uw voorgangers waren al even
egoïstisch".
Nederig knielt de dominee voor de boom neer. "Heer, geef me meer
aanwijzingen, zodat ik uw opdracht alsnog goed kan uitvoeren".
Maar de wilg zwijgt. De dominee denkt een lange tijd na, maar
begrijpt dan nog steeds niet wat de boodschap die hij zojuist
ontving betekent. Moedeloos staat hij op en verzucht: "Heer, u
heeft ongetwijfeld wijs gesproken, maar ik mag een boon worden
als ik u begrijp". De wilg lijkt daarop een diepe zucht te slaken
en spreekt: "Uw opofferingsgezindheid zuivert uw falen. Uw wens
geschiedt".
Bij een doodnormale sloot dat langs een maisveld loopt, niet ver
van een vervallen en nagenoeg verlaten dorp met een heel oud,
houten kerkje, hangt een lange, warme jas te wapperen aan
een oude knotwilg, wachtend op een waardiger drager.
• Heeft u dat soms ook, dat de vuilniszak, ja, hij was een beetje vol, in het trappenhuis van onderen opensplijt en het overgebleven voedsel van afgelopen week tevoorschijn komt? En dat de koffieprut en de aardbeienyoghurt voor je uit de trap af stromen, met daar tussendoor én de pleisters van de kapotte knie van Janneke, én de kattenbakvulling. En kijk, daar heb je de stofzuigerzak ook die eergisteren kapot was gegaan!
• Heeft u dat ook dat je nagel inscheurt en het nagelschaartje weer niet op zijn plek ligt, waardoor je die lompe schaar moet gebruiken. En dat je dan natuurlijk in je vinger knipt.
• Dat er tandpasta op uw aller, allermooiste en enige zwarte hemd valt, aan de voorkant want daar zitten ook je tanden, en dat net voor die receptie waar we al veel en veel te laat voor zijn?
• Dat je bij de kapper zit en naar het schaatsen kijkt op die kleine friemel tv naast je en dat je kop opeens zo kort geknipt blijkt, dat je jezelf niet eens meer herkent?
• Dat je voor één keer, echt voor één keer maar, zaterdags een half uurtje in je nest blijft liggen en dat je de kinderen al de trap op hoort komen. “Papa, ontbijt!!” En dat de oudste van acht de boterham met veel te veel jam erop van het bord laat schuiven, dat die omkiept en op de goeie kant, de jamkant dus, op het laken belandt en dat de melk van de jongste ook..…!Tenminste voor de helft dan.
• Dat je ergens op een plek komt en plots het gevoel hebt: “Hier klopt iets niet!”, en dat je bij God niet kunt zeggen wat. Dat dan even later blijkt dat je in een vergadering zit, want je krijgt het woord, terwijl je toch echt naar de Jumbo moest.
• Dat je voorrang geeft aan een stel rollaters op de zebra en dat er dan opeens steeds meer komen, heel veel te veel, waar komen die opeens vandaan? Van het verzorgingshuis natuurlijk, want dat ligt aan de overkant en dat je vervolgens te laat komt.
• Dat je die trouwdag niet mag, niet moet, gewoon echt niet kan vergeten, maar toch. Dat je dat drie dagen lang elk uur en daarna nog een maand of vier moet horen en terecht natuurlijk.
• Dat je in zo’n mooie oude stad op een prachtig plein belandt met een lekker fris spuitend fontein. Dat je dan opeens vreselijk moet plassen en dat er in de verste verte geen toilet aan de horizon verschijnt.
• Dat je een stukje schrijft over ‘heeft u dat ook’, op het verkeerde knopje drukt en dat al die ‘heeft u dat oken’ dan opeens in het niets verdwijnen, verdomme? Heeft u dat soms ook?
• Dat het stukje dan wat korter wordt, want je vergeet veel en snel en maar goed ook.
© thrammy ‘10
25 februari, 11.00 uur. HV 6032
Fiumicino-Rotterdam. We vliegen vermoedelijk boven Beieren. Fabel
kijkt op een schermpje van zo'n 20 bij 25 naar "de
broers" en ik lees de laatste pagina's uit het Rome-Ostia
document van Louis Couperus.
Op Leonardo da Vinci was het een graad of 17, bij een stralende zon. Het thuisfront rept (per SMS) van een bar en boos klimaat; buien afgewisseld door perioden van regen bij een temperatuur van net boven het vriespunt. Een vooruitblik op het voorjaar. We vliegen in de zon boven een hecht gestikt wolkentapijt.
Onvoorstelbaar dat de winter in Nederland nog steeds in volle gang is.
Ik denk vooruit.
Fabel begint binnenkort aan haar laatste trimester basisschool.
Voor mij is er een verbouwing waar ik doorheen moet.
Op de verbouwing volgt vermoedelijk het paradijs. Een leven op mezelf. Mijn kinderen in mijn nabijheid en tevens de rust van een eenpersoonshuishouden.
Het leven is een kruistocht naar geluk. We blijven altijd ergens steken tussen ons vertrekpunt en het beloofde land en dat is maar goed ook. er moet iets te wensen overblijven.
11.20. Fabel heeft haar American cookies op en rust met haar
oortelefoontjes in, met haar hoofd tegen het
vliegtuigraampje. De broers zijn weer uit beeld en de
radio staat op kanaal 7. Het wolkendek breidt zich uit naar
de hogere regionen. Ik krijg het koud aan mijn
benen.
Rome is niet af. Ik heb het gevoel dat we er een week te kort zijn geweest om maar überhaupt iets over de eeuwige stad te kunnen zeggen. Tuurlijk, de highlights hebben we gespot, maar wat hebben we nu van Rome gezien? Het Piazza Navona en directe omgeving gaf ons een indruk, maar helaas belandden we er pas onze laatste middag.
Ik heb Fabel een klein beetje geleid, maar heb zoveel mogelijk haar tempo aangehouden. Een kind van twaalf moet niet worden overvoerd met kunst en cultuur. Alles lijkt na verloop van tijd op elkaar. Uiteindelijk is zelfs de meest vergulde, rijk gedecoreerde kerk gesneden koek en tenslotte smacht je alleen nog maar naar een druk winkelcentrum met een Autogrill waar je met een halve liter Nastro Azzuro en een kwart stuk pizza Margarita naar een wedstrijd Chelsea- Atletico op een plasmascherm kijkt.
Ja, Rome moet in partjes worden opgediend. Wat dat betreft hebben we het toch goed gedaan.
In deze paar dagen heb ik gedaan waar ik normaal gesproken zelden aan toe kom. Ik heb genoten van mijn dochter. Ik had haar helemaal voor mezelf.
Sjaaldochter F. is nabij.
Een week per jaar.
12.00 uur. Turbulentie (wordt vervolgd).
Sjaal draait: Share: Live at Sessions Café (6 juni 2007)
de dinsdag is weer uitgebroken
een rare dag, weinig goeds
van te verwachten, voorzichtig
daal ik van de trap, loer ik door
de deur, je kunt niks riskeren
een dag waarop de kansen keren
geneigd tot nederlagen hoewel
op straat lijkt alles rustig, saai
lijkt ouwe koek, maar staat
de zon daar altijd in die hoek?
de bladeren van de bomen midden
zomer, ze zijn zoek, de bus is leeg
geen krant zelfs geen chauffeur
waar komt die vreemde geur
opeens vandaan en wat is er
met de huizen? zo scheef
zo uit het lood en waren ze
gisteren ook zo akelig groot?
© thrammy ‘10
Over dingen die altijd doorgaan (San Remo) en de dood
Toen ik zaterdagavond het
festival van San Remo zat te bekijken met al
haar lage decoloté’s, gemaakte blondheid en ingevlogen
sterren als Shakira en nota bene de echte Mary J. Blige moest ik
er opeens aan denken.
Ik moest denken aan het contrast van jaarlijkse langdurig wederkerende routine en continuïteit en de abruptheid van de dood.
Dat festival van San Remo bestaat al zo lang. Een van de bekende winnaars was Mudugno met `Volare` en later onder andere Laura Pausini en Andrea Boccelli. Ter opluistering van dit ietwat sinistere blog heb ik enkele filmpjes toegevoegd
Vanaf ongeveer 1985 (RAI UNO op de kabel)
staat het in mijn hoofd als een gegeven dat dit festival elk jaar
plaatsvindt eind februari of in maart. Als liefhebber van
Italiaanse smartlappen, drama (wel op enige
afstand s.v.p.), decolletés, Italië en Ligurië een evenement
om niet te vergeten en toch vergeet ik het te vaak.
Het is een luxe om het te vergeten want ik weet onbewust dat het er volgend jaar weer is en daarna weer. Het festival begint meestal op woensdag en loopt door tot zaterdag. Het komt voor dat ik het helemaal mis, het komt voor dat ik net na afloop zie dat het geweest is en soms, zoals dit jaar, zie ik toevallig dat het gaande is.
http://www.youtube.com/watch?v=bK3oQswQRcg (Laura Pausini 1993)
Met mensen en situaties is de relatie tot de dood een andere. Mensen en situaties veranderen. Een nabestaande slaat in zijn of haar leven een andere richting in en elke situatie is anders. Het festival van San Remo verandert niet. Daardoor is het contrast ook zo nadrukkelijk aanwezig.
Bij een overlijden is er niet meer de mogelijkheid om quasi onverschillig te zappen en op RAI UNO terecht te komen. Er bestaat niet meer de mogelijkheid om RAI UNO aan te laten staan en een boek te lezen. Er bestaat ook niet de mogelijkheid om het aan je voorbij te laten gaan of je vol in het
San Remo festival te werpen.
http://www.youtube.com/watch?v=6GIOdyOGYrs
(Bocelli)
Ik betrek het nu op mezelf en bezie het contrast van doorgang en continuïteit t.o.v. een eigen ongewilde dood. Maar ik weet dat mijn verdriet na het overlijden van personen die mij zeer nabij stonden voor mij extra emotionaliteit opriepen bij het horen en zien van mooie muziek, bijzondere films en bijzondere gebeurtenissen, die hij of zij dan moest missen.
Uiteindelijk is San Remo het
leven zelf al haar foutheid en mooiheid maar het is ook een
soort natuurwet zoals de loop van de
seizoenen.
Hoe met dit festival om te gaan impliceert ook een eigen regelvermogen, een keuze om het festival in te duiken of links te laten liggen.
De dood staat gelijk met het volstrekte afwezigheid van enig regelvermogen. In ARBO terminologie de ziekmaker nr. 1.
San Remo, dus. Ik wens een ieder inclusief mezelf nog vele San Remo’s toe.
De winnaar 2010 is Valerio Scanu
Kramp, verkramping.
Emotie in ijs.
Dat was wat J. tentoonspreidde als hij een soortgenoot ontmoette. Hij verborg zijn ogen achter zijn arm. Wat men van hem zag was zijn van angst verkrampte geopende mond. Een verstomde roep.
Hij bleef als versteend staan of, als daar nog tijd voor was, verstopte hij zich in een hoek, om de hoek of in een nis. Ergens waar hij naar zijn idee niet gezien zou kunnen worden.
Hij werd echter altijd gezien en het viel de mensen op dat J. daar verkrampt stond, al of niet gedeeltelijk verborgen. En de pijn die van zijn gezicht was af te lezen was als de pijn die anderen ook wel eens ervaren als ze het Lot aanschouwen, gehuld in het kleed van de terreur, de weergalloze marteling, en zoals dat gaat met pijn die zich in het gezicht, in mimiek, manifesteert, reageerden de mensen daar ook geschokt op.
Ze voelden een fractie van wat J. altijd ervoer zodra hij zich in het aangezicht van zijn lotgenoten vertoonde. Een ontembare angst, even noodlottig als noodzakelijk. De ander leek niet alleen gevaarlijk, hij wás ook gevaarlijk voor hem. De confrontatie met zijn demonen zou hij niet hebben overleefd.
Hij was er een ontelbaar aantal keer voor in behandeling geweest voordat de specialisten zich aan zijn lot onttrokken. Zijn bevangenheid betrof niet in het minst zijn specialisten die zich anders voordeden dan zij waren. Ze wendden zich voor als zijn redders, zijn helpers, en dat was wat hij niet begreep. Zijn gekrenktheid was J's probleem. Hij had zijn ogen gesloten gehouden, hen zijn rug toegekeerd. Hij had hen geen woord toevertrouwd, maar dat hadden ze ook niet nodig om hem te begrijpen en doorgronden. J. leed aan mensfobie.
Mensen hebben elkaar maar weinig te vertellen. Het is een eeuwigdurend, langdradig, verhaal van afgunst, miskenning, misprijzing, wat we elkaar vertellen naast de instinctieve drang naar aandacht, erkenning en "goed gevoel". Wat men ontvangt komt uit een andere koker dan wat men geeft. Er is een onoverbrugbare kloof tussen zender en ontvanger. Altijd en onvermijdelijk. J. (hij stierf in 1998) was zich dat bewust. Heel bewust.
Bij hem ontbrak het luik dat de intenties van zijn medemens vertroebelde. Het natuurlijke afweermechanisme tegen de ander. Een luik dat normaliter pas verwijderd wordt op momenten van strijd. Dat is het moment waarop de mens zijn ware gezicht toont. J. was alleen in staat zijn ware gezicht te laten zien en daarin openbaarde hij zich als de zuiverste vorm van een mislukt mens.
"Daarna kwam de sleur van het dagelijkse leven, die al deze emoties uitwiste zonder dat ik me er in het minst tegen verzette. Heel begrijpelijk! De dagelijkse sleur weet zo veel dingen uit te wissen. Als de genieën dat eens ontdekten! (I. Svevo, Bekentenissen van Zeno, vertaling Jenny Tuin, 8e dr.,1988, p.127)
Jay Robinson live Jay Robinson - Live Looping Live at Lionshead Pub (8 juli 2009)
Terwijl een kabinet struikelt over de kennis van nu, de leugens van gisteren en de waarheid van morgen, over beeldvorming en werkelijkheid en alles daartussen, zitten er al dagen twee Lieveheersbeestjes op de rand van de wastafel in onze badkamer, ik denk een stel, zeg maar een coalitie. Zij heeft drie stippen en hij vijf. Of andersom. Hun kinderen krijgen er vier, Mendel for sure. En terwijl ik me zorgen zou moeten maken over de regeerbaarheid van Nederland, moet ik er daarna aan denken tot bij de bakker en de brievenbus. Ze zitten niet alleen in de badkamer, maar verder ook de hele dag in mijn kop. Ze komen vanavond in de DWDD, morgen bij NOVA. Ze wijken niet en gelijk hebben ze.
Dat is toch ook bizar?
Dat je voor al die oorlogswapens die er zijn belasting moet betalen en dat er voor al die goede doelen gecollecteerd moet worden?
Misschien moeten ze die twee dingen eens omdraaien en kijken hoe de wereld er dan uit ziet.
Theo Maassen, 'Tegen beter weten in'.
Als ik vraag of er leven na de dood is, begrijpt bijna iedereen wat ik met die vraag bedoel en toch is het een vreemde vraag als je er over nadenkt. De foto laat zien dat leven en dood samen optrekken in het geval van deze roos en dat geldt ook voor "de mens". We zijn een verzameling cellen waarvan een deel leeft en een deel dood is. Elke dag sterven we een beetje, maar elke dag worden we ook nieuw geboren. Dood en leven zijn een kwestie van definitie, van afspraken dus en afspraken zijn door ons verzonnen onzin.
Hoevelen van u hebben al de hele wereld uitgeroepen tot crisis?
Crisis dit, crisis daar, crisis met je-zus en crisis in je portemonnee.
Nu weer crisis in de popmuziek, aldus Gijsbert.
Toen kwam er een interessante gedachte omhoog:
Wat nu als alles wat wij zien als 'crisis'
niets anders is dan het einde aan de groei?
Ik merk al sinds
2002, met uitloper naar 1999, een 'run op de bank': alles en
iedereen die het zich kan veroorloven, koopt zich een veilig
heenkomen. Tegenwoordig gaat het er nog veel harder aan toe dan
10 jaar geleden; nu heb je nog een betaaltermijn van 10 dagen,
waar dat toen nog 30 dagen betrof. En de aanmaning gaat de deur
uit van zodra de termijn 1 dag is overschreden. Het graaien neemt
schrijnende vormen aan, wanneer de grenzen in zicht
komen...
Groei
Bevolkingsgroei, want mensen vind ik de
belangrijkste. Iedereen die de curves heeft gezien in de film van
Al Gore, kan er over meepraten: hij werd, als babyboomer, geboren
net na de 2e wereldoorlog. Toen waren er 2,5 miljard
mensen op aarde. Nu zijn dat er al bijna 7 miljard. In 1950 was het motto ook
"ongebreidelde groei"; het kón niet op. Hoe meer
kinderen, hoe beter. Nog in de jaren '80 was er een economische
boom, precies gebaseerd op die demografische evolutie.
Toen waren immers alle babyboomers 30+ en dus volop aan het werk.
Alles voor de winst (kunst) en lang leve de vrijheid.
Nu ligt dat al helemaal anders: Wij, hier in het relatief rijke westen, balen als een stekker van (immigranten met) gezinnen van 6, 7, 8 kinderen. Niet alleen bedreigend in aantallen, ook bedreigend voor onze welvaart. We zitten met onze handen in het haar, want we kunnen ze niet betalen, we hebben niet zoveel werk voor al die mensen. Onze economie is al ingericht op een dalende trend qua bevolking. Minder = meer (per persoon). Dat is een omslag in ons denken in 50 jaar tijd; van veel kinderen en we-zien-wel, naar een behoudsgezinde, gecontroleerde, geplande gezinssituatie. Het stijgen van de welvaart doet automatisch het aantal kinderen per gezin dalen. En het condoom helpt daaraan mee :-)
Groei is gebaseerd op een belofte naar de toekomst
Roofbouw is een onderdeel van
groei; in zijn belofte naar de toekomst toe, verbruikt de groei
op dit moment meer dan er direct voor handen is. En roofbouw is
wat wij op dit moment, middels onze multinationals, op grote
schaal plegen. Zoals mieren een kadaver verpulveren. Alleen: de
aarde is geen kadaver en wij werken niet als mieren. Wij bekampen
elkaar nog veel te veel. Groei is ook heel individualistisch.
Groei is ikke-ikke-ike, als eerste in de race naar het
zonlicht.
Onzekerheid
bepaalt het overschot
Hans Rösling weet het op TED.com mooi te
duiden: als de kindersterfte in een land daalt, daalt het aantal
geboren zuigelingen nog veel sterker. Een logica als een koe: als
ik niet bang hoef te zijn dat 3 van mijn 4 kinderen sterven, neem
ik genoegen met 2. Anders: doe er maar 6. Ondanks alle pijn en
ongemakken zijn er dan toch naar alle waarschijnlijkheid 2
kinderen die overleven. En schep ik dus een stabiele
situatie: als ik en de moeder er niet meer zijn, zijn er weer 2
(kinderen) die ons doen voortleven. Dat is echter een
schijnstabiliteit, want dat levert op de lange duur een forse
groei op. Vanuit dat gezichtspunt is de 1-kind-politiek van
China trouwens ook goed te begrijpen. In onze contreien zorgde de
zekerheid van goede gezondheidszorg en economische 'stabiliteit'
(groei dus) ervoor, dat er minder 'overtollige' kinderen werden
geboren. We raakten als het ware 'geoptimaliseerd'.
Relativiteit
en stabiliteit
Als er minder meer
kinderen worden geboren, dan betekent dat uiteindelijk dat er een
einde komt aan de groei van de wereldbevolking. Dan treedt er een
stabilisering op. En ik denk dat we op dit moment op een
punt zitten, waarin we de grootste groei hebben gehad. We zijn
over de piek heen, zal ik maar zeggen. Mensen raken 'in crisis',
omdat de toppen der bergen bereikt zijn. De groei is er
uit; we kunnen niet hoger, beter, best dan dat we nu doen, als
individu. Dromen zijn realiseerbaar, voor eenieder die het lef en
de kansen heeft. Romantisch wegdromen bij onhaalbare kansen is er
niet meer bij, alles kan én moet nu, nu, nu. Want morgen is het
echt wel te laat...
Crisis? Welke crisis?
Dus is mijn
stelling: wat mensen nu ervaren als 'crisis' (in de popmuziek, in
de economie, in de natuur, in de politiek, in whatever), is mijns
inziens niets meer dan het besef dat de grootste groei voor het
individu nu wel geweest is. We moeten leren roeien met de riemen
die we hebben, want erg veel gaan er niet meer bijkomen.
De Industriële
Revolutie heeft ervoor gezorgd dat we in 200 jaar tijd van1
miljard mensen (1804) naar 6.79 miljard nu zijn gegroeid. En nu zijn
we op het punt beland, waarop de toename van de
bevolkingsgroei afneemt...
Na groei komt...
We zien het aan de
wereldwijde bevolkingsgroei, we zien het aan de visvangst, we
zien het aan Aarde: overal heeft het wel zijn grenzen bereikt.
Alles stagneert. Nu wordt het langzaam minder extra. Op
naar de 10 miljard mensen. En dan zal het wel zo'n beetje gedaan
zijn met de groei. Dan is het veel belangrijker te gaan bloeien.
Met alles wat we hebben. En dan zul je zien dat we als mensheid
vanzelf een stuk zuiniger worden op Aarde. Dat multinationals
ineens niet meer wegkomen met het vernietigen van Aarde.
Tenzij ze ons vervangen door cyborgs, maar dat lijkt me
sterk...
Samenwerking
Er breekt een periode aan waarin de mens kan gaan bijdragen aan de natuur. Omdat bloei per definitie leidt tot groei in het volgende seizoen. Dan wordt het tijd dat we leren bloeien. Dat we leren om in samenspraak met elkaar, onder het toeziend oog van moeder Aarde, onze verworvenheden, onze bloemen, te delen met de rest van de natuur. Want enkel kruisbestuiving is interessant voor de verspreiding van het leven. Dus, nadat we bijna al het leven hebben uitgeroeid en we met 10 miljard op een schrale Aarde zitten, beginnen we als vanzelf de biodiversiteit weer te verspreiden. Kijk maar naar Detroit. Hoezo cliché?
Update
Deze wilde ik er toch even bijzetten. Gisteren, na modereren, verviel deze statistiek. Maar ze geeft zo mooi weer dat het aantal geboorten wereldwijd aan het dalen is, evenals kindersterfte:
Op Gapminder.org heb ik dit uitgezet tegen elkaar: geboorten per 1000 inwoners X kindersterfte. En dan zie je duidelijk dat de landen met een hoge kindersterfte ook een hoge geboortegraad hebben. Gapminder is trouwens HEEL vernieuwend, in die zin, dat ze toegang hebben tot véél publiekelijk beschikbare informatie EN die informatie als een tijdlijn kunnen weergeven. Als je onderaan de grafiek op 'play' klikt, dan zie je de tijdlijn vanaf 1960 verder gaan tot en met 2006. Als je daar de economische groei zou afzetten tegen de bevolkingsgroei, ga je hele interessante statistieken vinden. Maar dat verdient een eigen topic
Gisteren de Kandinsky-tentoonstelling gezien in het Haags gemeentemuseum. Heel kleurig, heel beweeglijk, al zijn het dan schilderijen. Kandinsky was min of meer de ontdekker van het abstracte schilderen. Je vraagt je af: hoe komt iemand daarop? Zelf heeft hij er wel een uitleg bij. Volgens hem is er naast de visuele indruk nog iets dat je innerlijk roert. Een soort muziek bij wat je ziet. Niet voor niets noemt hij zijn schilderijen vaak impressies, improvisaties of composities. En in zijn schilderijen probeert hij die muziek zichtbaar te maken. Je ziet dat in de werken van rond 1911 gebeuren: hij beeldt nog wel iets af, mensen, landschappen, maar hij reduceert ze tot composities van vlekken. De mensen hebben geen gezicht, bomen en huizen zijn platte vlakken. Het zijn dan geen afbeeldingen meer maar vlakvullingen. Maar geen decoratieve vlakvullingen, geen abstracte patronen in een prettig ogend arrangement. Kandinsky probeert te schilderen zoals een dichter dicht. Zoals een dichter schildert met woorden, zo dicht Kandinsky met kleurvlekken.
Als je probeert je een beeld voor de geest te halen, dan is dat geen foto. Je ziet het beeld niet echt, maar je kunt er wel een beschrijving van geven. Op de een of andere manier heeft je geheugen iets geregistreerd dat de essentie voor jou van dat beeld bevat. Wat je toen zag is vastgelegd in de taal van de herinnering. Dat is niet een beschrijving in woorden, want die treft niet de kleuren en vormen zoals je ze toen zag. Het woord 'groen' is niet groen. Sterker nog, het woord 'groen' kan van alles betekenen, een heel scala van kleuren, naast zaken als weiden en bossen. Maar de kleur die je zag was een specifieke kleur. En juist het specifieke ervan kun je reproduceren. Waar het op neerkomt is dat je een voorstelling hebt van wat je zag die niet hetzelfde is als wat je hebt gezien, maar die ook geen beschrijving is. Ik denk dat wat Kandinsky probeerde te doen is die voorstelling zichtbaar maken. Weergeven van wat de essentie was van dat beeld. Laten zien wat je ziet als je je iets herinnert. Je zou zoiets technisch een interne representatie kunnen noemen.
Kandinsky schilderde interne representaties. Hij gaf niet weer wat zijn ogen zagen, maar welke indruk dat op hem maakte. En daarmee probeerde hij de taal van de herinnering te achterhalen. Die taal laat ons zien wat we zien. En wat die taal niet uitdrukt is heel moeilijk waar te nemen. Die taal maakt dat bijvoorbeeld de compositie zo'n belangrijke rol speelt in de schilderkunst. Sommige schilderijen spreken je meteen aan, en andere niet. Van sommige abstracte schilderijen zeg je: dat gaat ergens over, terwijl je andere als niets anders dan collecties van kleurvlekken en lijnen kunt zien. De laatste zijn dan ongrammaticaal. En net als met spreektaal weet je zonder die grammatica geleerd te hebben wat wel en wat niet klopt. En dat sommige schilderijen wel kloppen en andere niet heeft de zelfde reden als waarom sommige verhalen aanspreken en andere niet: het valt niet mee om precies te zeggen wat je zeggen wilt. Herinneringen vertalen naar verf op een doek is een kunst.
Soms blijven dingen in je geheugen hangen. Dingen waar je niets bijzonders aan hebt opgemerkt en waarvan je je afvraagt waarom je ze niet meteen bent vergeten, zoals met de meeste dingen. Ze hebben blijkbaar een speciale betekenis, een betekenis die niet speciaal is in de spreektaal, maar wel in de taal van je geheugen. Soms ook kun je een herinnering niet terug vinden terwijl je toch weet dat die nog ergens in je geheugen rondzwerft. Je proeft als het ware de smaak ervan, je hoort de klank, maar je mist het beeld. Je kunt de essentie niet te pakken krijgen, maar er is toch iets blijven hangen. Blijkbaar hebben essenties ook essenties. Blijkbaar bevat je geheugen niet alleen herinneringen, maar ook herinneringen aan herinneringen, in de taal van de herinnering. Je herkent als het ware een impressie van een impressie. Soms heeft enkel een kleur, een klank of een geur al een speciale betekenis. Je verstand weet niet waarom, maar je geheugen wel. Een goede schilder kan je dingen laten zien, in de afbeelding van een mens of van een landschap, waarvan je verstand niet wist dat die erin te zien waren. Maar ze zijn er wel, zoals je geheugen je soms vertelt.
Is Kandinsky nou zo'n goede schilder? Ik vind eigenlijk van niet. Zijn schilderijen missen samenhang. Ze zijn te willekeurig, te druk. Alleen in de kleinere werken vind je soms iets van een alles omvattende spanning, van een balans die het tot meer maakt dan een kleurig plaatje. Maar mag je een pionier kwalijk nemen dat hij niet perfect is?
16-2 8.25 AM. In eerste
instantie.
Vannacht heeft het weer gesneeuwd. Voor me zie ik een mager mens over de straat schuifelen. Met haar benen dicht bij elkaar. Alsof ze in haar broek heeft gepoept. Waarschijnlijk loop ik zoals haar. Ich bin wie du.
Mensen immiteren mensen om te voorkomen dat ze vallen, opvallen, omvallen, uitglijden.
Ik heb gisteren de helft van een dialoog herhaald in een gesprek met een collega. Ik merk dat het werkt. Het lijkt of mensen me beter begrijpen/ accepteren als ik niet mijn eigen woorden gebruik. Het is veilig. Ze hebben hun waarde al eens bewezen. Die woorden, in andere dialogen of groepsgesprekken. Mij zeggen ze niet zoveel. Het is meer mijn angst voor de ander die maakt dat ik ze gebruik dan dat ik ze waardeer om hun inhoud. Als andere mensen dit nou ook hebben (dat ze woorden gebruiken, zinnen, die ze hebben overgenomen van anderen uit andere gesprekken) zou het zomaar kunnen zijn dat mensen maar wat zeggen zonder dat ze de inhoud van het gezegde nog kennen.
"Ze weten niet wat ze zeggen" hoor ik mezelf wel eens als verwijt naar de mensen die niet achter hun verkondigde waarheden lijken te staan.
Dogma's en geleuter gaan eenzelfde weg. Het zijn dezelfde woorden. Het zijn dezelfde monden die worden aangestuurd door identieke breinen. Het is dezelfde overlevingsdrang. De wil om begrepen te worden, geaccepteerd te worden. Doe als ik en je zult zijn als ik. Praat me na, denk en dicht zoals de rest en je zult succesvol zijn. Vervangbaar zijn. Dat wel. Want je neemt een plek in, in ons midden en er is ruimte genoeg. We zullen je ook niet missen als je er niet meer bent.
Op een dag zul je er niet meer zijn. Dat heet sterfelijkheid.
16 februari. 9.15 AM. In tweede instantie
Ik loop al een maand of twee acht keer per week langs dat ene moment. Het Muiderpoortstationmonument. Enkeltje Westerbork.
Georganiseerd van 3 oktober 1942 tot en met 26 mei 1944. Elfduizend joden.
En na dat moment duurt het voor mij nog even en ik wandel een warm kantoor binnen op weg naar een vers kopje koffie en ervaar het leven van een ambtenaar.
1942- 2010. Dezelfde
bureaucratie.
Gezagsgetrouw gedrag achter een bureau, werk via routines. Werk via procedures, gewoontes, hiërarchie.
Gestructureerd.
Onpersoonlijk, maar accuraat.
Max Weber.
Denken word je maar moe van.
1942. Het jodenvraagstuk was inmiddels een transportkwestie. Enkeltje Westerbork is goedkoper dan hetzelfde traject retour.
Wie betaalt bepaalt. Scrupules kun je niet eten.
Enfin, daar denk ik dan aan als ik er langs loop.
Sjaal draait: Jerry Joseph and the Jackmormons: Cloud Eyes
Hartklachten, pijn op de borst, weer iets nieuws, het leven was blijkbaar te saai. Het herinnert me eraan, dat daar binnen ook nog iets klopt, werkt, pompt, zolang het duurt dus. Dat het ook zomaar opeens afgelopen kan zijn, de batterij leeg of stuk, een los contact, een vuiltje tussen de polen, iets dergelijks, iets simpels, maar cruciaal blijkt na afloop. We leven op wankele basis, bij de gratie van een grote portie geluk of toeval.
Het lot zeiden ze vroeger, of als ze het niet meer begrepen, werd er een God bedacht die dit alles regelde. Met wie je ook in contact kon treden en die je gunstig kon stemmen door iets aan hem te offeren, een schaap, een kind, een sporter die een wedstrijd gewonnen had. Zoals bij de Azteken: de aanvoerder van het winnende team werd aan de goden geofferd en dat wist hij van te voren! Bij voorkeur offerde je iets wat je lief was, dierbaar boven alles. Je moet bij zo’n God natuurlijk niet aankomen met iets dat je eigenlijk toch niet echt mist, daar stem je iemand niet gunstig mee. Het moet wel een beetje pijn doen, het mag iets kosten.
Het is het lot dus, waaraan je bent overgeleverd, je kunt er niets aan veranderen. Op die God na dan, die kan de afloop van het lot persoonlijk bijsturen, hij heeft het in zijn grote, almachtige handen. Maar waarom zou hij? Wat zou bijvoorbeeld de reden kunnen zijn dat hij iets bijstuurt? Door een in nederigheid aangeboden offer? Maar wat heeft hij eraan als ik mijn dierbaar kind dood maak voor hem? Ik buig mijn hoofd, ik stel me nederig op, ik laat zien dat ik me aan zijn macht onderwerp, dat is het dan, dat is de clou. Dat moet hem gunstig stemmen, dan wil hij wel eens een oogje dicht doen en het lot een beetje bijsturen.
Ik geloof er geen donder van. Allemaal ontstaan uit machteloosheid, uit hulpeloosheid, hopeloosheid, uit wanhoop. De mens wist het even niet meer en bedacht daarom maar een God, handig maar volkomen nietszeggend. Helemaal bedacht en volledig zinloos.
Hartklachten dus en ik moet maar afwachten hoe het afloopt, geen God die daar naar kijkt en ik ben ook niet van plan om er eentje aan te roepen. Hooguit de spoedeisende hulp of de huisartsenpost, als het niet over gaat.
© thrammy ‘10
regel jij de loslopende zaken
doe ik de rode draad
knoop jij de open eindjes
aan het budget
bewaak ik onze roze dromen
droog jij je bittere tranen
vergeet ook ik
onze hopeloze dagen
© thrammy '10
Is het een kunde of is het een
gebrek? Voor mij is het altijd in ieder geval een te grote opgave
gebleken. 20 tot 30 jaar geleden raakte ik zelfs wat verward
wanneer mensen, vooral het type bewust levende, yoga angehauchte
vrouw, meldden dat ze bij de dag leven cq. aangaven dat ze
leven in het NU, uitgaan van hun
gevoel en dat al het andere toch een mindere
vorm van leven EN genieten is. En dan kunnen ze je ook nog op
zo´n enge manier aankijken, vind u
niet?
Heel lang heb ik me daardoor schuldig gevoeld wanneer ik urenlang een vakantiereis aan het voorbereiden was in de stiekeme wetenschap dat ik dat eigenlijk nog leuker vond dan de reis zelf.
Ik werd er onzeker van omdat mijn onkunde een gebrek zou kunnen zijn en dat werd nog versterkt door het door de evolutionaire achtergronden ingegeven angst dat de dame in kwestie mij niet leuk zou vinden. Inmiddels ben ik daar overheen en ben ik gestopt met streven naar persoonlijkheidsverandering, waarvan ik voel dat het er toch niet in zit. Een variant van `Dicht bij jezelf blijven` zeg maar.
Ik ben vooral ook van de voor- en de napret. Bij een bijzonder leuk iets zijn het vooral de voorpret en de napret die de intensiteit bepalen. Op het moment dat ik in een vol stadion naar Barcelona- Real Madrid zit dan zit ik daar gewoon, soms in de wind en soms moet ik opeens een plas en is het te druk en verlang ik naar een herhaling op de TV op de hotelkamer. Wel heb ik dan weken kunnen genieten van het vooruitzicht en weet ik een lange periode erna het gebeuren te duiden, te beschrijven en te vertellen, waar ik dan weer dubbel van geniet.
Ook begin ik me steeds meer te beseffen dat meningen van anderen over hoe je in het leven te staan vooral te maken hebben met die ander en dat het vaak ook gaat om objectivering van hun eigen onvermogens. Een gebrek aan reflectievermogen, een gebrek aan het vermogen vooruit te kijken (volgens Schopenhauer een groot deel van de bevolking, de helft), een gebrek aan geestelijke stabiliteit, een levensdip of een andere vorm van persoonlijkheidsstoornis.
Toch kan het advies om in het nu te leven ook een zakelijk/verstandelijke achtergrond hebben. Terugkijken en vooruitkijken staan immers haaks op het wezen van het leven. Het leven, dat elk moment zomaar afgelopen kan zijn, op welk moment herinneringen niets meer waard zijn en de voorpret verspilde moeite is (geweest).
Heb ik het ondertussen over het begrip mindfulness (panacee voor alle kwalen na 2008) eigenlijk? Ik raak het wel. Mindfullness? Een omschrijving die ik vond:
`Het is
een houding van niet beoordelende acceptatie. Ofwel: aandacht schenken aan wat zich voordoet van moment tot moment zonder oordelen. niet ‘elders zijn’ met je aandacht, maar duidelijk aanwezig zijn op dat moment. En mindfulness houdt ook in: niet ‘veroordelend piekeren’, maar de situatie accepteren zoals die nu is. Mindfulness helpt om het lekkers te proeven, de gebeurtenissen in het gesprek te ervaren en zo goed mogelijk het tentamen te maken. Dus, als je eet, eet dan ook met aandacht en proef. En als je met iemand spreekt, doe dat met aandacht en bemerk bij jezelf wat je hebt te zeggen en merk op wat de ander zegt. En houdt bij het tentamen zoveel mogelijk je aandacht bij de vragen en de antwoorden. Piekeren kan altijd nog later. Dit klinkt zeer eenvoudig, maar door de vele automatismen van mensen blijkt het in de praktijk vaak moeilijk om met aandacht in het hier en nu te blijven.”
Het is verwarrend. Ik ben me ontzettend bewust van wat zich om me heen voordoet. Ik zie elke detail en heb een breed overzicht en interessegebied (" wat zit uw haar goed","leuke lamp trouwens", "kijk er vliegt een vliegtuig over") en toch ben ik meer van ervoor en erna. Bij een bijzondere situatie denk ik al snel “zit er een blog in?” Tamelijk fout, zou een therapeut zeggen.
Wel heb ik steeds meer geleerd om dicht bij mezelf te blijven, een houding die goed is (denk ik), maar een `zelf` dat niet in alle opzichten 2010 proof is (vrees ik).
13 februari. Een nieuwe koude
dag. Al in de vroege ochtend lopen de kleine, verrukkelijke (net
6) en ik door het schemerige Haarlem naar de Turfmarkt om daar de
eerstvolgende bus naar het station te nemen. We wachten vijf
minuten in een koud bushokje alvorens de vrachtwagen verschijnt.
Ik check in en dochterlief stempelt af voor een rit naar
Zandvoort. Op centraal stappen we over op een bus die om 8.18
richting kust vertrekt. De laatste in de rij gaat proefzwemmen
voor haar A-diploma. Iedere donderdagmiddag heeft ze geoefend in
een verwarmd zwembad in een 17e-eeuws pand aan het
Spaarne (heel toepasselijk het Spaarnehuys genoemd) en nu mag ze
op de te vroege zaterdagochtend in het subtropisch zwemparadijs
van Sporthuis Centrum Zandvoort haar zwemkunsten vertonen. Als ze
het goed genoeg doet mag ze over twee weken weer. Dan ontvangt ze
meteen haar eerste zwemdiploma. Enfin, terug krijgen we de
onvermijdelijke lift van mensen die het toch wel zielig vinden
dat vader en dochter dat hele eind terug in de bus moeten zitten.
Mijn hele leven krijg ik al een lift van mensen die medelijden met mij hebben.
De rest van de dag wordt voortgezet in koude. Kleine verrukkelijke blijft spelen bij haar zwemvriendin en klasgenote M. Twee uur later haal ik haar met de fiets op. Vervolgens nemen we de trein naar Amsterdam. Station Muiderpoort eruit, richting Sjaaldochter F. Een klein uur later nemen we de trein terug. Een half uur daarna slenteren we door de koude Grote Houtstraat op zoek naar een cadeau voor Ex-s, die morgen jarig is. Uiteindelijk lopen we in dezelfde straat door de Albert Heijn langs de afdeling bier en chips om tenslotte verkleumd en in de leegheid van het moment de barre terugtocht te aanvaarden.
De sneeuw is weg en de striemende wind heeft vrij spel over de kades langs het Spaarne. Ik verblijf diep in gedachten en fiets met een vracht kinderen door het land waar mijn ouders zo trots op zijn.
Ver voorbij Doel en Begrip ligt het land Acceptatie.
Aan de brugleuning hangt een stukgetrapt verkiezingsbord, een affiche van D66. D en 66 wapperen onafhankelijk van elkaar in de wind. En ik aanschouw dit staaltje van vergankelijkheid. Tot stof zult gij wederkeren.
Sjaal draait:Carolina Chocolate Drops: Hit Em Up Style (Live in Kent, 2007)
11 2-8.27AM,
Heb ik het koffiezetapparaat nu wel of niet uitgedaan voordat ik het huis verliet? Ik zal er de hele dag niet zijn om het te kunnen controleren. Het is een handeling van niets en meestal doe ik het automatisch en gelijktijdig met het inschenken van mijn tweede kop koffie, maar ik kán het vergeten. Het is me vorige week ook al eens gebeurd. En als het zo is dat ik het apparaat-het warmhoudplaatje- de hele dag actief is, dan is er waarschijnlijk nog niets aan de hand.
Maar toch. Het houdt me tot nu toe bezig.
Mooi is dat eigenlijk. Dat iets je zo in beslag neemt dat je de rest van de wereld vrijwel vergeet. Al het andere is plotseling onbelangrijk- of, beter gezegd- naar de achtergrond geraakt.
Zo werd ik gisteren nog in beslag genomen door de aanwezigheid van de Ander, de dag ervoor door de vraag of ik niet teveel rook, de dag daarvoor door de angst dat de verbouwing van het huis waarin ik woon mij financieel gezien te gronde zal richten en de dag daarvoor was het vast weer iets anders. Angsten, vermoedens, verwachtingen. Ze kunnen een mens volledig in hun greep houden. Ze ontlasten het brein van de eeuwig oprechte vraag naar de zin van het bestaan, danwel de doelloosheid, ofwel de essentie ervan.
Het is een vorm van vertroosting, verstrooiing, een noodgreep van moeder natuur, een automatisme in onze geest, om maar niet al te veel over de zin van het leven te hoeven nadenken.
Concentratie op dat wat ons op dat moment zinvol lijkt, behoedt ons voor een mogelijke depressie.
Het kan ook tegen ons werken. Als ik me concentreer op het gesmak of gekauw van mijn buurman of -vrouw ben ik in staat deze persoon een dolkstoot toe te dienen om de hinderlijke geluiden uit te schakelen. Ik concentreer me op datgene wat me irriteert.
Concentratie kan ons ook brengen tot de onvermijdelijke conclusie dat alle leven essentieloos is of in zijn essentie zinloos. Goddank worden de meesten onder ons in beslag genomen door andere zaken.
sjaal draait: Balmorhea: Bowsprit
Vandaag staat een recensie in de krant over
een nieuw boek over Carl Schmitt. Hans Driessen: “Carl
Schmitt (1888-1985), een van Duitslands (zowel voor als na de
Tweede Wereldoorlog) meest gelezen en felst omstreden politieke
denkers. Hij was een genie in het haten: hij haatte het politieke
en wetenschappelijke establishment, de sociale democratie zoals
die gestalte kreeg in de republiek van Weimar; hij haatte
communisten en socialisten, protestanten en joden. Hij was een
van de scherpzinnigste critici van de liberale rechtstaat en
verwelkomde, na een wel zeer korte aarzeling, Hitler en het Derde
Rijk. Hij leverde er de juridische legitimatie en grondslag voor,
nadat hij al vroeg in 1933 tot de NSDAP was toegetreden. Hij liet
zich het eerbetoon van de nazi's maar al te graag gevallen en
aanvaardde zonder bedenking de hoogste ambten.”(de
Volkskrant, 12-2-2010)
In mijn documentatie over de Edmund Burke Stichting en in een aantal blogs heb ik zeer uitvoerig aandacht besteed aan de Carl-Schmitt-receptie. De huidige recensie voegt aan mijn documentatie van Carl-Schmitt-tegenstanders nog Golo Mann toe (een overigens zeer conservatieve historicus), die over Carl Schmitt zei: “'( ) hij was een van degenen die hun intelligentie en ontwikkeling niet gebruiken om het nut te vergroten maar om schade aan te richten, een ten diepste rancuneus mens ( ), enkel belust op persoonlijk voordeel, titels en ambten.'"
Ook Reinhard Mehring, Carl Schmitt-criticus, kende ik nog niet, wiens boek
“Carl Schmitt. Aufstieg und Fall“ Driessen recenseert. “De lezer krijgt een ontluisterend beeld voorgeschoteld van de mens Schmitt. Mehring spaart zijn hoofdpersoon niet. Hij meet alle kwalijke kanten van Schmitt breed uit: zijn maniakale ressentiment, zijn bijna pathologische antisemitisme, zijn disloyaliteit, zijn meedogenloze ambitie, zijn volstrekte onvermogen tot enige zelfkritiek, laat staan tot berouw.”
Stuitend vind ik de Schmitt-sympathieën van de prijsbekroonde Nederlandse filosoof Hans Achterhuis, die in zijn boek “met alle geweld” (2009) probeert Schmitt goed te praten. Zie ook mijn open brief aan Achterhuis hierover.
Eerdere Carl Schmitt blogs met uitvoerig debat
|
Saul Friedländer en Carl Schmitt |
|
De moraal van de nazi’s : antwoord op de Schmitt-apologeten (1) |
De week begonnen met happen in vieze blauwe kauwgom. Er worden bij mij nog voor de lente echt begint enkele valse tanden bij gezet, zodat ik tegen die tijd weer als een echte jager mijn tanden in een door Marianne Thieme verboden stuk vlees kan zetten. (Waarschuwing: Als u bang bent voor de tandarts en/of voor het ouder worden: niet verder lezen!)
‘Je adem inhouden of door de neus ademhalen’, wordt mij door de Vriendelijke Beul geadviseerd. De eerste optie is een oproep tot zelfmoord, want het duurt zeker drie minuten voor de smurrie hard is geworden. De tweede aanbeveling leidt tot lichte hyperventilatie. Terwijl ik zo´n beetje op mijn kop in de martelstoel lig, komt V. Beul aandragen met iets groots, iets metaligs met veel blauwe smurrie erop. Moet dat allemaal in mijn mond? Onmogelijk, maar het wordt er desondanks in gewurmd. Het is een ongelooflijk goor gedoe en het lijkt op water-boarding. Vanmiddag moet ik terug om nog een hinderlijk uitstekend (uit-stekend) onderdeel uit mijn bovenkaak weg te halen. Het zou een botje moeten zijn van een destijds slordig getrokken kies. De werkzaamheden zullen geschieden onder plaatselijke verdoving dat wel. Daarna wordt het zaakje gehecht, meldde V. B. vanmorgen dreigend, om aan te geven dat het menens is. Verdoven & Hechten, klinkt inderdaad oprecht gemeen. Klinkt als Boren & Vullen, Trekken & Slijpen. Vandaag om kwart over vier gaat dit griezelverhaal verder.
Tja, met pijn en moeite tanden krijgen en ze op de dezelfde manier weer inleveren. Als peuter in je luier pissen en poepen en dat later vrolijk opnieuw gaan doen. Met wankele, kromme pasjes leren lopen en dat straks weer rap afleren. Slijm langs je mond voelen lopen, warm vocht langs je benen, vergeefs zoeken naar woorden, verzorgd en betutteld worden, het komt er allemaal aan. (Als dat betuttelen straks nog gebeurt door zo’n Lieve Kleine Zuster uit de serie ‘Avondrood’ van Jiskefet, valt het nog alleszins mee!) Ten laatste terug naar het hulpeloze, onzelfstandige babyleventje. Alles inleveren wat je in de loop der jaren moeizaam had verworven. Dit alles was al een tijdje begonnen en het zet nu serieus door. Dacht ik een jaar geleden nog dat mijn gebit het tot in lengte van dagen zou uithouden, in een goed jaar zijn me deze illusie en vier kiezen wreed ontnomen. En het ergste is, het verval speelt zich allemaal rond mijn kop af. Ogen, oren, mond, haren, allemaal onderhevig aan zware slijtage. Het verkleurt, wordt troebel of valt zomaar op de vloer. Niet dat de rest van mijn lijf nog spik en span is, ho maar. Maar van de nek af naar beneden valt de schade toch nog enigszins mee. Zal komen doordat het al die jaren goed verpakt en beschermd onder kleren heeft gezeten. Dat zal het zijn.
© thrammy ‘10
