Admin: ceesincambodja
Historische verhalen
Beschouwingen, essay's en (persoonlijke) verhalen over vroeger -in de breedste zin van het woord.
(Vervolg op Zoute Klei. 1965)
Onder mijn handen was alle vaardigheid met de graphospen vervlogen, de mensen die tegen me praatten klonken ver weg, de kleuren misten hun glans, de koffie smaakte niet en liet het een andere man smaken, mijn lijf op ons tuinpad was zo licht dat het niet bij mij hoorde, want ik dacht alleen aan haar. Aan haar.
Ik bestond enkel als diep in mezelf denkend aan haar. Haar naam was met een gloeiende kachelpook in mijn binnenste geschroeid. Een minimale beweging in mijn ziel –een ogenblik lang geloven dat ze me misschien niet meer wilde zien, een ogenblik lang denken dat zij misschien had gelachen om de brief die ik aan haar broertje had meegegeven: iedere beweging in mijn binnenste voelde ik met mijn hele leven; mijn handen misten iedere handigheid en alle gevoel.
In deze wereld was ik mezelf niet meer. Ik was een weerspiegeling die vaag aan iemand herinnerde. Dacht ik. Ik was een weerspiegeling die iemand droomde zonder vertrouwen.
De laatste dagen van november gingen op in de zieltogende mist: in de straten van ons dorp tijdens het Angelus, was ik mezelf kwijt; in onze lege timmerwinkel stond ik te staren naar de roederaampjes vol spinrag, die het onmogelijke probeerden te verlichten, berustten en opgaven. Elk moment leek een vermoeiende herhaling van gelijke, elkaar opvolgende momenten van eerdere dagen.
’s Ochtends als ik op het Technisch Instituut aankwam, dacht ik: het is weer eens ochtend en ik kom weer eens aan op school. Ik herkende de kille temperatuur en de geluiden en de geur van een schrale dag. Ik kende alles tot in detail nog voordat het gebeurde: de klasgenoten die naar school kwamen, Van der Hooft die verhalen vertelde die overgingen in verhalen die overgingen in verhalen: woordenstromen die door de tochtende lucht van het schoolplein kronkelden. Onverschillig woonde ik het afwikkelen van iedere handeling bij. En brak het middaguur aan, dan was het of ik stikte. Ik liep weer eens door de straten, naar het frietkot: ik liep weer door die bekende, saaie straten.
En later, teruggekeerd in mijn dorp, stond ik weer op de hoek van de Kerkeboomgaardstraat. Iedere avond stond ik op die hoek, uit het licht van de straatlantaarn, met mijn lichaam in dekking tegen de muur van de verlaten traktorgarage, mijn hoofd naar voren gestoken, en wachtte ik weer, en weer eens, en weer eens. Zij verscheen niet, mijn meisje, en ik maakte steeds dezelfde plannen; over het achterpad langs de aanpalende moestuinen door de ramen te loeren en haar door de gordijnen te zien: aankloppen, vurig wensen dat zij het was die open zou doen, of haar moeder iets vragen, zomaar iets vragen, wat wist ik nog niet, maar wel iets wat logisch was en ertoe leidde dat ik haar zou mogen zien. Ik geloofde dat ik meteen als ik haar zag, zou kunnen zien waaraan ze dacht. Maar dan brak weer het moment aan waarop ik terug moest naar de huiskamer van mijn vader en moeder en geen enkele keer heb ik, op een van die elkaar opvolgende dagen, me dichterbij durven wagen dan de hoek waar ik wachtte.
Die nacht ging ik weer op haar staan wachten, tegen de muur, enkele meters voorbij de ingang van die garage. De mensen passeerden, waren vrolijk; het was voorjaar. Ik dacht aan iets mysterieus dat mij vanbinnen groter liet voelen, zoals de nacht. De bladeren van de klimop die de muren begonnen te bedekken, vormden een nachtelijke gestalte van louter schaduw. Eerst hoorde ik de blaadjes van de klimop schudden; daarna hoe haar hoofd zich aftekende tegen de heldere hemel. Mijn hart sloeg over. De wereld kwam tot stilstand. Over de huid van haar gezicht lag doorzichtige schaduw. De koele, afgekoelde lucht drong tegen de huid van haar gezicht. En de wereld ging door. Ik hielp haar nog een stukje dichterbij te komen.
Daarna renden we hand in hand over het trottoir. Mijn hand om haar fijne hand: haar vingers door de mijne omsloten. In de nacht, onze lichamen die naast elkaar renden. Toen we halt hielden onder de lindeboom: ons ademhalen, onze gezichten die elkaar verbaasd aankeken: keken we elkaar aan alsof we elkaar altijd zouden aankijken. Toen mijn lippen langzaam de hare naderden en we elkaar kusten, vielen er glinsteringen van glans, als van opgewaaid stof, door het duister dat ons bedekte naar beneden.
En ineens: zij, eindelijk, het
gewicht van haar lichaam, veel meer dan alleen het gewicht, zij,
de vorm van haar lichaam, veel meer dan alleen maar een vorm,
eindelijk, ik die me bijna voelde huilen, en zij, eindelijk, haar
lichaam, veel meer dan alleen haar lichaam, eindelijk in mijn
armen. Haar hoofd dat zich tegen mijn schouder vleide. Haar haar
dat mijn wang streelde. 'Betsy...'
Foto: Irene
Sahner
Wijk bij Duurstede 2 - Noormannen en bisschoppen
Dat er in Wijk bij Duurstede veel sporen van het verleden te vinden zijn was in het begin van de 19e eeuw al bekend. Aanvankelijk trok vooral de vondst van grote hoeveelheden dierenbotten de aandacht. Niet alleen van oudheidkundigen, maar ook van fabrikanten die er beendermeel van maakten.
'Reeds sedert eenige jaren hadden arme lieden in den winter steelsgewijze een stuksken brood verdiend met het opgraven van beenderen…' meldt Craandijk en '…niet minder dan 18000 mudden beenderen werden in korten tijd gevonden…', maar ook '…menig voorwerp van kunstvlijt…'.
Een overheidsdienst die zich met archeologische zaken bezighield was er nog niet, maar '…belangstellenden, waaronder vooral de predikant van de Veur van Zoelmond genoemd verdient te worden, trachtten te verzamelen wat te voorschijn kwam…'.
De grote hoeveelheid vondsten trok uiteindelijk landelijke belangstelling en in 1842 greep de overheid in. Er ging een opgraving onder deskundige leiding van start. Het was het begin van het grootste archeologische onderzoek van Nederland, dat in verschillende fasen tot in de jaren '80 van de 20e eeuw zou voortduren.*)

Men vond een groot deel van de vroegmiddeleeuwse haven van Dorestad terug en een grote hoeveelheid gebruiksvoorwerpen, munten en sierraden. Een deel daarvan is te zien in het Museum Dorestad, voorheen het Kantonaal en Stedelijk museum, aan de Muntstraat in Wijk bij Duurstede. Bovengronds is er niets meer van te zien, niet van de bloeiende handelsstad die er in de 9e eeuw ontstaan was, noch van de verwoestingen aangericht door de Noormannen. **)
Al tijdens de regering van Karel de Grote (742-814) hielden de '…gevreesde zeekoningen…' huis langs de kusten van de Noordzee. Karels zoon Lodewijk de Vrome stelde zelfs een Deense leenman aan, Harald, om Dorestad en omstreken te beschermen. Tevergeefs: 'Van 834 tot 837 werd de ongelukkigen stad viermaal geplunderd.' Tien jaar later nog een keer en in 863 voor het laatst.
Inmiddels begon de monding van de Rijn te verzanden, waardoor het voor vrachtschepen en Vikingen steeds moeilijker werd om landinwaarts te varen. Dorestad nam in belangrijkheid af en: 'In 949 bevestigde keizer Otto III het bisdom Utrecht in 't bezit van alles, wat het bezat "in de villa, eertijds Dorestad, thans Wijck genoemd."'
Een deel van de grond rond Wijk bleef echter in het bezit van de Duitse keizer. In 1256 kocht graaf Otto II van Gelre de voormalige keizerlijke vroonhof, een agrarisch complex gelegen aan de Markt, waar nummer 14 en 14a nog bekend staan als 'de Nederhof'. Otto gaf zijn bezittingen en de bijbehorende rechten in leen aan de heren van Abcoude, die omstreeks 1270 begonnen met de bouw van het kasteel.
Waarschijnlijk was het Zweder van Zuylen van Abcoude die een donjon liet bouwen met een zaalgebouw ernaast, omringd door een schildmuur. Die donjon, inmiddels een ruïneuze, maar nog steeds imposante, vierkante toren, staat op een eilandje in een romantisch park aan de zuidwestkant van het stadje. Hij wordt nu omringd door de resten van een latere bouwfase die onder leiding van de Utrechtse bisschoppen tot stand kwam.
Tussen Utrecht en Gelre heeft lange tijd onenigheid bestaan over de zeggenschap over Wijk bij Duurstede. Uiteindelijk, zo meldt Craandijk, was het '… Jacob van Gaesbeek, den erfgenaam der Abcoudes, die na een voortdurende strijd met de Utrechtse kerkvorsten, in 1449 deze bezittingen aan het Sticht moest afstaan.'
In die jaren oefenden de bisschoppen de macht uit over een groot deel van de huidige provincie Utrecht, toen 'het Sticht' genoemd, en delen van Overijssel, Drenthe en Groningen, 'het Oversticht'. Zij waren niet alleen godsdienstige leiders, maar ook wereldlijke staatshoofden die rechtspraken, belasting inden enzovoort.
In de 15e eeuw ging dat niet zonder slag of stoot en de toenmalige bisschoppen David en Philips van Bourgondië vochten menig conflict uit met Hollandse en Gelderse troepen. Omdat de stad Utrecht partij trok tegen de eigen bisschop hield die regelmatig verblijf op slot Duurstede. Vooral David heeft veel aan het kasteel verbouwd, de grote ronde toren wordt naar hem de Bourgondische toren genoemd.
NB: Dit verhaal is geschreven in 2002, er zijn wat kleine veranderingen in de tekst aangebracht, o.a. het adres van Museum Dorestad.
*) In het boek 'Dorestad – Een wereldstad in de middeleeuwen' door Annemarieke Willemsen (Walburg pers 2009) staat een verslag van de opgravingsgeschiedenis. De eerste archeologische onderzoekingen waren kleinschalig en er werd niet veel gedaan ter bescherming van de vindplaats. Eigenlijk werd er pas serieus opgegraven toen grootschalige nieuwbouwplannen, in de jaren '60 van de 20ste eeuw, de resten van Dorestad bedreigden. De opgravingen zijn in fases doorgegaan tot in 2008.
**) Dat de opgravingen te Wijk bij Duurstede het legendarische Dorestad blootgelegd hebben wordt door sommigen betwist. Zie bijvoorbeeld hier. De meeste historici houden het er echter op dat er weliswaar geen keihard bewijs is dat het hier Dorestad betreft, maar dat dat wel zeer waarschijnlijk is. De vondsten zijn inmiddels overgedragen aan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, waar een deel ook tentoongesteld wordt.
Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; Doriann Kransberg en Hans Mils: Eerste Nederlandse Systematisch Ingerichte Encyclopedie Lexicon - Amsterdam, 1952; Kastelengids van Nederland, 1979; Bloemers, Louwe Kooijmans en Sarfatij: Verleden land - Amsterdam, 1981; van Es, Sarfatij en Woltering (redactie): Archeologie in Nederland - Amsterdam/Amersfoort, 1988; Monumenten in Nederland, Utrecht - Zwolle, 1997
Links:
Recente foto's van
kasteel Duurstede vind je bij
Kees Kasteel
Tekening van kasteel Duurstede: Gerard Kuit
(Vervolg op ‘IK BEN MISBRUIKT’)
Hoorden wij op het Klein Seminarie zelden of nooit verhalen over paters die ‘iets’ met leerlingen hadden, des te meer werd er ‘gesmiespeld’ over ‘verboden vriendschappen’ onder studenten.
Op het juvenaat waar ik zat had je een ‘Grote-‘ en een ‘Kleine kant.’ Het was studenten van beide kanten ten strengste en op straffe van heenzending verboden om met elkaar om te gaan. Ieder had zijn eigen slaapzaal, eigen refter en eigen studiezaal. Zelfs het je begeven op een van de gebrandschilderde gangen van 'de andere kant' was al strafbaar.
Zat je in de klassen 1 tot en met 3, dan behoorde je tot de ‘kleine kant’: de junioren, vanaf 4, 5 en 6 heette het de senioren.
Desondanks waren heimelijke vriendschappen tussen jongere en oudere knapen niet zeldzaam en onder de studenten een publiek geheim. De vindingrijkheid van sommige juvenisten kende geen grenzen. (Lees hierover het boek ‘De Kleine Republiek’ van Lodewijk van Deyssel uit 1888. Ondanks dat er 60 jaren waren verstreken sinds het verschijnen van de roman, vond ik de overeenkomst tussen het Rolduc uit het boek qua sfeer en feitenrelaas pijnlijk herkenbaar en vergelijkbaar met het seminarie van mijn eigen jeugd, halverwege de vijftiger jaren.)
Dat het in de verboden vriendschappen uit mijn tijd soms tot seksueel contact kwam, was een internaatgeheim, en de acceptatie daarvan zal wel te maken hebben gehad met het geringe leeftijdsverschil tussen de jongens, ten opzichte van dat met een pater/leraar.
Zelf ben ook ik ternauwernood ontsnapt aan een dergelijke ervaring.
In de vijftiger jaren heette het bij ons, als je een vriendje had: ‘Hij is zwaar pik’, oftewel: ‘Henk is het pikkie van die en die.’
‘Die van mij’ kreeg het voor elkaar dat ik hem uitnodigde om in de grote vakantie bij ons thuis te komen logeren. Mijn ouders stelden geen kritische vragen toen ze zagen dat mijn ‘vriend’ een stuk ouder was dan ik (drie jaar), en ook ik was zo naïef dat ik zijn bijbedoelingen niet doorzag; ik was vervuld van mijn belofte om hem onze mooie provincie te laten zien op de fiets en genoot ervan dat ik het middelpunt was van zijn belangstelling.
Omdat wij thuis met zijn zevenen waren, mocht ik zelfs met mijn grote beschermer in hetzelfde logeerledikant slapen zodat we ongestoord nog ‘wat na konden praten’, zoals mijn moeder het noemde.
Maar ‘van het één kwam niét het ander’. Want al was ik dan een uit de klei getrokken polderjongetje dat nog niet droog was achter de oren, laat staan dat ik wist waaruit Abraham de mosterd spoot, sloeg ik na een vermoeiende dag zijn zoekende handen weg en toen dat niet hielp, liep ik boos weg en kroop naast mijn broertje in bed.
Het is er in die vakantie ‘niet van gekomen’ omdat tot mijn verbazing de lol er voor mijn weldoener opeens vanaf was en hij zijn rieten logeerkoffertje pakte en de volgende ochtend vroeg zonder nog wat te zeggen naar de bushalte liep.
Het werd september. En teruggekeerd op het internaat bleek dat de chocoladerepen en ongestempelde postzegels die ik op ons rendez-vous –tussen de klamme jassen in het souterrain-, ooit van hem kreeg in ruil voor een kus en een omhelzing, opeens waren gestopt.
Het begon me op te vallen dat er soms een jongen voorgoed naar huis werd gestuurd. Wij die achterbleven kregen nooit te horen waarom, al hadden we wel een vermoeden: dat het iets te maken had met zijn uitdagende gedrag en vrijmoedige omgang met een leraar of een ouderejaars. Ik realiseerde me dat ik zelf door het oog van de naald was gekropen, ook al besefte ik toen nog altijd niet waarover de paters en broeders zich zo bezorgd toonden.
Ik werd veertien en zoals de meeste leeftijdgenoten kreeg ik overdag last van een vervelende erectie die in mijn korte broek soms schaamteloos zichtbaar was. Tot overmaat van ramp kreeg ik last van een hardnekkige vorm van acné waardoor mijn ‘marktwaarde’ kelderde tot het dieptepunt.
Wat mij echter nog het meest verwarde was dat ik zélf oog begon te krijgen voor sommige nieuwelingen, met name voor Eugéne! Wat kon die jongen voetballen en wat had hij mooie benen en kontje! De hormonen gierden door mijn aderen en ik kreeg mijn eerste natte droom.
Als ervaringsdeskundige pakte ik het subtieler aan dan mijn oude vriend en verstopte liefdesgedichtjes aan Eugéne in zijn missaaltje. Ik probeerde hem in studiezaal en kapel te hypnotiseren. Daarover had ik gelezen, maar Frits gaf geen enkele sjoege, hooguit schonk hij me soms een verpletterende glimlach, en daar moest ik het mee doen. Ik was vreselijk jaloers op de jongens waarvan ik vermoedde dat zij meer succes hadden dan ik.
Tot zover een beknopte poging om de omstandigheden en de spanning te schetsen uit de donkere jaren vijftig, over jonge jongens die hermetisch van de buitenwereld afgesloten, ‘aan hun trekken’ moesten zien te komen, en waar meisjes en vrouwen niet bestonden (behalve de Heilige Maagd Maria.)

Zonder het uit mijn duim te zuigen kan ik mij bij de aanzwellende groep scharen die decennialang geleden het slachtoffer was van machtsmisbruik en seksuele intimidatie door de clerus op katholieke internaten.
Ik was erbij en mag dus hardop zeggen dat het op mij nogal hyperig overkomt. Zelf heb ik jarenlang op twee in de pers met naam en toenaam genoemde locaties doorgebracht, gezeten, gestudeerd, of hoe je het noemen wilt.
Net als de man die als ‘slachtoffer’ samen met twee medestudenten bij Matthijs van Nieuwkerk zijn verhaal kwam vertellen, tegenover pater Antoine Bodar met het zweet op zijn voorhoofd, moest ik met zachte drang van mijn ouders op elfjarige leeftijd naar de priesteropleiding. En dát heb ik geweten!
(Hoe traumatisch kan het overigens zijn om als je –zoals de man vertelde- bij een broeder op schoot te bladeren in een Elseviers encyclopedie en naar blote negermannen moet kijken...)
Ieder jongetje droomt op de leeftijd die ik toen had over een rooskleurige toekomst en fantaseert daarbij hoe het zou zijn om kapitein van een oceaanstomer te zijn of om een mijter te dragen in je eigen basiliek. Zo ook ik. Mijn droom keerde echter al op dag twee in een nachtmerrie.
Zaten ze ‘aan me’? Nee, of het moest de pater muziekleraar zijn, die met een dirigeerstok op mijn gespreid op de bank gestrekte vingers sloeg als ik een noot miste. Die pijn vergeet je. Of de pater prefect die wel eens op je strakke billen sloeg en in je wang kneep –dat waren uitingen van affectie die je zo node moest missen van thuis. Nee, veel ingrijpender was de intimidatie door de Latijnse leraar, die me op een grove manier uitschold bij een onvoldoende, of de pater surveillant die me voor de hele studiezaal voor schut zette en blafte dat ‘Het beter voor jou ware geweest dat je moeder niet geboren was’. Mea culpa.
Het neerbuigende toontje van de leraren en hun Spartaanse dwangmaatregelen, braken elk restje eigenwaarde dat ik nog bezat. Nadat ik het laatste restje heimwee –waar ik vreselijk onder heb geleden en dat volkomen genegeerd werd-, had weg gehuild in de betrekkelijke beschutting van mijn chambrette op de slaapzaal, leefde ik verder als een soort zombie-in-korte-broek. Met eindeloos gebed en stilzwijgen werden we in het gareel gestampt. Ik noem –met de wijsheid en kennis van nu- dát misbruik. Maar we schreven 1956 en de meeste lieten ons de discipline aanleunen –je had geen keus en je moest door. Buiten de muren van het juvenaat was het ook niet alles –vertelde men ons.
Dat sommige studenten op vriendschappelijke voet stonden met een leraar of biechtvader, lag voor de hand en iedereen vond dat volkomen normaal; sterker nog, je was jaloers op zo’n (knappe) jongen, én zijn puntenlijst. Niet onderschat mag worden dat de sociale controle op de instituten enorm was en de doodzonde der onkuisheid soms onherroepelijk tot overplaatsing van de pater of broeder leidde, maar het kwam vaker voor dat als er een confrère of de rector lucht kreeg van een ‘geheime liefde’, niet de dader maar het slachtoffer naar huis werd gestuurd.
Mijn biechtvader was een uiterst aimabele pater die ‘het beste met mij en mijn geestelijke leven voor had’. Voor de absolutie op vrijdagavond gaf hij er de voorkeur aan om dat op zijn kamer te doen. Niks mis mee. Dat pater L. een bijzondere belangstelling aan de dag legde voor mijn lichamelijke ontwikkeling in het algemeen en die tussen mijn benen in het bijzonder, nam ik voor lief. Dat het wel zou horen bij de seksuele voorlichting die ik thuis nooit had gehad. Dat mijn biechtvader daarbij aan mijn knie zat om me op mijn gemak te stellen ervoer ik niet anders dan als vanzelfsprekend. Dáár heb ik niks aan ‘overgehouden’, net zomin als die keren dat de surveillant mijn douchecabine binnenkwam om ‘me te controleren.’

'Wijk bij Duurstede is thans een stil landstadje…', schreef dominee Jacobus Craandijk in 1883 en als wij op een mooie zondagochtend in augustus onze auto parkeren op de parkeerplaats aan het Walplantsoen kunnen we hem alleen maar gelijk geven. Er is natuurlijk veel veranderd in ruim honderd jaar, maar de rust is gebleven. Al kan dat natuurlijk ook aan het vroege uur liggen. We wandelen de Plantsoensteeg in naar de oude kerk en horen daar het orgel spelen en de gemeente zingen.
Bij Wijk bij Duurstede gaat de Rijn over in de Lek, leerden wij op school bij aardrijkskunde. Maar in feite gaat de Rijn gewoon verder, als de Oude- of Kromme Rijn die bij Katwijk uitmondt in de Noordzee. Vroeger was dit de hoofdstroom, veel breder dan nu overstroomde hij regelmatig de omliggende landstreek.
We steken het bescheiden riviertje over nadat we, vanaf de Langbroeker Wetering, de weg naar Wijk genomen hebben. Op het kruispunt was vroeger een herberg gevestigd. Craandijk nam er een '…snede brood met kaas en een glas bier…'. Daarna ging het langs '…boerenhofsteden, boomgaarden, weiden en brugjes, hooge peppels en wilgen, hier en daar een zicht op den korten, zwaren kerktoren van Wijk…'. En zo is het in grote lijnen nog steeds. De weg is ondertussen geasfalteerd, natuurlijk, sommige huizen zijn nieuw, maar verder heeft de vooruitgang zich hier rustig gehouden.
De dominee wandelde Wijk binnen over de Hoogstraat en passeerde zo een stuk grond waar al in het midden van de 19e eeuw sporen van vroegere bewoning gevonden werden: '…gij hoeft slechts even hier of daar te bukken (…) om er scherfjes en stukjes gebakken aarde te vinden…'. Overblijfselen van een legendarisch verleden.
Hier langs de oever van de Rijn, die toen ook al een belangrijke handelsroute was, lag Dorestad, een welvarende doorvoerhaven, die vooral bekend is geworden door de plunderingen van de Noormannen in de 9e eeuw. Voor die tijd hadden de Romeinen al een castellum gebouwd bij de splitsing van Rijn en Lek. De dominee meende dat het kasteel van Duurstede op de resten van dat fort gebouwd was. Tegenwoordige geleerden situeren het aan de overkant van de huidige stroom, bij het Gelderse dorp Rijswijk. Bij baggerwerkzaamheden kwam daar in 1979 een paar Romeinse helmen boven water.
Tussen 58 en 49 voor Christus veroverde Julius Caesar heel Nederland. Heel Nederland ? Nee, het deel boven de grote rivieren bleef dapper weerstand bieden. Eigenlijk was de verovering van de zuidelijke Nederlanden een voortvloeisel uit de verovering van Gallië. Je zou kunnen zeggen dat Caesar wat ver naar het noorden doorgeschoten was, maar de huidige grenzen bestonden natuurlijk nog niet en het was niet zo duidelijk waar Gallië nou eigenlijk ophield.
De Romeinse legers, waarvan de soldaten merendeels afkomstig waren uit al eerder door de Romeinen veroverde gebieden, legden langs de Rijn van Nijmegen tot aan Katwijk, grensversterkingen aan. Het castellum bij Wijk Bij Duurstede huisvestte waarschijnlijk een infanterie cohort en heette Levefanum. Tot en met de 3e eeuw na Christus werd het door de Romeinen gebruikt.
Rond 400 begon het verval van het Romeinse rijk en in 406 besloot keizer Honorius zich uit ons land terug te trekken. De Franken namen vervolgens de boel over en de Rijn werd nu het toneel van schermutselingen tussen de Franken en de Friezen.
In 690 was er een veldslag tussen de Friezen onder leiding van koning Radboud en de Franken, die aangevoerd werden door hofmeier Pepijn II, bij het 'castrum Dorestad'. Men neemt aan dat bij het oude fort inmiddels een nederzetting was ontstaan. Van het castellum Levefanum is verder niet veel teruggevonden, de bedding van de rivier heeft zich verlegd en de resten zijn waarschijnlijk weggespoeld. Wel is er ten noorden van de oude stad, bij de Horden waar nu een nieuwbouwwijk is, tussen 1984 en '87 een begraafplaats opgegraven met Romeinse graven uit de perioden van 0 tot 250 na Christus.
NB: Dit verhaal is geschreven in 2002, de situatie ter plaatse kan veranderd zijn.
Tekening: Gerard Kuit
Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Bloemers, Louwe Kooijmans en Sarfatij - Verleden land, 1981; van Es, Sarfatij en Woltering (redactie) - Archeologie in Nederland, 1988; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997
Zie ook Wijk bij Duurstede op Wikipedia
Website van de gemeente Wijk bij Duurstede
Lokatie Wijk bij Duurstede op Google Maps
De Langbroeker Wetering, loopt bij Overlangbroek dood, maar de weg gaat nog een eind verder rechtdoor en Gerard en ik slaan, op de t-splitsing aan het eind, linksaf. De weg heet hier de Amerongerwetering, maar hij voert ons naar Leersum. Voor we dat dorp bereiken slaan we weer linksaf en over een aangenaam weggetje, langs de uitlopers van de Leersumse bebouwde kom, komen we uit halverwege de oude oprijlaan naar het buitengoed Broekhuizen.
Broekhuizen is een van de indrukwekkendste buitenplaatsen van de Utrechtse heuvelrug en het is dan ook een beetje vreemd dat de meeste reizigers van vroeger dagen het links lieten liggen. Dominee Craandijk noemt het wel, maar hij was op de terugweg vanuit Amerongen en moest zich haasten '…want station Driebergen ligt nog op grooten afstand en de stoomtram rijdt nog niet naar Doorn.'
Wie er wel tijd voor heeft beveelt hij de omweg naar Broekhuizen aan: '…met zijn prachtige bordes…'. Ook noemt hij het grafmonument in de vorm van een uitkijktoren, op de Donderberg ten noorden van het dorp, dat door de familie van Nellesteyn, in de 18e eeuw de bewoners van Broekhuizen, gebouwd is.
Dat 'vreemde mausoleum' wordt ook beschreven door Jan Feith, die in 1908 met de auto door Nederland rijdt en daarvan verslag doet in de jubileumuitgave 'Ons eigen land' van de ANWB (toen dus al geen fietsersbond meer). Feith negeert het landhuis helemaal, maar dat kan misschien komen omdat het toen herbouwd werd, na een brand die het in 1906 grotendeels in de as legde. Gerard en ik besluiten in ieder geval om er te stoppen en het huis eens nader te inspecteren.
De oprijlaan met zijn hoge bomen begint onderaan de Donderberg, volgens Feith een van oorsprong Germaanse naam die naar Donar zou verwijzen, op het kruispunt van de doorgaande weg door Leersum, met die naar Maarsbergen. Na zo'n 500 meter kom je aan een groot smeedijzeren hek en daarachter begint het park van Broekhuizen. De weg die wij nemen kruist de oprijlaan bij het hek en gaat dan met een bocht om het park heen. Na weer 500 meter gaat de weg over een klein bruggetje en daar parkeren we de auto.
Vanaf de brug zien we het witgepleisterde huis liggen, een kant aan een ruime vijver, de andere kant uitkijkend op het park dat in 1820 door J.D.Zocher jr werd voltooid, naar oudere plannen van J.G.Michaël. Volgens het Handboek van Natuurmonumenten is het park een van de mooiste voorbeelden van de Engelse landschapsstijl in Nederland. Het heeft een onregelmatig gevormde waterpartij, met eilandjes daarin, slingerende paden tussen bossages, grasvelden en vooral veel monumentale beukenbomen.
Er staat een ruime Oranjerie in het park, gebouwd in neo-classicistische stijl, die aan een kant omsloten word door een kunstmatige heuvel. Van de beelden en vazen die het park sierden zijn nog twee wit marmeren sfinxen bewaard gebleven.
Het kasteel zelf, dat vermoedelijk op de plaats van een middeleeuwse voorganger staat, werd in 1794 in opdracht van de van Nellestyens gebouwd. In 1810 werd het al flink uitgebreid en voorzien van een imposante ingangspartij met een dubbele, gebogen trap, die naar het bordes leidt. Boven de kelderverdieping, met de keukens en werkvertrekken, zijn nog twee hoge verdiepingen die een interieur hebben in Lodewijk XVI-stijl.
Gerard en ik wandelen een stukje het park in maar ontdekken dat we niet echt dichtbij het huis kunnen komen. Na jarenlang in gebruik te zijn geweest door de Rijksoverheid, wordt het sinds enige tijd weer particulier bewoond. Bordjes met 'verboden toegang' erop houden al te nieuwsgierige wandelaars op afstand.
We bekijken dus maar de oude bomen die nogal geleden lijken te hebben onder de voorjaarsstormen en we inspecteren de voorzieningen ten behoeve van de paddentrek. Lage plastic hekjes leiden de paarlustige amfibieën naar emmers waarin ze opgevangen worden en geteld, alvorens ze veilig voor het autoverkeer de weg over gezet worden.
Na enige tijd stappen we weer in de auto en nemen de volgende afslag rechts. Een rustiek weggetje tussen de bossen leidt ons, langs 'de Kappel', het middeleeuwse rechthuis van de buurtschap Darthuizen, ook ooit eigendom van de van Nellesteyns, naar de doorgaande weg richting Doorn.
Volgende keer brengen we een bezoek aan Wijk bij Duurstede.
NB: Dit verhaal dateert uit 2002, de toestand ter plaatse kan veranderd zijn.
Tekening: Gerard Kuit
Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; Jan Feith: Ons eigen land - tusschen Amsterdam en Arnhem, 1908; ENSIE lexicon 1952; F.W. van Gulick: Nederlandse kastelen en landhuizen, 1960; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Prisma Lexicon dorpen en steden Benelux - 1984; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.
Links:
Foto's van Broekhuizen op Zoom.nl
De deskundigen zijn het er over eens. Haar ligging op een splitsingspunt van waterwegen Rijn en Lek was zo bijzonder, dat het een ideale plaats was voor bewoning en handel. De situering was gunstiger dan die van Utrecht. In de Karolingische Tijd nam Dorestad een vooraanstaande positie in. Toch liep het anders. Wijk heeft zich op een kritiek moment de loef laten afsteken door Utrecht, dat minder gunstig lag, aan kleinere rivieren zoals Vecht en Oude Rijn. Bovendien was in 1122 de Kromme Rijn afgedamd bij Wijk, zodat Utrecht minder water toevoer kreeg en minder bereikbaar was voor handelsschepen. Het feit dat het een bisschopszetel was gaf de politieke doorslag.
In 1950 vierde Wijk haar 650-jarig bestaan. Ik was bijna zes jaar en heb aan het feest herinneringen, omdat mijn vader in de organisatie een belangrijke rol speelde. Het stadje had zich in middeleeuwse tooi gehuld, burgers en gebouwen. Vooral de kasteelruine met zijn markante donjon was prachtig verlicht. Ik was heel trots op mijn vader, die mij in zijn oude kostuum steeds toegang gaf tot het kasteelpark, waar zich velerlei activiteiten afspeelden. Lichtspelen, riddertoernooien, kluchten, kermis. Het meeste indruk maakte evenwel het afbranden van een kraam na de ontploffing van een brandstoftank.
De grote trots van de wijkenaren gaat nog altijd uit naar wat over is van het Kasteel Duurstede. In onze tijd ook lokatie van een restaurant en voor film- en televisieopnames. De geschiedenis van het kasteel gaat terug tot de vroege 13 eeuw toen de graaf van Bentheim een versterkt huis, gelegen nabij de plek waar vroeger Dorestad lag, in leen gaf aan het geslacht van Abcoude. In 1270 bouwde Zweder I van Abcoude een zware bakstenen woontoren.
Het huis bleef tot 1449 in het bezit van het geslacht van Abcoude, toen werd het onder dwang verkocht aan de bisschop van Utrect en kwam uiteindelijk in het bezit van het Sticht.
Bisschop David van Bourgondië, die het kasteel tussen 1459 en 1496 in bezit had, liet het kasteel grondig verbouwen. Hierbij werd de oude donjon volledig ingesloten door nieuwbouw. Tijdens deze verbouwing werd ook de nu nog intacte Bourgondische toren gebouwd. De opvolgers van David gebruikten het kasteel ook als hun residentie. De laatste grote uitbreiding van het kasteel vond plaats in 1577. Toen werd er een aarden, gebastionneerde omwalling om het kasteel opgeworpen.
Hoewel het kasteel in 1640 nog in goede staat verkeerde, verviel het ergens in de tweede helft van de 17e eeuw compleet tot een ruïne. Op een prent uit 1700 blijkt dat er al niet veel meer over was van het eens zo trotse gebouw. Deze teloorgang was het gevolg van bezuinigingen en verwaarlozing van de kant van het Sticht, en door vernielingen door Franse troepen tijdens het rampjaar van 1672.
Een van de hoektorens van het oude kasteel werd tijdens de 15e eeuw uitgebouwd tot de nu nog steeds bestaande Bourgondische toren. Waar de rest van het kasteel aan het einde van de Middeleeuwen meer weg had van een luxe slot, was de Bourgondische toren overduidelijk een bouwwerk met een militaire functie. Met zijn hoogte van meer dan veertig meter en zeer dikke muren is de toren vandaag de dag nog zeer imposant.
In de 19e eeuw ontwierp de tuinarchitect Zocher om de ruines heen een parkachtig bos, dat nog altijd fraai in tact is en waar inwoners en bezoekers graag verblijven. Mijn vader vertelde er bij dikke bomen verhalen over kabouters en dwergen. En nog altijd weet ik die boom te vinden, waar onder aan de stronk die wezens naar "binnengingen".
Een Babylonisch mythisch psychologisch-thriller sprookje
Vanuit zijn hoge raam keek de koning neer op het plein. Het was de laatste dag van het Zagmoekfeest, het feest van de omkering. De rijzende zon wierp een bloedrood schijnsel op de tempel aan de overkant van het plein maar verder kon de koning weinig feestelijks ontwaren. Ondanks het vroege uur hoste een dronken massa over het plein. Mannen verkleed als vrouwen, mannen in dierenvellen. Maar de meeste zorgen baarden hem de vrouwen met ontbloot bovenlijf en kaalgeschoren hoofden die zich schichtig door de massa bewogen.
Het feest van de omkering werd van oudsher gevierd ter ere van Mardoek, de vredelievende godkoning die aan de wieg van zijn rijk had gestaan. Tijdens het feest waren de slaven en de horige boeren drie dagen heer en meester, terwijl de notabelen en de vrije burgers zich als slaaf dienden te gedragen. Aan het hoofd van de slaven stond een tijdelijke koning, veelal een ter dood veroordeelde misdadiger die door de priesters zorgvuldig was uitgekozen. Drie dagen lang mocht deze koning wetten uitvaardigen die terstond werden uitgevoerd. Meestal ging het om drank, spijs en vrouwen, soms goud en andere rijkdommen. Maar na drie dagen drinken en feesten werd de tijdelijke koning geofferd en was alles weer als voorheen. Behalve dan dat na negen maanden het kindergeschrei in vele huizen kond deed van een succesvol vruchtbaarheidsritueel.
Ditmaal was het anders. Het was begonnen met de komst van een nieuwe kaste van priesters. In plaats van Mardoek vereerden zij Ahriman, de duistere tegenhanger van de zonnegod Ahura Mazda. Zij haalden de centrale tempel van Mardoek neer en bouwden een veel grotere van wit marmer met de beeltenis van Ahriman in het centrum. Dit beeld was van zwart graniet en stelde een gigantische figuur voor met een kort gedrongen lichaam, een enorm hoofd met opengesperde muil waarin dag en nacht een vuur brandde. Ahriman was een wrekende god en een hongerige. Vele offers verdwenen door zijn muil en hij had een voorkeur voor mensenvlees.
Op het plein werd een groepje kale vrouwen door mannen in dierenvellen achterna gezeten en in de hoek gedreven. Onder hen zag de koning de vrouw van zijn eerste minister. Zij was vrij gezet en haar borsten zwaaiden onhandig heen en weer terwijl zij zich uit de voeten probeerde te maken. Haar kale hoofd werd ontsierd door grote moedervlekken die hij onder haar weelderige haardos nooit had gezien. De pruikenmakers zouden de komende dagen goede zaken doen, dacht de koning wrang. Een groep priesters kwam uit de tempel en schreed naar het groepje in de hoek. Maar in plaats van in te grijpen, vergrepen zij zich als eersten aan de hoge dames.
De koning wilde verontwaardigd opspringen maar hij wist dat het geen zin had zich nu in het gewoel te mengen. Ook de huidige tijdelijke koning had wetten uitgevaardigd waar iedereen zich aan moest houden. Een van zijn eerste wetten was geweest dat aan alle mannen het stemrecht werd ontnomen en naar de ezels ging. De slaven – pardon, de heren en meesters – waren hiertegen in opstand gekomen maar de ezels gingen volmondig akkoord: ia, ia. De volgende wet luidde dat de nieuwe slaven in hun huizen moesten blijven. Aarzelend trok één van de tijdelijke heren een ezel aan de staart en de motie werd aangenomen. Ia. Vervolgens werd verordonneerd dat de vrouwen van de notabelen, boeren en vrije burgers met ontbloot bovenlijf naar buiten moesten. Een enthousiast ezelkoor begroette deze wet. Toen werd bevolen hen het hoofd kaal te scheren was er eerst enige aarzeling. Maar doordat de ezels zo enthousiast balkten, en het bier en de wijn inmiddels overvloedig vloeiden werd ook deze wet snel ten uitvoer gebracht. Vervolgens werden de vrouwen vogelvrij verklaard. Dit jaar zou geen blij kindergeschrei maar een geweeklaag herinneren aan het vruchtbaarheidsfeest. Geweeklaag vanwege de vele bastaarden die nu door de slaven en misdadigers werden geplant.
De verontrusting van de koning gold niet slechts de beelden die hij zag, hoewel die voldoende aanleiding gaven. Die morgen was in alle vroegte een vrouw aan zijn bed verschenen. Ze was niet van hier, want ze droeg haar volle haartooi nog terwijl zij toch duidelijk een vrouw van hoge geboorte was geweest. Zij had hem een verzoek gedaan, of een voorspelling of een waarschuwing gegeven, daar was hij niet helemaal zeker van in zijn halfslaap. En toen hij naar haar naam had gevraagd had zij geantwoord: ‘Tiamat’. En toen dacht de koning zeker te weten dat hij nog sliep, want geen enkele levende vrouw droeg die naam. Zo heimelijk als zij was gekomen, zo stil was zij weer gegaan maar de boodschap was in zijn gedachten blijven hangen als de angel van een giftige bij.
Ze had hem verteld dat het offer dat vandaag gebracht zou worden groot verdriet zou brengen. Dat de man die ter dood gebracht werd een geliefde zoon was. Dat zijn koninkrijk ten einde zou komen als hij niet ingreep. En zij had hem gewezen op het nieuwe gebruik in de beschaafde landen om geen man maar een stier ten offer te leiden voor de goden.
Hij had haar graag geloofd, maar toen hij de taferelen op het plein voor hem bekeek zou hij eigenlijk het liefst de tijdelijke koning zelf in de vuurmond werpen. En daarna overgaan tot het offeren van stieren, want dat idee stond hem in beginsel wel aan.
Nadat hij nog even het liederlijk gedrag van de priesters had aanschouwd nam hij een besluit. Via een onderaardse gang was het paleis verbonden met de grote tempel aan de overkant. Hij zou de hogepriester vragen om in elk geval vandaag zijn priesters in het gareel te houden. Daarna zou hij wel een keer met hem overleggen over het stierenoffer.
Toen hij via een donkere gang bovenkwam in het heilige der heiligen, achter het van vuur loeiende beeld van Ahriman werd hij tegengehouden door een jonge priester in kennelijke staat. Wankelend liep hij op de koning af en onder het uiten van profaniteiten bespuwde en beschimpte hij hem. De koning weerde hem af en vroeg waar de hogepriester was. Twee novicen traden naderbij en toen zij zagen wie de bezoeker was bespuwden ook zij hem. Toch gaven zij antwoord, zij het vol schimpscheuten en met grove taal. Zij vertelden hem snerend dat de hogepriester het te druk had om een simpele slaaf te woord te staan. Dat de hogepriester op dit moment in het maagdenhuis was om te voorkomen dat er maagden geofferd zouden gaan worden. Daar had hij een heel goede methode voor, verzekerden de novicen hem sarcastisch. Als hij terugkwam zou er geen maagd meer in het huis te vinden zijn. Vervolgens duwden zij de koning terug door de lage poort waardoor hij was binnengetreden, waarbij hij lelijk zijn hoofd stootte.
Terneergeslagen betrad de koning zijn paleis weer en keek uit over het plein terwijl de laatste dag van het feest vorderde. Het maagdenhuis was ook zo’n anomalie geworden onder de heerschappij van deze nieuwe priesters. Van oorsprong was het een veilig toevluchtsoord voor meisjes met weinig kansen. Zij kregen onderricht en werden beschermd. Sommigen werden opgeleid tot priesteres, anderen traden bij hun volwassenheid terug in de wereld en konden een huwelijk sluiten boven de status waar zij eerder in vertoefden. Maar de laatste tijd waren ook meisjes van hoge geboorte door priesters van de straat geplukt en in het maagdenhuis ondergebracht. Als de vaders aan de poort eisten dat zij hun dochters terugkregen, moesten zij daarvoor een hoog losgeld betalen. De mannen die dit niet konden of wilden betalen konden hun dochters terugkrijgen tegen een geringer bedrag, waarbij echter na thuiskomst bleek dat als genoegdoening voor de gederfde inkomsten hun maagdelijkheid was ontnomen. Waardoor de huwelijksschat veel lager was dan het losgeld dat was betaald.
Veel mannen gingen er daarom toe over om hun dochters binnen te houden of slechts zwaargesluierd onder begeleiding van een groep oudere vrouwelijke verwanten, evenzeer gesluierd, over straat te laten gaan. Maar zelfs dan waren ze niet veilig want de loerende blikken van de priesters zagen een heldere oogopslag achter een gazen sluier, of het snelle flitsen van een slanke enkel onder het gewaad en namen het meisje met geweld mee. Dat zij zich daarbij soms vergisten in de leeftijd namen zij voor lief en ook voor deze oudere vrouwen moesten de mannelijke verwanten een flink losgeld betalen.
De schaduwen op het plein werden langer en toen de zon onderging flakkerde het licht van het vuur van Ahriman door de openstaande tempeldeuren. Om de hoek van het plein verscheen een rijkelijk versierd schip op wielen, voortgeduwd door een joelende en lallende menigte. Op het schip bevond zich een kooi waarin een mannelijke gestalte was te zien. De koning hoopte, ondanks alles, dat hij zich flink moed had ingedronken en niet zou merken wat zijn laatste minuten op aarde voor hem inhielden.
Toen het schip voor de tempel was aangekomen en naar binnen zwenkte, werd de gestalte even verlicht door het oplaaiende vuur in de tempel en ging er een schok van herkenning door de koning. Die gestalte was niet de gedegenereerde moordenaar die zich de afgelopen dagen voor koning had uitgegeven, maar zijn eigen zoon. Hij had gedacht dat de jongeling veilig bij zijn vrienden binnen het feest had uitgezeten en had daarom niet naar hem gezocht. Maar nu stond hij daar op de kar en ging een vreselijk lot tegemoet. De vuige hogepriester moest hem in de val gelokt hebben.
Met een kreet van smart haastte de koning zich naar beneden en snelde het plein over. Maar toen hij de openstaande poorten van de tempel passeerde was het al te laat. Het schip, gebouwd van cederhout, was doordrenkt met olie en wijn en vatte vlam nog voor het geheel in de mond van Ahriman was verdwenen. Als laatste meende hij nog de kreet ‘Mardoek’ te horen. Toen hoorde hij niets meer dan het brullen van het vuur en het bonzen van zijn hart.
Met zware tred liep de koning terug naar het paleis en bedacht wat de vreemde vrouw die morgen had gezegd. Dit offer was inderdaad een geliefde zoon geweest en het verdriet was nog groter dan hij had gedacht. Want met zijn zoon kwam er een einde aan de dynastie van een geslacht van koningen dat terugging tot de oertijd. Sommigen waren er zelfs van overtuigd dat hij rechtstreeks afstamde van Mardoek die immers een halfgod was geweest.
Vanuit zijn hoge raam keek de koning neer op het plein, en toen het rustig werd verliet hij zijn paleis voor de laatste keer en betrad de tempel. Het vuur brandde nog hoog en hij kon de vuurmond nauwelijks naderen. Hij hoopte dat zijn zoon op hem wachtte zodat zij samen de overgang konden maken.
Maar dan zou hij toch lang moeten wachten. De koning nam met geprevelde woorden afscheid van zijn geliefde zoon en zette koers naar de poort van de stad. En op het moment dat hij die passeerde meende hij een zachte vrouwenstem te horen: ‘gaat heen koning, en vermenigvuldig u. Want uw geslacht zal eens weer heersen als de ware koningen’.
Verward keek de koning om zich heen, maar hij zag niemand. Alleen stond langs de weg, in een nis van de muur, een verlaten heiligdom van Tiamat, de Moedergodin.
Ivy
Over de oorsprong van carnaval doen veel verhalen de ronde. Hoewel carnaval tegenwoordig vooral wordt gevierd in Rooms-Katholieke streken is de oorsprong van het feest veel ouder.
Zoals zoveel heidense feesten werd ook de viering van het nieuwe jaar gekerstend. Oorspronkelijk viel nieuwjaar aan het begin van de lente. De namen van onze maanden getuigen nog van het feit dat maart de eerste maand van het jaar was. De maandnamen zijn afgeleid uit het Latijn, waarbij bijvoorbeeld september, nu de negende maand van het jaar, het nummer zeven (sept) kreeg.
Waar de betekenis van het woord carnaval vandaan komt is niet zeker. Een veel gehoorde verklaring is dat het is afgeleid van het Latijnse ‘carne levare’ of ‘carne vale’, wat zoiets betekent als het vlees opruimen of verlaten. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de vastenperiode die na afloop van carnaval begint, als voorbereiding op Pasen. Ook ‘Mardi Gras’, vette dinsdag, verwijst naar een grote opruiming vlak voor de vastentijd. Een andere verklaring luidt dat het woord afkomstig is van ‘carrus navalis’, naar de scheepswagens die in veel optochten voorkwamen. Deze optochten waren een mengeling van Romeinse lentefeesten en de offerfeesten uit Griekse, Keltische en Germaanse riten.
In veel oude beschavingen werd de komst van de lente gevierd met offers aan de moedergodin. Als de dagen langer werden werd de wedergeboorte van de zon gevierd. De koning werd vaak gezien als de vertegenwoordiger van de zon op aarde en om wedergeboren te kunnen worden moest hij eerst sterven. Vandaar dat het koningsoffer en wijdverbreid ritueel was. Niet alleen bij de Germaanse en Keltische stammen; uit de Griekse en Egyptische mythologie en uit het rijk van de Inca’s en Azteken zijn verhalen over het koningsoffer overgeleverd.
Ook is bekend dat rond 2600 v.C. in het land van de Eufraat en de Tigris (het huidige Irak) een nieuw gebruik werd ingevoerd. Misschien raakten de koningen op, waarschijnlijk was er een slimme koning die liever niet zelf geofferd wilde worden. Hoe het ook zij, in die streken hoefden tijdens het lentefeest de slaven niet te werken. Sterker nog, ter ere van het Zagmoekfeest waren de slaven voor korte tijd heer en meester en moesten hun bazen hen bedienen in een groot feest van de omkering. Op de derde dag van het feest werd een versierd pronkschip op wielen in processie meegevoerd naar de tempel van Mardoek, de eerste koning van de Babyloniërs, die was geboren uit twee goden. In deze kar werd iemand meegevoerd die voor enkele dagen de rol van koning op zich had genomen maar eigenlijk een ter dood veroordeelde misdadiger was. Aan het einde van het feest werd hij ritueel vermoord.
In onze streken vierden de Germanen in de lente het feest van Moeder Aarde. Ook tijdens dit feest werd een schip op wielen in een luidruchtige stoet meegereden. Het lentefeest was een vruchtbaarheidsfeest. Op het schip werd een plaatsvervanger van de god Freyr meegevoerd en door een stoet mensen in diervermomming en mannen in vrouwenkleding zingend en dansend vergezeld. Aan boord van het schip werd het huwelijk van Freyr en een priesteres gevierd. Na afloop van dit feest moest de ‘god’ sterven om weer opnieuw geboren te kunnen worden.
Het laatst bekende koningsoffer heeft lang geleden plaatsgevonden en staat aan de wieg van het christelijk geloof. Ook Pasen is afkomstig van de oude lentefeesten. Het is niet voor niets dat met de viering van Pasen wordt herdacht dat de ‘koning der joden’ aan het kruis werd genageld, om drie dagen later weer te kunnen opstaan. Juist die wedergeboorte vormt een van de pijlers van het Rooms-Katholieke geloof. Evenals de mythische verbintenis van een maagd met een God die daaraan vooraf is gegaan. Goed beschouwd vieren wij christenen onbewust nog veel feesten die hun wortels in de dageraad van de mensheid hebben.
Inclusief de bijbehorende schranspartijen en drinkgelagen, zoals met carnaval.
Alaaf!!!!
Overlangbroek is een kleine agrarische nederzetting ontstaan bij het kasteel Zuilenburg, zo vermeldt het standaardwerk 'Monumenten in Nederland'. Maar als je er nu doorheen rijdt, zou je hooguit op het idee komen dat er sprake is van een dorp, omdat er tussen de verspreid liggende boerderijen ineens een kerkje langs de weg staat. En het kasteel herken je alleen als je echt weet waarnaar je zoeken moet.
Overlangbroek lijkt in de afgelopen eeuwen niet veel gegroeid. De weg langs de Wetering is de enige weg in het dorp. Gerard en ik parkeren de auto tegenover de kerk, die gedeeltelijk in de steigers staat. Het is een simpel, eenbeukig, gepleisterd gebouw dat in de 19e eeuw nieuw opgetrokken is ter vervanging van een middeleeuwse voorganger.
De toren, die niet gepleisterd is, dateert uit de 15e eeuw en heeft een luiklok uit 1650. Aan de oostkant van het schip staat een lelijke aanbouw uit 1913. Alles bij elkaar klinkt het tamelijk onaantrekkelijk, maar die indruk maakt het helemaal niet. Eerder gemoedelijk en lieflijk en dat zal mede komen door de aantrekkelijke ligging van het, door hoge bomen omzoomde, kerkhofje.

In eerste instantie zien we het kasteel helemaal niet, terwijl het volgens de topografische kaart toch pal achter de kerk moet staan. We wandelen een stukje verder en ontwaren tussen de bomen een gebouw dat door zijn vorm opvalt. Het wordt aan een kant overgroeid door klimop maar daartussen kun je toch mooie roze baksteen zien.
Dat moet het zijn, besluiten we en als we nog wat doorlopen zien we dat het op een eilandje aan de Wetering lijkt te staan. Je kunt nu ook beter zien dat de muren oud zijn. In de oostgevel zitten twee grote kruisvensters met een klein bijna vierkant raampje ertussenin. Dit zijn ramen van de hoofdverdieping die aan de voorkant te betreden is via een trap.
In de kelder zouden nog drie schietspleten zijn, maar die hebben we niet kunnen waarnemen. Wel het tuinhuisje dat uit de catalogus van een grote bouwmarkt schijnt te komen. Maar ach, als je een kasteel bewoont wil dat nog niet zeggen dat je ook maar geld moet hebben om je tuinhuis onder architectuur te laten optrekken.
Ridderhofstad Zuilenburg wordt voor het eerst genoemd in 1402 als bezit van de ridder Amelis Uten Eng. Halverwege de 17e eeuw is het nog steeds in eigendom van de familie Uten Eng maar daarna volgt er een hele reeks van adellijke eigenaren. In 1960 werd het bewoond door J.F. Baron van Hogendorp.
Van Gulick veronderstelt, in zijn boek 'Nederlandse kastelen en landhuizen', dat de aanleg van ook dit kasteel begonnen is met de bouw van een vrijstaande toren, een donjon zoals er zoveel langs de Wetering staan. Later is de toren omgebouwd tot een zogenaamd dubbel herenhuis. Dat zag eruit als twee hoge stadshuizen naast elkaar met de ingang in een van de lange zijkanten. Een mooi voorbeeld hiervan is het huis Oudaen, bij Breukelen aan de Vecht (niet te verwarren met het gelijknamige stadskasteel aan de oude gracht in Utrecht).
Bij Zuilenburg is de helft van het dubbele herenhuis later weer gesneuveld, zodat nu een enkel rechthoekig gebouw resteert. Rond 1960 stond het er vervallen bij. Van Gulick merkt op: 'Ondanks de verwaarloosde indruk, die Zuylenburg maakt, bezit het toch een niet te miskennen charme. Als het eens werd opgeknapt en weer voorzien van een buitentrap naar de verdieping, zou het een zeer aantrekkelijk en benijdenswaardige behuizing zijn.' De eigenaren zullen deze aanbeveling gelezen hebben want een paar jaar later is het kasteel precies zo gerestaureerd.
Gerard maakt een paar foto's en we stappen weer in. We zijn nu bijna aan het eind van de Langbroeker Wetering gekomen. Volgende keer het laatste deel van onze rondreis.
Zie voor recente foto's van kasteel Zuilenburg Kees Kasteel
Een oude tekening van Zuilenburg staat op Wikipedia
Bij het Wikipedia-artikel over Overlangbroek staat een foto van de kerk
Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; F.W. van Gulick: Nederlandse kastelen en landhuizen, 1960; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Prisma Lexicon dorpen en steden Benelux - 1984; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.
Veel verhalen over de 2e Wereldoorlog komen uit grote steden waar de bezetter manifest aanwezig was. Maar hoe was dat in kleine plaatsen? In mijn geboorteplaats, dat ongeveer 3500 inwoners telde? Ik heb daar de afgelopen tijd onderzoek naar gedaan en met diverse personen gesproken van de generatie van mijn inmiddels overleden ouders.
Nadat het NL-se leger in de meidagen van 1940 bij de Grebbeberg was verslagen, trokken de troepen zich terug op Wijk bij Duurstede, maar het kwam daar niet meer tot gevechten. Mijn vader die broederdienst had, moest als 23-jarige met de autobus wel gewonden ophalen, hetgeen veel indruk op hem maakte. Later werd de bus in een diepe kuil in een boomgaard gereden en bedekt met zeil, aarde en takken om aan de vordering te ontkomen. Na de oorlog haalde hij de bus met de tractor weer naar boven, waarna die in triomftocht het stadje werd binnengehaald.
Na de capitulatie kwamen de duitse militairen tevoorschijn; zij hadden zich op het kasteeleiland verschanst. Ze werden ingekwartierd in grote woonhuizen. Uit de kasteeltoren werden museumstukken gehaald en in een school aan de Volderstraat opgeslagen.
De befaamde wijnhandelaar Frits Thieme en zijn vrouw verborgen onderduikers in hun grote huis aan de Markt, op nog geen honderd meter van mijn geboortehuis in de Peperstraat. De huiselijke sfeer, het musiceren en de gesprekken veraangenaamden enigszins de oorlogstoestand. In het parochiehuis werden joden verstopt. In 1943 wist Thieme de bezetter er van te weerhouden om de kerkklokken van de Grote Kerk af te voeren naar Duitsland.
Mijn vader moest vanwege de Arbeitseinsatz voortdurend onderduiken. Een keer kon hij op het nippertje ontsnappen door over de muren van de binnenplaats te ontkomen naar de achtergelegen tuinen en opstallen. Hij zocht schuilplaatsen bij de boeren Van Bemmel en Vernooij. Pas getrouwd en met een zwangere vrouw, die van mij in november-1944 zou bevallen, was het een nerveuze, angstige tijd.
De agrariër Toon van Bemmel (1902-1989) was één van de leiders van het verzet. Op zijn omgrachte boerderij De Vogelpoel hield hij ongeveer dertig gezochte personen verborgen, w.o. de verdreven burgemeester Naud van der Ven en zijn gezin en de joodse familie Worms; ook vervoermiddelen en benzinetanks werden er verborgen.
Hij maakte vanaf december-1941 deel uit van de OD (= Ordedienst), die als opdracht had om na de duitse capitulatie politietaken te gaan verrichten. Er werden clandestien koeien geslacht om mensen aan voedsel te helpen. De boerderij was een belangrijke schakel voor piloten om over de Lek gezet te worden.
Hij liquideerde in de bossen bij Amerongen de wijkenaar Marchal, omdat deze diverse personen aan de duitsers verraden had. Toch was hij niet betrokken bij de arrestaties van wijkse NSB-ers op Dolle Dinsdag in september-1944. Hij bemande op die dag een door de duitsers verlaten observatiepost in de buurt van de sluizen in het Amsterdam-Rijnkanaal.
Een kleine bezetting van de Wehrmacht huisde aan de overzijde van het ouderlijk huis van mijn moeder. Het hoofdkwartier was in een verfwinkel op de Markt. Zij wisten van veel illegale praktijken, maar ondernamen nauwelijks iets. Ortskommandant Asbach zorgde dat in beslag genomen goederen weer werden teruggegeven.
Er waren ook NSB-sympatisanten en aanvankelijk pro-duitsers in Wijk. In mijn geboortestraat had de NSB-er Johannes Lington (1903-1983) een boekhandel, annex drogisterij. Hij werd overigens pas op 31 juli 1941 lid van die organisatie en was voornamelijk sociaal actief, zoals voor de Winterhulp en het inzamelen van geld en kleding voor noodlijdende gezinnen. In zijn boekhandel verkocht hij uiteraard propagandamateriaal, w.o. het dagblad Volk en Vaderland. Ondanks zijn verkeerde politieke overtuiging had hij veel bevriende kennissen.
Toch ontvluchtte hij op Dolle Dinsdag zijn woonplaats. Met de gevluchte NSB-burgemeester Van der Beke Callenfels werd hij door het verzet gevangen genomen; ze werden door duitse militairen bevrijd. Represailles leidde tot de dood van twee wijkse jongens, waarvoor later een oorlogsmonument werd opgericht, waar ik op weg naar het kasteelpark altijd langs kwam.
In april-1945 werden er door geallieerde vliegtuigen drie bommen op de steenfabriek De Roodvoet geworpen in de veronderstelling dat daar munitie voor de duitsers lag, maar er waren acht kinderen aan het spelen. Een maand later werd Wijk bevrijd.
De NSB-ers, vrouwen die met de duitsers gevreeën hadden en de burgemeester werden gearresteerd, naar een interneringskamp gebracht en kregen na lange wachttijd hun vonnis. Lington zes jaar, maar hij kwam al in 1948 vrij en pakte z'n leven in Wijk weer op. Zelf kreeg ik in mijn klas de zoon van een NSB-burgemeester die met zijn vrouw gevangenisstraf moest uitzitten. Hij was door een kinderloze oom en tante geadopteerd. Na mijn terugkomst uit Kaapstad in 1955 werd hij een schoolvriend.
In zijn ogen waren we cultuurkneuzen. Wat hadden we immers aan literaire bagage bij ons: een 1964-versie van Karel ende Elegast, het 19e eeuwse gedicht Jaromir te Praag van A.C.W. Staring en Het Fregatschip de Johanna Maria van Arthur van Schendel. En de inhoud en vormen van deze drie werken waren ons in vraag-en-antwoord zo ingeprent, dat ik ze nu, 45 jaar later, nog kan weergeven.
Zijn tweede les besteedde hij aan de Max Havelaar (zie videoclip). Achteraf enigszins opmerkelijk, omdat hij als fervente katholiek vrijwel uitsluitend katholieke schrijvers & dichters propagandeerde, w.o. nogal wat foute uit de 30-er jaren. Maar om de Max Havelaar kon en wilde hij niet heen. Hij begon met het vermaarde begin voor te lezen, waarin Sjaalman (de schrijver zelf) zijn pak teksten inlevert. Vervolgens schetste hij beknopt de historische context waarin het boek verschenen was: de onderdrukking van de indische inlander en de laksheid en onbekwaamheden van het NL-se bestuursapparaat.
Wij hadden weliswaar het literaire handboek van Knuvelder, maar moesten toch veel notities maken. Ik heb ze nog bewaard in een Gebrs. Winter-cahier. Als liefhebber van geschiedenis genoot ik en met mijn opkomende linkse opvattingen bewonderde ik de strijd die Eduard Douwes Dekker was aangegaan.
Op een koud zolderkamertje in Brussel had hij als een bezetene aan zijn boek gewerkt en daarin diverse stijlfiguren gebruikt. De schrijver Jacob van Lennep herkende het als meesterwerk, maar was als politicus ook beducht voor de impact die het kon hebben. Hij maakte voor de eerste uitgave namen en data met rode inkt onleesbaar. Het boek verscheen op 15 mei 1860.
De tweede les die de leraar-nederlands aan het boek wijdde, liet hij mij voor de klas het complete verhaal van Saidjah en Adinda voorlezen, waarschijnlijk omdat ik als één van de weinige eersteklassers mee had gedaan aan de voordrachtswedstrijd. Ik kende inmiddels het boek, dat in een uiterst goedkope pocketuitgave mijn bezit was geworden. Het tragische verhaal van de twee jonge indische verliefden had me ontroerd. Ik wist dat op m'n klasgenoten over te brengen. Ik heb altijd wel enige faam gehad om mijn emotionaliteit.
Veel over de persoon van Multatuli kwam ik pas later te weten. Hij kwam mij niet erg sympathiek over: licht geraakt, verongelijkt, ruzieachtig, excentriek, narcistisch, ongeduldig, maar zijn behandeling van zijn eigen vrouw vond ik het ergste.
Juist vandaag kocht ik in de bibliotheek voor €1,50 de afgeschreven biografie van Hans van Straten uit 1995. Het boek zag er praktisch nog ongelezen uit. Ik heb een hele stapel boeken om te lezen, maar deze krijgt voorrang.
Multatuli was niet blij met de ontvangst van zijn boek, die velen als een roman beschouwden. Het is een aanklacht en geen roman, fulmineerde hij. Hij zou in deze tijd waarschijnlijk een SP-er geweest zijn: een strijder tegen onrecht en sociale discriminatie.
De monumentale roman (656 pagina's) van Ildefonso Falcones heb ik op mijn vakantie in Egypte in drie dagen geboeid gelezen. Als liefhebber van geschiedenis en literatuur èn als fan van Barcelona, dat ik enige keren bezocht heb. De eerste keer op 10 juli 1993. Enige jaren geleden schreef blogger Buitendijks er twee prachtige artikelen over. Zeer de moeite waard om te (her)lezen.
De schrijver Falcones (1969) was advocaat in Barcelona en heeft na het volgen van een schrijversschool er vier jaar aan gewerkt. Na geleur langs diverse uitgeverijen en het schrappen van vele bladzijden is het in 2006 verschenen en een absolute bestseller geworden. Inmiddels zijn er twee miljoen exemplaren in dertig talen over de toonbank gegaan.
Ik ben er na het lezen kritisch over. Literatuur is het niet. Hoeft ook niet, al heeft het wel die pretentie. Het boek is eerder een histo-thriller, zoals ook landgenoot Ramon Zafon heeft geschreven. Het beschrijft het dramatische leven van Arnau Estanyol (1320-ca 1385), dat parallel loopt met de bouw van de Sa. Maria del Mar, waar op 25 maart 1329 aan begonnen wordt en die op 15 augustus 1384 wordt geconsacreerd.
Het is een heerlijk vakantieboek. Een aanrader. Dat wel. Meeslepend, spannend, beeldend, romantisch, ook wel melodramatisch. Wat ik er op tegen heb, is de wijdlopigheid, de veelheid aan feitenmateriaal en de (historische) onwaarschijnlijkheden. Arnau Estanyol is de zoon van de pachter Bernat en de latere prostituee Francesca, die van hun land verdreven worden en na een verborgen leven van één jaar en één dag de vrijheid krijgen in Barcelona. De opeenvolging van gebeurtenissen in het leven van de hoofdfiguur is teveel voor één leven. Van stenensjouwer (bastaixo) tot aanzienlijk man, die het met levensgevaar voor joden en verdrukten opneemt, hetgeen ook zijn maatschappelijke val veroorzaakt. Er zijn fases dat de schrijver er in snelheidsvaart enorme ontwikkelingen aan toevoegt. En als er ooit een tijd was, dat mensen die voor een dubbettje geboren werden nooit een kwartje konden worden dan is het wel in de Middeleeuwen.
De historische context boeit me. Het scharnierpunt in de 14e eeuw. De tanende macht van de feodale heren en de opkomst van de burgerij. Als zijlijnen de wankele status van joden en moren in de overwegend katholieke samenleving, de kwalijke praktijken van de Inquisitie. En bovenal beklemt de wreedheid van de machthebbers (burgerlijk en kerkelijk), dat Falcones filmisch beschrijft.
Koning Alfons IV van Aragon gaf onder instignatie van de schrijven Ramon Llull er opdracht voor. De bouwheren Berenguer de Montagut en Ramon Despuig hadden de leiding. Een prachtig exemplaar van de catalaanse gothiek. De bastaixos werkten er keihard aan en hadden er in gildeverband hun eigen kapel. De kerk werd gebouwd over de romaanse, die uit 998 dateerde.
Falcones weet op gedocumenteerde en beeldende wijze de diverse bouwfasen te beschrijven. Voor romanliefhebbers wellicht mindere passages, maar voor kunstminnaars heel informatief. Over de keuzes en crises tijdens het bouwen lees je niet zo vaak.
De eenvoudige plattegrond is een drieschepig langschip zonder uitspringend dwarsschip, waarbij de zijbeuken net als de tussen de schoorpijlers gelegen kapellen rondom het koor doorlopen, zoals ook in de iets oudere kerk in Manresa.
De spanwijdte van de vier middenschiptraveeën was met veertien meter sensationeel en werd slechts door de overwelving van de kathedraal van Segovia overtroffen. De zijbeuken zijn vrijwel even hoog en doen de kerk op een zaal lijken. Het esthetische hoogtepunt is de buitenste krans van pijlers in de apsis die het zonlicht filteren in een bovenaards lichtschijnsel.
Nog tijdens het leven van Arnau Estanyol vinden er kleine rampen plaats, zoals de verwoestende brand van 1379. Na zijn leven wordt de kerk in 1428 door een aardbeving getroffen. De zuidelijke toren komt pas in 1902 gereed. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1938) worden ramen en beelden vernield, maar de restauraties zijn voortreffelijk geslaagd.
De Kathedraal van de Zee wil ik nog één keer bezoeken. En alles heel intens (her)beleven. Nog dit voorjaar.
Vader Mayer was woedend en zijn dochter Ulrike kreeg huisarrest. Het zat er dik in dat de broertjes hadden geklikt. En dat er dus nóg iemand woedend was, én verdrietig, dat was evident.
De hele dag geen Ulrike te zien. Niet op de boerderij, niet op het erf en zelfs niet in de woonkeuken.
Tot mijn verrassing hoorde ik ’s avonds van de zonen Grüber dat er de volgende dag een bergtocht op het programma stond; de Blechstein Gipfel op en edelweiss zoeken. Ook de Mayers zouden meegaan: vader, de jongens Michael en Ulli en... Ulrike.
De volgende morgen paste ik op mijn tellen, hield gepaste afstand en kon het meisje alleen een paar keer laten figureren in een landschapsfoto. Daar kon haar vader moeilijk aanstoot aan nemen, dacht ik.
In de afdaling was ik de groep te snel af, tot ik in het sparrenbos voetstappen achter me hoorde en iemand mijn hand vastpakte: Ulrike. Ze hijgde in mijn oor: ‘Gitte ist heute abend nicht dar. Kommst du? Neun Uhr.’ En ze huppelde me voorbij.
Langzaam drong het tot me door wat ze bedoelde. Haar vriendin, de dochter van de boer, met wie zij een kamer deelde op de begane grond, zou naar een feestje in het dorp Neukirchen gaan en dat zou vast laat worden. Blijkbaar hadden de meiden het zo bekokstoofd.
Toen Ulrike even omkeek, gaf ik haar een teken en mijn lippen vormden de woorden ‘Abgesprochen.’

De kamer van Rinus en mij lag op de derde verdieping. Neun uhr. Ik telde de minuten af, mijn bloeddruk steeg. Misselijk van de spanning daalde ik om vijf vóór negen de zwak verlichte houten trap af. De slaapkamer van de Mayers bevond zich op de tweede. Sommige treden kraakten. Ik stopte en hield mijn adem in. Het enige geluid dat ik hoorde was het gebonk van mijn hart, wat als mokerslagen in mijn oren klonk. Voorzichtig sloop ik voorbij de deur van kamer 202. Erachter was het stil. Voetje voor voetje ging ik verder. ‘Krak.’ Onee, hé. Maar het licht onder de deur bleef uit.
Klam van het zweet bereikte ik eindelijk de kamer van Gitte en klopte zachtjes vier keer.
Ik hoorde de sleutel en voorzichtig ging de deur op een kier. ‘Ich bins,’ fluisterde ik vanuit de donkere gang, en wrong me door de kier naar binnen. Ulrike draaide de sleutel om en als uit één mond slaakten we een zucht van opluchting.
Haar lippen vonden de mijne in de hartstochtlelijkste kus die ik ooit had gekregen en zij duwde me achterover op het tweepersoons bed. Dat piepte en we stokten in onze bewegingen en spitsten onze oren. Geen geluid op de trap... of toch? Er tikte wat. Regelmatig tikken. Een klok.
Ulrike rukte aan mijn kleren, maakte mijn broek los terwijl ik onhandig met het haakje van haar bh zat te prutsen. Voortdurend onderbraken we ons voorspel en spitsten de oren.
Het enige licht op de kamer was dat van de maan, dat onderdoor de gordijnen viel; genoeg om haar prille borstjes te kunnen zien en voor haar mijn stijve lid.
‘Komm...’ hijgde ze in mijn oor. En: ‘Liebling.’
Onze lichamen vlochten zich ineen, tot... ‘Scheisse!’ De trap kraakte. Of was het de pendule. Wacht. De voetstappen verwijderden zich. Het tikken bleef.
Naast onze kamer bevond zich die van het ontbijt en tegen de tussenmuur hing de klok: ‘Tik-tak-tik.’
‘Warte’, hijgde ik en maakte me los. Ik liep op de tast naar de tussendeur, draaide de sleutel om en reikte even later naar het slingeruurwerk aan de andere kant van de muur. Ik opende het glazen deurtje en hield de slinger stil. Het tikken stopte.
De volgende ochtend.
Ulrike at met geloken ogen aan het andere eind van de lange ontbijttafel haar ontbijt met gebakken spek, temidden van haar lawaaierige broertjes en zusjes. Mutti hield haar nauwlettend in de gaten.
Tot onze ogen elkaar in een onbewaakt ogenblik ontmoetten. Ulrike keek naar de klok en ik volgde haar blik. De wijzers stonden allebei op de XI.
Vervolg op 'de knoop in de boom' en 'de ijsvogel'
Eindelijk brak de eerste dag van het nieuwe voorjaar weer aan. Garmt haastte zich langs het bekende pad en zo verlangend was hij op de markt aan te komen dat hij niet eens even pauzeerde bij het kleine boompje dat al aardig aan het groeien was.
Op de markt bleef dit jaar ook de plaats van het kruidenvrouwtje leeg. En hoe hij ook hoopte, het meisje kwam niet. Toen hij eindelijk de terugtocht aanvaardde drukte de teleurstelling zwaar op zijn ziel. Bij het kleine strandje viel zijn blik op de boom met de knoop en toen hij beter keek, zag hij een klein lapje witte stof geklemd in de kronkels van de stam. Hij knielde neer en zag de donkere vlek, en wist dat het haar bloed was. Tranen sprongen in zijn ogen en hij scheurde een kleine reep van zijn eigen blauwe boezeroen. Met de doorn van een braamstruik vlakbij prikte hij in zijn duim en liet de druppel bloed op de stof vallen. Hij vlocht ook zijn reepje stof door de knoop en sprak gefluisterde woorden.
De jaren gingen voorbij. En toen er meer dan zestig waren verstreken en het weer zomer was, kwam vanuit de kant van het dorp een in het wit geklede gestalte langzaam aanlopen langs de beek. Op de plek waar ooit een jonge man uit liefde een knoop in de boom had gelegd bleef de gestalte staan en keek onzeker om zich heen.
De omgeving was erg veranderd. Waar ooit kleine twijgjes hadden gestaan stond nu een bos met bomen die zo hoog als de hemel reikten. Maar één van de bomen vertoonde een vreemde knobbel in zijn stam en de gestalte legde haar handen op de stam en fluisterde zachte woorden.
Op dat moment kwam uit de struiken vanaf de andere kant een jonge man aangelopen. De gestalte slaakte een ijle kreet: ‘Garmt!’ en viel toen neer. De jonge man snelde naar haar toe en nam haar in zijn armen. Door de rimpels in haar oude gezicht zag hij de schoonheid die ooit was geweest en hij wist wie dit was. Hij vertelde zijn verhaal. Over hoe zijn grootvader Garmt hem had verteld over de grote liefde, dat eerst zijn vader en toen hij elk jaar een keer naar de boom gingen om van die liefde te spreken. En hoe hij haar meteen had herkend.
Maar zij hoorde hem niet meer.
De lange jaren die voorbij waren gegaan sinds haar vader had ontdekt dat zij zwanger was en haar in een klooster had opgeborgen waren van haar gezicht verdwenen. Voorzichtig droeg Garmt de Jongere haar naar het dorp.
In de tweehonderd jaren die volgden is het vaak gebeurd dat argeloze wandelaars vanuit het beekdal een bleke nevelsliert zagen opstijgen. De sliert kronkelde zich om een boom die eruit zag alsof een reuzenhand er een knoop in had gelegd. Vanuit het bos voegde zich een andere nevelsliert erbij. En de mensen griezelden, en spraken van witte wieven. Maar wij weten nu wel beter.
Link naar witte-wievenverhalen Renkum
Op loopafstand tegenover Walenburg, je hoeft eigenlijk alleen maar de weg schuin over te steken, ligt het fraaie landhuis Sandenburg. Vanaf de weg heb je goed zicht op het forse witte gebouw, dat rijkelijk toegerust is met leien daken, torentjes en kantelen.

Omdat we wel weer even de benen willen strekken en als onderzoekers naar de kastelen van de Wetering ook af en toe wat dieper moeten graven, besluiten we een poging te wagen om dit kasteel van dichtbij te gaan bekijken. We slaan een smal weggetje in waar weliswaar een bord 'Verboden toegang, uitgezonderd bestemmingsverkeer' bij staat, maar zoals Gerard terecht opmerkt: 'Wij zijn bestemmingsverkeer'.
Na een ruime bocht komen we bij een hek, waar we ook maar langs rijden, om op een ruime parkeerplaats te belanden. Daar stappen we uit en lopen wat vruchteloos rond. We hebben wel een bestemming, maar het is niet eenvoudig om er te komen. Het lijkt er op dat er een bedrijf op het terrein gevestigd is.
Een van de bijgebouwen wordt blijkbaar privé bewoond en een bordje verzoekt ons vriendelijk om niet door de tuin te lopen. Maar een duidelijke andere route is er ook niet. We zijn aan de grens van onze brutaliteit gekomen en stappen maar weer in de auto.
Het verging dominee Craandijk in 1883 niet veel beter: 'Bij afwezigheid van de eigenaar, graaf van Lijnden van Sandenburg, kunnen wij het inwendige niet bezigtigen en ons niet persoonlijk overtuigen of er, behalve het fraaije meubilair, dat in zulk een huis mag worden verwacht, nog merkwaardigheden van anderen aard zijn te vinden.'
Hij merkt op dat aan Sandenburg '…alles nieuw is te noemen.' En dat klopt, het huis was toen, net twintig jaar eerder, geheel opnieuw opgetrokken, in een neo-gotischestijl die wel de Tudorstijl genoemd wordt, naar het Engelse vorstenhuis dat die bouwtrant populair maakte. Maar van oorsprong is het wel een oud huis. Het werd al in de 14e eeuw genoemd en in de kern is waarschijnlijk nog middeleeuws muurwerk te vinden.
Craandijk noemt de graaf 'onze premier', maar Constant Theodore (1826-1885), anti revolutionair politicus, was geen minister-president. Wel minister van justitie, buitenlandse zaken en financiën. Een nazaat, mr dr F.C. Graaf van Lijnden van Sandenburg leidde van 1921 tot -25 een staatscommissie over de vaderlandse elektriciteitsvoorziening.
Ja, in dit grootse huis, volgens de dominee vormt het '…een rijk, maar wel wat overladen geheel…', hebben grote mannen geleefd. In het ruime, door tuinarchitect van Lunteren aangelegde park, staan nog een portierswoning, een oranjerie en een koetshuis. Het geheel is omgeven door een gracht.
Een stukje verder langs de Wetering staat, als contrast, een wel zeer bescheiden overblijfsel van een andere ridderhofstad. Een simpel vierkant poortgebouwtje overspant het water. Het heeft een eenvoudig pannendak en een zandstenen wapenschild. Hier achter lag ooit het huis Groenestein. 'Op het eikenplein daarachter ligt een boerenwoning (…). Gesloopt is het groote huis met zijn lagen vierkanten toren…'.
Nog wat verderop komen we aan een kruispunt. Linksaf gaat de weg naar Darthuizen, rechts naar Wijk bij Duurstede, rechtdoor en we komen in Overlangbroek. De dominee eet er wat in de inmiddels gesloten herberg:
'De snede brood met kaas en het glas bier voldoen aan de verwachting en de bediening is volgens belofte "prompt en vlug."'
We kunnen het helaas niet nadoen en rijden rechtdoor naar Overlangbroek en het laatste huis aan de Wetering.
NB: Dit verhaal is geschreven in 2002, de situatie ter plaatste kan veranderd zijn.
Tekening: Gerard Kuit
Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Prisma Lexicon dorpen en steden Benelux - 1984; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.
Zie voor recente foto's het blog van Kees Kasteel
Daar vind je ook foto's van het poortje van Groenestein
Meer informatie is te lezen op de site van gemeente Wijk bij Duurstede
En nog uitgebreider op absolutefacts.nl
Klik voor een luchtfoto van Googlemaps op deze link
In iedere winter zal het zich herhalen
’t Creperen van het rechteloze dier
Met honderden want daarom gaat het hier
De bioloog laat zich die tol betalen
Is het nu God of mens die mag bepalen
Wie dient de Dood als groot leverancier
Met de kadavers vrij in het vizier
Zwijgt onze overheid in alle talen
Een dieren Auschwitz blijkt hier te bestaan
Een Goelagarchipel niet ver vandaan
Plus een regering om dit alles goed te keuren
Het is precies wat dokter Mengele deed
Toen was het mens’, nu is het dierenleed
Schande het land dat zoiets laat gebeuren
Op 7 januari j.l. was het 31 jaar geleden dat Cambodja werd bevrijd van de Rode Khmer en de dictator Pol Pot.
Het Vietnamese leger speelde daarbij een grote rol. Het heugelijke feit wordt ieder jaar herdacht met partijbijeenkomsten in de grote steden en een vrije dag voor school en kantoor.
Op de politieke bijeenkomsten worden de bevochten waarden van vrijheid en democratie breed uitgemeten, vooral door de regerende CPP (Cambodian Peoples Party). Iedere weldenkende Cambodjaan (en krantenlezende Ceesincambodja) weet maar al te goed dat die zogenaamde vrijheid zeer subjectief is omdat de partij maar in één ding is geïnteresseerd: hoe houden we het volk onder de duim zodat wij stilletjes door kunnen gaan met onze zelfverrijking. (De oplossing is vervalsen van de verkiezingsuitslagen en intimidatie. Degene die mijn blog regelmatig leest, weet wat ik bedoel.)

Ik heb een paar mensen in Kleng Leu gevraagd naar hun beleving van bevrijdingsdag en welke herinneringen zij bewaren aan de tijd van Pol Pot. (De bekende gruwelverhalen over dwangarbeid en onderdrukking kent iedereen inmiddels.)
Maar het verhaal dat de meeste burgers volgzaam waren (waar heb ik dat meer gehoord) en met de Rode Khmer konden accommoderen, als je je maar onopvallend gedroeg, dat hoor je zelden.
Het (Maoïstische) communemodel was voor de simpele Rode Khmersoldaten heilig. Het eten werd eerlijk verdeeld aan de gemeenschappelijke tafels onder het afdak in het midden van het dorp, maar wie van honger stiekem een kip, kikkers of vis voor zijn eigen gezin had klaargemaakt, -als aanvulling op de schamele rijstsoep-, die kon rekenen op zware lijfstraffen (nadat hij of zij onder druk was verraden door een gezinslid). Na een derde overtreding werd hij geëxecuteerd in de bossen: doodgeschoten of (meestal) doodgeknuppeld (om kogels te sparen.)
Tijdens de avondsessies op het
centrale plein werden om zeven uur ’s avonds door de
commandant van de Rode Khmer de laatste verordeningen
geproclameerd.
Verhalen over kinderen die hun ouders, grootouders (omdat ze dollars of goud achterhielden, of andere kleren droegen dan de voorgeschreven zwarte eenheidskleding) of onderwijzers aangaven en die laatsten vervolgens zonder pardon voor het vuurpeloton kwamen. Mensen die sympathie koesterden voor een oude politieke partij of die weigerden om zo iemand te verraden, werden vaak doodgemarteld. (De S21-gevangenis in Phnom Penh is wel het beruchtste voorbeeld.) Vele miljoenen dollarbiljetten zijn door de Rode Khmer verbrand. (‘Imperialistische’ valuta.)
Desalniettemin, -zo vertelt men mij-, schikten de meeste mensen zich in hun lot en volgden gedwee de bevelen op van de onderdrukker.
Over de (volgens mij) afgeleide mentaliteit van de Cambodjaan van vandaag in relatie tot hun traumatische verleden schrijf ik een volgende keer.

De Langbroeker Wetering 9 - Nederlangbroek en Walenburg
De fraaie woontoren van Lunenburg staat vlak bij het kruispunt van de Langbroeker Wetering met de weg van Doorn naar Cothen. We steken over en komen direct in de kern van het dorp Nederlangbroek. Samen met het wat verderop gelegen Overlangbroek vormde dit lange tijd de gemeente Langbroek.
De Prisma's 'Lexicon van dorpen en steden' zegt dat er in 1983 bijna tweeduizend inwoners waren, die in hun levensonderhoud voorzagen middels tuinbouw en enige industrie. Na recente gemeentelijke herindeling valt het dorp nu onder Wijk bij Duurstede.
Dominee Craandijk slaakt, na al het doorstane kastelengeweld langs de Wetering, de verzuchting dat: 'In Langbroek - wij zouden haast zeggen: "gelukkig" niets te zien is. Vriendelijk ligt de kerk met haar torenspits op het pleintje bij het kruispunt der wegen, maar van binnen heeft zij niets bijzonders.'
Zo is het nu na ruim 100 jaar nog steeds. Er zijn een paar huizen bijgebouwd, op www.wijkbijduurstede.nl geeft de gemeente nu, in het voorjaar van 2002, als bevolkingsaantal voor Langbroek het cijfer 2066, maar verder ligt het dorp nog even rustig en onopvallend langs de doorgaande weg *).
Het is gesticht na het graven van de wetering in de 12e eeuw. Toen is ook de eerste kerk van Overlangbroek gebouwd, het huidige exemplaar is deels 15e- deels 19e eeuws. De meeste woningen dateren van rond of na 1900, maar toch is Langbroek beschermd dorpsgezicht. Dat zal wel door de kastelen komen.

We zijn het dorp nauwelijks uit of het volgende fraaie voorbeeld dient zich al weer aan: Walenburg, in aanleg weer zo'n typsiche Langbroekerweteringse, alleenstaande toren. Omdat er in deze buurt zo veel staan raak je een beetje afgestompt. Maar stellen we ons nu eens voor dat dit bouwwerk bij ons, in Soest, bij de Kleine Melm aan de Eem zou staan. Omgeven door donker geboomte, met zijn stoere uiterlijk, verweerde muren met maar een paar kleine raampjes. We zouden er elke dag likkebaardend naar gaan kijken en ons trots op de borst kloppen vanwege onze prachtige woontoren.
Helaas: hij staat in Langbroek. Niet dat de Langbroekers dat niet waarderen, maar jammer is het wel. Persoonlijk vind ik Walenburg misschien wel de mooiste toren van het hele stel. Dat maakt jaloers.
Maar ter zake: 'Voor ons ligt het donkere bosch van Sandenburg, dat zich ver in de rigting van de grooten straatweg uitstrekt en waartegen de rieten daken van schuren en hooibergen geestig afsteken.' Ja, ten tijde van Craandijk was het allemaal nóg mooier, dat weten we nu onderhand wel.
Maar de Walenburg stond er toen minder florissant bij, dat is dan weer in ons voordeel. 'Spoedig hebben wij nevens ons een laantje van sparren en jonge eiken en daarbij, in het akkerland, weer een van die kunstlooze vierkante torens (…). 't Gebouw ziet er tamelijk vervallen uit en wordt tegenwoordig alleen door duiven bewoond.'
De rond 1250 gebouwde toren, ooit het slot '…der heren Proijs en later de Ridders…' werd door de toenmalige eigenaar, de graaf van Lijnden van Sanderburg, zo'n beetje aan z'n lot overgelaten. Over zijn geschiedenis is niet veel bijzonders te vertellen behalve dat er een enorme reeks van eigenaren was voor het in 1803 gekocht werd door de van Lijnden van Sandeburgs.
Met zekerheid was er al sinds de 16e eeuw een huis, of misschien een flinke schuur, tegen de toren aangebouwd, die verder dezelfde indeling heeft als de eerder besproken Lunenburg. Een overwelfde kelder, die oorspronkelijk niet toegankelijk vanaf de begane grond, met daarboven een paar woonvertrekken.
In de tweede wereldoorlog leegden de Duisters de met zandgevulde kelders om ze als schuilkelder te kunnen inrichten, maar gelukkig werd Walenburg niet gebombardeerd, zoals Lunenburg. Na de bevrijding was de toren onder meer in gebruik als hammenrokerij en bonendrogerij.
In 1965 werd de toren gerestaureerd door E.A.Canneman, architect bij de Rijks Monumentenzorg, daarbij werd het bouwvallige huis bijna geheel opnieuw opgetrokken. Walenburg staat op een door een gracht omringd eiland. Op een tweede eiland is een door de vrouw van de restauratie-architect, E. Canneman - Philipse, ontworpen tuin aangelegd. Later huurden de Cannemannetjes de toren en gingen er wonen. De bofkonten…
NB: Dit verhaal is geschreven in 2002. De situatie ter plekke kan veranderd zijn...
Tekening: Gerard Kuit
Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Prisma Lexicon dorpen en steden Benelux - 1984; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.
*) Volgens de website van de gemeente Wijk bij Duurstede staat momenteel het inwonertal van Langbroek op 2110 .
Op dezelfde site ook een pagina over Walenburg
Zie ook het weblog van Kees Kasteel met recente foto's
“Erben Wennemars gaat niet voor de vierde keer naar de Winterspelen. Ook niet als Sven Kramer hem een vluchtweg biedt.” (Uit: de Volkskrant, SPORT, pagina 22)
Erben Wennemars ken ik persoonlijk niet. Wel heb ik hem steeds gevolgd via de media.
Ooit was ik schoolkampioen schaatsen bij de jongens. In Dalfsen. En wie was toen kampioen bij de meisjes (“meiden” moet je tegenwoordig zeggen)? Zijn tante! De oudste zust van zijn vader, ook een sportman, van Erben. Zijn tante was toen misschien wel net zo fanatiek en net zo rap (snel).
Maar ik wilde het hebben over “uit een goed nest komen”.
Toen ik las:
“Ik zal nooit de plaats van Sven willen hebben. Ik ben achtvoudig wereldkampioen. Ik heb nooit iets gekregen. Ik koop ook niks. Ik wil het verdienen. Ik wil geen zielige oude man zijn. Sven voelt zich misschien lullig, maar hij moet rijden,” moest ik dit schrijven.
Om dit te kunnen zeggen, past bij een "Wennemarssie”, dacht ik toen direct.
Wat ik wel jammer vind (ook voor hem natuurlijk), is dat hij op een andere manier afscheid van de schaatssport had kunnen (moeten) nemen.
Deelname aan de ploegachtervolging is misschien nog een optie!?
Ja, waaom eigenlijk niet.
Nog een medaille en een prima (en stijlvol) afscheid van de schaatssport is hem toch van harte gegund! Hij verdient het gewoon.
Dus we verzonnen een list, Ulrike en ik.
‘Waar goat ie heen, Cees?’ vroeg Thea, de vriendin van Paul die uit Twente kwam, nadat we samen hadden ontbeten.
‘O eh, even een eindje lopen,’ zei ik vaag.
‘Ja ja,’ glimlachte ze met een heimelijk knipoogje. Thea had me door.
Ulrike was de ontbijtkamer een paar minuten eerder uitgeglipt, toen ik een sjekkie zat te pielen.
Een kwartiertje later wachtte ik, halverwege het karrenspoor waar dat het sparrenbos inliep; niemand kon me hier meer zien vanuit het pension. Mijn hart klopte wild en dat was niet van vermoeidheid want ik had een conditie als één van de bergrammen –mijn sterrenbeeld. Zou ze komen?
Ze kwam! Maar wel met de broertjes Michael en Ulli in haar kielzog. Verdraaid! Jansen & Jansen, gestuurd door haar ouders.
‘Gruss dich Cees.’
‘Wie... wie gehts Ulrike?’ stotterde ik.
En dan, wat kon ik nog meer zeggen? Mijn Duits was niet om over naar huis te schrijven. De enige woorden die ik me met moeite herinnerde, dateerden nog uit de tijd van het Klein Seminarie, de Mattheus Passie en uit de verhalen over de oorlog van mijn vader.
Ulrike praatte honderduit, zo nu en dan een woedende blik over haar schouder werpend, in de richting van de jonge detectives, die op een metertje of tien achterop ons probeerden bij te houden. Over haar geboortestad Osnabrück, over de middelbare school, haar vele vriendinnen en de familie.
Ze pakte mijn hand en zette er flink de pas in. Ik kneep liefdevol in haar kleine hand, zo onze prille relatie bevestigend. Het pad liep steil omhoog en we hijgden allebei tussen de woorden door. De betekenis van de helft van haar woorden ontgingen mij, maar dat kwam meer door de taal dan vanwege onze snelle tred. Ik knikte zo nu en dan begripvol als zij me vragend aankeek, waar het soms ‘Nein’ moest zijn, waarop Ulrike in de lach schoot, -haar aanstekelijke, meisjesachtige lach. Ik zou haar willen kussen, maar ja, de broers. Driftig schopte ik een paar sparappels voor me uit. Ik begon te zweten. De zon klom boven ons hoofd en er stond geen zuchtje wind.
Het bospad maakte een scherpe bocht naar links: de jongens konden ons ternauwernood volgen, en dat was precies haar bedoeling.
Toen we een groot rotsblok rondden, zagen we onze kans schoon en doken de manshoge varens in. Achter de kei trok Ulrike me omlaag, ik ging door mijn knieën en ze legde –geheel overbodig- een vinger op haar lippen.
De list werkte, de jongens liepen hijgend door, op een drafje nu, en verdwenen uit het zicht.
Eindelijk was de kust vrij, -voor zolang het duurde. Voor ik me erop had voorbereid, sloeg Ulrike haar armen om me heen en kuste me zonder aarzelen op mijn mond. O jee, mijn snor, geneerde ik me, maar zij had al een tongzoen ingezet en ze greep me zachtjes in mijn kruis. Vergeet die snor. Ik legde een hand rond haar kleine borst, ze droeg verdorie een bh! Eer ik die...
‘Ach du scheisse!’ klonk het opeens achter het rotsblok.
De broers! Onze kleren schikkend, rezen we op en deden net of we verstoppertje speelden, maar of de jongens daar in zouden trappen, betwijfelde ik. Michael, de oudste van de twee, lachte als een boer met kiespijn terwijl hij naar het scheefzittende truitje van zijn zus wees.
‘Wenn du noch ein wort sagst dann töte ich dich,’ beet Ulrike hen toe, en dat Duits verstond zelfs ik.

(Wat eraan vooraf ging.)
...Mijn pas gekochte bergschoenen riepen om aangeregen te worden.
Na een stevig ontbijt in het tot Frühstück Zimmer omgebouwde souterrain, kwam de Wanderkarte op tafel en een uurtje of zes later keerden we vermoeid maar voldaan (én met een film vol dia’s) huiswaarts, zonverbrand en met blaren op mijn hielen, zo groot als rijksdaalders.
Na een verfrissende douche, zetten we ons aan een grote pul Goldbrau-Bier en verwerkten de opgedane indrukken, terwijl we uitkeken op de berg –zij mocht geen naam hebben- die we die ochtend hadden beklommen.
Toen stopte er een auto, een Duitse Ford Taunus 20M.
‘Moet je kijken,’ zei Paul grinnikend. Ik keek over mijn schouder. Uit de vier deuren puilden Vati, Mutti en een stuk of acht kinderen naar buiten. Het bleken er zelfs na telling negen te zijn.
De oudste, -een niet onaardig meisje van een jaar of zestien-, ontfermde zich over de kleinste broertjes en zusjes, terwijl twee frisse jongens van een jaar of twaalf, dertien de koffers naar binnen sjouwden; niet nadat de familie als de beste vrienden was omhelst door Frau Grüber en haar zonen.
Aan onze terrastafel was klaveren troef en de jongste zoon des huizes haalde meer bier. ‘Haben sie auch etwas von bitterballen?’
‘Wass bitte?’
De oudste dochter van de Duitse familie Mayer keek met onverholen nieuwsgierigheid toe hoe wij kaartten. En toen mijn blikken die van het meisje kruisten, gaf ze mij een knipoogje. Ik kreeg het er warm van, sloeg gauw mijn benen over elkaar en troefde in. ‘Driekaart-stuk!’
Het zal een vuiltje in haar oog zijn geweest, dacht ik.
Verder
De volgende morgen zouden we de boer helpen met het hooien, wat erop neerkwam dat eer wij ontbeten hadden, de Grübers de volle hooiwagen al voorreden. Handen uit de mouwen.
De Mayer-broertjes klommen op de
hooizolder om de schoven op te vangen en tot mijn opluchting
hielp Ulrike ook mee. ‘Grüß Gott’ riep zei
ze me stralend toe, terwijl ze speels met haar hooivork op de
mijne instak. Het klikte tussen de stalen tanden en, -ik kreeg
een rooie kop-, ook tussen ons geloof ik. Zij was een spontane
spring in 't veld, goedlachs, en met dat korte rokje en die
grappige kuiltjes. Ik was verliefd, of het scheelde niet
veel.
De zon stond al ver boven de bergtoppen, we waren bestoft en nat van het zweet, toen we de oogst van de alm onder dak hadden.
Broertje Michael maakte grapjes over zijn zus en mij. Was het te zien? Blijkbaar.
Toen we even later aan het bier
zaten en Ulrike en ik voorzichtig onder tafel knietje zaten te
vrijen, kwam de jongen met een ernstig gezicht zijn zus roepen.
Ulrike moest bij haar vader komen, en wel
‘Sofort!’ Onze vriendschap was niet
onopgemerkt gebleven, of de jongens hadden 'geklapt'. In de verte
klonk het gerommel van naderend onweer.
Onheil.
Die avond schoof ik met een zwaar
gemoed, samen met mijn reisgenoten in de oude woonkeuken aan voor
de gezamenlijke eenpans-maaltijd. Ulrike zat een beetje bedrukt
helemaal aan het andere eind en ze vermeed mijn blik en de
kuiltjes in haar wangen bleven weg.
De volgende ochtend liep ik de
broertjes tegen het lijf en vroeg langs mijn neus weg of er iets
was met hun zus. De jongens grinnikten geheimzinnig en lieten na
aandringen van mijn kant los dat Vati niet wilde dat
Ulrike met mij omging. Op mijn: 'Warum nicht?' haalden
ze hun schouders op.
Da's mooi kut! dacht ik.

Toen in 1976 de kogel door de kerk was en de regering Den Uyl en het parlement had gekozen voor een halfopen Oosterschelde, stonden de stalen pylonen van de afgeblazen kabelbaan in de weg. Ze moesten er uit. Makkelijker gezegd dan gedaan.
Aannemer Smit-Tak nam de uitdaging aan. Wij Deltadiensters hadden er echter een zwaar hoofd in want hoe krijg je de enorme, stalen pylonen die op sommige plaatsen tot wel 15 meter diep in de zeebodem staken, er zogauw weer uit?
De pas van de werf gelopen grootste drijvende bok van Europa, de Taklift 4, moest dat karwij klaren. Het nog naar scheepslak ruikende gevaarte vertrok uit Rotterdam en moest de basculebrug uit de Zeelandbrug takelen om zichzelf door te laten, op weg naar stroomgeul de Hammen.
Het eerste karwei bestond uit het weghalen van de afgebrande opzetstukken van de pylonen (Foto 1). Er werden (bolle) deksels op de enkele meters boven water uitstekende Mannesmannbuizen gelast en speciale hijsogen bevestigd, zodat er met zware compressoren druk in de afgesloten pyloon kon worden opgebouwd.
De zwaarste kabels werden in de onderste giek gestoken: het goliathwerk kon beginnen.
Aan boord van de meetboot waarop ik werkte (de Spida, foto3), maar ook aan de wal werden weddenschappen afgesloten.
De motoren van de Taklift brulden, de lieren knarsten en piepten en de kont van het schip ging een paar meter omhoog maar geen sjoege.
Twee dagen en nachten hing de waterkraan met zijn gewicht van een paar duizend ton in de kabels.
Totdat op een vroege herfstachtige ochtend de scheepshoorns van de Taklift 4 en de hulpschepen loeiden: de H6 hing in de hijs, zachtjes wiegend in de ebstroom; het was ze verdorie gelukt!
In de directiekeet aan de wal wisselden de sloffen Samson en flessen Bokma van eigenaar.

Vanavond is het weer zover...bij zonsondergang zal weer de eerste kaars worden ontstoken die de aanvang in zal luiden van het feest van het licht.....vele landen vieren een feest dat te maken heeft met vuur en licht...dat waren immers belangrijke en sterke symbolen in de oudheid.
Het feest van het licht , Chanoekah , is voor het Joodse geloof echter een herdenking van een voorval dat alles te maken had met de overwinning van Jehuda de Maccabeer op de Grieken...lees hier het hele verhaal.
De Menora's , waar de kaarsjes in komen , heeft vele uitvoeringen en de kaarsjes zijn vaak ook kleurijk.
Traditionele gerechten voor deze dagen zijn niet voor mensen met een dieet of met een hoog chlorestrol gehalte....er zijn Soefganiot., de Joodse uitvoering van de Oliebol.....en een soort van aardappel rösti de Latkes...alles te maken met olie...wat weer te maken heeft met het verhaal van Chanoekah...
Als je dus vanavond onderweg naar huis ergens in een venster een Menorah ziet staan met 2 kaarsjes erin dan weet je dat in dat huis Chanoekah gevierd wordt....
Chanoekah Same'ag!
‘Lunenburg is een fraaije, deftige plaats, met trotsche lanen en waterpartijen. (…) Maar het is er stil en doodsch. De vensters van het statige, moderne grijsgeele huis zijn gesloten. (…) Maar het zou nog altijd een bekoorlijke lustplaat zijn voor en aanzienlijke familie, vooral als de bijl hier en daar wat ruimte maakte in het al te digt begroeide plantsoen.’ Aldus dominee Craandijk in 1883.
Voor wie het huidige Lunenburg kent moet deze omschrijving vreemd overkomen. Een modern gepleisterd huis ? Lunenburg is toch die mooie bakstenen woontoren ? Dat klopt, maar zoals het er nu uitziet zou Craandijk het weer niet herkennen.

Oorspronkelijk bestond de ridderhofstad Lunenburg uit een vrijstaande vierkante woontoren, met muren van anderhalve meter dik, waarin kleine raampjes wat spaarzaam daglicht binnen lieten. De ingang was op de eerste verdieping en die kon je alleen bereiken over een houten brug, die in tijd van nood weggehaald kon worden.
De kelder, eigenlijk de begane grond, was alleen toegankelijk door een luik in de vloer van de eerste verdieping. Om deze donjon heen stonden woongebouwen, stallen en schuren. Het geheel was omgeven door een gracht en vormde zo een goed verdedigbare herenboerderij.
Al in de 14e eeuw wordt Lunenbrug genoemd. Eerst als eigendom van de Utrechtse familie Proijs. In 1375 komen we Aerent van Lunenburg Knape als eigenaar tegen. Later is het in bezit van het geslacht de Ridder. In 1750 komt het in handen van Frans Godard baron van Lijnden van Hemmen, in wiens familie het ruim 130 jaar zal blijven.
‘De toren was reeds bouwvallig’, schrijft Craandijk. ‘Thans schijnt hij gesloopt. Er is althans van den weg niets van te zien en de gelegenheid ontbreekt ons, om ons te vergewissen, of hij welligt achter het huis zijn grijzen trans nog verheft.’
Indien de dominee meer tijd had gehad dan had hij kunnen constateren dat ook achter het huis geen spoor meer van de oude versterkingen te vinden was. Algemeen werd aangenomen dat rond 1860 de toenmalige erfgenaam, J.H.F.K. van Swinderen, de hele boel had laten slopen en er een modern landhuis voor in de plaats gezet had.
In mei 1940 nemen Duitse militairen hun intrek in het landhuis. Gaandeweg de oorlog drinken ze zich door de voorraden in de wijnkelder heen, richten vernielingen aan en stelen zelfs de klok van het dak. Later biedt het geplunderde huis onderdak aan 20 fraters en 60 schooljongens, die uit de st Gregoriusstichting in Zeist, verdreven waren.
Omdat er nog legerwagens in het park geparkeerd staan wordt het landgoed, op het eind van de oorlog, door de geallieerden gebombardeerd. Na de oorlog is het huis enige tijd gebruikt als opslag voor fruitkisten.
In 1958 overlijdt de eigenaar, mr. Eibergen Santhagens, hij laat het landgoed na aan zijn secretaris Jacobus Kosterman. Deze is financieel niet in staat om het zwaar beschadigde huis te laten restaureren en vraagt, ten einde raad, een sloopvergunning aan.
Door de bombardementen is echter in het hoofdgebouw zwaar middeleeuws muurwerk aan het licht gekomen. Onderzoek leert dat de oude donjon nog in zijn geheel aanwezig is, onder de 19e eeuwse pleisterlagen. Met behulp van Monumentenzorg koopt de K.F.Hein Stichting het landgoed aan en laat de toren restaureren.
Naar voorbeeld van oude afbeeldingen wordt een nieuw huis opgetrokken, naast de oude toren die zijn houten trap en kantelen weer terugkrijgt. In 1971 wordt het geheel aangekocht door P. Fentener van Vlissingen die er met zijn gezin gaat wonen.
En zo staat de mooie toren van Lunenburg er al weer dertig jaar bij, alsof hij er al sinds de middeleeuwen in al zijn glorie zo gestaan heeft. In werkelijkheid waren zijn oude muren bijna honderd jaar aan het zicht onttrokken en danken we zijn terugkeer in de openbaarheid aan betreurenswaardige oorlogshandelingen. Maar, zoals een bekende Vinkeveense filosoof al zei: ‘Elk nadeel heb zijn voordeel.’
NB: Dit verhaal is geschreven in 2001. De situatie ter plekke kan veranderd zijn...
Tekening: Gerard Kuit
Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.
Meer informatie over Lunenburg vind je op de website van gemeente Wijk bij Duurstede
Zie ook: Kastelen in Nederland
Een aantal goede foto's staat op het weblog van Kees Kasteel
De Langbroeker Wetering 7 - Een ongekende kasteeldichtheid
Langs de Langbroeker Wetering staat een voor Nederland unieke reeks middeleeuwse versterkte huizen en woontorens. De moderne toerist kan er, op nog geen 8 kilometer rijden langs de vaart, een stuk of zes bekijken. Maar oorspronkelijk waren er nog meer. Als je vanaf Sterkenburg richting Langbroek rijdt kom je voorbij Molenstein en Rhodensteyn, tegenwoordig alleen nog boerderijen die de oude naam dragen.
Voorbij
het dorp Nederlangbroek staat nog een oud poortje van de
verdwenen ridderhofstad Groenesteyn. En wat verder van de
wetering, maar binnen een straal van 10 kilometer, vindt je nog
het huis Doorn, kasteel Moersbergen, de woontoren van Natewisch
en het kasteel van Wijk bij Duurstede.
We kwamen al voorbij Rijsenburg, Weerdenburg, Rhijnestein en Hardenbroek. Maar dat is nog niet alles, want een klein stukje verder naar het noordoosten liggen nog kasteel Amerongen en bij Leersum het in de tweede wereldoorlog platgebombardeerde Zuylenstein en het huis Broekhuizen. Een ongekende kasteeldichtheid, waar we nog het nodige van te zien zullen krijgen.
Maar zoals gezegd: eerst komen we voorbij Molenstein. In Craandijks tijd stond hier een houten korenmolen, waar het landgoed zijn naam aan dankte. ‘Daar ligt het ouderwetse huis Molenstein, met zijn prachtige linde en het jaartal 1785, in zijn gevel. Daar herinnert een schuur met haar torenspitsje, in de vorm eener kapel gebouwd, aan de oude kapel van Hardenbroek, die eens ter plaatse heeft gestaan.’ De linde konden wij niet ontdekken, maar de kapelvormige schuur, de ‘duivenkapel’, zoals Gerard hem noemt, staat er nog steeds, middenin het weiland.
Er schuin tegenover ligt Leeuwenburg: ‘…een zeer aanzienlijk, smaakvol aangelegd en uitstekend onderhouden buitengoed…’ in 1657 gebouwd voor Gerard van Zoudenbalch. Van oorsprong niet middeleeuws, dus: ‘…ditmaal geen ridderhofstad, maar toch reeds in de vorige eeuw als een deftige lustplaats vermaard. Het fraaije roodsteenen huis is van trotsch geboomte omringd en daarachter ligt een groot bosch, dat tot de bosschen van Moersbergen doorloopt.’ En zo is het nu, na 120 jaar nog steeds.
Het volgende echte kasteel heet Hindersteyn en dat is er weer een van het vertrouwde Langbroekse type: een in de 14e eeuw gebouwde, vierkante woontoren, waar in de loop van tijd het een en ander aan verspijkerd en vast gebouwd is. Het was ‘…van ouds een Gaesbeeksch leen. De stichter van het slot schijnt, blijkens het wapen, tot het geslacht van Wulven te hebben behoord.’
In 1375 wordt een Willem Suyrmond van Heyndersteyn genoemd. Halverwege de 15e eeuw was het kasteel in handen gekomen van Berndt Grauwert en nadien wisselde het nog een aantal maal van eigenaar. Het huidige uiterlijk dankt het aan ingrijpende verbouwingen in de 19e eeuw en een fikse restauratie tussen 1976 en ’89.
Het is een merkwaardige mix van middeleeuws en neogotiek, met een trapgevel en spitsboogramen, gedeeltelijk nog omringd door de oorspronkelijke slotgracht. ‘Met zijn bloemtuin en de hooge populieren, die in de nabijheid oprijzen, sluit het zich als een deftige huizinge aan de landkasteelen langs de Wetering aan, al staat het in omvang en luister bij anderen achter.’
Aan de overkant van de Wetering stond eertijds de ridderhofstad Rodenstein, in Craandijks tijd al een vervallen buitengoed. Hij vertelt dat het te koop stond, maar dat een van de weinige gegadigden aan een blik vanuit zijn koets genoeg had om te zien dat het niet aan zijn verwachtingen beantwoordde. ‘Met den eersten trein den besten spoorde de vreemdeling weer huiswaarts.’ Het huis moet spoedig daarna gesloopt zijn. De dominee meldt: ‘… een oude stalling en enkele hooge, verwilderde boomen. Dat is alles, wat aan de voormalige ridderhofstad herinnert.’
Maar niet getreurd, aan onze kant en maar een klein stukje verder ligt een van de mooiste woontorens van de streek. Het fraai gerestaureerde Lunenburg. Maar daarover meer in de volgende aflevering van onze reiskroniek.
NB: Dit verhaal is geschreven in 2001, de omstandigheden ter plaatse zijn mogelijk veranderd.
Een groot deel van de hierboven genoemde kastelen is terug te vinden in de lijst van kastelen, op Wikipedia.
Hindersteyn heeft een eigen website. De tuinen, met slangenmuur, kassen en doolhof zijn te bezoeken.
Een aantal goede foto's van Leeuwenburg vind je op
het weblog van Kees Kasteel
Tekening van het poortje van Groenesteyn: Gerard Kuit
Op de website van de gemeente Wijk bij Duurstede vond ik het volgende spookverhaal:
Vroeger, toen het kasteel nog in volle glorie aan de Wetering stond, werden 's avonds om 10 uur de deuren in het poortje afgesloten. Men zegt, dat eens op een warme zomernacht, twee meisjes uit het kasteel het poortje hebben geopend en naar buiten zijn geglipt om langs het water te spelen. Door een noodlottig ongeval, waarvan niemand de oorzaak kent, zijn ze te water geraakt en verdronken. Sindsdien deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat op warme zomeravonden de poort vanzelf open ging en twee schimmen doorliet, die daarna geruime tijd langs de waterkant in het gras werden gezien. Toch waren 's morgens, als de poortwachter naar buiten kwam, de deuren weer gesloten. En de bewoners van de omliggende boerderijen bezwoeren, dat ze de meisjes die nacht langs het water hadden gezien. De deuren zijn na de restauratie niet meer aangebracht.
Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.
Het was hun stal, dat regelde een knecht
Wat zochten vreemden in dit onderkomen
Hun krib met voedsel in beslag genomen
Hoe kwam in Gods naam hier dat stel terecht?
Een kleine rakker in 't stro gelegd
Met pa en ma er bij, laat hem maar dromen
De dieren hebben niets meer ondernomen
Wat wisten zij van wat eens was voorzegd?
Ze knabbelden aan wat er over was
Hier viel een hoop, daar spetterde een plas
Zo wordt een nieuwe godsdienst soms geboren.
Maar zie: de os wordt immer taaie kracht
En koppigheid de ezel toegedacht
Misschien waren ze daarom uitverkoren
Kerstmis 2009
Een snelstromende zeearm afsluiten is geen sinecure, dat beseft iedere Batavier uit de Lage Landen. Maar het moest toch. Deltawet, weetjewel.
En gaandeweg kregen we het spel onder de knie. Na wat geoefend te hebben in het Veerse Gat, konden we aan de Grevelingen beginnen.
Laten we het eens heel anders
aanpakken, dachten de ingenieurs, en ze bouwden een kabelbaan, om
zo de geul geleidelijk met stenen te sluiten. Het ging en eenmaal
de smaak te pakken werden de stalen pylonen gedemonteerd en
verscheept, om er vervolgens het Haringvliet mee te
dichten.
Het Brouwershavense Gat was van een andere dimensie. Met
de ervaring en de voortschrijdende techniek bouwden we er de
grootste kabelbaan van Europa, niet bergop maar van noord naar
zuid. (Ik heb er woensdag al
foto’s van laten zien.)
‘Ging het ook wel eens fout?’ vroeg
Icarusblauwtje in een reactie op mijn blog. Ja,
dat deed het. Hier bijvoorbeeld:
Om een stroomgeul als het Brouwershavense Gat geleidelijk af te
sluiten zonder dat de zandbodem aan weerszijden door de
dagelijkse eb- en vloedstroom gevaarlijk uit zou schuren, was het
zaak om het verhang zo gelijdelijk mogelijk te laten oplopen en
een systeem te bedenken waarbij de dosering van stortsteen laag
voor laag werd opgebouwd.
Zelf werkte ik als waarnemer aan boord van een directievlet,
waarmee we de voortgang (diepte, profiel en ontgrondingskuilen)
dagelijks peilden met het echolood, totdat we er zonder
kleerscheuren niet meer overheen konden varen.
Om de blokkendam volgens het door het Waterloopkundig
Laboratorium uitgekiende systeem op te bouwen was er een
richtpost-op-poten in het water geplaatst, een kilometer ten
oosten van de kabelbaan. In het keetje stond een kwadrant met
gradenverdeling en de richtopzichter las van een tabel af waar er
gestort moest worden en hoeveel blokken. Door de sector op het
kwadrant in te stellen konden de gondeliers zien wanneer het rode
licht veranderde in groen, waarna ‘lekko!’,
de zes blokken werden gestort. Simpel. Totdat...
We draaiden maandenlang in continudienst en de opzichter-richters
gingen twaalf uur op, twaalf uur af, een routineklus.
Op die bewuste avond trok mijn collega D. de W. zijn zwemvest
aan, werd door directievlet de 'Repart' afgezet op de
richtpost en nam de dienst over van collega Hans K.
D. pakte broodtrommel, appel en
twee flesjes Heineken uit zijn aktetas, zette zijn
transistorradiootje aan en ging er eens lekker voor zitten.
Biertje. En dát had hij beter niet kunnen doen want D. sukkelde
rond middernacht in slaap.
Toen het licht werd zag de net in de directiekeet gearriveerde
technisch hoofdambtenaar tot zijn afgrijzen in de verte een niet
onaanzienlijke piramide van betonblokken boven het water
uitsteken. Hij greep de marifoon en schreeuwde D. wakker: te
laat! De richtlichten waren urenlang op dezelfde sector blijven
staan waardoor alle blokken op één hoop terecht waren
gekomen.
Het scheelde een haar of mijn collega was ontslagen. Als richter
hoefde hij in ieder geval nooit meer terug te komen en hoe de
disciplinaire straf eruit zag die hij aan zijn broek kreeg, dat
vertelt het verhaal niet.
Eens even zoeken in mijn archief of ik er nog beelden bij kan
vinden. Van de piramide kan ik geen negatief vinden; we moesten
ook vaak elders meten op de werken.
(Nikkon F2 met 50 mm. Ilford
FP4 film, thuis ontwikkeld en de negatieven vandaag opnieuw
gescand. Uit de serie ‘Gered uit de kliko’. Voor
Klaphek:
mijn camera's.)
Met gevaar voor natte voeten
maakt collega Bart van Eyck van de MD foto's voor
RWS
De Geopotes IV voert grof zeezand aan om de
blokkendam waterdicht te maken
Ze zeggen dat ik niet op het feest mocht komen en dus uit wraak handelde, maar dat is niet waar. Er is een orde in de chaos die ervoor moet zorgen dat verandering optreedt zodat groei mogelijk is. Stilstand is achteruitgang. Als we nog steeds met zijn allen in Asgard mede hadden zitten drinken, wat zou er dan van de mensheid in Midgard terecht zijn gekomen? Die zouden allang van verveling gestorven zijn.
Nee, er was een plan en dat plan bestond al heel lang maar moest enkel ten uitvoer gebracht worden. En ik was het instrument. Ik heb daarvoor niet gekozen, ik werd daarvoor gekozen. Vraag mij niet door wie. Wie stuurt het Lot? Het rad draait en bereikt onontkoombaar het punt waarop iets moet gebeuren. Hoe dan ook. Had ik het niet gedaan, dan was het een ander geweest. In die zin ben ik een bereidwillig offer geweest. Want ja, ik kan bijzonder slecht tegen verveling dus actie is zeg maar echt mijn ding.
Ik ben Loki. Ik word genoemd de plaaggeest, ik word zelfs genoemd de duivel en ik word verdoemd. Maar ik weet beter en ook mijn Geliefde Sigyn weet beter. En eigenlijk weet u, lezer, ook wel beter. Ben ik u niet diep in uw hart sympathiek? Kunt u zich niet beter met mij vereenzelvigen dan met een van de bravere Goden? Herkent u niet, stiekem heel diep van binnen, iets van uzelf in mij?
En daarom geschiedde wat er moest geschieden. Er was een feestmaal bij de Goden. Elke vrijdag gebeurde dat in één van hun paleizen, na twaalf vrijdagen waren ze rond en begonnen opnieuw. Geen dertiende vrijdag, nee, gewoon weer bij één.
Ik was weer eens niet uitgenodigd, ik had iets ondeugends gedaan, ik weet niet meer wat. Ik herinner mij nog dat ik een merrie was geweest en daardoor een groot bouwwerk had verstoord door de hengst die moest helpen bij het sjouwen af te leiden. Maar hé, had dat Odin niet een leuk zesbenig veulentje opgeleverd? Nou dan. En er was iets met gouden appels die ik niet mocht verstoppen. Dat moeten ze nodig tegen mij zeggen: mag niet. Wat zou u dan doen? Toch?
Dus de twaalf Goden zaten bijeen. Ze aten en ze feestten weer, maar eerlijk is eerlijk, ik stond buiten en hoorde dat gezwets en ik kon er weinig vrolijkheid in ontdekken. Het was een feest zoals er al zovéél waren geweest en zoveel nog zouden volgen. Er moest dus iets gebeuren. Hoogste tijd voor verandering. Dus ik bedacht een spel. Ik riep Hodr, de blinde goedzak die ook allang genoeg had van het eten, en stelde hem voor lekker te gaan boogschieten. Daar had hij wel oren naar, hij stelt zijn eigen kunde altijd graag op de proef. Het lukte hem telkens in de roos te schieten, ondanks zijn blindheid. Dus maakte ik het hem moeilijker. Ik draaide hem een paar keer om zijn as en stelde hem weer op in de richting van de roos. Weer raak! Toen draaide ik hem weer en stelde hem op in de richting van …. de feestzaal. Daar leegde zijn broer Baldr de Goede, de Schone, de Lichte juist zijn zoveelste beker mede en zette hem met een klap op tafel. Tegelijk vloog hem een pijl, gezonden door de boog van Hodir, in het oog. Báf. Dood!
En toen had je de poppen aan het dansen. De Goden dus. Kwaad dat ze werden! Ik had de zonnegod gedood, de lentegod, de warmtegod, de liefdegod. En allerlei dingen begonnen te gebeuren, niet alleen in Asgard maar ook in Midgard, de wereld der mensen. De vrolijke lichte lentekleuren verkleurden naar donker, bloemen vielen af, zaad vormde zich in bloemen en planten, bladeren vielen af en een kille storm blies ze in het rond. Toen viel de sneeuw als een witte lijkwade en iedereen jammerde dat de Eindtijd, het grote gevreesde Ragnarok nu was aangebroken.
Maar nee, Baldr werd gewoon ten grave gedragen en eindelijk kregen de seizoenen de kans hun loop te volgen. Na lente kwam zomer kwam herfst kwam winter en kwam gewoon weer een nieuwe lente. Een andere lente. Een gegroeide lente.
Maar goed. Iemand moest de schuld krijgen. Dat was ik dus. De dertiende gast op dat vastgeroeste vrijdagse feestavondje.
Sindsdien staat vrijdag de 13e in een kwade reuk. Sorry, kan er niets aan doen. Maar anders was het misschien wel maandag de 11e geweest, of dinsdag de 17e. Hoewel die laatste dag in andere landen, waar ze mij niet kennen, inderdaad een slechte reputatie heeft. Wellicht heeft daar hun levensloop een ander begin.
Plaatje 'Germanenjul' van internet
Ivy
De Langbroeker Wetering 6 – Kasteel na kasteel

Meer informatie vindt je bijvoorbeeld op Wikipedia:
En op kasteleninutrecht.nl een site met uitgebreide informatie en foto's
Sterkenburg heeft ook
een eigen website
waarje kunt lezen dat het kasteel sinds 2004 is ondergebracht in de
Stichting Behoud Sterkenburg, die zich inzet voor de restauratie en
behoud van kasteel en landgoed.
Tekeningen van Sterkenburg: Gerard Kuit (boven) en de Stripman (onder)
Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.

